De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en Cameraars-rekeningen der 14deeeuw weergalmen „van sanghe ende van vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.
Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.
Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van „die wilde vos" droeg, „die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf van Holland);„te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen wive diere op sanc ende eene gokelaer," „'t Scoenhoven eenen menestreel die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," „te Nyerborch enen wive, die op de liere speelde ende sanc," „Heerkin die mitten cornemusekin speelde ende daerop sanc."
Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het „sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", „Hansel tshertogen sanger van Gelre", „Hannekin die zangher van Apcoude", „Herman den sangher die miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook „Jacop vander Lucht, den zangher" en „Willem den zanger" die van den Graaf van Blois „twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter voorziening in zijne kleedij.
Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: „een wijf die op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", „twee zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; „vier wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene quinterne ende daerop songhen", „drie sanghers die voer minen here gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden leider zich laten hooren: „Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen) songhen voor minen jonchere Jan", „Meeu sijn ghesellen ende haer ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen".In dit laatste geval hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer,water gezongen werd; want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: „Item den selven noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook „HEYN VAN CALES de sangher mit sinen ghesellen."
Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene Cameraars-rekening van 1364 de „meysteryels van der vedelen" aan, „die do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van 1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den „coninc van de pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude houden van pipen."
Waarschijnlijk zullen ook in de 14deeeuw, zij het eerst in de tweede helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden. Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt,het Maria-rooskenheet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen „die van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].
Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].
Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling van de liederen, die in de 14deeeuw in deze landen werden gezongen.
Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende zekerheid tot de 14deeeuw gebracht kunnen worden.
Het half Latijnsche half Dietsche lied: „In dulci jubilo singhet ende weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud is „eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje, kinderliedje, dat aanvangt:
Sy namen dat kindekyn metten teenen#Sussoe nynnoe Der heylighe kerst wil onser ghedencken Sussoe nynnoe Als wy suelen van ertrijc sceiden Sussoe nynnoe.
Op dezelfde wijze worden dan de „verssen"#daarna de „enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.
Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes in den trant van ons „kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].
Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht, roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].
Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien tocht voor het overig „gezelschap" dat „tot onsen here god voer" het verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied, hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van den Vijand, het „roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
Hi nam den nap op sijnre hant, Hi sette hem voor sinen mont, Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert, Hi dranc hem uut al tot den gront[28].
Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne wijze te bewerken.
Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14deeeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven. Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de Fransche trouvères der 13deen 14deeeuw, in het Noorden van Italië rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch voordroegen.
Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde gevallen vóór zich heeft[30].
Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aanDuitschland, hun inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, treurt, klaagt en weent of vleit—het zwakke is mannelijk en fier; zij is de „princesse", de „keyserinne"—hij de „dienaer" of de „lijfeigene". De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt de „stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper kan zich dan ook niet daartoe verheffen: „een kerel ghert der vreughden gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de „kerels" vervuld is.
Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.
Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!
Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe hetnationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen „wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een meer verstandelijk karakter en handelen over de „stede" (trouw), over vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de „niders"[33].
Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is dit lied op het scheiden:
Sceiden, onverwinlic leit, Onvreuchdelyc es dijn beghin, Dat nemic waerlic up myn heit#: Ten brinct gheen dinc meer lidens in. Sceiden, du dwinx herte ende zin, So langher tyt, so meer verdriet, Sceiden, du ne ghenouchs#mi niet.
Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:
Aloëtte, voghel clein! Dyn nature es zoete ende rein,So es dyn edel zanc; Daer dienstu met den here allein Te love om sinen danc.
Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met dit aardig couplet:
Trueren, waken, Magher caken, Selden sonder toren#, Breken, maken, Niet gheraken, Achter meer dan voren— Dit moeter al toe horen Ende al den tijt verloren[34].
Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen, waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:
Ghespele, in caent gheswighen niet, Nu wilt mijn overzwaer verdriet In trauwen helpen helen. Doe ic lesten van u sciet#, Doe addi mi allein bespiet Ende ic ginc mettem spelen. Ghespele, wilt beraden mi, So dat mijn ere behouden zi Bi wizen rade; Ic wane in comme hem nemmer bi.Wat sal ic doen! o wach, o wi! Het es te spade! Die ander sprac: op minen heit#, Dat es mi waerlic alzo leit, Ghespele, ic wil u claghen. Waer es dijn zuver ommecleit#? Nu moestu dinen aerbeit#Lange alleine draghen. Waer es dijns hertzen toeverlaet? In can di, leider! genen raet Ghegheven— Wint up dijn haer#, dijn guldin draet, Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet Ghebleven!
