Chapter 18

4. Het werkverbond sluit daarom nog eene andere, schoone gedachte in. Het realiseert niet alleen de ware, volle idee der religie; het drukt ook uit, dat de mensch vóór den val, schoon naar Gods beeld geschapen, het hoogste nog niet bezat. Hierover is voornamelijk verschil met de Lutherschen. Bij dezen is de schepping naar het beeld Gods de verwezenlijking van de hoogste idee des menschen; het ideaal is in Adam ten volle bereikt; een hooger toestand is niet mogelijk. Adam had niets te worden, maar alleen te blijven wat hij was; hij was de volle gratiosa inhabitatio S. Trinitatis deelachtig. Hij stond daarom ook niet onder eene wet, die hem iets positiefs te doen beval; de wet, die voor hem gold, had alleen een negatieven inhoud; eerst de zonde heeft hem onder de heerschappij der wet gebracht. Vandaar dat bij de Lutheranen de oorspronkelijke toestand evenals bij de kerkvaders dikwijls zeer overdreven geschilderd wordt; en dat de staat, waartoe de geloovigen in Christus worden verheven, in het wezen der zaak gelijk wordt gedacht aan dien van Adam vóór den val. Bij den geloovige concentreert zich voor den Lutheraan alles om de rechtvaardigmaking; indien iemand deze deelachtig is, dan heeft hij genoeg, is hij volkomen bevredigd en zalig. De zaligheid valt geheel met de vergeving saam; er is geen behoefte om deze achterwaarts met de eeuwige verkiezing en voorwaarts met heel het christelijk leven, de goede werken, en het eeuwige leven in verband te brengen; noch praedestinatie noch perseverantie zijn hier noodig; de Luthersche geloovige geniet in het heden en heeft daaraan genoeg, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 361.Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs, I 90 f. 120 f. II 185 f. Vilmar, Dogm. I 340, Frank. Syst. d. chr. Wahrh. I 375. Anders echter de Gereformeerden, die wandelden in het voetspoor van Augustinus. Volgens hen had Adam het hoogste niet. Het hoogste is nl. de materieele vrijheid, en bestaat in het niet meer kunnen dwalen, zondigen, sterven; in het volstrekt boven alle vreeze en angst, boven alle mogelijkheid van val verheven zijn. Dit hoogste krijgen de geloovigen terstond uit genade door Christus. Zij kunnen niet meer zondigen, 1 Joh. 3:9, zij kunnen niet meer sterven, Joh. 3:16; zij hebben terstond door het geloof het eeuwige, onverliesbare leven; hunner is de perseverantia sanctorum, zij kunnen niet meer verloren gaan. Christus brengt daarom de zijnen niet in den staat van Adam vóór den val terug; Hij verwierf en schenkt veel meer, nl. ook datgene, wat Adam zou ontvangen hebben indien hij ware staande gebleven. Hij plaatst ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, welken Adam had af te loopen; Hij volbracht niet alleen de passieve, maar ook de actieve gehoorzaamheid, bevrijdt niet slechts van schuld en straf maar schenkt ook aanstonds uit genade het recht op het eeuwige leven. Adam echter had dit hoogste nog niet; hij had nog niet het eeuwige leven; hij ontving wel het posse stare, maar niet het velle stare; wel het posse si vellet maar niet het velle, quod posset; hij had het posse non errare, peccare, mori, maar nog niet het non posse errare, peccare, mori. Hij verkeerde nog in de mogelijkheid van zonde en dood, en dus ook nog in eenige vreeze en angst; zijner was nog niet de volmaakte, onveranderlijke liefde, die alle vreeze buitensluit. En terecht zeiden daarom de Gereformeerden, dat deze mogelijkheid, dit veranderlijk goed zijn, dit nog kunnen zondigen en sterven geen deel, geen stuk, geen inhoud van het beeld Gods, maar de grens, de beperking, de omtrek ervan was, Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 181. Shedd, Dogm. Theol. II 104. 150. Daarom was het noodig, dat het beeld Gods ontplooid werd, deze mogelijkheid van zonde en dood volkomen overwon en te niet deed, en schitterde in onvergankelijke glorie. Tengevolge van deze opvatting van den status integritatis, hebben de Gereformeerden in onderscheiding van anderen bij de beschrijving van den paradijstoestand eene prijzenswaardige soberheid in acht genomen. Adam was Christus niet, het natuurlijke was niet het geestelijke, hetparadijs was niet de hemel. Hoezeer dan ook het naturalisme zij te weerstaan, dat de macht der zonde miskent en den dood natuurlijk acht; aan de andere zijde is niet minder het supranaturalisme te mijden, dat het beeld Gods bestaan laat in een bovennatuurlijk toevoegsel aan de natuur. De zonde heeft volgens de Gereformeerden alles bedorven en verwoest, maar, omdat zij geen substantie is, heeft zij niet het wezen, de substantie der schepping kunnen veranderen. De mensch is als zondaar nog mensch gebleven; en zoo ook zijn alle andere schepselen, aarde, hemel, natuur, plant, dier, in weerwil van den vloek der zonde en de heerschappij der verderfenis essentieel en substantieel dezelfde gebleven. Gelijk wij boven bij de religie zagen, zoo is het ook bij al het andere: de zonde heeft geen substantie ontnomen, de genade schenkt geen substantie terug. De materia aller dingen is en blijft dezelfde, maar de forma, in de schepping geschonken, werd door de zonde gedeformeerd, om in de genade weer geheel en al te worden gereformeerd, Voetius, Disp. I 776. Deze ernstige en toch zoo gezonde opvatting van den paradijstoestand door de Gereformeerden komt op tal van punten uit. Tegen de Lutheranen en Remonstranten verdedigden zij, dat Adam, behalve aan het proefgebod, wel ter dege ook aan de zedewet gebonden was. Hij was niet exlex, al volbracht hij ze ook zonder eenigen dwang, gewillig en uit liefde. Die zedewet was Adam van nature bekend en behoefde dus niet gelijk het proefgebod op bijzondere wijze geopenbaard te worden. Zij is in wezen aan de tien geboden gelijk, maar droeg toch een anderen vorm, want de wet op Sinai gegeven, onderstelt de zonden en spreekt daarom bijna altijd negatief: gij zult niet, en de zedewet vóór den val was veel meer positief. Maar juist omdat de zedewet bij Adam uit den aard der zaak geheel positief was, maakte zij de mogelijkheid der zonde voor Adams bewustzijn niet duidelijk. Bij degeboden moest er dus eenverbod komen, bij de zedelijke wetten eene stellige wet; bij de geboden, wier natuurlijkheid en redelijkheid Adam inzag, een gebod, dat in zekeren zin willekeurig en toevallig was. In het proefgebod werd heel de zedewet voor Adam op één worp gezet; het belichaamde voor hem het dilemma: God of de mensch, zijn gezag of eigen inzicht, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid of zelfstandig onderzoek, geloof of twijfel. Het was eene ontzettende proef, die den weg opende tot eene eeuwige zaligheid of tot eeneeuwig verderf. Tegen de Coccejanen hielden de Gereformeerden staande, dat tot die zedewet ook het sabbatsgebod behoorde; de mensch vóór den val genoot den eeuwigen, hemelschen sabbat nog niet; evenals aan de wisseling van dag en nacht, was hij ook onderworpen aan die van zesdaagschen arbeid en ruste op den zevenden dag; rustdag en werkdagen waren dus ook vóór den val onderscheiden, het religieuse leven eischte ook toen een eigen vorm en dienst en dag naast het leven der cultuur. De magische, theosophische meening, dat de beide boomen in den hof de kracht om te dooden of levend te maken in zichzelve bezaten, hetzij dan van nature, Thomas, Suarez, Pererius, Reinhard, Dogm. 279. 