BIJLAGEN.

[1253]R. S.-G. 20 Dec. 1622.[1254]R. S.-G. 22 Dec. 1622.[1255]R. H. 21 Dec. 1622.[1256]R. S.-G. 25 Oct., 19 Nov. 1633. (Tegenwoordig was voor Holland o. a. de heer van Heemstede)—Een praecedent hadden de Hollanders in het gebeurde in 1617, toen het octrooi der N. C., hoewel de Staten van Holland bijeen waren, zonder hunne voorkennis verleend was.—Vgl. ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.—Toch schijnt er reeds in Juli 1633 verschil tusschen eenige Hollanders en de N. C. geweest te zijn, waarin o. a. Haarlem gemengd was. (R. H. 13 Juli 1633.) Wat daarvan was, blijkt niet.[1257]R. H. 5 Dec. 1634.

[1253]R. S.-G. 20 Dec. 1622.

[1254]R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1255]R. H. 21 Dec. 1622.

[1256]R. S.-G. 25 Oct., 19 Nov. 1633. (Tegenwoordig was voor Holland o. a. de heer van Heemstede)—Een praecedent hadden de Hollanders in het gebeurde in 1617, toen het octrooi der N. C., hoewel de Staten van Holland bijeen waren, zonder hunne voorkennis verleend was.—Vgl. ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.—Toch schijnt er reeds in Juli 1633 verschil tusschen eenige Hollanders en de N. C. geweest te zijn, waarin o. a. Haarlem gemengd was. (R. H. 13 Juli 1633.) Wat daarvan was, blijkt niet.

[1257]R. H. 5 Dec. 1634.

De Noordsche Compagnie kon dan ook thans evenmin als vroeger besluiten, de eischen der acht steden toe te geven: eene commissie, door Holland benoemd om de twistende partijen te vereenigen en »in stilheyt een bequame uytkomste te vinden[1258],” bracht het na maandenlange conferentiën niet verder dan de vorige[1259].In Maart 1635 dreigde men eindelijk, dat de oneenigheid »in tyd ende wylen wel eenige ongemacken soude mogen veroorsaecken[1260];” later drong Dordrecht aan, om het volgens haar niet geldige octrooi »te houden voor nul ende van onwaerden[1261],” en werkelijk begonnen de pretendeerende steden in den zomer van dit jaar zonder zich aan de compagnie te storen de walvischvangst aan Spitsbergen[1262].

[1258]R. H. 5 Dec. 1634.[1259]R. H. 3, 22 Mrt., 4, 5, 24, 27 Apr., 1, 24 Mei, 27 Juni 1635.[1260]R. H. 3 Mrt. 1635.[1261]R. H. 24 Mei, 27 Juni 1635.[1262]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stu. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.—Vgl. hiervóorp. 270,72.

[1258]R. H. 5 Dec. 1634.

[1259]R. H. 3, 22 Mrt., 4, 5, 24, 27 Apr., 1, 24 Mei, 27 Juni 1635.

[1260]R. H. 3 Mrt. 1635.

[1261]R. H. 24 Mei, 27 Juni 1635.

[1262]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stu. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.—Vgl. hiervóorp. 270,72.

