Chapter 17

6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie dient de vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet, welke waarheden iemand minstens kennen en voor waar houden moet, om zalig te worden. Die vraag zij aan Rome overgelaten; en de Roomsche theologie make uit, of daartoe twee of vier of meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche theologie heeft in de leer van de articuli fundamentales wel den schijn op zichgeladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde. Maar zij is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet bepalen kon, die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof. En bovendien is er tusschen de leer der fides implicita en die der articuli fundamentales, bij alle schijnbare overeenstemming, een belangrijk verschil. Bij Rome werd die leer ontwikkeld met het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van Job 1:14. Maar in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong in het feit, dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met eene op vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het geloof toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die artikelsgewijze kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden in aantal zijn toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof op als fides specialis, met een bijzonder centraal object, de genade Gods in Christus; hier was eene optelsom van artikelen, wier kennis en toestemming ter zaligheid noodig was, niet mogelijk meer. Het geloof is eene persoonlijke verhouding des menschen tot Christus; het is organisch en heeft de additie, de quantiteit afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen, zonder hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie is het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor geen berekening meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als in het N. Test. bezit in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie dieper en breeder ontwikkeld wordt. Van dit standpunt uit is ook de verhouding van geloof en theologie nader in het licht te stellen.

Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij hebben het principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse Gods, het doel: de eere Gods met elkander gemeen. Ook de theologie als wetenschap staat op den grondslag des geloofs. De plaats, die in de andere wetenschappen toekomt aan de waarneming, wordt hier ingenomen door het geloof. Het geloof verschaft aan de theologie de stof voor het denken. In de mundane wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de leuze: fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod non prius fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik § 267 II S. 180noot. Leibniz vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours sur la conformité de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne Anschauungen sind leer, zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie geen inhoud dan uit en door het geloof. Zoodra zij het geloof laat varen, houdt zij zelve als theologie op te bestaan. En ook komt zij door het denken dit standpunt des geloofs nimmer te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd, maar het is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde der theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin, d. i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht. Daardoor wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd. Het geloof legt en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op dit gebied tusschen subject en object behoort te bestaan. Het plaatst den theoloog niet buiten en tegenover en boven, maar onder en in de waarheid, welke hij te onderzoeken heeft. Het doet niets anders, dan de theologie binden aan haar eigen object, op geen andere wijze als elke andere wetenschap gebonden is en blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat met haar object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met hare natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp, dat zij zoekt te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen gemeen. Naarmate zij zich strenger bindt aan haar object, loopt zij te minder gevaar om te ontaarden in dorre scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof blijft de theologie eene wetenschap der religie, eene Theologie der Thatsachen, die niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in ijle abstracties zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die Theologie der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik, 4eAufl. 1876.

Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie een aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht met elkander verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek met ethiek vrij wel identische begrippen waren. Maar theologie is thans de naam geworden voor een ganschen cyclus van vakken. Het onderscheid springt daarom thans een ieder terstond in het oog. Theologie omvat tegenwoordig eene menigte van wetenschappen, welke de eenvoudige geloovige zelfs niet bij namekent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen het gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke, hoogere, wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische kennis van zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt hemelsbreed van de wetenschappelijke kennis van den astronoom. De eerste kent alleen de facta, deze de rationes. De man van wetenschap veracht het gewone, empirische weten niet; hij werpt de natuurlijke zekerheid niet omver; maar hij heeft toch de roeping om dat gewone weten te verhelderen, uit te breiden en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet anders is het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de theologie zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe. Het geloof is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in betrekking tot den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang bij het religieus gehalte der dogmata; de theologie maakt in zekeren zin het object gegenständlich, zij tracht de waarheid te bezien gelijk zij objectief in zichzelve bestaat, zij speurt haar eenheid en haar innerlijk verband na, en zoekt te komen tot een systeem. Het geloof richt zich op het centrale object, de theologie breidt het onderzoek naar heel den omtrek van den cirkel uit. Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander niet missen. Het geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de theologie bewaart het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk en school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid en onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan. Elke faculteit beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs wil, maar leidt ook mannen op voor verschillende betrekkingen in de maatschappij. Iedere wetenschap heeft feitelijk te rekenen met de eischen van het leven. En zoo ook staat de theologie niet hoog boven, maar midden in het werkelijke leven, in het leven der gemeente. De wanverhouding, die er thans schier allerwege tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp voor beide.

