Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn verhaal mede te deelen.
Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: „oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".
Den hoofschen dichter vanSinte Lutgarts Leven, WILLEM VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].
Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje kwam „'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot dekinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.
Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedichtvan den vos Reinaerdeeen kleinood der Dietsche letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft gevonden.
[Voetnoot1: Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).]
[Voetnoot2: Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of vertaald?) en van een gedicht getiteld „Hier beghint Ovidius", dat uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in:Bulletins de l'Acad. Roy. de Belgique, T. XXVII, 488.
MAERLANT'S mededeeling inDer Naturen Bloeme, (ed. VERWIJS), bl. 5. Zie voorts over debestiaires: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv. en:Geschichte des Physiologusvon Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889.]
[Voetnoot3: Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn bekend werkLes Fabliaux.]
[Voetnoot4: Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER inTaal en Letteren, XIV, 490.
De verzen uitSinte Lutgart's Leven(II, 95–6):
Daer doen si stomme beesten sprekenDaer doen si simmen speren breken
wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons gekomen.]
[Voetnoot5: T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.]
[Voetnoot6: Aldus versta ik de verzen (vs. 19–20):
Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.]
[Voetnoot7: Vgl. b.v. no. 11, 1–2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.]
[Voetnoot8: De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.]
[Voetnoot9: Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze plaatsen niets van dien aard.]
[Voetnoot10: no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld (LXV).]
[Voetnoot11: De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio." Vgl.Romulus(ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p. 69, III, 9.]
[Voetnoot12: Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift:Die hystorie van die seven wijse mannen, van romen.1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.]
[Voetnoot13: Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP,De Middelnederlandsche bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome.(Utrecht. 1899).]
[Voetnoot14: I, p. 92.]
[Voetnoot15: Vgl.Esopet, vs. 51–2:
Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen
metVII. Vroeden,3248–9:
Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen.
Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave van Dr. STOETT inNoord en Zuid, X, 6.]
[Voetnoot16: Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "Maer so een meer maelt, so hi moeder es." (Vgl. mijnLied in de Midd.over de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen van 1438-'9: „dat nyement by nachte en ga achter de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (Antw. Bibliophilen, no. 3, bl. 134).]
[Voetnoot17: Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet gevoegd worden vooral:Les Sources du Roman de Renartpar L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER inTaal en Letterenvan 1895; de nieuwe uitgave„van den Vos Reinaerde" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de artikelen dezer geleerden inTaal en Letteren, 14e jaargang.
Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor de Fransche branches naar MARTIN'SRoman de Renart, ook naar een uitnemend artikel van VORETZSCH inZeitschr. für roman. Philol., XV en XVI.]
[Voetnoot18: Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl.Siècle des Artevelde, p. 251 enMém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg., XXXII, 221.]
[Voetnoot19: Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel inTaal en Letteren.]
[Voetnoot20: Vgl.Reinaert, vs. 623–6 metBr., XIV, 302–6 (al is daar geen „gepeins" maar „dire soef"); dit „binnensmonds spreken" ook I, 2785, 2841.Rein., 960-'81 metBr., X, 687–716;Rein., 1258 vlgg. metBr., I, 879–882; VI, 207–224;Br., I b. 2702–2722;Rein., 3368 vlgg. metBr., I, 942–3;Rein., 1510 vlgg. metBr., I, 1050-'54 en XIV, 258–9, 665 vlgg.]
[Voetnoot21: Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (Karel de Groote en zijne XII. Pairs), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.]
[Voetnoot22: De bedoelde plaatsen in denReinaertzijn: vs. 62: „Isingrijn ende sine maghe"; 1024: „te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084–5; voorts: vs. 1666: „ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: „so arem no van so cranken maghen"; vs. 1850: „Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884–5: „Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899–1900: „al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: „som van minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: „ser Isingrijns maghe"; 2720: „doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398–9: „hi was een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: „alle sheren Belijns maghe"; 3456–7: „Reinaerde ... ende allen sinen maghen".]
[Voetnoot23: Vgl.Rein., 11–17, 32–7 metFlor. en Blanc., 1–13, 65–75;Rein., 1–9 metWal., 1–6;Rein., 1–2 metWal., 23–24.]
[Voetnoot24: Vgl. FRANK'S uitgave van denAlexander, Inl. XVII-XVIII. F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensievan F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.:Alex., VIII, 315 te verg. metRein., 1589.
VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht, dat de rijmen dier verzen:oghen||ghedoghenin datzelfde boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251–2, 751–2.
Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit denAlexander, welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit denReinaertzou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.
Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van WILLEM'S proloog en dat derEnfances Ogiervan ADENEZ LE ROI: Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.]
[Voetnoot25: Vgl. o.a.Rein.83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, 1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.]
[Voetnoot26: 1159–1160.]
[Voetnoot27: Vgl.Br., I, 271, 342; 134: „Hersent rogist, si ot vergoine"; 967: „au col li met andous les braz"; 1447-'59: „Renart mist l'anel en son doi"; 1617: „baignier ... ventuser ... sener"; 344; 577 („onques n'i ot resne tenue"); 580: „Iloc s'arestent li destrer"; 705: „tant a alé esporonant"; 744: „tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190, 1461–2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120;Br., I a.; het Grieksch vuur I, 282.]
[Voetnoot28: T.a.p. II, 89 vlgg.]
Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
VELDEKE'S minneliederen—wij zagen het in een vroeger hoofdstuk—vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden alszeeldeenmerkarenin hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger; doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan nauwlijks betwijfeld worden[1].
Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben, washoofschelyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt; tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter als de overige „lyrique courtoise", die wij reeds in VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten, hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's(tenzonen) waarin twee tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden, vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
Aï, amors, com dure departie, Me covient faire à perdre la millor Ki onkes fust amée ne servie; Deus me ramainst à li, par sa douçor, Si voirement com j'en part à dolor! Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie: Se li cors vait servir Nostre Signor, Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
Kant li boscage retentist Dou chant des oisillons en mai Et la rose el vergier florist, En icel tens joious et gai, Lors chanterai de cuer verai, Car quant li maus d'amer me prist, El plus haut lieu del mont me mist.
Verderop in dat lied lezen wij:
Douce Dame, quant je vos vi A celle fois premièrement, Ne cuidai pas il fust issi De tout en tout à vo talent; Por vos languis à esciant, Et quant n'i puis merci trover, Bien veul morir por bien amer[2].
Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt gemaakt. In den proloog derDisticha Catonislezen wij:
Dieghene die in haren sinne Draghen waerlike#minne, Si maker of riim ende liet.
Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt wel uit hetgeen hij laat volgen:
Der minne so ne draghic niet[3]
ook uit zijne uitdrukking „ter minnen dienste staen" die immers ontleend is aan de hoofsche lyriek.
Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen
Die loes baraet#ende arge treken Bedekken metter minnen name
over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].
Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens kenschetst. In zijnWapene Martijnzegt hij tot zijn vriend:
Martijn, ic ben wel berecht: Het seghet al, heren ende knecht#, Vrouwen ende joncfrouwen, In sanghe ende in rime slecht, Dat si met minnen sijn verplecht#, Ende men cans niet bescouwen. Mi dinke dat al die werelt vechtJeghen der reenre minnen lecht Ende volghen ontrouwen. Menich seghet nu ende echt#: „Mijn sin is ane u ghehecht So sere, ic wane bedouwen"#; Achtre maken si de mouwen#[5].
MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten, blijkt ons uit denSpieghel Historiael. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'Speculum, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan „heilige minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: „dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
noch laten gaen Salute, subtijleke ghedicht Ende met sconen rimen verlicht[6].
Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk worden geacht. Zoowel de dichter derDisticha Catonisals MAERLANT richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er omstreeks het midden der 13deeeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van overgebleven.
Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde„clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een „clerc", indertijd den romanvan Trojehad vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat. Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de onbekende jonkvrouw voor wie hij zijnAlexanderheeft bewerkt? Het is licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
Nye en droech vrouwe Ghestadighen rouwe, Noch nummer en doet; Haer ketsen#, haer jaghen, Haer mynne draghen Is saen te voet[7].
Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].
In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
Eens meienmorgens vroe Was ic opgestaen; In een scoen boemgaerdekijn Soudic spelen gaen.Daer vant ic drie joncfrouwen staen; D'ene sanc voren, d'ander sanc na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Doe ic versach dat scone cruut In den boemgaerdekijn, Ende ic verhoerde dat soete geluut Van den mageden fijn, Doe verblide dat herte mijn, Dat ic moeste singen na: Harba lori fa, enz. Doe groette ic die allerscoenste, Die daer onder stont; Ic liet mine arme al omme gaen; Doe ter selver stont Ic woude se cussen an haren mont; Si sprac: „laet staen, laet staen, laet staen!" Harba lori fa, enz.
Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.
Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.
Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van „minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit hetLeven van Sinte Lutgart. In een visioenziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen zingen zij „enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam, slechts hier voorkomend, woordleecblijkt in allen gevalle dat ook WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt zich onze wetenschap in dezen.
Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v. het lied:
Nu zijt wellecome, Heere Christ, Want ghy onser alder Heere bist enz.
dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te zeggen[10].
Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].
Liederen, vóór of in den strijd aangeheven—men zou ze in navolging van onze oostelijke buren:wijchliederenkunnen noemen—waren bij de Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook verminkt, door een Engelschkroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:
Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin, Engelond is min ant tin[13].
Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit: dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder: dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaaldehoppe[13].
Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar nog altijd tot liederen verwerkt.
In zijn romanvan Alexanderzegt hij:
Alse die liede seghe ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in meneghen staden.
Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche woorden: „toto radiaret in orbe" door:
Men soude van siere doghet singhen Al van daer die sonne up staet, Tote daer soe weder neder gaet.
Ook de typische uitdrukkingeen nieuw liedwaarmede de liedjesdichters en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers waarin hij van ALEXANDER zegt:
Van joien sanc hi nuwen sanc[14].
Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds, waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].
Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de 12deeeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed verdwenen zijn.
Omstreeks het midden der 13deeeuw moet er een aantal vroolijke, dartele of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijnLiber Apum(„der Biën Boeck") dat tusschen 1258–1261 geschreven is. In menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld, vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven onzer voorouders.
Zoo lezen wij b.v.: „Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den bliksem getroffen, ineenzinkt. „Mercke hier", besluit de schrijver, „dat alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher wraeken"[17].
Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: „hy hadde eenen knechte, ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig tijds later wordt ook deze knecht „van gode gheslaghen"[18].
„Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats van zijn boek, „dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].
Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare 1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten aanhoore van het volk gezegd hebben: „dat vermaarde lied vanMartijnheb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: „dit nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].
Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen; opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.
Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden. Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.
[Voetnoot1: Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl. MARTIN JÖRIS,Untersuchungenenz., bl. 81 vlgg.]
[Voetnoot2: Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijnLied in de Middeleeuwen, bl. 252 vlgg.
De aangehaalde verzen zijn te vinden in:Trouvères Belges du XIIe au XIVe siècle....par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.]
[Voetnoot3:Dermoet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant:Diere minne ne garic niet.]
[Voetnoot4: T.a.p. II, 63 vlgg.]
[Voetnoot5:Strophische Gedichten(edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.
Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats inHet Lied in de Middeleeuwen; vgl. ald. bl. 253.]
[Voetnoot6: A.w. II, bl. 82, vs. 40–42.]
[Voetnoot7: Vgl.Historie van Troyen(ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het Fransche vers (13421) luidt: „One nule ne pot doel aveir."
Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666–6677 over den dood van HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal verzen vindt.]
[Voetnoot8: Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H. BOERMA in:Tijdschr. v. N.T. en L., XV, 220 vlgg. Onder de daar genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in hetzelfde Tijdschrift IX, 274.]
[Voetnoot9: A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl.A. Sanct.Junii III, p. 245, 9.]
[Voetnoot10: Vgl.Kerstliederen en Leisendoor J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH. MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER,Niederl. geistl. liederin:Vierteljahrsschrift für Musikw., 1888, bl. 157.]
[Voetnoot11: In R. HENNING'SNibelungen-Studiën(Quell. u. Forsch., 31, p. 21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischenund nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in hetChronicon Hierosolymitanumde plaatsen te vinden, welke die bewering zouden kunnen staven.]
[Voetnoot12: Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'SGesch. des deutschen Kirchenliedes, p. 44–5.]
[Voetnoot13: Vgl.Onze historische Volksliederendoor PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 enMiddelnederlandsche Historieliederendoor Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43.]
[Voetnoot14: Vgl.Alexander(ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze verzen van MAERLANT zijn. (Het „singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is van GAUTIER DE CHATILLON).]
[Voetnoot15: Vgl.Rymkronyk van Jan van Heeln(ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg. JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg.]
[Voetnoot16: PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.]
[Voetnoot17: Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS, Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo169 vo.]
[Voetnoot18: T.a.p. fo140.]
[Voetnoot19:Liber Apumc. XLVIII: „obscenis et venereis cantibus corda etiam religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".]
[Voetnoot20: A.w.c. XLVIII: „Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille."
Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche vertaling.
Het, mij en anderen onduidelijk, „plenus luxuriosis plausibus" heb ik gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.]
Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit.
In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie vereenigd.
Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te verschaffen die zij begeerden en noodig hadden.
Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft der 13deeeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN CATS, wien hij zijnNaturen Bloemeten geschenke gaf, en ALBRECHT, Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn romanvan Merlijnop.
Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij zijne eerste werken: den romanvan Alexander(1257–1260),van Merlijn(c. 1261),van Torec(c. 1262) envan Troyen(c. 1264)[1]; waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraakdie naar de aanvangswoordenWapene Martijn(c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar Damme, waar hij, volgens de overlevering, „scepenclerc" (gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien omstreeks 1266 plaats gehad.
Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog eenige groote werken:der Naturen Bloeme(1266–1269);Rijmbijbel(vóór 1271);Sinte Franciscus Leven(c. 1271–1272?) en daarvóór hetLeven van Sinte Clara Spieghel Historiael(1282 of 1283 tot 1289 of 1290[2]).
In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het te voltooien. Aan het slot van het 3deboek der 4dePartie van dat groote werk gekomen, schreef hij:
Ende verstaet dat Jacob moet Van Maerlant rusten terre stede Van der vierder paertyen mede, Ende beiden tote dats hem God jan#, Dat hire weder coemet an, Omme te dichtene in redene claer Die dinghe diere volghen naer.
In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.
Wie MAERLANT door latere dichters „vader der Dietsche dichteren algader" hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid vander Naturen Bloeme. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding overde vreugde der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij
Hem die met minnen es bevaen,Dat een zwaer karker es ende soete. Cume#hevet hi enighe moete#Om yet te pensen dan omme sanc, Ende om feeste ende om spel ghemanc#,Der minnen karker geeft hi prijs#, Want et dinct hem een paradijs[3].
In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve denAlexanderbewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk dat twee daarvan:MerlijnenTorecbehooren tot die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee overige:AlexanderenTroyenbehooren tot die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.
De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. VoorMAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het verleden.
Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen. DeAlexandreïswaarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der 13deeeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster deAlexandreïsin één adem met deAeneïs; een zijner tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt, zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zichdan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat al wonderen verhaalden de auteurs van deAlexandreïsen dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in werking te brengen behaagde deAlexandreïs; in de schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar heeft verdietscht[7].
Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding te geven[8].
Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker diewaarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de teekening van „meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even vroolijk te maken over de dwaze „warmoesdeernen" die zich hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren „vrouwe YMME" en „vrouwe MARGRIETE" te heeten[9].
Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer „meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE „met de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S „amie" en DEJANIRA, DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR ... waarlijk, men behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.
Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook deHistorie van Troyen.
Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13deeeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den FranschenRoman de Troievertaald of bewerkt[11]. In het eene stuk,tprieel van Troyengenaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnenvan hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.
MAERLANT heeft den ganschenroman de Troievan BENOÎT DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].
DeRoman van Troyenis vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk, dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].
Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in het verhaal te brengen[14].
Tusschen den romanvan Alexanderen dienvan Troyebewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring. DeHistorie van den GraleenMerlijns Boeckvormen de beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
In deHistorie van den Graleworden ons in hoofdzaak de lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij vanPILATUS een „nap" of „scotele" had ontvangen, „daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar verre landen trok en hoe „die scotele die men heet den Grael" het vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de goeden de „gracie" te doen gewinnen. Later wordt de „heilige Grael", „dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager BROEN, die „de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE, „des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.
Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet[16].
Noch in deHistorie van den Grale, noch inMerlijns boeckvind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den romanvan Torecniet hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in deLancelot-compilatieis opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met name in denLancelot, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten worden; het „josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als „TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: „met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit riddernamen als „VAN DER BASSE RIVIERE" en „DE ORGELIOUS"; de hier voorkomende „camere van wijsheden" herinnert ons aan „la Chambre de Beauté" in denRoman de Troie[18]. De eenmaal voorkomende uitdrukking „also als ic 't int romans hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat deTorecvertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in aanwijzen.
Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
Dat hare doe een splinter stac Van reinre minnen in haer herte
in eene lyrische ontboezeming over de minne, „die alle hovescheit wiset"; in het „saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE zendt[19].
In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere verklaring.
Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd, dat hij „bloedde als een rund" of uit den romanvan Troyenjuist beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANThistorie. In zijnAlexanderverklaart hij met nadruk dat hij „die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt duidelijk waar wij in denAlexanderallerlei wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS, XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechtszijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan „der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: „wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch slechts van „hooren zeggen" spreekt[20].
Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft zich helder bewust dat deze toch eenheidenwas en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21]. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet halen bij
... de vrouwe die noit en dede Sonde no ooc dorperhede
met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde eerbiedige liefde voor „de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van denAlexanderen in den romanvan Troyen, waar hij eene onbekende, door BENOÎT aangeduid als „riche dame de riche roi", vervangt door haar die „moeder es ende maghet".
Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom—gaat hij voort—laat men zich onder Christenmenschen nog altijd voorlezen van die „overdaet"—Want aan weerszijden waren het louter heidenen—? Het antwoord luidt: opdat
... elc man mercken sal, Hoe onreene dat averal Hoerdom es ende hoe groot quaet Datter af te comene staet[22].
Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zalMAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd.
Gaf deAlexanderons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.
Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk wat hij later worden zal als in denTorec. In het hoofdstuk, getiteld „hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in denWapene Martijnzullen terugvinden[23].
Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst—zal het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans. Zal het winnen—langzamerhand. Want van eene bekeering in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de gesteenten (Lapidarijs) en een werkje over droomen (Somniarijs) dat een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijnTroyenen zijnAlexanderverwijst hij de lezersook nog in zijnRijmbijbelen zijnSpieghel Historiaelzonder ze af te keuren; van denAlexanderzegt hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders is het met denMerlijnen de Britsche romans in het algemeen. Zoowel inRijmbijbelals inSpieghel Historiaellaat hij zich geringschattend uit over „die boerde van den Grale", over „MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].
Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg was afgedwaald. In denRijmbijbelzien wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk
dat ic mi besmet Ebbe in logenliken saken, Die mi de lichtheit dede maken Van der herten ende van den zinne Ende van der wereliker minne[25].
Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij „der poëten fabelen", de „boerden ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang vanSinte Franciscus Leven:
Cume#es hi van mi bekint, Die nu leeft ende waerheit mint; Maer Tristram ende Lanceloot, Perchevael ende Galehoot, Ghevensde#namen ende ongheboren, Hier of willen de lieden horen; Truffe van minnen ende van strideLeestmen dor de werelt wide. Die ewangelie es ons te zwaer, Omdat soe recht seit ende waer.
Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien „coninc van versen"
Die vinden conste ende maken Veerse die ter werelt smaken
maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan „pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt[26].
Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat nu in het vervolg alle „Walsch" voor hem „valsch" is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; „waerheit ende menech wonder", „wonder ende waer" worden door hem, evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27].
GEESTELIJKE POËZIE.
Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij deHistoria Scolasticavan PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam vanRijmbijbel.
In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met diender Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen[28].
Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29]. Blijkbaar was de bewerking derScolasticavoor den auteur louter plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de voltooiing der bewerking van denPentateuchslaakt hij dan ook de verzuchting:
God danc, ic heb se overleden#.
Minder zwaar zal hem de bewerking vanSint Franciscus' Levenzijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de persoonlijkheid van den „edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:
Dat minnen gaet vor alle ere;Want arem man heet emmer sot.
En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist „il Poverello"?
Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van „SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling[30].
MetRijmbijbelenSinte Franciscus Levenhad MAERLANT werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen dwaasheden „van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog moeten richten.
Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische gedichten, waarvan een drietal:Van den vijf Vrouden#,Van ons Heren WondenenClausule van der Biblemisschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het vierde gedichtVan der Drievoudichedebevat een zeer vrije bewerking van een Latijnsch gedicht als datDe Sancta Trinitate;Clausule van der BibleenDisputatie van den Cruceschijnen zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen.Clausule van der Biblebevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagdtelkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong ... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want „volprisen" kan hij haar niet, „de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen gelijk de zonneschijn.
In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.
Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten:Van der DrievoudichedeenDisputatie van den Cruce. Hier kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man vanveelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de „débats", „jeux-partis" en „tençons" die in de toenmalige nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de Belgische trouvères gedicht werden[32].
Zoo zien wij in de tweespraakVan der DrievoudichedeJACOB in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd zullen worden als zij den Horeb beklimmen.—Ook ik ben overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid vanmacht,constenwille, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof draagt hier de kroon.
Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is vanons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier gelaten om het te „sacreeren" in der priesters handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen worden wordt het gedicht besloten[33].
InDisputatie van den Crucezien wij MARIA handenwringend staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.—Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die „der wereld gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het kwaad komt uit de „sacristie"#; vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen—het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis noch Maagd kan ontberen.