HOOFDSTUK XI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”Melle sprak over dien vijand tot den prins.Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.Herebaeld trad naderbij en sprak:„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”„Prins, du spreekt te veel.”„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”„Waar dan?”„Ginds!”„Ik zie niets!”„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.„Die is het!…”riep Herebaeld.„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.„Koning, aan u den eersten streek.”Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.„Wat? Ook du?”„Wat? Ook du?”De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.„Koning!” riep Pimm, „help mij!”Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”„Is dijn vuist nog heel?”„Ja, Koning.”„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”„Verwacht du ze niet spoedig hier?”„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”„Ja … die zijn het.”[106]„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.Pimm sprak:Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.Pinn sprak:Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!Koning Mise besloot:Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.Pimm sprak:Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.Pinn sprak:Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.Koning Mise besloot:In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.[107]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”Melle sprak over dien vijand tot den prins.Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.Herebaeld trad naderbij en sprak:„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”„Prins, du spreekt te veel.”„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”„Waar dan?”„Ginds!”„Ik zie niets!”„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.„Die is het!…”riep Herebaeld.„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.„Koning, aan u den eersten streek.”Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.„Wat? Ook du?”„Wat? Ook du?”De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.„Koning!” riep Pimm, „help mij!”Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”„Is dijn vuist nog heel?”„Ja, Koning.”„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”„Verwacht du ze niet spoedig hier?”„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”„Ja … die zijn het.”[106]„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.Pimm sprak:Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.Pinn sprak:Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!Koning Mise besloot:Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.Pimm sprak:Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.Pinn sprak:Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.Koning Mise besloot:In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.[107]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”Melle sprak over dien vijand tot den prins.Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.Herebaeld trad naderbij en sprak:„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”„Prins, du spreekt te veel.”„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”„Waar dan?”„Ginds!”„Ik zie niets!”„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.„Die is het!…”riep Herebaeld.„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.„Koning, aan u den eersten streek.”Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.„Wat? Ook du?”„Wat? Ook du?”De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.„Koning!” riep Pimm, „help mij!”Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”„Is dijn vuist nog heel?”„Ja, Koning.”„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”„Verwacht du ze niet spoedig hier?”„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”„Ja … die zijn het.”[106]„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.Pimm sprak:Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.Pinn sprak:Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!Koning Mise besloot:Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.Pimm sprak:Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.Pinn sprak:Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.Koning Mise besloot:In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.[107]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”Melle sprak over dien vijand tot den prins.Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.Herebaeld trad naderbij en sprak:„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”„Prins, du spreekt te veel.”„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”„Waar dan?”„Ginds!”„Ik zie niets!”„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.„Die is het!…”riep Herebaeld.„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.„Koning, aan u den eersten streek.”Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.„Wat? Ook du?”„Wat? Ook du?”De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.„Koning!” riep Pimm, „help mij!”Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”„Is dijn vuist nog heel?”„Ja, Koning.”„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”„Verwacht du ze niet spoedig hier?”„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”„Ja … die zijn het.”[106]„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.Pimm sprak:Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.Pinn sprak:Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!Koning Mise besloot:Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.Pimm sprak:Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.Pinn sprak:Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.Koning Mise besloot:In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.[107]

HOOFDSTUK XI.

Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”Melle sprak over dien vijand tot den prins.Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.Herebaeld trad naderbij en sprak:„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”„Prins, du spreekt te veel.”„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”„Waar dan?”„Ginds!”„Ik zie niets!”„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.„Die is het!…”riep Herebaeld.„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.„Koning, aan u den eersten streek.”Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.„Wat? Ook du?”„Wat? Ook du?”De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.„Koning!” riep Pimm, „help mij!”Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”„Is dijn vuist nog heel?”„Ja, Koning.”„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”„Verwacht du ze niet spoedig hier?”„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”„Ja … die zijn het.”[106]„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.Pimm sprak:Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.Pinn sprak:Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!Koning Mise besloot:Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.Pimm sprak:Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.Pinn sprak:Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.Koning Mise besloot:In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.[107]

Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”

De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.

Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die[95]niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”

Toen Melle dit gezegde den prins overbracht,lachtehij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.

Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.[96]

Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.

„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”

Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.

„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”

Melle sprak over dien vijand tot den prins.

Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.

Herebaeld trad naderbij en sprak:

„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”

„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”

„Prins, du spreekt te veel.”

„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”

„Du hebt het gezegd. Welaan … wij zullen zien.… nog dezen avond.”

Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.

„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.

„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.

„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar[97]thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard … kom op als du moed hebt!”

Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:

„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”

„Zeker heer … hij staat reeds gereed en wacht.”

„Waar dan?”

„Ginds!”

„Ik zie niets!”

„Maar daar, recht voor di … hij heeft een gouden pantser aan.”

Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars vanNehalennia.

„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.

„Die is het!…”riep Herebaeld.

„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.

Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:

„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij:„Wacht du, misleider.Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”

Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.[98]

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”

Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.

Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:

„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”

In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.

De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:

„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegenkortzwaard.”

Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.

„Bij Baduhenna … weert di … Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier … Eén tegen vier … hier staat prins Istovar thoe Mjellego … weert di!”…

Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.

De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:[99]

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.

De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.

„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”

Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”

Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”

„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.

De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:[100]

„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”

„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.

„Koning, aan u den eersten streek.”

Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.

„Wat? Ook du?”

„Wat? Ook du?”

De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.

De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigendbijKoning Gise over zijn uitdaging.

„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.

„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”

„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”

„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.

„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken[101]booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”

Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:

„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”

„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.

De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.

Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”

Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en[102]met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.

„Koning!” riep Pimm, „help mij!”

Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.

En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.

Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:

„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”

Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht … O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.… O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”

Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”[103]

Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.

„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”

„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.

„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”

„Is dijn vuist nog heel?”

„Ja, Koning.”

„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”

Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.

De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.

„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor[104]sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.

Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.

„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”

„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.

„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”

„Verwacht du ze niet spoedig hier?”

„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”

Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:

„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”

De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen[105]knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.

Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:

„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”

Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”

„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.

„Sigbertde Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”

„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”

„Ja … die zijn het.”[106]

„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben … Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”…

Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:

De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.

De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,

Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.

Pimm sprak:

Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.

Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?

Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.

Pinn sprak:

Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!

Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,

Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!

Koning Mise besloot:

Den rijke zult di stelen,Den arme zult di deelen.

Den rijke zult di stelen,

Den arme zult di deelen.

En hij stapte waardigvoorwaartsop een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.

Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:

Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.

Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen,

Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.

Pimm sprak:

Geroofde schoen,Geeft ook fatsoen.

Geroofde schoen,

Geeft ook fatsoen.

Pinn sprak:

Al kan men niet betalen,Dan draagt men toch sandalen.

Al kan men niet betalen,

Dan draagt men toch sandalen.

Koning Mise besloot:

In schoenen staand van eerelijke lieden,Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.

In schoenen staand van eerelijke lieden,

Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.

[107]


Back to IndexNext