De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:
Naelden, spellen, trompen, bellen, Ic wil mijn merse hier nederstellen, Laet zien of ic vercopen can!
die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:
„Merseman," seidesi, „lieve geselle, „Ic hebbe een cleine cokerkijn, „In vinde hier in no naelde no spelle#, „Die wel voughen soude daer in. „Hier sijn grote ende daer so cleine, „Maer ic ne vinde niet dat ic meine." —„„Joncfrauwe, wat spellen wildi dan? „„Naelden, spellen, trompen, bellen, „„Ic wil mijn merse"" enz. „Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn, „Dan es niet aldus cleine." —„„Cnape, wel moeti comen sijn, „„Ghi weit wel wattic meine. „„Wildi de spelle vercopen niet, „„So leen se mi of ghijt ghebiet#, „„Ic salt u lonen, bi sinte Jan— „Naelden, spellen, trompen, bellen, „Ic wil mijn merse hier neder stellen, „Laet zien of ic vercopen can!"
Daar is verder de „maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de „bonghe"#wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT, waaraan zulk een onverwacht eind komt—altemaal uitingen eener krachtige zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].
De hierboven genoemde „bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden ingevoerd en gebruikt.
Naar het schijnt, werd de „bonghe" ook wel „bom" genoemd en bediende men er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Hetrondeel, een der lyrische dichtvormen die in de 14deeeuw in zwang kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht „van den wilden man" dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel, als voor den zang bestemd, hier „liedekijn" genoemd:
Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc met luder stemmen eer iet lanc: „Ic was wilt, ic ben ghevaen „ende bracht in mintliken bande; „dat heeft ene maghet ghedaen. „Ic was wilt, ic ben ghevaen; „Al mochtic, in woude haer niet ontgaen, „des settic mine trouwe te pande. „Ic was wilt, ic ben ghevaen „ende bracht in mintliken bande"[36].
Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand, dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op meer dan een plaats immers wordt gesproken overdienstenvrouwe, b.v. in eene uiting als deze:
Lijfs ende sins is hi versaeght, Die dlijf#mint die sijn dienst meshaeght.
Elders herkennen wij in „dier verreder ghevensde tale" de klachten over de „niders" waarvan de hoofsche minnepoëzievol is. Hier en daar hooren wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het geheel geven. Zoo b.v.:
En mach verberghen in gheen hol Hem lief vor lief, die liefs es vol.
of:
Liefs troest eest beter niet ghenieten, Dan na liefs troest liefs troest mesnieten#,
of dit deel van een couplet:
dat hem verdrote 's Levens sere, Die uyt sire vrouwen Herte dor trouwen Ghesloten were[37].
Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen vormen.
Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men ook—de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon—een aardig drinklied dat aanvangt:
Scinc her den wijn, Gheselle mijn, Wi willen vroilic leven; Het mach sulc#zijn Noch up den Rijn, Die ons gheluc mach geven, Al moeten wi nu sneven.
Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van berooide minnaars die hunne versmade liefdezoeken te vergeten en als een voorspel vormen van de latere liederen der „gildekens"#[38].
Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de 14deeeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.
Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij smadelijk „der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.
Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; „uw versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak. FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert haar. Die schennis wreekt GERARD op denschender. Verhaalt de historie ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen—de volksdichter laat GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag hem te breken noch te buigen. Op de vraag „hoe hem nu te moede is?" antwoordt hij:
Ic ben noch al de selve man, Die graef Floris sijn jonc leven nam.
Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan een Nederduitsche sage.
Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde verhouding op.
Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven, waarin „der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen tot den moord:
Ander secgen: dat om een Vrouwe quam, Dat men hem sijn leven nam,Daer hi met soude hebben te doene, Die wyf was een van sinen baroene, Ende datten diegene daerom lagen Leiden vander stont alle dagen[39].
Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter deRijm-Kroniek van Melis Stokeaantreffen. Doch ook in dezen verminkten vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief, in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].
Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is overgeleverd, blijkt reeds uit den titel:Van cort Rozijn; immers de naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, „Segher deCurtroysijn"(d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.
Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).
Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de volkspoëzie is verwerkt.