289, hetzij op bovennatuurlijke wijze, Augustinus, Bonaventura; hetzij reeds bij het eenmalig, Bellarminus, de gr. pr. hom. c. 14 of bij het herhaald gebruik, Thomas, S. Th. I qu. 97 art. 4, cf. ook Heraut 941; werd door de Gereformeerden, ook al namen sommigen zooals Pareus, Rivetus, Zanchius, Op. III 501 eerst nog eene werking van het eten der vrucht ook op het lichamelijk leven aan, met steeds grooter eenparigheid en beslistheid verworpen, Calvijn, op Gen. 2:9, 3:22. Inst. IV 14, 12. 18. Marck, Hist. Parad. I c. 17. Litt. bij M. Vitringa II 220 sq. Deze opvatting toch is wel in overeenstemming met de Roomsche leer der sacramenten maar heeft daarom ook voor de Gereformeerden groot bezwaar; zij maakt het leven en den dood onafhankelijk van de ethische voorwaarde, d. i. van het al of niet gehoorzamen aan Gods gebod; zij onderstelt, dat de mensch na den val toch zou zijn blijven leven, indien hij maar ex opere operato had gegeten van den levensboom; zij houdt in, dat het eeuwige leven, in eens of langzamerhand bij den mensch bewerkt kon worden door het eten van eene physische vrucht, en miskent dus het onderscheid tusschen het natuurlijke en het geestelijke. Daarom zagen de Gereformeerden in den levensboom liever een teeken en zegel van het verbond der werken, dat op sacramenteele wijze het leven schonk. Evenzoo werden door de Gereformeerden alle theosophische bespiegelingen over eene mannelijke jonkvrouw, over de afwezigheid van den geslachtslust, over eene magische generatie als met de Schrift in strijd eenparig verworpen, Marck, Hist. Parad. p. 279 sq. En evenmin als de schepping der vrouw reeds een zekeren val van Adam onderstelt, is er na het intreden der zonde eene nova species in planten- of dierenrijk bijgekomen;wilde en kruipende dieren zijn volgens Voetius niet eerst na den val maar reeds op den zesden dag geschapen, Disp. V 191. En eindelijk oordeelden Calvijn, op Gen. 1:29, 9:3 en de meeste Gereformeerden, cf. Heidegger, de libertate christianorum a re cibaria 1662. Voetius, Disp. IV 387. V 194. Coccejus, S. Theol. XX 17. Marck, Hist. Parad. p. 341. Moor, III 35-38 enz., dat het vleescheten aan den mensch ook vóór den zondvloed en vóór den val geoorloofd was geweest. Dat Gen. 1:29 daarvan niet opzettelijk spreekt, kan als argumentum e silentio geen dienst doen; in Gen. 1:30 wordt alleen de plantenwereld tusschen mensch en dier verdeeld; maar van ’s menschen heerschappij en recht over de dierenwereld is daar geen sprake; deze zijn al in Gen. 1:28 aan den mensch geschonken en sluiten zeker, vooral ook met het oog op de visschen, wel het recht om dieren te dooden en te gebruiken in. Terstond na den val maakt God zelf dierenvellen en brengt Abel eene offerande, die zeker ook met een offermaaltijd gepaard ging. De kreophagie is bovendien zeker vóór den zondvloed in gebruik geweest, en zou, indien God eerst in Gen. 9:3 daartoe het recht had gegeven, vóór dien tijd ongeoorloofd en zondig zijn geweest. Gen. 9:1-5 geeft geen nieuw gebod maar hernieuwt den zegen der schepping; het nieuwe is alleen het verbod, om het vleesch met zijne ziele, d. i. met zijn bloed te eten. De grond voor het verbod, Gen. 9:5-7, om een mensch te dooden, is bij de dieren niet aanwezig; zij zijn immers niet naar Gods beeld gemaakt. En ten slotte is niet in te zien, waarom juist na den val en na den zondvloed het vleeschgebruik door God aan den mensch zou zijn toegestaan; omgekeerd zou men verwachten, dat het recht en de heerschappij des menschen na den val beperkt zou zijn; dat het vleeschgebruik, om verwildering tegen te gaan, zou zijn afgeschaft; dat het vegetarianisme veel meer in overeenstemming zou geacht zijn met den na val en zondvloed intredenden toestand des menschen dan de kreophagie, cf. Zöckler, Lehre vom Urstand 273 f. Köhler, Bibl. Gesch. I 33 f. De Gereformeerde theologie kon in al deze vraagstukken zoo gezond oordeelen, omdat zij diep doordrongen was van de gedachte, dat Adam het hoogste nog niet had. De zonde heeft zonder twijfel eene kosmische beteekenis; zij werkt blijkens den dood ook in het physische in, en heeft de gansche aarde gebracht onder den vloek. Zonder haar zou de ontwikkeling der menschheid ende geschiedenis der aarde eene gansch andere zijn geweest, al is het ook, dat wij ons daarvan geen voorstelling kunnen maken. Maar toch is andererzijds de status integritatis niet te vereenzelvigen met den status gloriae; uit dezen mag niet tot genen worden besloten; Jes. 11:6, 65:25 zijn evenmin op den toestand vóór den val toepasselijk als Mk. 12:25, Luk. 20:36, 1 Cor. 6:13 enz. De forma is veranderd, maar de materia van mensch, plant, dier, natuur, aarde is vóór en na den val gelijk. Alle essentiëele bestanddeelen, die er nu zijn, bestonden ook vóór den val. Het onderscheid en de ongelijkheid van man en vrouw, van ouders en kinderen, van broeders en zusters, van verwanten en vrienden; de menigvuldige instellingen en verhoudingen in het maatschappelijk leven zooals huwelijk, huisgezin, opvoeding enz.; de wisseling van dag en nacht, werkdagen en rustdag, arbeid en ontspanning, maanden en jaren; de heerschappij des menschen over de aarde door wetenschap en kunst enz.; zij zijn ongetwijfeld door de zonde gewijzigd en van gedaante veranderd, maar zij hebben desniettemin niet in de zonde maar in de schepping, in de ordinantiën Gods hun beginsel en grondslag. Het socialisme en communisme, ook van vele christelijke secten, strijdt terecht tegen de schrikkelijke gevolgen der zonde, vooral ook op maatschappelijk gebied; maar het blijft daarbij niet staan, het komt ook met de natuur der dingen, met de scheppingsordinantiën in conflict, en draagt daardoor steeds niet een reformatorisch maar een revolutionair karakter.

5. Er ligt ten slotte in de leer van het foedus operum nog eene derde gedachte opgesloten, die van de rijkste religieuse en ethische beteekenis is. Adam werd nietalleengeschapen; als man was hij op zichzelf incompleet; hem ontbrak iets, dat geen lager schepsel hem vergoeden kon, Gen. 2:20. Als man alleen was hij dus ook nog niet het ten volle ontplooide beeld Gods. De schepping des menschen naar Gods beeld is op den zesden dag dan eerst voltooid, als God beide, man en vrouw, in vereeniging met elkaar, cf.‎‏אותם‏‎Gen. 1:27, schept naar zijn beeld. Toch is ook deze schepping van man en vrouw te zamen naar Gods beeld niet het einde maar het begin van Gods weg met den mensch. Het is niet goed, dat de man; het is ook niet goed, dat man en vrouw alleen zijn. Over hen beiden spreekt Godterstond den zegen der vermenigvuldiging uit, Gen. 1:28. Niet de enkele mensch, en niet man en vrouw saam, maar de gansche menschheid is eerst het ten volle ontplooide beeld Gods, zijn zoon, zijn geslacht. Het beeld Gods is veel te rijk, dan dat het in één enkel menschenkind, hoe rijk begaafd ook, geheel kan worden verwezenlijkt. Eerst in eene menschheid met millioenen leden kan het eenigermate in zijn diepte en rijkdom worden ontvouwd. Gelijk de vestigia Dei verspreid zijn over vele, vele werken, beide in ruimte en tijd; zoo is de imago Dei alleen ten voeten uit te teekenen in eene menschheid, wier leden beide na en naast elkaar bestaan. Maar gelijk de kosmos eene eenheid is en in den mensch zijn hoofd en heer ontvangt; gelijk de door heel de wereld heen verstrooide vestigia Dei saamgevat worden in en opgevoerd worden tot de imago Dei van den mensch; zoo is ook die menschheid op haar beurt als een organisme te denken, dat juist als zoodanig eerst het ten volle ontplooide beeld Gods is. Niet als een hoop zielen op een stuk grond, niet als onsamenhangend aggregaat van individuen, maar als uit éénen bloedegeschapen, als één huisgezin, als ééne familie is de menschheid het beeld en gelijkenis Gods. Tot die menschheid behoort ook hare ontwikkeling, hare geschiedenis, haar zich steeds uitbreidende heerschappij over de aarde, hare vooruitgang in kennis en kunst, haar onderwerping van alle schepselen. Ook dit alles is ontvouwing van het beeld en de gelijkenis Gods, waarnaar de mensch werd geschapen. Gelijk God niet eenmaal bij de schepping zich geopenbaard heeft maar die openbaring voortzet en vermeerdert van dag tot dag en van eeuw tot eeuw; zoo is ook het beeld Gods geen onveranderlijke grootheid, maar het legt zich uit en ontplooit zich in de vormen van ruimte en tijd. Het is eene Gabe en Aufgabe tegelijk; het is een onverdiend genadegeschenk, dat reeds terstond in de schepping aan den eersten mensch werd verleend, maar het is tevens beginsel en kiem van eene gansch rijke, heerlijke ontwikkeling. Eerst de menschheid in haar geheel, als één volkomen organisme, saamgevat onder één hoofd, verbreid over de gansche aarde, als profetesse de waarheid Gods verkondigend, als priesteresse zich Gode wijdende, als koninginne de aarde en heel de schepping beheerschende, eerst zij is het ten volle afgewerkte beeld, de sprekendste en treffendste gelijkenis Gods. De Schrift leert dit alles duidelijk,als zij zegt, dat de gemeente de bruid is van Christus, de tempel des H. Geestes, de woning Gods, het nieuwe Jeruzalem, waar alle heerlijkheid der volken wordt samengebracht. Want wel wordt daarmee de status gloriae geteekend, die nu door de zonde heen bereikt worden zal; maar religie, zedewet, eindbestemming is in werk- en genadeverbond wezenlijk gelijk. In beide is het om een rijk Gods, om eene heilige menschheid te doen, waarin God kan zijn alles in allen. Slechts één punt in deze voorstelling eischt nog eenige nadere bespreking. De menschheid is niet als een volkomen organisme te denken, tenzij zij verbonden en saamgevat zij in een hoofd. In het foedus gratiae bekleedt Christus dien rang, Hij is het hoofd der gemeente; in het foedus operum werd die plaats ingenomen door Adam. Reeds Eva werd daarom uit Adam geschapen, opdat deze principium totius speciei zou zijn en de eenheid van het menschelijk geslacht wortelen zou in de eenheid van haar oorsprong. De vrouw is dus zeer zeker wel de menschelijke natuur en het beeld Gods deelachtig en zij vertegenwoordigt beide op eene eigene wijze en naar haar eigen aard; maar zij is beide deelachtig niet tegenover maar naast anderen en in verbinding met den man; zij isἐκ ἀνδρος, δια τον ἀνδρα, δοξα ἀνδρος, zij is niet zonder den man; en ook de man, schoon hoofd der vrouw enεἰκων και δοξα θεουomdat hij in de eerste plaats drager der heerschappij is, is toch ook zonder de vrouw niet compleet, ook hij is niet zonder de vrouw, want deze is de moeder aller levenden, 1 Cor. 11:7-12, Ef. 5:22 v. Bovenal echter wijst Paulus ons deze eenheid der menschheid aan, als hij Adam stelt tegenover Christus, Rom. 5:12-21, 1 Cor. 15:22, 45-49. De menschheid is niet alleen physisch uit éénen bloede, Hd. 17:26; dat ware voor de menschheid niet genoeg, het geldt immers ook van al die diersoorten, welke in den beginne werden geschapen. Bovendien, Christus, de antitype van Adam, is niet onze stamvader; wij zijn niet physisch uit Hem voortgekomen, maar Hijzelf is uit Adam, zooveel het vleesch aangaat. In dit opzicht zijn Adam en Christus niet gelijk. Maar de overeenkomst ligt daarin, dat de menschheid in ethischen zin tot Adam in dezelfde verhouding staat als tot Christus. Op dezelfde wijze als Christus oorzaak is van onze gerechtigheid en ons leven, is Adam het van onze zonde en onzen dood. God rekent en oordeelt in één mensch het gansche menschelijkgeslacht. Dit nu hebben de Gereformeerden in hun leer van het foedus operum uitgedrukt. Daarin komt eerst, niet maar de physische, doch de ethische eenheid der menschheid tot haar recht. En deze is voor de menschheid als organisme noodzakelijk. In het algemeen eischt de architectonische wet overal het monarchale systeem. Een kunstwerk moet beheerscht worden door ééne gedachte; eene leerrede moet één thema hebben; eene kerk wordt voltooid in den toren; de man is het hoofd des gezins; in een rijk is de koning drager van het gezag; het menschelijk geslacht als één organisch geheel, als eene ethische Gemeinschaft, is niet denkbaar zonder een hoofd. In het foedus operum bekleedde Adam die plaats. Het proefgebod bewijst, dat hij eene geheel exceptioneele positie innam; hij was stamvader niet alleen, maar ook hoofd, vertegenwoordiger van heel het menschelijk geslacht; zijne daad was beslissend voor allen. Gelijk het lot van heel het lichaam rust bij het hoofd, dat voor alle leden denkt en oordeelt en beslist; gelijk het welzijn van een gezin afhangt van den man en vader; gelijk een vorst ten zegen of ten vloek kan zijn voor duizenden en millioenen onderdanen; zoo is het lot der menschheid in de handen van Adam gelegd. Zijne overtreding is de val geworden van heel zijn geslacht; maar zijne gehoorzaamheid ware ook het leven voor al zijne nakomelingen geweest, gelijk de antitype Christus bewijst. Indien wij niet zonder ons weten in Adam der verdoemenis konden onderworpen worden, zouden we ook niet buiten ons toedoen in Christus tot genade kunnen worden aangenomen. Werk- en genadeverbond staan en vallen met elkaar. Eénzelfde wet geldt voor beide. Op de basis der physische afstamming is eene ethische eenheid gebouwd, welke de menschheid overeenkomstig haar aard als één organisme optreden doet en hare leden niet alleen door banden des bloeds maar ook door gemeenschap aan zegen en vloek, aan zonde en gerechtigheid, aan dood en leven ten nauwste met elkander verbindt.

6. Van hieruit valt er een nieuw licht op het vraagstuk van de voortplanting van het menschelijk geslacht. Ten allen tijde waren daarover de gevoelens verdeeld. Het praeexistentianisme van Pythagoras, Plato, Plotinus, Philo en de latere Joden vond onder de Christenen slechts bij weinigen ingang, Orig., de princ. I 6, 2. 8, 3. II 9, 2. c. Cels. I 32. 33. Henry More, Mysteriumpietatis 1660. Kant, Relig. ed. Rosenkranz 44 f. Schelling, Werke I 7 S. 385 f. Müller, Sünde II599 f. 504 f. De Schrift bood er ook niet den minsten grond voor; onze ziel is van zulk een voorbestaan zich volstrekt niet bewust en ziet in het lichaam zoo weinig een kerker en strafplaats, dat ze huivert voor den dood; het wortelt bovendien in een heidensch dualisme van geest en stof, vernietigt de eenheid van het menschelijk geslacht en wischt het onderscheid tusschen mensch en engel uit. Daarentegen bleef tusschen traducianisme en creatianisme in de christelijke theologie het pleit onbeslist. Het eerste had in den ouden tijd vele voorstanders, zooals Tertullianus, de an. 19. 27, Rufinus, Makarius, Eunomius, Apollinaris, Gregorius Nyss., en volgens Hieronymus zelfs maxima pars occidentalium, maar later werd het op enkele uitzonderingen na alleen omhelsd door de Lutherschen, door Luther zelf, die echter eerst creatianist was, Köstlin, Luthers Theol. II 365, en dan door Melanchton, Gerhard, Loc. VIII c. 8. Quenstedt, I 519. Hollaz, Ex. 414. Philippi, K. Gl. III 103. Vilmar, Dogm. I 348. Frank, Chr. Wahrh. I 400. Delitzsch, Bibl. Psych. 106 f. Cremer in Herzog214, 27 enz. Het creatianisme werd oudtijds verdedigd door Clemens Alex., Strom. IV 26. Lactantius, Inst. III 18. Hilarius, Pelagius, Cassianus, Gennadius, Theodoretus, Athanasius, Gregorius Naz., Cyrillus Alex., Ambrosius enz. Hieronymus sprak er reeds van als kerkelijke leer. Grieksche, scholastieke en Roomsche theologen zijn dan ook allen creatianist, Lombardus, Sent. II 17. 18. Thomas, S. Th. I qu. 90 en 118. c. Gent. II 86-89. Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. IV 2. Scheeben, Dogm. II 172 f. Kleutgen, Philos. II 583 f.; en slechts enkelen, zooals b. v. Klee, Dogm. II2313 f. toonen sympathie voor het traducianisme. Ook de Gereformeerden kozen op weinigen na, zooals Sohnius, Op. II 563. Martyr, Loci p. 81 en in den nieuwen tijd vooral Shedd, Dogm. Th. II 22. 75. III 250, voor het creatianisme partij, Calvijn op Hebr. 12:9. Zanchius, Op. III 609. Polanus V 31. Voetius, Disp. I 798. Moor II 1064 III 289. Marck, Hist. Parad. II 4 § 7-9 enz. Sommigen laten de kwestie liefst onbeslist, Aug. de anima et ejus orig. de Gen. ad litt. X. Epist. 166 ad Hieron. Retract. II 45. 46, Gregorius Magnus, Leo Magnus, Isidorus, Chemniz, Buddeus, Musculus, Piscator, Maresius, of zoeken eene bemiddeling, Leibniz, Theod. I 91. Rothe,Ethik § 136. Ebrard, Dogm. I 327 f. Inderdaad wegen traducianisme en creatianisme in kracht van argumenten vrij wel tegen elkaar op. Het traducianisme beroept zich op de schepping van Eva, van wier ziel niet afzonderlijk sprake is en die daarom heetἐξ ἀνδρος, Gen. 2:21, 1 Cor. 11:8; op de spreekwijze der H. Schrift, dat de nakomelingen in de lendenen der vaders begrepen en uit hunne heup zijn voortgekomen, Gen. 46:26, Hebr. 7:9, 10; op het woord‎‏ידע‏‎, bekennen, dat tegelijk eene geestelijke handeling zou aanduiden; op de voltooiing der schepping op den zevenden dag, Gen. 2:2; op het feit, dat ook de dieren huns gelijken kunnen voortbrengen, Gen. 1:28, 5:3, 9:4, Joh. 3:6, en vooral ook op de overerving der zonde en van allerlei psychische eigenschappen. Het creatianisme daarentegen vindt steun in de schepping van Adams ziel, Gen. 2:7; in vele teksten als Pred. 12:7, Zach. 12:1, vooral Hebr. 12:9, cf. Num. 16:22, 17:16, waarvan zelfs Delitzsch, Bibl. Psych. 114 zegt: eine klassischere Beweisstelle für den Creatianismus kann es kaum geben; en dan bovenal op de geestelijke, eenvoudige, ondeelbare, onsterfelijke natuur van de ziel. En gelijk traducianisme en creatianisme in argumenten vrij wel gelijk staan, zoo zijn ze beide ook even onbekwaam tot oplossing der moeilijkheden. Het traducianisme verklaart noch den oorsprong der ziel noch de overerving de zonde. Wat het eerste aangaat, moet het òf komen tot de leer, dat de ziel van het kind reeds te voren in de ouders en voorouders bestond, dus tot eene soort van praeexistentianisme; òf dat de ziel potentieel in het zaad van man of vrouw of van beide begrepen is, d. i. tot materialisme; òf dat ze door de ouders op eene of andere wijze voortgebracht wordt, d. i. tot creatie, nu niet door God maar door den mensch. En wat het tweede aangaat, kan het traducianisme hier niets ter verklaring bijdragen, omdat de zonde niet stoffelijk en geen substantie is maar eene zedelijke qualiteit, zedelijke schuld en zedelijke verdorvenheid. Even machteloos staat het creatianisme tegenover deze problemen. Ook al vat het de schepping der ziel zoo organisch mogelijk op, en al zegt het met Lombardus, Sent. II dist. 17: creando infundit eas Deus et infundendo creat; toch staat het verlegen bij de vraag, wanneer de ziel in het embryo wordt geschapen, cf. b.v. Polanus V 31. Bucanus VIII 26, en hoe de anima rationalis de dan toch vroeger reeds het embryobezielende anima vegetativa en anima sensitiva vervangt, cf. Thomas, S. Th. I qu. 118 art. 2. c. Gent. II 59. 68. En de erfzonde kan door het creatianisme alleen zoo verklaard worden, dat de ziel, eerst rein door God geschapen, door het lichaam besmet wordt, wat echter de zonde stoffelijk maakt, Lombardus, Sent. II dist. 31; of dat God, op hetzelfde oogenblik dat Hij ze schept, haar ook schuldig stelt en onrein maakt, Voetius, Disp. I 1097. Turretinus, Th. El. IX 12. Moor III 289. Geen wonder, dat daarom vele Pelagianen en Roomschen juist op grond van het creatianisme de erfzonde in positieven zin ontkenden. Gangauf, Met. Psych. des h. August. 259. Oswald, Relig. Urgesch. 155 f. 163 f. 189 f. Argumenten en bezwaren geven daarom den doorslag niet bij de keuze tusschen traducianisme en creatianisme; zij zouden veeleer nopen, om met een non liquet te eindigen.

7. Des te opmerkelijker is het, dat Grieksche, Roomsche en Gereformeerde theologen schier eenstemmig voor het creatianisme zich verklaarden, terwijl het traducianisme alleen bij de Lutherschen ingang vond. Dit kan geen toeval wezen; er moet daarvoor eene reden zijn. En die reden ligt in de verschillende opvatting van het wezen en de bestemming van den mensch. Vooreerst toch stelt de Luthersche theologie het beeld Gods alleen in eenige zedelijke eigenschappen, in de justitia originalis. Gelijk altijd, zoo beperkt zij ook hier haar blik tot het ethisch-religieuse en voelt geen behoefte, om dit in verband te brengen met heel het kosmische zijn en op te vatten als een schakel in den ganschen raad Gods. Daardoor komt nu het wezen des menschen noch tegenover de engelen noch tegenover de dieren tot zijn recht. Want als de mensch dit beeld Gods bezit, dan is hij vrij wel aan de engelen gelijk; het verschil is in vergelijking met wat ze gemeen hebben van geen beteekenis; ook de engelen dragen het beeld Gods. En als de mensch dit beeld Gods mist, dan zinkt hij tot de dieren af, wordt een stok en een blok; wat hem dan nog van de dieren onderscheidt heeft theologisch en religieus zoo weinig waarde, dat het haast niet meer in aanmerking komt; het groote onderscheid lag toch in het beeld Gods en dat heeft hij totaal verloren. De grenzen tusschen mensch en engel en tusschen mensch en dier worden hier dus niet scherp getrokken; de justitiaoriginalis is het één en al, al het andere in den mensch is ondergeschikt en theologisch haast van geen waarde. Maar daarom is het nu voor de Luthersche theologie ook onverschillig, hoe de mensch ontstaat; of liever, hetgeen de mensch met den engel gemeen heeft, nl. het beeld Gods, de justitia originalis, dat moet en dat kan alleen door schepping ontstaan, dat is in volstrekten zin eene gave; maar alwat de mensch overigens bezit, wordt op dezelfde wijze als bij de dieren overgeplant. Maar Roomsche en Gereformeerde theologen zochten, ook al noemden zij de engelen soms nog beeld Gods, van den aanvang af het beeld Gods in het gansche, en geheel eigenaardige wezen des menschen. Het bestond zeer zeker ook in de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid, maar deze droegen dan zelfs bij de menschen nog weer een ander karakter dan bij de engelen; en het bestond in die deugden niet alleen maar voorts in al wat menschelijks is in den mensch. Het bestond dus ook daarin, dat hetπνευμαbij den mensch van stonde aan georganiseerd was voor de verbinding met eenσωμα, en dat zijnσωμαvan huis uit aangelegd was op hetπνευμα. Vóór en na den val, in den status integritatis en corruptionis, in den status gratiae en gloriae, altijd is en blijft de mensch wezenlijk onderscheiden van engel en dier. Als hij het beeld Gods heeft, wordt hij geen engel; als hij het verliest, wordt hij geen dier; hij blijft altijd en eeuwig mensch en in zoover ook altijd en eeuwig Gods beeld. En dit nu wordt alleen in het creatianisme voldoende gehandhaafd. Omdat de mensch als een gansch eigensoortig wezenbestaat, daaromontstaat hij ook op geheel bijzondere wijze. Hij is aan engel en dier verwant en toch van beide wezenlijk onderscheiden; in zijn sterven verschilt hij van beide en daarom ook in zijn oorsprong; Adams schepping is anders dan die der dieren en ook anders dan die der engelen. Het creatianisme handhaaft alleen voldoende de specifieke eigenaardigheid van den mensch; het weert beide pantheisme en materialisme af en eerbiedigt de grenzen tusschen mensch en dier.