7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar principium internum heeft, dient de taak der rede in de theologische wetenschap nog naderomschreven te worden. Daarbij moet dan allereerst principieel die voorstelling worden afgewezen, welke in geloof en rede twee zelfstandige machten ziet, die met elkaar worstelen op leven en dood. Op die wijze maakt men eene tegenstelling, die op christelijk terrein niet thuis behoort. Het geloof is dan altijd supra of ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant dreigt het rationalisme en aan de andere zijde het supranaturalisme. Het geloof, de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast en boven de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu cur credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen enkele wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen, logika en mathesis. Maar de rede is toch subjectum fidei recipiens, fidei capax; het geloof is een akte van het bewustzijn, van het menschelijk bewustzijn; een dier is niet tot gelooven in staat. En voorts is het geloof geen dwang, maar eene vrije daad van den mensch. De Christen gelooft niet op bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de natuurlijke habitus van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien zin, alsof er niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich verzet. Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij niet wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods. Zijne onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar vrijheid. Het geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus maar sanitas mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom niet van onderzoek en nadenken; eerder spoort het hem daartoe aan. De natuur wordt door de wedergeboorte niet vernietigd maar hersteld.

Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich wijden wil, zijn denken te praepareeren voor de taak die hem wacht. Er is geen ingang in den tempel der theologie dan door de facultas artium heen. Philosophische, historische en linguistische propraedeuse is voor den beoefenaar der godgeleerde wetenschap onmisbaar. De philosophie, zeide Clemens Alexandrinus, προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ διδασκαλιᾳ. Keizer Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche wetenschap aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene wapenenverslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende denken heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak. Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De Schrift is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen wetboek; zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie, bepaaldelijk voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen verspreid. Gelijk het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid des geloofs met inspanning aller geestelijke kracht uit de Schrift worden opgedolven. Met eenige loca probantia is niets gedaan. Niet op enkele losse teksten maar op de Schrift in haar geheel moet het dogma worden gebouwd; het moet organisch opkomen uit de principia, die er allerwege in de Schrift voor aanwezig zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te vinden, maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet enkel in sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en gelijkenissen, ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen deel der Schrift verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze het gansche systeem, Hofmann, Der Schriftbeweis, 2eAufl. I S. 1-32. Ook in de theologie dient het separatisme vermeden te worden. Het is een kenmerk van vele secten, dat zij uitgaan van een klein gedeelte der Schrift en haar overigens geheel verwaarloozen. Het ergst en meest verspreid is de verwerping of veronachtzaming van het Oude Testament. Het Marcionitisme is telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten Test. in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus in der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1893, en later bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig gebruik der H. Schrift leidt tot eenzijdigheid en dwaling in de theologie en tot krankheid in het religieuse leven. Het volle rijke beeld der waarheid komt dan niet aan het licht. De persoon en het werk des Vaders of des Zoons of des H. Geestes worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in zijn profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart en hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid gevormd en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor al deze eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bijdeze opsporing van de theologische stof eene belangrijke taak. Vervolgens heeft de theoloog deze alzoo verkregen stof ook denkend te bearbeiden. De dogmata staan niet totidem verbis, κατα ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij zijn conclusiones fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen van Christus, van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op ééne enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen. Dogmata zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de Schrift over de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche en Protestantsche godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei richtingen, die bij de letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden blijven staan, het recht van de dogmatische terminologie verdedigd. Zij deden dat, niet omdat zij minder, maar omdat zij meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan deze. Dan juist kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle eere, als niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als de gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts eene noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve maar eene discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt, vat samen, leidt andere waarheden uit de verkregene af, enz. Ook Jezus en de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32, 44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9 v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.; en kerkvaders, scholastici, Roomsche en Protestantsche godgeleerden hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft ons niet geroepen om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft het denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam te vatten in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de wetenschap te begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat zij de eenheid heeft ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt. Zij mag dat systeem niet van buiten opdringen, en de waarheid niet persen in een wijsgeerig stelsel, dat aan haar wezen vreemd is. Maar zij zoekt toch zoolang, totdat in het menschelijk bewustzijn het systeem zich afspiegele, dat in het object zelf aanwezig is. In dit alles gaat de theologie evenals andere wetenschappen te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is evenals deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpenaan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook zij niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het hoogste is ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem der kennisse Gods. Hoezeer de theologie dan ook van de andere wetenschappen verschille, in beginsel, voorwerp en doel; zij komt formeel met haar overeen en mag terecht op den naam van wetenschap aanspraak maken. En wijl de openbaring niet met de menschelijke rede strijdt per se, maar alleen per accidens corruptionis et pravae dispositionis, daarom kan de theologie zelfs in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius, Disp. I 3. De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1. De litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 574 f., en voorts Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus, Theol. El. loc. 1 qu. 8-13. Witsius, Misc. Sacra II 584 sq. en verdere litt. bij M. Vitringa’s uitgave van C. Vitringa, Doctrina christ. relig. I p. 32-34.