In het lied biedt de Graaf zijn „lieven neve" den Cortrosijn het ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke bewoordingen: „ick leve so noode bi quaden ase"#. Die „spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs; voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.
Evenals in het liedvan Gerard van Velzenis ook hier het bijzondere: de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].
Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat uitmaken? Dat de historische stukken van dezentijd niets van zoodanige verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs. Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.
Het liedvan den Cortrosijnherinnerde ons den grooten patriot JACOB VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der „Clauwaerts", die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de Franschgezinde „Leliaerts", op wier mouwen de „fleur de lis" prijkte:
Clauwaert, Clauwaert, Hoet u wel van den Lelyaert enz.[42].
Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der voorname „Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende „kerels". Uitvoeriger worden de „kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adeldie door de „kerels" was gevangen genomen en in den „stoc"#gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke plastiek en scherpen spot is de „kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij boordevol!—„Hei", roept een andere kornuit, „hoort nou ereis een vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet gesnoten?—Hadden de „kerels" de macht in handen, het zou spoedig klinken: slaat de heeren dood! De „kerels" van Gent kunnen het getuigen. Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is zijn speer, de wan zijn schild; „ja, zeker!" zeggen dan de overige rekels, „Roelof weet van steekspel houden!"
Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied „van de kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster hand is hier een beeld van den „kerel" omgetrokken, dat bovendien niet zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: „vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel" ... in dien trant gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:
Wi willen de kerels doen greinsen, Al dravende over 't velt, Hets al quaet dat zi peinsen; Ic weet ze wel bestelt#: Men sal ze slepen#ende hanghen, Haer baert es al te lanc; Sine connens niet ontganghen, Sine dochten#niet sonder bedwanc. Wrongle ende wey, broot ende caes, Dat heit#hi al den dach; Daer omme es de kerel so daes#, Hi etes meer dan hi mach.
Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke gedichten van dezen tijd, zooals deJammerliche Clageover den dood van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III, hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere—welk een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die gewichtige 14deeeuw!
Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14deeeuw. De auteur verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn vijand OTTO, graaf van Gelre,heeft hij zich in geringe kleeren gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet; hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.—„Droomt gij?" zegt de graaf; „maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het venster—typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw—die bode, dat verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die ontknooping—het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi lied in de volkstaal had kunnen worden[43].
Al waren alle gherse#tonghen, Die te meye oit ontspronghen, Ende si alle van u songhen, Si en gaven u niet te vollen prijs.
Deze verzen uit een gedichtvan onser Vrouwenwijzen aan, waar het zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de voornaamste plaats in. Het is haar „opvaert", hare „vijf pinen", hare „claghe"; wij vinden „bedinghen" tot haar, een „lof van Maria", „Ave Maria," „Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.
Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en JACOB VAN MERLANT, „een edel clerc ende wide becant" in een soort van wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:
O maghet, o moeder, o godlijc wijf, O zoete, o reyne, o leytsverdrijf, O lieve, o werde, o zalighe vrouwe, O advocate der zonden kijf#, O onser, ellendigher, biblijf#; O roze, vul van 's hemels dauwe, O troost in node, o heils beclijf, O wech der dolender, even stijf#, O bloeyende minne, o vloeyende trouwe, O moederlic herte, o maechdelic lijf, O licht voor thelsche ongherijf, Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].
Opmerkelijk is een stuk getiteldOnser Vrouwen Clagheom den geest der vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens dat spreken der personen zonder aankondiging:
Tote Adame dat hi quam: „Adam, du ne wet min no mee ...
Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: „Ay, hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].
Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andereOp het lyden Christi,ons liefs Heren passie,de seven ghetide van onsen here. Hindert ons hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven
Dat Jhezus naect hinc als een rent#An den cruce moedernaect[46].
Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagtVan Jhesus Mynnen, een scoen ryme. Men oordeele zelf:
O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot, Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot? O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen, Want hi wilt noch anders met u spelen gaen. O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet, Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel, U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel. O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen: Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47]. enz.
Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van hetMiserere, van hetPater Noster. Het oude geloof, dat voor het Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier, dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het oud-nationaal geloof:
... ... dat my gheen dinghen en moghen vellen Noch gheen tonghe en moge quellen, Noch yser noch stael my sniden noch slaen.
Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot „den heyligen kerst" en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:
Dat seder ghesmeedt waert Dat Christus gheboren waert.
Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en harmonie van het gansche stuk[48].
Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige, maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer en meer zien wijook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog erkennen als middelaars tusschen haar en God.
De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.
Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een paar maal het vaderlijk „lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger in de leerdichten aanwezen, noch dat hetdebaten daarmede verwante vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid, eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken uitdrukkingen leest als: „Nu mach elc vroet man merken" of „Nu gheraet hier naer"[49].
Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De romanvan de Roosmoge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere, Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet#van Lozane en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer ERENTRYCK treden o.a.Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50]. Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede, Solaes tegen Penitentie.
Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13deeeuw dagteekent, is „een abel dinc ende een edel leere:van der Zielen ende van den Lichame. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst:de geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest, die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als „een edel exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik was jong, schoon, bloeiend—nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij; wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz. Ook „een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een levenden en een dooden koning[52].
Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woordlidenvolgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat „de menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den breidel van „redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder uitgewerkt[53].
Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; een andereover de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer een ander maakt er eene „questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen „baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons het beeld voor „van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben: HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van „een geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon de eigenlijke beteekenis van het woordwapenleert; van de raadslieden die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.
Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:
Gherne soud se visschen, die catte, Maer node steec se den poot in 't natte. Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken#. Vele onderwinden en was noit goet. Swigen brinct vele rusten in.
Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb het oog op een aardige spreuk als:
Boven macht piint men dicke om haven#, Want noot doet oude quenen#draven.
Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
Hi en dunct mi niet te sere riesen#, Die van tween quaden dminste can kiesen.
Of:
Met dommen dom, met wisen wijs, Want het es nu der werelt prijs.
Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naamFridankes Bescheidenheit.
Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden deze „voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:
Here, dune machs niet genesen#Du en wilt#scalc und ontrou wesen.
De koekoek, een „beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij altijd van zich zelven spreekt, zegt:
Oetmoedecheit salmen miden, Want hoverde geet voren tallen tiden.
Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er eenigszins op leken[54].
Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhandvrucht dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en vooral—het waren ook toen immers maar menschen?—voor die van anderen. De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere Als tonghe, die rovet des menschen eere.
Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met een naïeve klacht over het eeuwige „begrijpen"#der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar de kerk—ik ben een schijnheilige; laat ik het—ik ben erger dan een hond; draag ik een wapen—ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis—ik heet een lafaard; praat ik veel—zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg ik weinig—hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne—de hel is zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig—'t is een saaie Piet! „Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen; zóó alleen kan men rust vinden in „dit ellendighe erdsche dal."
Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de „begripers" gestemd. Dat voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven letten:
Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast. Dat anderen weecht, es mi gheen last. Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn, Twi#soudic yemens begripere zijn?
En tot den „begriper" zeggen zij:
So wie dat spreken wille up mi, Bezye hem selven, wie hi zi. Es hi goet ende al de zine, So eist mi te mindre pine[55].
Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet. Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden. Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht; weer een ander zingt ironisch den lof van de „plaesteraers"#en besluit telkens een couplet met het refrein: „ic moet emmer#plaestren leeren"[56].
Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar „sprekers", die wij spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit hoofdstuk behandelde poëzie.
BOUDEWIJN'SMaghet van Ghend(omstreeks 1381) geeft een kijkje in de vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht „van (den) Sceepkene" is eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie vindt men ook in zijnBorch van Vroudenrijc, eene voorstelling van het lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen entoestanden zijner dagen op scherpe wijze in de „edele sproke":Dits Tijt's verlies, AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:
Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude schinen in Kerstenrike.
Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij terug in zijn gedichten overde Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van der Rycheit ende van der Doot[57].
Beide „sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In BOUDEWIJN'STijt's verlies, in het laatstgenoemde stukje van AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn „Sceepken": dat bootje, drijvend in de Merwede, waar de dichter „in 't risen van der sonnen" instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij eindelijk de riemen ter hand neemt—geeft ons eene aardige verzinnelijking der verbeelding die „vaart spelen daar draaiboom sluit noch hek."
Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar gegeven voorstelling.
Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van deliefde te zien. De vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedichtVan der feestenbevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne, op scholastieke wijze verdeeld in deelen en „poenten". Wij vinden hier antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen? eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het „helen" van den naam zijner liefste of „vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.
Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is:van XII cnechten#die ruddren worden van heeren#. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven; dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.
Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon nergens zoo duidelijk.
Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen geoefend.
Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter treft ons deze spreuk:
Spere, schilt, helm ende sweertHebbengode ridders weert[58].
Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen aan de ridderromans; in het gedichtVan der Feestenworden er ettelijke genoemd; het Koningspel uit den romanvan Limborchis verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de „vijf heren" en „vijf vrouwen", wier „wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis in Troje; de „vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een ruime zaal en die zich met „wenschen" den tijd korten, zijn helden uit hetNibelungen-lied. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'SAchte Persone Wenscheneen ridder en een edele jonkvrouw met geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken om het gelag[59].
De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van den romanvan de Rooszelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke, didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien,Heer Smakelijn, Rieke-lucht, Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].
Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie, openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en vragen aangaande de minne, onder den titelDer Minnen Guet, was blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne voordrachten. Ook de dialogen en „twistspraken" over de minne hadden de strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje stemt toe, het andere weigert. „Nu, welc harer hadde den besten wille?" luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij tegenwoordig bij een „strijd van minne" tusschen een ridder en eene jonkvrouw, tusschen „Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde „wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in hetJugement van Vrouw Venus, al is dat gewichtiger als voorstelling der middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].
Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche literatuur aantreft, werd in de 14deeeuw ook in de Nederlanden beoefend. Een vijftal Dietsche stukkenvan dezen aard zijn volgens het gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als „ene vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en „noch een vriendelike saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche „saluts d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche „liebesbriefe." In zulk een „saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een „brief" hetzij „eene tafele"#, sloot ook wel eens eene roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]
Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER, den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13deeeuw toch nog indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen geslachte met monniken en nonnen te drinken—om het gelag! Het kan ons niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder deze minnepoëzie aantreffen:
Ic minne een wijf die scande geert Nemmermeer si pijnt na ere; Wijflijcheit hat hare onweert#Nicht#haren prijs kan si meerren. enz.[63].
Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:
Ende of ic troest sochte an hare Ende sijt ontseide, wat lagher an?Ic sal haer claghen mijn mesvaren; In sal#; ic sal; in sal nochtan! Ic ware een verloren man, Ghelijc den snee in sonnenschine, Hope ende troest dies ben ic van#! Ay lacen, die scouden#die sijn mine![64]
Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
Doe ich har clagede minen noot, Vragede zi mi: „is Brugge groot?"[65]
Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:
Ic quam gegaen met liste, Daer ic mijn suete lief wiste, Ic sprac: „lief, waer biste,?"
en wat daar meer volgt.
Zoo ook in de „goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukjeDmeisken metten sconen vlechtkendat aan zijne naïeve zinnelijkheid zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer er onder schreef: „Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].
[Voetnoot1: Vgl.Vad. Mus., I, 369 (ookMnl. Ged., ed. DE PAUW, III, 667). VERWIJS,X Goede Boerden, no. VIII: „ene boerde" enMnl. Wdb.i.v. b.v. „die boerde van den Grale".]
[Voetnoot2: Vgl.Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, II, 37;Rumbeeksche Avondstonden, p. 23: „eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden uitgesproken; KAUSLER,Denkmäler, III, 204, 222, 131, 114, 109 („dese miracle").Goede Boerden, p. 11 (ook vs. 222: „dit exempel");Belg. Mus., I, 326.]
[Voetnoot3: In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1oeene verwijzing naar deHist. Littéraire de la France, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stofvan den cnape van Dordrechtvindt men terug in het fabliaudu fotéor (Recueil général et complet des Fabliauxvan MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o. De stof der tot nog toe onuitgegeven boerdevan Heile van Berseelevindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij CHAUCER inThe Miller's Tale (Canterbury Tales). De vraag mag gesteld worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook inThe Pardonere's Talede passage aanvangend: „In Flandres whilom was a compagnie." Vgl. overigens over deze stof:Anglia, I, 38, 186; II, 135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliauDe le vescle a prestre(MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc rimée.
Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikkingzijne blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke „Van eenen verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER,Denkmäler, III, 204–212) vinden wij in „Li dis dou Magnificat" van den Henegouwschen menestreel JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl.Dits et Contes de Baudouin de Condépar A. SCHELER, II, 355 suivv.]
