HOOFDSTUK XV.

[Inhoud]HOOFDSTUK XV.Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”„Tot welk licht?” had zij gevraagd.„Het licht der goden,” had hij geantwoord.Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:„Wat wilt di prins?”„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.„Ik sprak de waarheid.”„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.Einde van het eerste deel.

[Inhoud]HOOFDSTUK XV.Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”„Tot welk licht?” had zij gevraagd.„Het licht der goden,” had hij geantwoord.Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:„Wat wilt di prins?”„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.„Ik sprak de waarheid.”„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.Einde van het eerste deel.

[Inhoud]HOOFDSTUK XV.Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”„Tot welk licht?” had zij gevraagd.„Het licht der goden,” had hij geantwoord.Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:„Wat wilt di prins?”„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.„Ik sprak de waarheid.”„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.Einde van het eerste deel.

[Inhoud]HOOFDSTUK XV.Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”„Tot welk licht?” had zij gevraagd.„Het licht der goden,” had hij geantwoord.Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:„Wat wilt di prins?”„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.„Ik sprak de waarheid.”„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.Einde van het eerste deel.

HOOFDSTUK XV.

Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”„Tot welk licht?” had zij gevraagd.„Het licht der goden,” had hij geantwoord.Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:„Wat wilt di prins?”„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.„Ik sprak de waarheid.”„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.Einde van het eerste deel.

Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.

Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag deafzichtelijkelichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.

En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag[155]had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.

Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zij het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zij de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zij met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrijpelijk iets. Maar ontwaakt uit haar[156]extase en weer ziende naar de lieden voor haar, wist zij nu te antwoorden, duidde de teekens en de droomen, voorspelde de toekomst, vast overtuigd van de waarheid harer eigen woorden of ook, zij legde de hand op het hoofd der zieken en verwonden en niet altijd, maar toch wel vaak, voelde zij een trillen van heur arm en heur hand, was het haar of door haar lichaam een breeden stroom vloeide, o krachtiger dan de Rinstroom ginds, en die stroom vond zijn oorsprong in het groote oog van Wotan, vormde in heur lichaam, hier voor de maag, een groote welbron, die opspoot door heur lichaam, of vloeide door heur arm en dan, langs heur vingers, voelde zij den stroom vlieten op den mensch, die voor haar stond, wachtend op de genezing. Zij zelve had eerst met ontzetting voor zichzelve, dan in liefdevolle gelatenheid, ontwaard, dat zij werkelijk goddelijke macht bezat, want er waren verlamden plotseling geheeld en blinden ziende geworden. Wel gebeurde het zelden en waren er ook velen, die zonder verlichting of genezing weder terug gingen, maar dan zeide Maresag, dat de wil der goden ondoorgrondbaar was. Op het volk maakten de enkele genezingen, die onder hunne oogengeschieddenmeer indruk dan de velen, die ongeheeld huiswaarts keerden. En men verwachtte groote, ongekende wonderen van het offer, het groote menschenoffer, dat gebracht zou worden op den laatsten dagen.

