HOOFDSTUK XIX.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”„Hertog Sogol is geen lafaard!”„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.„Wreek di zelf!” riep een edelman.„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.De edelen bleven weifelen.Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:„Weg met de slaven! Voorwaarts!”Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.De ruiters bleven onwillig staan.„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.„Hoort di niet?”.…De man keek om naar zijn ruiters.[272]Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.„Were Balder!” riep een stem.„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.„Voorwaarts!” gilde hij.En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …Hij keek op …De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.Solbert kreeg haar in ’t oog.Hij hield zijn paard in.„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.Zij liet het bebloede zwaard zinken …„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”Sogol was terzijde te paard blijven zitten.Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.Hij keek haar donker met vragenden blik aan.„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.„Nog altijd.…” zeide hij somber.„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”„Wie meldde di mijn gevaar?”„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]„De lever?” vroeg hij.„Neen.… het hart!”.…Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”„Ook toen ik di verjoeg.…”„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”Berlijn 1905.EINDE.[280]1Knods met geprikkelden knop.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”„Hertog Sogol is geen lafaard!”„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.„Wreek di zelf!” riep een edelman.„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.De edelen bleven weifelen.Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:„Weg met de slaven! Voorwaarts!”Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.De ruiters bleven onwillig staan.„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.„Hoort di niet?”.…De man keek om naar zijn ruiters.[272]Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.„Were Balder!” riep een stem.„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.„Voorwaarts!” gilde hij.En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …Hij keek op …De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.Solbert kreeg haar in ’t oog.Hij hield zijn paard in.„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.Zij liet het bebloede zwaard zinken …„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”Sogol was terzijde te paard blijven zitten.Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.Hij keek haar donker met vragenden blik aan.„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.„Nog altijd.…” zeide hij somber.„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”„Wie meldde di mijn gevaar?”„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]„De lever?” vroeg hij.„Neen.… het hart!”.…Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”„Ook toen ik di verjoeg.…”„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”Berlijn 1905.EINDE.[280]1Knods met geprikkelden knop.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”„Hertog Sogol is geen lafaard!”„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.„Wreek di zelf!” riep een edelman.„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.De edelen bleven weifelen.Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:„Weg met de slaven! Voorwaarts!”Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.De ruiters bleven onwillig staan.„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.„Hoort di niet?”.…De man keek om naar zijn ruiters.[272]Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.„Were Balder!” riep een stem.„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.„Voorwaarts!” gilde hij.En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …Hij keek op …De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.Solbert kreeg haar in ’t oog.Hij hield zijn paard in.„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.Zij liet het bebloede zwaard zinken …„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”Sogol was terzijde te paard blijven zitten.Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.Hij keek haar donker met vragenden blik aan.„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.„Nog altijd.…” zeide hij somber.„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”„Wie meldde di mijn gevaar?”„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]„De lever?” vroeg hij.„Neen.… het hart!”.…Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”„Ook toen ik di verjoeg.…”„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”Berlijn 1905.EINDE.[280]1Knods met geprikkelden knop.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”„Hertog Sogol is geen lafaard!”„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.„Wreek di zelf!” riep een edelman.„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.De edelen bleven weifelen.Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:„Weg met de slaven! Voorwaarts!”Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.De ruiters bleven onwillig staan.„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.„Hoort di niet?”.…De man keek om naar zijn ruiters.[272]Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.„Were Balder!” riep een stem.„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.„Voorwaarts!” gilde hij.En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …Hij keek op …De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.Solbert kreeg haar in ’t oog.Hij hield zijn paard in.„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.Zij liet het bebloede zwaard zinken …„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”Sogol was terzijde te paard blijven zitten.Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.Hij keek haar donker met vragenden blik aan.„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.„Nog altijd.…” zeide hij somber.„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”„Wie meldde di mijn gevaar?”„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]„De lever?” vroeg hij.„Neen.… het hart!”.…Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”„Ook toen ik di verjoeg.…”„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”Berlijn 1905.EINDE.[280]1Knods met geprikkelden knop.↑

HOOFDSTUK XIX.

Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”„Hertog Sogol is geen lafaard!”„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.„Wreek di zelf!” riep een edelman.„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.De edelen bleven weifelen.Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:„Weg met de slaven! Voorwaarts!”Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.De ruiters bleven onwillig staan.„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.„Hoort di niet?”.…De man keek om naar zijn ruiters.[272]Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.„Were Balder!” riep een stem.„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.„Voorwaarts!” gilde hij.En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …Hij keek op …De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.Solbert kreeg haar in ’t oog.Hij hield zijn paard in.„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.Zij liet het bebloede zwaard zinken …„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”Sogol was terzijde te paard blijven zitten.Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.Hij keek haar donker met vragenden blik aan.„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.„Nog altijd.…” zeide hij somber.„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”„Wie meldde di mijn gevaar?”„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]„De lever?” vroeg hij.„Neen.… het hart!”.…Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”„Ook toen ik di verjoeg.…”„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”Berlijn 1905.EINDE.[280]

Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.

De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.

Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouwvluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken.De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige,[263]lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.

Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.

Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.

Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.

Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”

„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”

„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.

„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge … Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan …”

Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.

„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt[264]en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”

„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”

„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.

„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”

„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.

„Hij, de koning der Nerviërs!… Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen … mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn …”

„Hertog Sogol is geen lafaard!”

„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.

„Ik verbied di, mijn heer te smaden … Want mijn heer is hij nog altijd …”

Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.

Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.

Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.

Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen[265]verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.

Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.

Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.

Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.

De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.

De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags1aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.

De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden,[266]die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.

Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.

De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”

Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.

Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.

Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.

De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.

Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar[267]ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.

Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.

Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.

Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.

De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.

Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.

Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die[268]zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.

De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.

De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.

De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.

„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”

De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?

Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!

Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd[269]een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.

De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.

Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.

Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.

„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”

„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.

Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.

Sogol reed op hem toe en hieuwmetzijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.

„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.

„Wreek di zelf!” riep een edelman.

„Jaag hem weg.… naar ’t bosch!” gilde een maagd.

Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.

„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.

De edelen bleven weifelen.

Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.[270]

Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.

Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:

„Vrouwebeul sta.… Ik ben de wreker van Harimona!”

„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.

De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.

Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.

Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.

Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.

Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:

„Weg met de slaven! Voorwaarts!”

Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.

Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.

Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.

De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp,[271]dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.

Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.

Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.

Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.

De ruiters bleven onwillig staan.

„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.

„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.

De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.

„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.

De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.

„Hoort di niet?”.…

De man keek om naar zijn ruiters.[272]

Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.

„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.

„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.

Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.

Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.

Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.

De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.

De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.

De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:

„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:

„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”

Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen[273]en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.

„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.

„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpakzijn, bent di een lompenkoning!”

„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.

„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.

De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.

Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.

Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringenderuiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.

Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.[274]

Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.

Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.

Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.

Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.

Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.

Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.

Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:

„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”

Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.

„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.

„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.[275]

„Ja … de heilige vrouwe … waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.

„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ikzal di aanvoeren …”

Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.

„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel … als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen …”

Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.

„Were Balder!” riep een stem.

„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.

„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.

„Voorwaarts!” gilde hij.

En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.

Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.

Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.

De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.

Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.

Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden,[276]verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.

Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.

De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.

Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den beksamenkneepmet het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg …

„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen …

Hij keek op …

De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit

„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.

Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.

„Were Wotan … Were Wotan!” gilde zij.

Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.

De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.[277]

Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros.…

Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.

Solbert kreeg haar in ’t oog.

Hij hield zijn paard in.

„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.

„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.

De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.

„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen … Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.

Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven … De man en de vrouwstiettenop elkaar in.

Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.

Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot … Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen … hief de handen op.

Nogmaals sprong het paard op … Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:

„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.

Zij liet het bebloede zwaard zinken …

„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.

Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”

Een ander: „Zij roept Wotan aan …” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.

De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”

Toendevrouwen weerstilstonden, riep zij:[278]

„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden … die van de edelen en van de hoorigen. De strijd isgeëindigd. Solbert vraagt genade.”

Sogol was terzijde te paard blijven zitten.

Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.

„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.

„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert … „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos …”

Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde …

Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.

„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit … wees goed voor haar … weet, dat ik haar beminde … maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen … Vaarwel, heilige vrouw … Trouw is het hoogste!…”

Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.

„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.

Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.

„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.

Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.

„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.

„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.

Hij keek haar donker met vragenden blik aan.

„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.

„Nog altijd.…” zeide hij somber.

„Hoe kwaamt di hierheen?”.… vroeg hij weer.

„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden.…”

„Wie meldde di mijn gevaar?”

„De oppergod in mij, Sogol.…”[279]

„De lever?” vroeg hij.

„Neen.… het hart!”.…

Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.

„Vergeef mi!”.… zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.

„Ik heb di niets te vergeven … want ik heb di altoos blijven beminnen.…”

„Ook toen ik di verjoeg.…”

„Toen het meest.… want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.… In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde … En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.… want hij is een deel van God zelf.…”

Berlijn 1905.

EINDE.

[280]

1Knods met geprikkelden knop.↑

1Knods met geprikkelden knop.↑

1Knods met geprikkelden knop.↑

1Knods met geprikkelden knop.↑


Back to IndexNext