[Voetnoot4: Vgl.Goede Boerden, p. 11, vs. 4; KAUSLER,Denkmäler, III, 101; voorts: ald. III, 111, vs. 4–5; III, 186;Vad. Mus., I, 50, vs. 6–8;Belg. Mus., I, 326, vs. 12–17; 328, vs. 64–5; 336, vs. 354–5.]
[Voetnoot5:Goede Boerden, bl. 1, 4, 19;Belg. Mus., III, 108–114; KAUSLER,Denkmäler, III, 165. In de boerdevan Heile van Berseelebehalve Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.]
[Voetnoot6: In deChansons du XVe siècle(ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX) de uitdrukking: „faire la follie" of „faire la sottise" in dezen zin. Vgl. ook:Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged., no. LXXI: „dat sotte dinc doen". Ook de Oudfransche „gabs" in dePélérinage à Jérusalem.]
[Voetnoot7:Belg. Mus., X, 52.]
[Voetnoot8:Goede Boerden, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.]
[Voetnoot9: Vgl.Lancelot, III, 16040 enTorec, vs. 276.
De hier bedoelde boerden zijn:Van enen man die lach gheborghen in ene scrine;van den cnape van Dordrecht;een bispel van II. clerken; van Lacarise den katijf(Goede Boerden, ed. VERWIJS, I-IV);Belg. Mus., X, bl. 51 vlgg.:van den man die gherne dranc;tghoede wijf maect den goeden man;van III. ghesellen die den bake stalen;Belg. Mus., III, 108:Wisen raet van Vrouwen, vollediger in VERWIJS'Bloemlezing uit Mnl. Dichters, III;Van Vrouwen ende van Minne(ed. VERWIJS), no. II; KAUSLER,Denkmäler, III, 111van der weldaet die de duvele dede. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, no. 1171, 2e serie:van den visscher van Parijs(Recueil Gén. des Fabl., III, 68: „Du péschéor de pont seur Saine");van Heile van Bersele(zie boven) enVan der vrouwen die boven haren man minde(Rec. Général, V, 132–142: „De la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundelVan Vrouwen ende van Minne, zal weleene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld wordt in het fabliaude Trois aveugles de Compiègne(Rec. Général, I, p. 70).]
[Voetnoot10: KAUSLER,Denkmäler, III, 118–120.]
[Voetnoot11:Van Vrouw. e.v. M., no. VIII.]
[Voetnoot12:Belg. Mus., VIII, 96.]
[Voetnoot13:Id., X, 64.]
[Voetnoot14: HetBaghynken van Parijsuitgeg. door de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk inKonst- en Letterbodevan 1853, II, 50–55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijneAnnales, no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh., O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook:Jahrb. des Ver. für niederd. Sprachforschung, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
De overige sproken vindt men:Belg. Mus., I, 326:Een scone exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester;Belg. Mus., X, 57 vlgg.:van den verwenden keyser;de mantel van eren;van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder. (Ook in KAUSLER'SDenkmäler, III, 131:een goet exemple);van tween kinderen die droeghen ene starcke minne. (Ook in:Taalk. Bijdr., I, 244, een andere bewerking);Belg. Mus., X, 339:van enre nonnen verduldechede;Van Vrouwen ende van Minne, no. VIII; KAUSLER,Denkm., III, p. 101, 118, 165, 186;Tijdschr. v. N.T. en L., XXIII, 46;Belg. Mus., VIII, 96:Van den ouden ridder ende den jonghen;Vad. Mus., I, 50:Van enen ridder die God sine sonden vergaf; 57:vanden goeden Brueder; de exempelen in denSpieghel der Sondenopgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.]
[Voetnoot15: KAUSLER,Denkmäler, III, 204.]
[Voetnoot16:Vad. Mus., I, 51.]
[Voetnoot17: KAUSLER,Denkm., III, 165, 109;Belg. Mus., X, 76, vs. 1; 58, vs. 11;Vad. Mus., I, 57, 66; p. 49–50; p. 98, vs. 34–5.]
[Voetnoot18:Goede Boerden, bl. 11, vs. 3. (Depllijcheitzal wel eene verschrijving zijn voorSpellycheit.)]
[Voetnoot19: Vgl.Goede Boerden, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104;Belg. Mus., X, 218 vlgg.]
[Voetnoot20: PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.]
[Voetnoot21:Goede Boerden, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.]
[Voetnoot22:Vad. Mus., I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing eerst inManon Lescaut; in HOOD'SBridge of Sighs, b.v. in: