[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1of:Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.[239]En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”„Had di dan honger?” vroeg Reri.„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.„Ja jong, waive is mal volk,” zei SigbertHij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:„Vort!”Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.Toen, den boom wrikkend, riep hij:„Vort!”De meiden zetten weder aan.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.„Hier dan wijf!”Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.„Were Donar!” riep Reri.[249]„Were Tivaz!” riep Tjeerd.„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”[250]1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1of:Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.[239]En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”„Had di dan honger?” vroeg Reri.„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.„Ja jong, waive is mal volk,” zei SigbertHij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:„Vort!”Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.Toen, den boom wrikkend, riep hij:„Vort!”De meiden zetten weder aan.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.„Hier dan wijf!”Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.„Were Donar!” riep Reri.[249]„Were Tivaz!” riep Tjeerd.„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”[250]1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1of:Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.[239]En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”„Had di dan honger?” vroeg Reri.„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.„Ja jong, waive is mal volk,” zei SigbertHij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:„Vort!”Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.Toen, den boom wrikkend, riep hij:„Vort!”De meiden zetten weder aan.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.„Hier dan wijf!”Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.„Were Donar!” riep Reri.[249]„Were Tivaz!” riep Tjeerd.„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”[250]1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1of:Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.[239]En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”„Had di dan honger?” vroeg Reri.„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.„Ja jong, waive is mal volk,” zei SigbertHij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:„Vort!”Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.Toen, den boom wrikkend, riep hij:„Vort!”De meiden zetten weder aan.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.„Hier dan wijf!”Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.„Were Donar!” riep Reri.[249]„Were Tivaz!” riep Tjeerd.„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”[250]1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
HOOFDSTUK XVII.
Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1of:Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.[239]En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”„Had di dan honger?” vroeg Reri.„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.„Ja jong, waive is mal volk,” zei SigbertHij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:„Vort!”Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.Toen, den boom wrikkend, riep hij:„Vort!”De meiden zetten weder aan.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.„Hier dan wijf!”Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.„Were Donar!” riep Reri.[249]„Were Tivaz!” riep Tjeerd.„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”[250]
Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.
Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.
Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.
Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.
Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.
Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den[236]meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.
„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”
„Nou jong, vrijen is geen trouwen … en vóór den zaai komt er niks van …”
Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.
Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.
Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.
Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.
Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de[237]roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.
Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:
Spoeletje mîn,Spoeletje mîn,Draai di fin,Draai di fin,Frikke vrouw, Frikke vrouw,Die di rustend vinden zou,Draaide di dan in het rond,Slaapsters komen op den hond.1
Spoeletje mîn,
Spoeletje mîn,
Draai di fin,
Draai di fin,
Frikke vrouw, Frikke vrouw,
Die di rustend vinden zou,
Draaide di dan in het rond,
Slaapsters komen op den hond.1
of:
Draai, spoeltje draai,Het lijnwaad wordt zoo fraai,Spin een kleedje voor een bruid,Die gaat in het voorjaar uit,[238]Meien op het huis,Moeder is niet thuis,Meien op den nok,Vader heeft een stok,Meien in de hand,Vrijen is geen schand.Fluk spoeletje fluk,Het lijnwaad, dat wordt smuk.
Draai, spoeltje draai,
Het lijnwaad wordt zoo fraai,
Spin een kleedje voor een bruid,
Die gaat in het voorjaar uit,[238]
Meien op het huis,
Moeder is niet thuis,
Meien op den nok,
Vader heeft een stok,
Meien in de hand,
Vrijen is geen schand.
Fluk spoeletje fluk,
Het lijnwaad, dat wordt smuk.
Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:
Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,De akkers doe gedijen, vol en krachtig,Gun veel halmen en veel korrels,Laat de breede gerste wassen,Laat de witte weite wassen,En aller aarde wasdom.Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2
Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,
Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,
De akkers doe gedijen, vol en krachtig,
Gun veel halmen en veel korrels,
Laat de breede gerste wassen,
Laat de witte weite wassen,
En aller aarde wasdom.
Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde.2
Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:
Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ikIk bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,En tot de waarachtige, heilige Freija,Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.
Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ik
Ik bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,
Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,
Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,
En tot de waarachtige, heilige Freija,
Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.
[239]
En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:
Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,Vul di met vrucht, den menschen tot nut,Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.
Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,
Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,
Vul di met vrucht, den menschen tot nut,
Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.
Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogenlietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.
„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”
„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”
„Ik wil trekken naast Tjeerd,vaêr!” zei Walhild.
In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.
„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertstehij. „Mi is ’t goed kinderen.… want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”
Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.
„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.
„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”
„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.… Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de[240]twee meiden voor den averschen ploeg.… dat vóórt.… Moêr moet den meidenploeg boomen.…”
„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.
„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.
Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.
„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.
Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.
„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”
„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”
„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”
Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.
„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”
„Had di dan honger?” vroeg Reri.
„Datmostdi doen, zonder da ’k honger had.”
„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.
„Ja jong, waive is mal volk,” zei Sigbert
Hij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.
Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.[241]
„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.
„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”
„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”
Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.
„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijngrootvaêr.”
Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.
De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.
Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.
Maar voor hij zijn handen aan den boomzette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn grooteknuistenen de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.
„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten[242]hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.
„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.
„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.
Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.
Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.
Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.
Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar hetderdebrok brood.
De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.
„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.
„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:
„Vort!”
Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.
„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.[243]
Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.
Toen, den boom wrikkend, riep hij:
„Vort!”
De meiden zetten weder aan.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.
Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.
Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist.3
„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.
Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden … of ’k hou de voor niet!”
En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.[244]
„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.
„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.
„Hier dan wijf!”
Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje.4
Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:
„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.
Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde[245]ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.
Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.
Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.
Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.
Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.
Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.
Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.
„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!…”
Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.
„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”
De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen[246]terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.
En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.
„Vórt Reri … laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.… Die was van jou slag, Reri.… as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger.…”
En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.
Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.
En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.
Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voorSwanhilden een bronzen oorijzer.
Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei[247]dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.
Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.
Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.
Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.
Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.
En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”
Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.
Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd[248]waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.
Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.
Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.
Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:
„Wotan, groote Heer almachtig,Donar, met den donder krachtig,Tivaz, aller helden vaêr,De drie goden bij elkaâr.Heilige Drieëenigheid,Heilige Drievuldigheid.Houdt ons van de zorg bevrijd,Al de donk’re akkerwendenDragen kind’ren in de lenden,Heil, de groote hemelheeren,Dat zij weren, weren, weren!…”
„Wotan, groote Heer almachtig,
Donar, met den donder krachtig,
Tivaz, aller helden vaêr,
De drie goden bij elkaâr.
Heilige Drieëenigheid,
Heilige Drievuldigheid.
Houdt ons van de zorg bevrijd,
Al de donk’re akkerwenden
Dragen kind’ren in de lenden,
Heil, de groote hemelheeren,
Dat zij weren, weren, weren!…”
„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.
„Were Donar!” riep Reri.[249]
„Were Tivaz!” riep Tjeerd.
„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.
En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.
Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri enSwanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd enWalhild. Die hadden vier oogen.
„Zes wenden akker voor Reri,viervoor Tjeerd!” zei Sigbert.
En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel.…
„Zije aan zije,Al in de Meie,Paar aan paar,Al naast elkaar,Nieuwe Heeren,Nieuwe kleerenKomt de nieuwe zonnegloed,Leef di in de Batouw goed.”
„Zije aan zije,
Al in de Meie,
Paar aan paar,
Al naast elkaar,
Nieuwe Heeren,
Nieuwe kleeren
Komt de nieuwe zonnegloed,
Leef di in de Batouw goed.”
[250]
1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑
1Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.↑
2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑
2Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.↑
3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑
3Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.↑
4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑
4Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.↑