Toen eindelijk zag de bedreigde vereeniging het gevaar in en verklaarde zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten. Met nieuwen ijver werden nu de conferentiën hervat: de gecommitteerden (de heer Van Noortwyck met een gedeputeerde vanHaarlem, Leiden en Alkmaar[1263]) beproefden onvermoeid eene schikking tot stand te brengen. De bewindhebbers, door Hollanders en Friezen te gelijk bedreigd, gaven eindelijk toe. Zij verklaarden zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten; maar zij stelden dadelijk als voorwaarde dier toegevendheid drie eischen: de Staten-Generaal moesten het octrooi der Noordsche Compagnie verlengen voor twintig jaar, den invoer van alle uitheemsche walvischtraan verhinderen of zeer hoog belasten, en aan alle Nederlanders streng verbieden om ter walvischvangst uit te varen. Op deze voorwaarden schijnt door de Staten van Holland geene aanmerking gemaakt te zijn, maar meer moeielijkheid baarde de voorloopige begrooting van het aandeel, dat de nieuwe participanten in de compagnie zouden krijgen. Er werden zeer hooge eischen gesteld. Nadat de Noordsche Compagnie verklaard had, dat zij aannam, wanneer alle concurrentie door de Staten-Generaal op de bovenvermelde wijze geweerd werd, hare vangst van 16.000 quarteelen traan op 24.000 te brengen, maakten de acht Hollandsche steden dadelijk aanspraak op de geheele vermeerdering van 8000 quarteelen. Het was zeker wel wat veel gevergd, terwijl Zeeland slechts1⁄4bezat en Friesland zich eerlang met1⁄9moest tevreden stellen, dat men aan acht steden eener provincie, die reeds het leeuwendeel in het octrooi bezat, nog1⁄3aandeel in de vangst zou inruimen, en de Noordsche Compagnie meende dan ook, dat men zich met 5000 quarteelen behoorde tevreden te stellen. Bovendien eischte zij, dat de nieuwe aandeelhouders een deel zouden betalen van de kosten van ontdekking der tot de visscherij noodige eilanden en van de processen, door de compagnie over het bezit daarvan gevoerd. De indringers bleven echter bij hunnen eisch; slechts op éen punt was men eenstemmig: de Friezen moesten met vereende krachten geweerd worden[1264].

[1263]R. H. 5 Dec. 1634.—Versl. v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1264]Deze en de volgende bizonderheden over eene quaestie, waarover juist van elders bijna niets bekend is, ontleen ik aan de aanteekeningen, door den Haarlemschen gedeputeerde (den burgemeester Van der Camer) van de zes door hem in 1636 bijgewoonde conferentiën gemaakt om rapport te doen aan de Staten van Holland. Ze zijn grootendeels geschreven op de keerzijde van andere stukken, en met eenige andere papieren over de N. C. vereenigd in eenen bundel: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.—Het hier medegedeelde is een overzicht van het verslag der eerste conferentie v. 14 Febr. 1636.

[1263]R. H. 5 Dec. 1634.—Versl. v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1264]Deze en de volgende bizonderheden over eene quaestie, waarover juist van elders bijna niets bekend is, ontleen ik aan de aanteekeningen, door den Haarlemschen gedeputeerde (den burgemeester Van der Camer) van de zes door hem in 1636 bijgewoonde conferentiën gemaakt om rapport te doen aan de Staten van Holland. Ze zijn grootendeels geschreven op de keerzijde van andere stukken, en met eenige andere papieren over de N. C. vereenigd in eenen bundel: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.—Het hier medegedeelde is een overzicht van het verslag der eerste conferentie v. 14 Febr. 1636.

Twee conferentiën werden nu weder spoedig na elkaar gehouden, voordat men iets vorderde; maar den 19 Maart 1636 zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie eindelijk eenen uitgewerkten voorslag bij de commissie in. Zij wees er daarin op, dat het onmogelijk zou zijn ooit in eene algemeenevergadering tot eenstemmigheid te komen, wanneer men in elk der pretendeerende acht steden volgens haar verlangen eene nieuwe kamer der Noordsche Compagnie oprichtte; reeds nu »vielen dickwils in eene vergaderinge maer te veel swaricheijden voor om alle de verstanden ende sinnen in een te brenghen.” Bovendien zou eene inruiming aan de acht steden op zoo groote schaal als zij eischten noodzakelijk eene groote uitbreiding in de vangst ten gevolge moeten hebben, zoo men allen wilde voldoen; en zulk eene uitbreiding zou bij grootere kosten dadelijk eene belangrijke prijsvermindering van de traan te weeg brengen. De Amsterdammers stelden dus voor, aan Dordrecht, Haarlem en Leiden toe te staan elk 800 quarteelen, aan Gouda, Alkmaar, Edam en Medemblik elk 600, en aan Monnikendam 400 quarteelen. De Haarlemmers wilde men voegen bij de Amsterdamsche kamer, Gouda bij de Rotterdamsche, Alkmaar bij Hoorn; Enkhuizen zou vereenigd worden met Medemblik, Leiden met Delft of Amsterdam, terwijl Edam en Monnikendam samen slechts éene kamer zouden uitmaken. Alleen Dordrecht zou dus eene afzonderlijke kamer hebben[1265].