8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen brengt zij het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een groot onderscheid. Wel worden deze woorden dikwerf door elkander gebruikt; maar er is toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. Weten geldt de existentie, het dat; kennen de qualiteit, het wat; begrijpen de innerlijke mogelijkheid, het hoe van een ding. Begrijpen doen we zeer weinig, eigenlijk alleen datgene, wat geheel in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen. Eene machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, wat, zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. Dikwerf houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. Wat vanzelf sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn. Hoe verder eene wetenschap doordringt in haar object, naar die mate nadert zij het mysterie. Al ontmoette zij geen ander op haren weg, dan zou zij toch ten slotte altijd stuiten op het mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen ophoudt, blijft er toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is het ook in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειαςons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het treedt ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen leven te gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin heeft de christelijke theologie het altijd met mysteriën te doen, die zij wel kennen en bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden kan.

Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in gansch anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης, μυω, zich sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in het gewoon grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer die in sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace enz. alleen aan de ingewijden meegedeeld en voor alle anderen verborgen werd, Foucart, des associations religieuses chez les Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch, Griechentum u. Christenthum, deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav Anrich, Das antike Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ. Göttingen 1894. In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse beteekenis en duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van wege den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen, Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7, of ook van wege haar inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het universeele, ook de Heidenen omvattende raadbesluit Gods aangaande de verlossing in Christus, Rom. 16:25; Ef. 1:9, 3:3, 6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze, waarop dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2 vs. 7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat het nu nog verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. Thans is het juist door het evangelie van Christus openbaar gemaakt; wordt het door de apostelen als οἰκονομοι μυστηριων θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col. 1:26; 1 Cor. 2:14; Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan in de historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess. 2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend verstand onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar eene zaak, die eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie is bekend gemaakt en nu door de geloovigen wordt verstaan, Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke spraakgebruik verstond er al spoedig eene zaak onder, die onbegrijpelijk was en ook het verstand van den geloovigeverre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio mystica, de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door de rede niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch en het christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene geheimleer, die voor oningewijden verborgen moest gehouden worden; maar in de christ. kerk heeft er nooit eene eigenlijke disciplina arcana bestaan, al werd er ook eene zekere orde betracht in de meedeeling der waarheid. Zezschwitz, art. Arkandisciplin in Herzog2. Hatch, Griechenthum u. Christ. 217 f. Kattenbusch, Vergleichende Konfessionskunde I 393 f. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata onbegrepen en onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra maar toch hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S. c. Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150. Kleutgen, Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van Erigena, Raimundus Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer sprak Rome hare afkeuring uit over iedere poging, om de mysteriën des geloofs uit de rede te bewijzen. En het Conc. Vatic. sprak uit: divina mysteria suapte natura intellectum creatum sic excedunt, ut etiam revelatione tradita et fide suscepta, ipsius tamen fidei velamine contecta et quadam quasi caligine obvoluta maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur a Domino; per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3 cap. 4. De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan. Bij Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, omdat ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke orde, die het verstand van den mensch als zoodanig verre overtreft. Het moet daarom allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid der mysteriën en deze in bescherming nemen en handhaven. Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf een bewijs voor de waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est.... Certum, quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke orde door die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het mysterie niet daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar voor het verstand van den psychischen mensch onbegrijpelijk was,Calv. Inst. II, 2, 20. Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze opvatting veel meer met het N. Testamentisch spraakgebruik in overeenstemming. Nergens staat daar het abstract-bovennatuurlijke en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke van het mysterie op den voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is in de oogen van den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt geopenbaard aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30. Natuurlijk wil de Schrift nu daarmede ook niet te kennen geven, dat de geloovige die mysteriën in wetenschappelijken zin begrijpt en verstaat. Wij wandelen immers door geloof, kennen ten deele en zien door een spiegel in eene duistere rede, Rom. 11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige kent die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis meer; hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt daarom niet in hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij supra rationem zijn; hij voelt ze niet als een drukkenden last maar als eene bevrijding voor zijn denken. Zijn geloof gaat in bewondering over, zijne kennis eindigt in aanbidding, en zijne belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van dien aard is ook de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd. Zij is geen weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter en heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh. 17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt., ook nog Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe I 168. J. Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. Scholten, L. H. K. I 223. Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé de théol. syst. I 182 s. II 183.

