Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het levenvan sente Aechtezooveel assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of, zooals in het levenvan sente Marie Egyptiake, schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge medegerekend worden[17].
Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden gerekend een klein fragment vande boec der biechten, dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in de 9deeeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].
Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als „eengoed wreker", volgens de uitdrukking inVan den Levene ons Heren. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13deeeuw te onzent een gedichtvan onses Heren wrakebekend was, vertaald of vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht „wyde becant"; was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der 13deeeuw ontstaan zijn[19].
Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12deof den aanvang der 13deeeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoordMisereregenoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortwegRinclusgenoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch levenontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.
De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het Fransche verhaalvan Sint Maartendie zijn mantel doorsnijdt, krijgt men „het stalen zwaard" te zien—de Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de „snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch ingetogener dan het Fransch[22].
Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij—GIELIJS meer dan HEINREC—iets van het hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In no. 33 is sprake van priesters die—zooals HEINE zegt—„water preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke „verlucht" met dit beeld: „eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak „on veut bien étain pour argent" door: „want hi neemt rogge daer hi leent evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet het bij GIELIJS: „men sant hem niet danhontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: „tant huka#et tant apela"; GIELIJS vertaalt: „Hi claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige in dit vers: „orguieus va dou col coloiant"#! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog[23].
Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van denRinclusen MAERLANT tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de Nederlandsche bewerking nog in de 13deeeuw te plaatsen.
De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.
Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?
Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijntusschen God en den mensch—dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God gezocht.
Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep.
Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den „bruidegom der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw leven te wekken.
Omstreeks het midden der 12deeeuw zien wij een paar abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie te mogen verkondigen.
Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingender Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13deeeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13deeeuw duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen in België die een begijnhof bezaten.
Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12deen 13deeeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven.
Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek.
HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104–1178 en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het Roermondsche, een krans hebben gezonden.
Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift heet:Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres[25]. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zijvisioen. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, datzij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.
Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH, „magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.
Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau bij Bingen, waar zij van 1141–1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te onttrekken door aan te voeren dat zij niet „wel ter tale" is („nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.
Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht;van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].
Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls—geen wonder bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand—wordt zij overvallen door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. „Maak er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende.
Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in de 13deeeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG (c. 1212–1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar innerlijk leven ten deele blootlegt.
Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, deminneals middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne zielin vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd—maar ook, welk een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.
Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met „een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder en zich vlijt aan haar borst.
De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der 12deeeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazarethin Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE.
Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave: „totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand verkeerde, werd „intus debriatus" genoemd. Ook van het zoogenaamde „tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in een visioen den abt zien sterven.
Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in het Zuiden dezer landen.
Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.
Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvanin het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150–1224; MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21stejaar overleed en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246 stierf.
De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het „tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen dan: „ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of zag[28].
Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte.
Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29]. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin—zij was omstreeks 18 jaar ouder dan hij—hem had getroost en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar—dit kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar „minste vingerkijn", had LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven.
Ter vervulling van die belofte schreef hij zijneVita Lutgardis; dat werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste levensjaren.
DezeVita Lutgardisnu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardigLeven van Sinte Lutgart. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen en stierf in 1297. ZijnLeven van Sinte Lutgartis door hem waarschijnlijk tusschen 1262–1274 gedicht[31].
Inderdaad, meer dan een leiddraad is de LatijnscheVitaniet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
Zoo vertelt THOMAS ons in zijneVitavan eene non, door den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in deVitaweinig of niets[33].
Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die „fantasijen" van oude vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, „zooals iemand zich de vliegen met een kwispelof een tak van het lijf houdt" en die haar zóó vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen.
Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om vermaningen te richten tot de „heren en vrouwen" die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog, hoe LUTGART slechts door de „sterke minne" tot God den duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige huichelaars, de „papelarde metten grisen langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere ten voorbeeld.
Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft bevangen onder de voordracht:
Dat heldekoppen#ende nigen, Dat metten hoofden neder sigen Gaf mi litteeken#dat hem somen Die vaec in d'ogen ware comen.
Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappenvan een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,
Meer dan u iemen soude mogen Geseggen wel met didscher spraken#.
Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4dehoofdstuk van het Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË
die har herte voeget So simpellic an onsen Here, Dat men ne can no min no mere Vergronden noch genemen ware Hoe 't tusschen hem stoet ende hare. Si es so schamel#ende so blode, Dat si mi soude ontdekken node Des iwent#ochte condech maken[35].
Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzenzijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance onder aantreft[36].
Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God, dat hijminnenoemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit die „minne" hetLeven van Sinte Lutgart; in deVitavan THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje te zien.
Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware „minne" is, namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij die „der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene „zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. Endan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken, zoodat hij in „orewoet"#geraakt en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].
Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren „disputeren van der minnen".
Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden.
Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij „het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?
Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijneVita Lutgardisopdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?
Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het antwoord geven.
Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar handschriften van de 13deen den aanvang der 14deeeuwvisiones haywigis, epistole haywigisenritmata haywigisgenoemd worden[38].
De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: „God die de clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (ritmata) is de minne schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ookinhaar werk wordt die naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden van „Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].
Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag van de „vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth (bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].
Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijneVita Lutgardisheeft opgedragen.
Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met „lieve kint". Deze „joncfrouwe" is nog „ongheproeft van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve „zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster#minnen".
Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd[42].
Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd afhad zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging.
Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart verblijden kan. Bedroef u—zegt zij tot het jonge meisje—zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga, hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is al der minnen werk, dat de „vreemden" niet kennen[44].
Op die gevangenschap die haar bedreigde en die „vreemden" komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot hiertoe medegedeelde.
Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. „Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken.Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare kinderen kastijdt.
Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en „het swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: „Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op aarde—maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.
Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen—dan gaat het ons zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijkewegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de diepte der minne.
Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil[46].
Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.
Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke dronkenschap „daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo „buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten „in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie „overste" hemelen met de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: „Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre#ende witter dan cristal; daermocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende#was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen mochte ende vervaren#. De zetel beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H. Geest.
Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van „eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: „Daer ne magh ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke#grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in ghelikenessen."
Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren „zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden enbeven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt[47].
Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij „in den geest was", eens „op den dag des Heeren"; ook hij heeft velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel „een ghestille" maakt. In de woorden der Openbaring: „gij moet wederom profeteren voor vele volken en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben gezien—zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU—haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].
Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van „der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].
Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS.De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: „dilectus meus mihi et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van dien „amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt; zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten tegenover elkander stelt als „knechten" en „zonen", dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te staan[51].
Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt inredene,willeenmemorie, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling:ratio, voluntas, memoria[52].
Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij„vreemde" noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij elders noemt: „valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den naam van de „nuwe" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest, doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woordnieuwin geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenennieuwenhemel en eenenieuweaarde; hetnieuweJezuzalem; ziet ik maak alle dingennieuw[54].
Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken als deze: „ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin als deze: "Mer in ghebrukene#van minnen es men God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat „de diligendo Deo" geschreven heeft: „sic affici deificari est"?[55]
In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van haren eerbied voor de „heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij beschuldigen.
Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord.
Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de menschen haar „soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook „eene beghine die meester ROBBEERT doeddeom hare gherechte Minne"[56]. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières en abdis zijn geworden.
Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn.
Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend: „Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van zijne vlucht:
„Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien datnaturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht redene"[57].
HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen „in die hoechede Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem behagelijk is.
„Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame#in die ghehele nature Gods".
Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: „Nu gaat het mij", zegt zij, „als iemand wien men iets aanbiedt „te spele" (uit de grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt: vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eeneuiteenzetting van haar „ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde uitleggingen der „vreemden": „de vreemde souden netelen planten daer de rosen staen zouden"[58].
Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst: „Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy#sere verdroeven."
Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.
Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon.
Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop der echte poëzie kunnen hooren.
HADEWYCH mocht al zeggen:
Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe Ende mi selven mine quale linghe#.
Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:
Maer dien ouden ende dien jonghen Coelt sanc van minnen haren moet.
Wel ons, dat zij „van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, nietzelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet dikwijls zullen aantreffen.
Ook tot hare „vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht—lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:
jeghen avont Sal men loven den sconen dach.
Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie wachtten haar, onnoozele; want:
Suer ende donker ende overwreet Sijn der minnen weghe in haer beghin.
Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:
Want ic sach eene lichte wolke opgaen Over alle swerke, soo scone gedaen#, Ic waende met volre weelden saen#Vri spelen in de zonne.... Doe wert mijn hoge#maer een waen; Al storve ic, wie es dies mi wanconne#?
Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen.
Nu kan de ziel de onderscheidene trappen („graden" en „staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:
Die gherne woude doghen tsuete ellende:#Die weghe ter hogher mînnen lant, Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende, Des ghevet de trouwe seghel ende pant. Nu es menech dorper soo truwant#, Hi nemt dat hem es naest ghehende#Ende blivet vore minne die onbekende; Metter truanciën cleet, Soo en hevet hi vorme noch ere, Daer minne dat haer bi versteet.
In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!
Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. „Den middenweghouden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden—maar HADEWYCH zegt:
Middelheit moet af, Eer men in mach Ten edelen goede.
Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en klagen, maar daarin is toch zaligheid:
Bi wilen lief, bi wilen leet, Bi wilen verre, bi wilen ghereet#, Die dit met trouwe van minnen versteet, Dat es jubileren: Hoe minne versleet#Ende ommeveet#In één hanteren. Bi wilen licht, bi wilen swaer, Bi wilen doncker, bi wilen claer, In vriën troost, in bedwongen vaer#, In nemen ende in gheven, Moeten die sinne Die dolen in minne Altoos hier leven[60].
Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:
Wat soo ons god ye onste#, Hen wert nie man#, die conste Gherechte minne verstaen, Eer dat maria de goedeMet diepen ootmoede Die minne hadde gevaen#. T'ierst was si wilt, doe wert si tam, Si gaf ons vore den leeuwe een lam: Si maecte de demsterheit#claer, Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].
Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne („der minnen gewat"); zij geniet de minne en geniet totdat zij in „orewoet" en geestelijke dronkenschap zich zelve verliest.
Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.
HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit „zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten over den band en den brand der minne, deellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft—dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. Woorden alszeelde(minneweelde),merkaren(kwaadwillige spionnen en verklikkers), eene uitdrukking als: „de minne heeft de dagen en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der grootere lyrische gedichten:
Viere meisteren seiden een coninc: Welc ware de starcste dinc
is de gewone van zooveletenzonen(strijdgedichten) welke, in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken gemaakt werden[63].
Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet:
Tsaermeer#sal in corten tide Tsap van den wortelen opwaert slaen! Daerbi sal, verre ende wide, Beemt ende cruut sijn loof ontfaen; Dies so hebben wi sekeren waen#, Die voghele werden blide; Die gheet in minnen te stride, Hi sal verwinnen saen#, Opdat hi niet en mide#[64].
Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd doorden dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: „na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve bij een kind „dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons deze verzen:
Want niet bat en can 't getoonen mijn sin, Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].
Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de „wijsheit" die „alle die edele ridderen achemeert"#in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren van „doorhouwen schilden" en „schermen onder den scilt", van „joesten", eenen „keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van „sinen hoghen telt (draf) riden", van „heervaert", „kimpen" (kampvechters), „vesten", muren en grachten; van koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van „schachtendie diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:
Fiere herte en was nie#bloode
gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is geweest[67].
Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest en haar gemoed.
Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor het eerst—immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM—vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: „van al dien dat in ertike es, mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den mensch in God: „ay, ic en dar#hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den besten meest swighen ... ende hier omme quetse ic mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, datder pinen#wert es, ochte woorde na#miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen als:
Het mochte dat inneghe gedinken De tonge verminken, Sprake siere af meer[68].
Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
Eentonig—heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.