[1265]Repartitie door de Amst. kamer der N. C. aan de gedeput. der Stn. v. Holland overgegeven 19 Maart 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1265]Repartitie door de Amst. kamer der N. C. aan de gedeput. der Stn. v. Holland overgegeven 19 Maart 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

De commissarissen beloofden van dezen voorslag rapport te zullen doen en trachtten te verkrijgen, dat de Noordsche Compagnie de beslissing over deze zaak aan de Staten van Holland overliet. Amsterdam en Delft keurden dit goed, maar Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen herhaalden, dat zij niet »van haeren ouden tax ende quote wilden gaen, ofte soo sij seyden niett en konden missen”[1266].Zij leverden aan de commissie eene »aenwijsinghe” over, waarin zij uiteenzetten, dat zij »geene inruijminghe conden toestaen,” tenzij het aandeel van ieder hunner met 500 quarteelen vermeerderd werd; geschiedde dit niet, dan zou het aandeel van »de drij voornaemste zeesteden van Hollant naest Amsterdam”, dat nu reeds »seer cleen” was, »geheel vruchteloos worden gemaect”[1267].Van den voorslag om zich aan de Staten van Holland te onderwerpen kwam dus niets, en daar de commissie weigerde tot de inwilliging van de drie eischen der compagnie mede te werken, voordat men het over de repartitieeens was[1268],schijnt men 6 September 1636 eindelijk overeengekomen te zijn, dat Dordrecht, Haarlem en Leiden elk 800 quarteelen zouden hebben, Gouda en Alkmaar elk 600, Medemblik, Edam en Monnikendam elk 400. De oude kamers der compagnie zouden dan echter ook verplicht zijn, de onlangs toegelatene Friezen met 2000 quarteelen te voldoen uit hun aandeel van 16.000, niet uit de geheele nieuwe raming van 20.800 quarteelen[1269].De nieuwe aandeelhouders weigerden bovendien iets bij te dragen tot de kosten, door de ontdekking van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland en de over hun bezit gevoerde processen veroorzaakt, op grond dat het octrooi der Noordsche Compagnie vervallen was (!) en zij de voordeelen der visscherij sinds jaren als vergoeding dier kosten alleen genoten had. Alleen eene recognitie voor het gebruik van hare gereedschappen en inrichtingen werd aan de compagnie toegestaan[1270].

[1266]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. v. de 4econfer. dd. 21 Mrt. 1636,—en: Conc. rapport v. d. Hrl. gedeput. dd. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1267]Aenwysinghe door de kamers der N. C. v. Rott., Hoorn en Enkh. overgeleverd aan de gedeput. der Stn. v. Holl., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1268]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (5econfer. dd. 29 Juli 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[1269]Ook een ander pretendent, Pieter Ranst, directeur der compagnie van Nieuw-Nederland (O’Callaghan, N. Netherland. I p. 411), moest door de oude kamers met 600 quarteelen tevreden gesteld worden. (Versl. der 6econfer. v. 6 Sept. 1636.) Omtrent diens van elders onbekende pretensie zeggen de Amsterdammers, dat zij gaarne zouden „ontlast blyuen vande equipage Van Pieter Ranst, dewelcke volgende hett contract, ende om redenen vorenverhaelt (?) getollereertt soude moetten werden, voor den tijtt van noch seuen aenstaende equipagien, mits datt de generale Compaignie daer van de recognitie trecke.” (Repartitie der Amst. kamer N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)[1270]Verslag v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. der 6econferentie v. 6 Sept. 1636), in: Stn. ov. de N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Het stuk deelt de hierboven vermelde opgaven mede; het is echter mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, dat het alleen het antwoord der pretendeerende steden is op de eischen der N. C.

[1266]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. v. de 4econfer. dd. 21 Mrt. 1636,—en: Conc. rapport v. d. Hrl. gedeput. dd. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1267]Aenwysinghe door de kamers der N. C. v. Rott., Hoorn en Enkh. overgeleverd aan de gedeput. der Stn. v. Holl., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1268]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (5econfer. dd. 29 Juli 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[1269]Ook een ander pretendent, Pieter Ranst, directeur der compagnie van Nieuw-Nederland (O’Callaghan, N. Netherland. I p. 411), moest door de oude kamers met 600 quarteelen tevreden gesteld worden. (Versl. der 6econfer. v. 6 Sept. 1636.) Omtrent diens van elders onbekende pretensie zeggen de Amsterdammers, dat zij gaarne zouden „ontlast blyuen vande equipage Van Pieter Ranst, dewelcke volgende hett contract, ende om redenen vorenverhaelt (?) getollereertt soude moetten werden, voor den tijtt van noch seuen aenstaende equipagien, mits datt de generale Compaignie daer van de recognitie trecke.” (Repartitie der Amst. kamer N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[1270]Verslag v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. der 6econferentie v. 6 Sept. 1636), in: Stn. ov. de N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Het stuk deelt de hierboven vermelde opgaven mede; het is echter mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, dat het alleen het antwoord der pretendeerende steden is op de eischen der N. C.

Den bewindhebbers werd nu eindelijk verlof gegeven om te vertrekken[1271]en de verdere conferentiën werden uitgesteld tot 25 November, als wanneer men hoopte het ook met de Zeeuwen eens te zullen worden, die tegen dien dag naar Den Haag beschreven waren[1272].Men had tot nog toe steeds gehoopt de zaak onder de hand te zullen kunnen schikken met de Hollandsche kamers, die men geneigd meende te zullen vinden aan hare zusters een aandeel in de winst aftestaan[1273].Daarin had men zich echter geheel bedrogen: de Hollanders hadden zich zeer natuurlijk ongeneigd betoond alleen den geheelen last te dragen, en het was dus onmogelijk geweest in de afwezigheid der Zeeuwen eene definitieve overeenkomst te sluiten. Maar ook nu was de hoop daaropgering. De bewindhebbers der Zeeuwsche kamers hadden namelijk, nadat de conferentiën om hunnentwil tot na de algemeene vergadering van Maart geschorst waren, zich zeer onhandelbaar getoond. Eerst was er niemand van hen verschenen[1274],daarna hadden zij zich van de behandeling der zaak geëxcuseerd tot zij voltallig waren[1275].En de afwezigen bleven weg niettegenstaande het opontbod der Staten-Generaal[1276].De Hollanders van hunne zijde rekenden het nutteloos zonder hunne ambtgenooten eene overeenkomst te treffen, en meenden »dattet nijet geraden was onder den anderen te accorderen, dewyl sy beducht waren dat Zelant op syn luymen lach.” Maar dit uitstel was niet het eenige gevolg van den onwil van Zeeland: hare eischen zelve waren onredelijk. De bewindhebbers bleven er op staan, dat hun aandeel van1⁄4in de geheele uitrusting ongeschonden zou blijven en dus bij de vergrooting der generale raming ook hun deel vergroot moest worden zonder eenige vermindering door de toelating der nieuwe participanten, die alleen Holland aangingen[1277].

[1271]R. S.-G. 30 Sept. 1636.[1272]R. H. 1 Oct. 1636.—R. S.-G. 27 Oct. 1636.[1273]R. H. 29 Jan. 1636.[1274]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (2econfer. v. 12 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1275]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (3econfer. v. 15 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[1276]R. S.-G. 28 Mrt. 1636.[1277]Repartitie der Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.)

[1271]R. S.-G. 30 Sept. 1636.

[1272]R. H. 1 Oct. 1636.—R. S.-G. 27 Oct. 1636.

[1273]R. H. 29 Jan. 1636.

[1274]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (2econfer. v. 12 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1275]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (3econfer. v. 15 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[1276]R. S.-G. 28 Mrt. 1636.