Maar de laatste dagen waren voor haar bittere beproevingen geweest. De bruidegoms waren tot de werving toegelaten. Zes-en-tachtig mannen, uit alle gauen en oorden van Germanië, waren in de statie van hun machtsvertoon tot voor heur zetel genaderd en hadden heur om heur hand gesmeekt, haar aanbiedend rijkdommen van macht en land en schatten, zich voor heur opstellend in de volle kracht hunner jonge, mannelijke schoonheid, fier en moedig heur bezwerend, heur toestemming te geven tot den strijd met Frango, Whridlo en Baza. Maar zij wees ze allen af.[157]Zij moest ze allen afwijzen. Er bestond geen draak en geen hond en geen geit. Het was een sprookje van Maresag geweest, een leugen, die hij had verbreid, opdat zij voor de haag behouden zou blijven. Dat wist zij en dat wist Maresag heel goed. En nu, deze goedgeloovige, moedige lieden afwijzend, maar met een gebaar alsof zij ze niet harer waardig achtte, voelde zij zich in zichzelve vernederd begon te twijfelen aan haar eigen goddelijke kracht, peinsde over het wonder der genezingen en den leugen van haar bestaan en door twijfel verscheurd, weende zij ’s nachts op haar leger, krachteloos, moedeloos, walgend van haar eigen leugen-wezen. Op den dag keek zij in de oogen van al die bruidegoms, onderzoekend, ze afvragend of zij dan niet vermoedden, dat zij, de hooge, vroede vrouw een laagzinnige bedriegster was, een ellendige leugenpop in de hand van een heerschzuchtig priester. En in haar sloop het verlangen, dat er eindelijk onder die allen één zou zijn, die haar zou doorgronden, die wanneer zij hem afwees als onwaardig, toornig zou opstormen, en wèl bewust van zijn eigen waarde, haar zou uitvloeken, haar toeschreeuwen, dat hij haar en meer dan harer waardig was en op haar zou toetreden, haar voor bedriegster uitschelden, heur bij de haren afrukken van heur leugengestoelte, haar sleuren langs den grond en heur voor de oogen van het geheele verzamelde volk tuchtigen en vertreden … O … o … dàt zou de man zijn, die haar zou overwinnen! Dien man zou ze willen toebehooren; hem zou ze bekennen, luid-op en voor allen, dat ze loog, loog, loog. Dat zij een arm menschenschepsel was, geheel gelijk aan alle anderen, zonder macht en zonder goddelijkheid, geboren in schande en hier, door een onwaardigen priester, een wreedaard, een bedrieger en een vrek, gedwongen tot leugen en bedrog.…

Maar geen van de bruidegoms had dien moed gehad. Er kwam in heur hart een verachting voor al die[158]krachtige jonge lieden, die wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.

Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als ’t liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zijn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hij, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat hij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hij de gave van de voorspelling bezat.

Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna[159]met moederlijk medelijden en hem gevraagd haar heur toekomst te voorspellen.

Hij had zijn oogen even gesloten, gepeinsd en toen gezegd: „Du zult door duisternis tot een groot licht gaan.”

„Tot welk licht?” had zij gevraagd.

„Het licht der goden,” had hij geantwoord.

Zij had heur schouders onwillig opgeschokt. Zij wilde het licht der goden niet, maar het licht van de menschen. Zij haatte dat geheimzinnige licht, dat licht, ’t welk haar sedert zij volwassen was, had gemarteld en in de wanhoop van vragen en twijfelingen gestort. Zij had hem afgewezen en hij had haar met zijn blauwe oogen aangekeken als een ree, dat men van de drinkplaats jaagt en de vader had geweend, zoo waar geweend met die stille, turende oogen van den boer, die gewoon is over verre weilanden van een laag land te zien.

En om den ouden man te troosten, had zij hem gezegd, dat ’t volgende jaar een jaar van rijken oogst zou zijn en voorspoed, welvaart en vrede zoodat de Batouw gezegend zou zijn méér dan ooit te voren.

Ook dacht zij aan dien dollen Frieschen prins, die van een hoog paard moest gedragen worden, zoo ziek was hij en die, voor haar staande, met een vreemden, waanzinnigen glans in zijn oogen, gezwaaid had met het kortzwaard, zeggende dat hij den draak, den hond en de geit met één slag wilde vernietigen en toen, door pijn overmand, was neergevallen en bewusteloos weggedragen. Zij hadden hem terzij in de tent een been moeten afzetten, dat geheel verzworen was en hij lag nu, in ijlende koortsen in de tent, zwevend tusschen leven en dood en soms hoorde men tot ver zijn gillen als hij riep om haar, Harimona, zijn bruid of in gedachten streed met roovers of draken.

En zij voelde medelijden met den gek en ook wroeging. Was die Friesche prins geen slachtoffer van het bedrog van Maresag, waaraan zij willoos medewerkte?[160]

Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen—de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zijn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die haar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in de leeggestolen schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:

Als Wotans ros dit at,Vondt du den wonder-schat!

Als Wotans ros dit at,

Vondt du den wonder-schat!

En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen.…

Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.

En toch, die vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de[161]ziel van domooren, van onmannelijke kinderen, van slaven, slaven, slaven!

Vandaag dan was het de laatste dag. Nog eenmaal zou zij zich leenen voor het bedrog.… dan niet meer. Want nog in dit jaar zou zij de haag ontvluchten en ver, ver wegvlieden om rust en vergetelheid te vinden en zich aan den invloed van Maresag te onttrekken.

In de kampen maakte men toebereidselen voor ’t groote afscheidsfeest. De geofferde runderen waren aan de spitten gestoken om gebraden te worden voor de feesttafels. In groote kuipen van eikenhout, met deksels dichtgemaakt en in groote urnen met leem gesloten, was de mede klaargezet, dicht bij de lange tafels. Groote vuren brandden overal, waarboven de steenen potten met meelsoep en wildbraad hingen. En de lage wagen, getrokken door zes witte koeien stond gereed. Na heur laatste duiding, zou zij in den wagen plaats nemen en langs den Answeg tusschen de rijen der lieden door tot den stroom rijden.

Daar, aan den oever van den Rin, zou zij het groote, heilige offer brengen, waarvan ieder sprak en dat toch nog niet bekend was, omdat het geheim gehouden werd door Maresag. Maar al deze lieden, verhit door het lange zwelgen, overprikkeld en fanatiek, verlangden naar de sensatie van een menschenoffer, zooals dat vroeger gebracht was, voor vele jaren, toen Thius nog de God der goden was geweest.

Sedert eenige dagen waren er in het kamp drie vreemde lieden. Een Nervische prins, een Nervische priester en een Nervische horensteker. De Nervische prins was, zooals die van den Gallischen kant dat vaak zijn, zeer laatdunkend en hij had, toen hij de schatten van Maresag had gezien en de duidingen, voorspellingen en genezingen aan Harimona had bijgewoond, smadelijk gesproken van haar goddelijke bevoorrechting en Maresag voor een vrek en een volksbedrieger uitgescholden. Men had hem daarvoor willen straffen, maar als prins mocht bij alleen geoordeeld worden door[162]een ding van oudste hertogen en vorsten en die waren hier niet bijeen te brengen. Toen hadden enkelen twist met hem gezocht, maar hij was zeer vaardig op de saks en het kortzwaard, zoodat, na zijn zege over drie tegenstanders, men eerbied en vrees voor hem had gekregen.

Harimona had hem voor ’t eerst opgemerkt, toen de zieke Friesche prins voor haar was nedergevallen.

„Heel hem nu, als du godenkracht bezit!” had hij geroepen. Zij had verbaasd gekeken naar de zijde, vanwaar die oneerbiedige woorden vielen. Maar hij had haar toen in de oogen gezien, met een spottenden trek om den mond en toen ook had zij den schoonen knaap aan zijn zijde opgemerkt, die zij had gewenkt om nader te treden.

Haun was voor heur zetel gaan staan en had heur gevraagd, of zij hem ook zeggen kon of zijn vader, zijn moeder, zijn broers en zijn zusters al weder vrij waren.

„Ze zijn vrij, brave knaap!” had de priesteres geantwoord.

„En wie heeft ze bevrijd?” had Sogol gevraagd, naast den knaap tredend. Voor zij antwoorden kon was Reri, de reusachtige Batouwer op een wenk van Maresag op Sogol toegeloopen en had hem met de punt van zijn kortzwaard willen terugduwen.

„Hond, wat vermeet du di!” had Sogol geantwoord, zijn kortzwaard trekkend en zich tegen de wacht te weer stellende.

Reri had met de oogen bevelen gevraagd van Maresag, die hem wilde gelasten toe te slaan. Maar Harimona had Reri met de hand gewenkt terug te treden en tot Sogol gezegd:

„Wat wilt di prins?”

„Ik wil de waarheid weten, vrouw!” had Sogol geantwoord.

„Ik sprak de waarheid.”

„Du liegt. Hij zelf, de knaap, heeft ze doen vrijkoopen voor ’t loon, dat hij kreeg voor zijn spel!”[163]

En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had hij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priesterkleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote goden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen: „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard!”.…

En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frieschen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.

Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.

Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen …

Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk[164]gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. Hij had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.

Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.

Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.

„Neen … hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.

Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich ’t gelaat met asch had ingewreven.

Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”

„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter—dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover …”

Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zijn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag[165]op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en zijn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hij zich in postuur.

Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met ’t kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelijk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.

Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hij voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf had voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.

„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om mijn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”

„Leugenkol, meent di, dat ik om dijnentwil mijn zwaard zou wetten?”