Opmerkingen van de bewerker.Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ bijna overal als ae weergegeven, en œ overal als oe. Deze schrijfwijze is hier gehandhaafd.Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is gehandhaafd.Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie stilzwijgend gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in het Duits zijn waar nodig stilzwijgend van een hoofdletter voorzien.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd.Correcties.Pag. 5: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom onderscheiden worden tusschen).Pag. 7: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als historisch en psychologisch verschijnsel).Pag. 31: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en gesplitst heeft).Pag. 32: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως).Pag. 35: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het werk van Christus).Pag. 54: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten Jahrh.).Voetnoot 1: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque).Pag. 75: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel doen bereiken).Pag. 78: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus en Columbanus † 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië).Pag. 81: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede plaats).Pag. 83: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie eene eereplaats verzekerd).Pag. 92: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd niet uit).Pag. 96: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets des connaissances morales).Pag. 102: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle objectieve waarheid).Pag. 103: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft).Pag. 122: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de akademie van Saumur).Pag. 127: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens).Pag. 132: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the evangelical reaction of the eighteenth century).Pag. 133: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de Archbishop of the Slums).Pag. 138: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic Theology London).Pag. 153: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und Stoff).Pag. 158: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt auf der anschaulichen Welt).Pag. 162: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis, perception, Vorstellung).Pag. 167: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus in der neuesten deutschen Philosophie).Pag. 208: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van het contrat social).Pag. 221: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en veroordeelt zoowel het traditionalisme).Pag. 240: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst Weissagende).Pag. 259: „‏אֹותוֹת‎” vervangen door „‏אוֹת‎” (Vooral worden ze ook genoemd ‏אוֹת‎ Ex. 3:12).Pag. 278: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis maar unionis).Pag. 278: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring staat niet tegenover de natuur).Pag. 309: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872).Pag. 313: „39” vervangen door „3o” (3oliber aliquis).Pag. 313: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert. préliminaire).Pag. 325: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit).Pag. 328: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan).Pag. 333: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used by the evangelical writers).Pag. 339: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος).Pag. 343: „4te” vervangen door „4th” (4thed. London 1854).Pag. 343: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de heroën of genieën gewezen).Pag. 389: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der contemplatie en visio Dei).Pag. 400: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. So. dictatas et continua successione).Pag. 404: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre).Pag. 409: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde audieritis, hoc vobis bene sapiat).Pag. 426: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft).Pag. 432: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek toegepast).Pag. 444: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la certitude chrétienne).Pag. 491: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp. S.).Pag. 510: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos incarnationis intueri).

Opmerkingen van de bewerker.Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ bijna overal als ae weergegeven, en œ overal als oe. Deze schrijfwijze is hier gehandhaafd.Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is gehandhaafd.Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie stilzwijgend gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in het Duits zijn waar nodig stilzwijgend van een hoofdletter voorzien.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd.Correcties.Pag. 5: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom onderscheiden worden tusschen).Pag. 7: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als historisch en psychologisch verschijnsel).Pag. 31: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en gesplitst heeft).Pag. 32: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως).Pag. 35: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het werk van Christus).Pag. 54: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten Jahrh.).Voetnoot 1: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque).Pag. 75: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel doen bereiken).Pag. 78: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus en Columbanus † 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië).Pag. 81: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede plaats).Pag. 83: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie eene eereplaats verzekerd).Pag. 92: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd niet uit).Pag. 96: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets des connaissances morales).Pag. 102: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle objectieve waarheid).Pag. 103: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft).Pag. 122: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de akademie van Saumur).Pag. 127: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens).Pag. 132: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the evangelical reaction of the eighteenth century).Pag. 133: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de Archbishop of the Slums).Pag. 138: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic Theology London).Pag. 153: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und Stoff).Pag. 158: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt auf der anschaulichen Welt).Pag. 162: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis, perception, Vorstellung).Pag. 167: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus in der neuesten deutschen Philosophie).Pag. 208: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van het contrat social).Pag. 221: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en veroordeelt zoowel het traditionalisme).Pag. 240: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst Weissagende).Pag. 259: „‏אֹותוֹת‎” vervangen door „‏אוֹת‎” (Vooral worden ze ook genoemd ‏אוֹת‎ Ex. 3:12).Pag. 278: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis maar unionis).Pag. 278: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring staat niet tegenover de natuur).Pag. 309: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872).Pag. 313: „39” vervangen door „3o” (3oliber aliquis).Pag. 313: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert. préliminaire).Pag. 325: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit).Pag. 328: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan).Pag. 333: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used by the evangelical writers).Pag. 339: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος).Pag. 343: „4te” vervangen door „4th” (4thed. London 1854).Pag. 343: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de heroën of genieën gewezen).Pag. 389: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der contemplatie en visio Dei).Pag. 400: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. So. dictatas et continua successione).Pag. 404: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre).Pag. 409: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde audieritis, hoc vobis bene sapiat).Pag. 426: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft).Pag. 432: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek toegepast).Pag. 444: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la certitude chrétienne).Pag. 491: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp. S.).Pag. 510: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos incarnationis intueri).

Opmerkingen van de bewerker.

Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ bijna overal als ae weergegeven, en œ overal als oe. Deze schrijfwijze is hier gehandhaafd.

Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is gehandhaafd.

Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie stilzwijgend gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in het Duits zijn waar nodig stilzwijgend van een hoofdletter voorzien.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd.

Correcties.


Back to IndexNext