[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:„Vaêr, daar is onraad.”En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.„Wie wonen daar?” vroeg Reri.„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]„We moesten er heen tijgen.”„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.„Hebt di wat?” riep Sigbert.„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.„Vaêr!” steunde hij.„Wat is ’t jong?”„Vaêr, hoordi niks?”[21]Sigbert stond stil en luisterde.„Neen jong!”„En du Reri, hoor di niks?”„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.„Tjeerd is dijn kind ook.”„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:„Vaêr, daar is onraad.”En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.„Wie wonen daar?” vroeg Reri.„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]„We moesten er heen tijgen.”„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.„Hebt di wat?” riep Sigbert.„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.„Vaêr!” steunde hij.„Wat is ’t jong?”„Vaêr, hoordi niks?”[21]Sigbert stond stil en luisterde.„Neen jong!”„En du Reri, hoor di niks?”„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.„Tjeerd is dijn kind ook.”„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:„Vaêr, daar is onraad.”En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.„Wie wonen daar?” vroeg Reri.„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]„We moesten er heen tijgen.”„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.„Hebt di wat?” riep Sigbert.„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.„Vaêr!” steunde hij.„Wat is ’t jong?”„Vaêr, hoordi niks?”[21]Sigbert stond stil en luisterde.„Neen jong!”„En du Reri, hoor di niks?”„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.„Tjeerd is dijn kind ook.”„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:„Vaêr, daar is onraad.”En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.„Wie wonen daar?” vroeg Reri.„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]„We moesten er heen tijgen.”„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.„Hebt di wat?” riep Sigbert.„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.„Vaêr!” steunde hij.„Wat is ’t jong?”„Vaêr, hoordi niks?”[21]Sigbert stond stil en luisterde.„Neen jong!”„En du Reri, hoor di niks?”„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.„Tjeerd is dijn kind ook.”„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
HOOFDSTUK II.
Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:„Vaêr, daar is onraad.”En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.„Wie wonen daar?” vroeg Reri.„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]„We moesten er heen tijgen.”„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.„Hebt di wat?” riep Sigbert.„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.„Vaêr!” steunde hij.„Wat is ’t jong?”„Vaêr, hoordi niks?”[21]Sigbert stond stil en luisterde.„Neen jong!”„En du Reri, hoor di niks?”„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.„Tjeerd is dijn kind ook.”„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]
Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.
Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.
Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.
Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten[16]broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:
„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”
Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.
„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze … nou spreek eens op jong, du bent zoo stil …”
Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.
„Javaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”
„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”
„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden … Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”[17]
Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:
Vor methe saltu die huten,Nicht lange vasten,Kalt ezzen nutzen,Blut saltu lazen,Kaze saltu dicke hauen,Sennep saltu ezzen,Lange saltu slaffen,Koden bat saltu miden,Weinberen saltu trinken,Rure kranken nicht,Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1
Vor methe saltu die huten,
Nicht lange vasten,
Kalt ezzen nutzen,
Blut saltu lazen,
Kaze saltu dicke hauen,
Sennep saltu ezzen,
Lange saltu slaffen,
Koden bat saltu miden,
Weinberen saltu trinken,
Rure kranken nicht,
Kol unde pippelesaltunicht ezzen.1
„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”
„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeideHerebaeld.
De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.
„’t Is al stevig koud buîten!” meendeSigbert.[18]
„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”
„Wat zou ’t zijn?” vroegSigbertongerust.
„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden … de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen …”
Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen.Sigbertvoelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.
Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden,Sigbertvoorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd,Sigbertsteeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:
„Vaêr, daar is onraad.”
En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.
„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.
„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:
„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”
De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.
„Wie wonen daar?” vroeg Reri.
„Dat moet Hadubrand zijn.…. Die heeft toch zulke popels bij zijn huis.…”[19]
„We moesten er heen tijgen.”
„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”
„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.
„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.
„Grendeldebliksem … de schrabouwen … zij hebben de graankuilen leeggestolen!”
Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.
„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.
„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”
Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.
Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken.Sigbert, de[20]achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.
Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.
Sigbertbemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.
„Hebt di wat?” riep Sigbert.
„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.… ik moet me vasthouden om niet te vallen.”
Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.
„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”
Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.
„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”
Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.
Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.
„Vaêr!” steunde hij.
„Wat is ’t jong?”
„Vaêr, hoordi niks?”[21]
Sigbert stond stil en luisterde.
„Neen jong!”
„En du Reri, hoor di niks?”
„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”
„’t Was me of ’k een horen hoorde.…”
Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.
„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.
„We moeten hem helpen.… daar is onraad vader.… Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”
„Ik blijf bij mijn kind,” zeiSigbertvastbesloten.
„Tjeerd is dijn kind ook.”
„Ga du naar Tjeerd.… ik blijf hier.”
Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.
„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.
„Gauw, gauw.… haast-di.… Tjeerd zond mij uit.… De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.… Gauw, gauw.… Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.… maar er zijn er zooveel, zooveel.…”
„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn[22]hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.
De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.
Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!… Hoeiej!… en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard[23]op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.
De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.
De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.
Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.
Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.
Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.
Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en[24]bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.
Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.[25]
1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑
1Naar een perkament uit 1300. n.Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:
Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken;zieken niet aanraken!… Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.↑