„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”

„Ik ben zelf een godverzaker!” riep Sogol luide. „Er zijn geen geesten en er zijn geen kleine goden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wij zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote goden willen, die niet weten waar de groote goden zijn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal[166]en als er goden bestaan, dan schend di ze meer door dijn bedrog, dan ik door mijn ontkenning. Du bedriegt hier het volk; du bedriegt de bruidegoms en du zoudt mij ook willen bedriegen. Waar is de kroon? Waar is de berg Wittewa? Waar zijn de zeven bergreuzen? Waar is de draak Frango? Waar is de reuzenhond Whridlo? Waar is de geit Baza? Ver in het land der ijsvelden wilt di zeggen. Maar dat liegt di. Dat zegt di, omdat di wel weet dat van daar geen terugkeert. Ik zal di zeggen waar dijn kroon is. Dijn kroon is in dijn leugenhart. En de draak die het bewaard, is de oude zotskap, de vrek, de bloedgierige roover, daar naast di … kom, antwoord mi. Toon dan nu dijn tooverkracht. Sla mi neer door een bliksem. Zend een draak of een kwaden geest op mij af … Du kunt niet en du weet heel goed, dat du niet kunt. Zoo goed als du den kranken Frieschen prins niet heelen kondet …”

Zij was verslagen door zijn woorden, voelde de waarheid en zij hoopte er op, dat hij met zijn getrokken zwaard op haar zou toedringen en ’t haar in ’t kloppende hart zou steken, opdat alles, alles opeens uit zou zijn en zij door een rechtvaardigen dood haar slecht leven kon boeten. Hij zag haar overgave en smeeking in heur oogen en daardoor milder gestemd riep hij:

„Du zijt nog jong, vrouw. Ik zeg di, trek weg van hier en beter dijn leven. Beken dijn bedrog en erken, dat wij menschen, arme stumperds, niets weten van de goden. Alleen wat wij kunnen zien, bestaat. En van wat wij niet kunnen zien, weten wij niets en dies behooren wij eerbiedig te zwijgen. Het offeren is vergeefs. Hoe was het vroeger bij de voorvaderen. Als zij de zon zagen opgaan, begroetten zij de zon en als zij de maan zagen rijzen, begroetten zij de maan. En van méér wisten zij niet en toch leefden zij gelukkig. Toen kwam er ziekte en hongersnood in het verre land waar zij woonden en zij trokken op in groote scharen weg uit dat land, dat geteisterd werd en gingen[167]van land tot land, altoos doortrekkend, tot zij hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zijn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En daar waren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood menschenvleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zijn zij het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten … Maar ik zeg di, de goden hebben geen welgevallen aan offerdieren … zoomin als ze het hadden aan offermenschen …”

Terwijl hij zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hij te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grijsaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rîn en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Rîngeest.

De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.

Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zij nooit hooren spreken, zóó had zij nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der goden was en zijne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zij de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.[168]

Eerst was zij toornig geweest, toen beschroomd, nu voelde zij liefdevolle bewondering voor hem, een onweerstaanbare drang dreef haar om de armen naar hem uit te breiden, hem hier, ten aanschouwe van allen, aan haar boezemtedrukken, hem te kussen op de lange, zwarte haren, op ’t hooge, bruine voorhoofd en hem te smeeken haar op te nemen en weg te voeren, ver, ver weg uit de benauwenis van ’t bedrog, uit de verwarring van heur twijfelend bestaan, haar te redden …

„Bruidegom, bruidegom, bruidegom!” kreet zij. Maar tegelijkertijd voelde zij zich door zwakte bevangen. Het scheen, alsof alles daar voor heur beneden warrelde en zij zelve als middelpunt meedraaide.

Van beneden den berg klonk een dof, gonzend rumoer en veel lieden, mannen, vrouwen, kinderen kwamen in dichte drommen opwaarts naar heur zetel. Toen viel zij achter tegen de rugleuning van haar zetel en verloor, de armen uitbreidend, het bewustzijn.

Er schoten dadelijk drie, vier, zes, tiendruïdessentoe, die in haar witte gewaden een wijden kring vormden rond den zetel …

„Geefhaar een teug water!” riep Sogol en ziende dat de priesteressen weifelden de heilige vrouw aan te vatten, zag hij om en ietwat benedenwaarts een klein bergwelletje bemerkend, liep hij daarheen om in zijn horen water te scheppen.