In de tweede plaats volgt uit de Luthersche opvatting van het beeld Gods, dat de moreele eenheid van het menschelijk geslacht terugtreden moet achter de physische afstamming. Door den val hebben de menschen in en met het gansche beeld Gods ook alle geestelijke en zedelijke eenheid verloren. De natuurlijke religie, moraal enz. is van schier geen beteekenis. Alleen de physischeafstamming houdt hen saam, en deze is tevens de oorzaak van hunne zedelijke verdorvenheid. De zonde, die den mensch van alle religie en zedelijkheid en het gansche beeld Gods heeft beroofd, kan daarom ook niet op ethische wijze maar alleen door physische afstamming aller deel worden. Zij is wel geen substantie, ofschoon Luther e. a., vooral Flacius, tot zeer sterke uitdrukkingen kwamen, maar zij is toch in de eerste plaats eene smet, een bederf, dat heel den mensch heeft aangetast en juist al het religieuse en ethische in hem doodt. Maar Roomsche en Gereformeerde theologie zeiden daartegenover, schoon ieder op hare wijze, dat de eenheid der menschheid niet alleen was van physischen maar ook van ethischen aard. Physische afstamming toch is niet genoeg; dan zouden ook de diersoorten reeds eene eenheid vormen. Overeenkomst in zedelijke deugden zonder meer is ook ongenoegzaam, want dan vormden ook de engelen onderling en dezen met de menschen eene eenheid. Diersoorten zijn wel physisch uit éénen bloede, maar zij zijn geen corpus morale; en engelen zijn wel een eenheid maar niet in den bloede verwant. De eigensoortigheid van den mensch eischt dus, dat de eenheid der menschheid beide physisch en ethisch zij. En omdat de erfzonde niet physisch is maar alleen ethisch, daarom kan zij ook alleen op de ethische, foederale eenheid der menschheid gebouwd zijn. Physische afstamming is tot hare verklaring niet voldoende en loopt gevaar, om ze te materialiseeren. Het zoogenaamde realisme b.v. van Shedd bevredigt niet, noch ter verklaring der zonde uit Adam, noch ter verklaring van de gerechtigheid uit Christus. Er is nog eene andere eenheid onder de menschen van noode, om ze saam te doen optreden als een corpus morale, organisch verbonden en met elkander ook in ethisch opgericht solidair. En dat is de foederale eenheid. Op de basis van de physische moet eene ethische eenheid worden opgetrokken. Adam als stamvader is niet genoeg, hij moet ook wezen verbondshoofd van het menschelijk geslacht, gelijk ook Christus, schoon in physischen zin onze stamvader niet, toch juist als Verbondshoofd aan zijne gemeente de gerechtigheid en zaligheid schenken kan. En deze moreele eenheid van het menschelijk geslacht is nu alleen bij het creatianisme te handhaven. Zij draagt immers een eigen karakter, is zoowel van die onder dieren als van die der engelen onderscheiden, en komt dus ook op eeneeigene wijze, door physische afstamming en door eene scheppende daad Gods, beide in verbinding met elkander, tot stand.

In de derde plaats eindelijk bekommert zich de Luthersche theologie krachtens hare opvatting van het beeld Gods weinig om de bestemming van den mensch. Adam had alles wat hij behoefde; hij moest slechts blijven wat hij was; het onderscheid tusschen het posse non en non posse peccare is van weinig gewicht; de perseverantia is geen hooger goed, in Christus aan de zijnen geschonken. En zoo had Adam voor zijne nakomelingen niets hoogers te verwerven; hij had alleen over te leveren wat hij had; traducianisme is daartoe voldoende; voor werkverbond encreatianismeis er geen plaats. Maar wederom gingen de Roomsche en Gereformeerde theologie van eene andere gedachte uit. De bestemming des menschen ligt in de hemelsche zaligheid, het eeuwige leven, de aanschouwing Gods. Maar deze kan hij alleen bereiken in den weg der gehoorzaamheid. Er is geen verhouding tusschen deze gehoorzaamheid en dat leven. Hoe kan dan toch aan den mensch die hemelsche zaligheid als een loon op zijne werken worden geschonken? Rome zegt: doordat hem in het beeld Gods eene bovennatuurlijke genade wordt verleend, die hem het eeuwige leven ex condigno kan doen verdienen. De Gereformeerde zegt: doordat God met den mensch een verbond opricht en hem het eeuwige leven schenken wil, niet naar de waardigheid zijner werken maar naar zijne eigene genadige beschikking. Beiden echter stemmen daarin overeen, dat de bestemming des menschen ligt in het eeuwige leven, dat deze alleen te bereiken is in den weg der zedelijke gehoorzaamheid, en dat God de beslissing in deze zaak voor het menschelijk geslacht in de handen van Adam heeft gelegd. En daarom kwamen beiden ook tot het creatianisme. Daartoe was immers noodig, èn dat alle menschen in het verbondshoofd Adam begrepen waren èn dat zij tegelijk zelf personen, individuen, menschen bleven met zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Physische afstamming alleen zou gemaakt hebben, dat de zonde, die wij uit Adam kregen, een lot ware, een natuurproces, eene krankheid, die buiten onzen wil en dus buiten onze schuld omgaat. Dat is echter de zonde niet. En ook de gerechtigheid, die Christus, de laatste Adam, ons schenkt, draagt dat karakter niet. Beide onderstellen eene foederale verhouding der menschheid tot hare hoofden. En zoo handhaaft nuhet creatianisme, dat ieder mensch een organisch lid is van het groot geheel, en tegelijk, dat hij in dat groot geheel eene eigene, zelfstandige plaats inneemt. Het houdt vast de eenheid van heel het menschelijk geslacht en tegelijk de zelfstandige beteekenis van ieder individu. Menschen zijn geen exemplaren, geen nummers van een soort, ze zijn ook geen los naast elkaar staande individuen gelijk de engelen. Ze zijn beide te zamen, deelen van het geheel en individuen,levende steenenvan het Godsgebouw. Het creatianisme bewaart de organische, beide physische en moreele, eenheid der menschheid en tegelijk eerbiedigt het het mysterie der persoonlijkheid. Ieder mensch een lid van het lichaam der menschheid en tevens toch eene eigen gedachte Gods, met een eeuwige beteekenis en eene eeuwige bestemming! Elk mensch zelf een beeld Gods en toch dat beeld eerst ten volle in de gansche menschheid ontplooid! Krachtens deze eenheid viel nu wel heel de menschheid in Adam, haar stamvader en hoofd; maar deze val is toch geen lot, geen natuurproces, hij berust integendeel op eene vrijmachtige beschikking Gods. En deze beschikking, hoe vrijmachtig ook, is toch zoo weinig willekeurig, dat zij veeleer den physischen samenhang der menschheid onderstelt, hare ethische eenheid tot stand brengt en handhaaft en niet alleen de gestrengheid Gods maar ook den rijkdom zijner genade op het luisterrijkst openbaren en in het licht stellen kan. Want als Adam valt, staat Christus gereed, om zijne plaats in te nemen. Het genadeverbond kan het werkverbond vervangen, omdat beide rusten op dezelfde ordinantiën. Indien wij niet konden veroordeeld worden in Adam, wij zouden niet kunnen vrijgesproken worden in Christus. Hoe dus de eerste mensch ook kieze, de schepping zal hare bestemming niet missen. De kosmogonie gaat in Genesis terstond in geogonie en deze in anthropogonie over. Wereld, aarde, menschheid zijn één organisch geheel. Ze staan, ze vallen, ze worden opgericht met elkaar. De vestigia Dei in de schepping en de imago Dei in den mensch mogen verwoest en verminkt worden door de zonde van den eersten Adam; ze komen door den laatsten Adam en door zijne herscheppende genade tot des te luisterrijker openbaring. De status integritatis bereidt door den val heen of buiten den val om den status gloriae voor, waarin God zijne heerlijkheid op zijne schepselen leggen en in allen alles wezen zal.

Opmerkingen van de bewerker.Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze schrijfwijze is hier gehandhaafd.Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend gecorrigeerd. Ook zijn de nummers van paragrafen 27-33 hersteld zoals aangegeven in voetnoot[*]. In hoofdstuk V, § 29 (De Schepping) ontbreekt in het origineel een paragraaf 11. De nummering is hier onveranderd weergegeven.Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens stilzwijgend verbeterd of aangevuld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd.Correcties.Pag. 33: „mesnchen” vervangen door „menschen” (Alle menschen roepen in weerwil van).Pag. 44:: „Au” vervangen door „An” (John Caird, An introduction to the philos. of religion).Pag. 67: „schepter” vervangen door „scepter” (zijn zetel, troon, voetbank, roede, scepter, wapens).Pag. 71: „accomodeeren” vervangen door „accommodeeren” (dan moet Hij tot ons neerdalen, zich accommodeeren).Pag. 71: „anthopomorphismen” vervangen door „anthropomorphismen” (Wie daarom het recht der anthropomorphismen bestrijdt).Pag. 82: „sum” vervangen door „zum” (Anweisung zum seligen Leben oder Religionslehre).Pag. 85: „menseh” vervangen door „mensch” (De verhouding van God en mensch vindt haar beeld).Pag. 93: „qnas” vervangen door „quas” (quia haecanimarumsunt, quas illa lux perfundit).Pag. 95: „heiligbeid” vervangen door „heiligheid” (In God moge naar het wezen heiligheid en barmhartigheid hetzelfde zijn).Pag. 105: „‎‏חאדון‏‎” vervangen door „‎‏האדון‏‎” (afwisselend met ‎‏האדון‏‎, dat weer versterkt wordt).Pag. 107: „‎‏לְעַלֵּם‏‎” vervangen door „‎‏לְעֹלָם‏‎” (waar men ‎‏לְעֹלָם‏‎, om te verbergen, las).Pag. 107:„ΙΙΙΙΙΙ”vervangen door„ΠΙΠΙ”(de vier letters geschreven alsΠΙΠΙ, of ook volgens Diodorus Siculus).Pag. 110: „oorsponkelijk” vervangen door „oorspronkelijk” (de naam Ihvh oorspronkelijk, naar zijne afleiding).Pag. 110: „onstond” vervangen door „ontstond” (Door verkorting ontstond de vorm).Pag. 116: „Dent.” vervangen door „Deut.” (Ex. 23:17, Deut. 10:17, Jos. 3:13).Pag. 141: „359” vervangen door „369” (Hoornbeek, Socin. conf. I p. 368-369).Pag. 160: „quotve” vervangen door „quot ue” (quot nascantur culices, quot ue moriantur).Pag. 163: „condionata” vervangen door „conditionata” (De kennis der futura conditionata gaat dus vooraf).Pag. 169: „Cristus” vervangen door „Christus” (de dwaasheid des kruises, 1 Cor. 1:18, in Christus).Pag. 177: „goed” vervangen door „goede” (een goede vriend enz.).Pag. 181: „‎‏אֹרֶך אַפַּיַם‏‎” vervangen door „‎‏אֹרֶך אַפַּיִם‏‎” (lankmoedigheid,‎‏רוּחַ‏‎of‎‏אֹרֶך אַפַּיִם‏‎,μακροθυμια, ἀνοχη, χρηστοτης).Pag. 183: „‎‏אָהֲבָה‏‎” vervangen door „‎‏אַהֲבָה‏‎” (Het Hebr.‎‏אַהֲבָה‏‎wordt niet weergegeven doorἐρως).Pag. 185: „Relionsgesch.” vervangen door „Religionsgesch.” (Smend, Altt. Religionsgesch. 333 f.).Pag. 187: „aldaar” vervangen door „altaar” (den tabernakel en het altaar door zalving).Pag. 204: „zich selbt” vervangen door „sich selbst” (die das ewige Eine empfindet, sich selbst zu gebären).Pag. 218: „condionata” vervangen door „conditionata” (en die in voluntas absoluta en conditionata).Pag. 222: „‎‏חַגָּדוּל‏‎” vervangen door „‎‏הַגָּדוּל‏‎” (Jes. 1:24, ‎‏הָאֵל הַגָּדוּל הַגִּבּוֹר‏‎, wiens naam is Ihvh Zebaoth).Pag. 222: „‎‏סֹחַ‏‎” vervangen door „‎‏כֹּחַ‏‎” (wiens naam is Ihvh Zebaoth, Jer. 32:18, ‎‏אַמִּיץ כֹּחַ‏‎ Job 9:4).Pag. 235: „waar-waardoor” vervangen door „waardoor” (het gesproken woord, waardoor Hij alle dingen schept).Pag. 250: „schepter” vervangen door „scepter” (afschijnsel van Gods majesteit, scepter zijner majesteit).Pag. 261: „voooreerst” vervangen door „vooreerst” (Zij beriepen zich vooreerst op eene reeks).Pag. 262: „doordoor” vervangen door „daardoor” (Hij daardoor van God als den ongeborene).Pag. 268: „ook ook” vervangen door „ook” (om de waarheid eenigermate, zij het ook gebrekkig, weer te geven).Pag. 271: „alleng” vervangen door „allengs” (Maar allengs werd οὐσια in een anderen zin).Pag. 271: „Aristoleles” vervangen door „Aristoteles” (wat Aristoteles genoemd had).Pag. 275: „ontplooing” vervangen door „ontplooiing” (in de menschheid tot haar volle ontplooiing).Pag. 282: „vruchbaar” vervangen door „vruchtbaar” (gedachte, dat God vruchtbaar is).Pag. 283: „de” vervangen door „des” (En daarom is Hij niet voortgebracht door den wil des Vaders).Pag. 307: „de” vervangen door „der” (voor de leer der drieëenheid).Pag. 322: „nitgegeven” vervangen door „uitgegeven” (en door den Jesuit Sirmond in 1643 werd uitgegeven).Pag. 326: „praedestinatia” vervangen door „praedestinatio” (dat de geheele praedestinatio genade is).Pag. 341: „Salmur” vervangen door „Saumur” (Synt. thesium in acad. Saumur).Pag. 362: „iufralapsarische” vervangen door „infralapsarische” (toch weer tot de infralapsarische orde voortschrijden).Pag. 376: „natnur” vervangen door „natuur” (Ze strijden met zijn natuur).Pag. 383: „menigmanl” vervangen door „menigmaal” (de Schrift spreekt toch menigmaal ook).Pag. 383: „Christns” vervangen door „Christus” (gaat de verkiezing van Christus logisch aan de onze).Pag. 384: „Ezeeh” vervangen door „Ezech” (Jer. 29:14, 51:45, Ezech. 11:17, Hos. 11:1).Pag. 388: „materalistisch” vervangen door „materialistisch” (zoekt òf materialistisch den oorsprong der dingen).Pag. 413: „volumtate” vervangen door „voluntate” (sempiterna et immutabili voluntate res quas condidit).Pag. 415: „antonoom” vervangen door „autonoom” (maakte den mensch autonoom en onafhankelijk van God).Pag. 418: „creatunr” vervangen door „creatuur” (de eindbestemming van alle creatuur).Pag. 423: „natunr” vervangen door „natuur” (voor liefde en bewondering van de natuur).Pag. 429: „‎‏מלאן‏‎” vervangen door „‎‏מלאך‏‎” (Het hebr. ‎‏מלאך‏‎ beteekent eenvoudig bode, gezant)Pag. 443: „bleeds” vervangen door „bloeds” (geen gemeenschap des bloeds).Pag. 450: „spitsvoudige” vervangen door „spitsvondige” (tot allerlei spitsvondige vragen).Pag. 453: „‎‏שּׁרת‏‎” vervangen door „‎‏שׁרת‏‎” (Evenzoo wordt het hebr. ‎‏שׁרת‏‎ door beide grieksche woorden).Pag. 458: „‎‏תֹהרּ וָבֹהוּ‏‎” vervangen door ‎‏תֹהוּ וָבֹהוּ‏‎ (Wel wordt de aarde ons nu beschreven als ‎‏תֹהוּ וָבֹהוּ‏‎).Pag. 458: „‎‏תְהֹ‏ום‏‎” vervangen door „‎‏תְהוֹם‏‎” (daardoor verklaard, dat hij een ‎‏תְהוֹם‏‎ was).Pag. 460: „‎‏הִלֹחִים‏‎” vervangen door „‎‏אֱלֹהִים‏‎” (dit woord bewijst, dat bij רוּחַ אֱלֹהִים niet aan den wind).Pag. 479: „toegeven” vervangen door „toegegeven” (Volmondig zij toegegeven, dat de opvatting).Pag. 488: „persoonsmannen” vervangen door „persoonsnamen” (en persoonsnamen als volksnamen zijn bedoeld).Pag. 488: „zie” vervangen door „ziet” (Daarom ziet ze af van elke poging).Pag. 491: „Peutateuchs” vervangen door „Pentateuchs” (Authentie des Pentateuchs I 306).Pag. 494: „1S60” vervangen door „1860” (Powell, Evidences of Christianity 1860).Pag. 495: „phvsiologisch” vervangen door „physiologisch” (loopen morphologisch en physiologisch veel te sterk uiteen).Pag. 496: „onhouden” vervangen door „onthouden” (van een oordeel zich te onthouden).Pag. 504: „‎‏גֵן‏‎” vervangen door „‎‏גַן‏‎” (waarin de hof of tuin, ‎‏גַן‏‎, LXX παραδεισος, volgens Spiegel).Pag. 506: „Armonie” vervangen door „Armenie” (veel noordelijker, nl. hoog in Armenie).Pag. 508: „‎‏בִדִמוּת‏‎” vervangen door „‎‏בְּהֵמוֹת‏‎” (dat God den mensch schiep ‎‏בְּהֵמוֹת אֱלֹהִים‏‎, en ‎‏בְּצֶלֶם אֱלֹהִים‏‎).Pag. 516: „ze” vervangen door „zu” (ohne übernatürliche Hülfe zu leben vermochte).Pag. 520: „natu-turalibus” vervangen door „naturalibus” (de mensch in puris naturalibus).Pag. 522: „verkijgen” vervangen door „verkrijgen” (alleen te verkrijgen in ethischen zin).Pag. 562: „ge-geschapen” vervangen door „geschapen” (uit éénen bloede geschapen).Pag. 570: „creatisme” vervangen door „creatianisme” (voor werkverbond en creatianisme is er geen plaats).Uitdrukkingen als „afteleiden”, „toetelichten” enz. zijn stilzwijgend gewijzigd in „af te leiden”, „toe te lichten” enz.

Opmerkingen van de bewerker.

Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze schrijfwijze is hier gehandhaafd.

Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend gecorrigeerd. Ook zijn de nummers van paragrafen 27-33 hersteld zoals aangegeven in voetnoot[*]. In hoofdstuk V, § 29 (De Schepping) ontbreekt in het origineel een paragraaf 11. De nummering is hier onveranderd weergegeven.

Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens stilzwijgend verbeterd of aangevuld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd.

Correcties.


Back to IndexNext