Toen hij terug wilde keeren, zag hij al veel lieden om den zetel van Harimona heen en toen hij wilde opdringen, bemerkte hij nu Maresag en de drommen der lieden van beneden, die al dicht genaderd waren. Hij hoorde een gil en zag hoe verscheidene mannen Haun hadden opgetild en nu, onder geschreeuw den jongen bergafwaarts droegen. Maar vóór hij zijn kortzwaard getrokken had om Haun ter hulp te snellen, werd hij van achteren opgepakt, door twee, vier, vijf groote mannen en zich wanhopig werend, hoorde hij ’t kreunen van Myst, die door andere mannen werd voortgesleurd.[169]

„Naar den Rîn, naar den Rîn!” riepen de lieden. Het roepen werd een gillen, een krijschen, groeide aan tot een loeiend gieren en Sogol, hoewel gillend en schreeuwend en wringend met de armen en de beenen, kon zich niet losrukken en voelde hoe de kerels hem boven hun hoofden en boven het dichte dringen der menigte uit, bergafwaarts droegen naar den stroom.… Hij schold ze uit, gilde zich heesch, riep zijn krijgskreet, kromde zich in opperste woede, terwijl wit schuim uit zijn mond op zijn lippen bruischte … Maar hij kon nîet op tegen de kracht van de kerels en het geloei van het gierende: Naar den Riiiiiiiiin, naar den Riiiiiiiin! overstemde zijn zwakke kreten. Beneden aan den berg voelde hij zijn gedachten zwinden en alleen boven zich zag hij de blauwe welving van den hemelkom.… Toen, bij de rivier, waadden de kerels in den stroom en hem met een zwaai voorwaarts brengend, drukten zij hem in ’t water. Hij voelde de koude zwalping van de waterwanden, rukte nog eenmaal om los te komen uit die vuisten, die hem met geweld onder ’t water hielden. Toen bezwijmde hij.

Haun gelukte het zijn horen aan zijn mond te brengen. Hij blies drie korte stooten … De genooten van Sogol, het gedrang ziende, meenende dat de prins in het midden van den groep was, kwamen met getrokken kortzwaarden toegerend, hakten in op de dichte klomp van menschen om den jongen heen.

Drie, vier, zes kerels vielen geveld neder. De anderen stelden zich nu op, om zich te weren, en een schermutseling ontstond.

Haun, zich losrukkend, drong zich tusschen een troep vrouwen, die zijn mooie, lange, blonde haren ziende en bemerkende, dat hij weende, medelijden kregen met den knaap en een groote vrouw stelde zich moederlijk voor hem op en leidde hem weg uit het gedrang.

Maar hij, nu beschaamd door vrouwen beschermd te[170]worden, liep van ze weg en snelde naar de kerels, die ’t dichtst bij, Myst met stompen en houwen naar ’t water dreven.

Een list kwam op in zijn schrander hoofd. Hij liep snel vooruit naar een boschje en van daar uit blies hij met kracht het verraad-signaal.

De mannen keken op … luisterden … hoorden nogmaals ’t verraad-signaal … Haun, achter de boschjes omloopend, rende naar ’t kamp der Sfafen, want dat waren de belagers van Myst, en blies daar weder: „verraad! verraad!”

De Sfafen, denkende aan een overval van hun kamp, stormden nu weg naar hun tenten, Myst lostlatende. De oude man, vlood naar de tegengestelde zijde. Toen de Sfafen in hun kamp kwamen, zochten zij naar den horensteker. Maar deze, vlug op zijn jonge beenen, was een boschje ingerend en had zich wèl verstoken in dicht gewas.

Harimona, weer tot zichzelve gekomen, zag hoe het volk den Nervischen prins wegdroeg naar ’t water. Zij verstond nu de beteekenis van ’t stemgeloei en begreep opeens, wàt daar gebeurde. En zich tot Reri wendend, die trouw en recht naast heur zetel stond, riep ze:

„Batouwer red hem … red hem … het zal di tot groot loon zijn.… red hem.… red hem!”

En zij zag den reus den berg afrennen, met groote stappen, zijn kortzwaard zwaaiend boven het hoofd.…

„Red hem! Red hem! Red hem!” gilde zij in een angstschrei hem na.

Toen weer duizelde het haar en viel ze bezwijmd terug in den granieten zetel.

Einde van het eerste deel.


Back to IndexNext