[1277]Repartitie der Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.)

Op dezen eisch schijnt dan ook de geheele zaak afgesprongen te zijn. De gezamenlijke bewindhebbers verschenen eindelijk op den bepaalden tijd in Den Haag en de conferentiën met den heer Nobel, door de Staten-Generaal daartoe gecommitteerd, begonnen. (1 December 1636.)[1278]Maar reeds eene week later bleek het, dat alle moeite vergeefs zou zijn: de Noordsche Compagnie leverde eene remonstrantie bij Holland in, om »ghemaintineert te worden by haer octroy, in voegen gelyck het selve laetstelijcken ter Generaliteyt was geprolongeert.” Na »lange discoursen” over de »consideratien tegen de prolongatie van den Octroye bij verscheyde leden gemoveert,” verklaarden de Staten van Holland echter, dat de Noordsche Compagnie vóor 25 December »redelijck contentement” aan de acht steden had te geven; »bij faute vandien” zouden de Staten van Holland het octrooi houden voor »nul en van onwaerden”[1279].(11 December 1636.) De Staten van Holland traden dus openlijk toe tot het systeem der nieuwe pretendenten; zij desavoueerden het gedrag hunner afgevaardigden ter generaliteit ten aanzien van een besluit, meer dan drie jarengeleden genomen en door hen reeds zijdelings goedgekeurd. Ook al neemt men aan, dat deze met alle recht en billijkheid strijdige handelwijze wettig was, omdat de gedeputeerden werkelijk geen last gehad hadden[1280],dan nog streed het met den tekst der Unie en met de constante gewoonte, een octrooi door vijf van de zeven provinciën verleend voor »nul en van onwaerden” te verklaren op grond, dat een der beide overige gewesten weigerde zich te onderwerpen. De hoogste eisch, dien Holland stellen kon, was, dat men haar toestond een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen, en ook dit nog was met het oog op het groote getal Hollandsche participanten eenigszins twijfelachtig[1281].

[1278]R. S.-G. 1, 2 Dec. 1636.[1279]R. H. 10, 11 Dec. 1636.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.[1280]Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) zegt, dat de Stn v. Holl. „daer mede te kennen gaven, dat sy den Staten Generael niet toestonden eenigh Recht van Souverainiteyt.” Hij bedoelt er waarschijnlijk mede, dat men den gedeputeerden der provinciën het recht ontzeide zonder last hunner committenten een besluit te nemen. Het komt mij trouwens voor, dat dit bepaaldelijk in zaken als deze geen betoog behoefde.[1281]Vgl. over deze quaestie: hiervóorp. 323,24.

[1278]R. S.-G. 1, 2 Dec. 1636.

[1279]R. H. 10, 11 Dec. 1636.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.

[1280]Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) zegt, dat de Stn v. Holl. „daer mede te kennen gaven, dat sy den Staten Generael niet toestonden eenigh Recht van Souverainiteyt.” Hij bedoelt er waarschijnlijk mede, dat men den gedeputeerden der provinciën het recht ontzeide zonder last hunner committenten een besluit te nemen. Het komt mij trouwens voor, dat dit bepaaldelijk in zaken als deze geen betoog behoefde.

[1281]Vgl. over deze quaestie: hiervóorp. 323,24.

Zoo dachten ook de Staten-Generaal, en zij traden krachtig op voor de bedreigde vereeniging, die zij het aanzijn geschonken hadden. Dadelijk bevestigden zij het verleende octrooi en bepaalden, dat de Staten van Holland hunne bezwaren daartegen bij hen hadden in te brengen om ze te doen onderzoeken. Eerst wanneer die bezwaren geldig bevonden waren, zouden de Staten-Generaal overgaan tot de intrekking van het octrooi[1282].Deze krachtige houding had het gewenschte gevolg: de Hollandsche heeren zagen in, dat zij te ver gegaan waren. Tegen hunne gewoonte bukten zij voor de generaliteit; ten minste het blijkt niet, dat die van Holland ooit aan de oproeping eenig gevolg gegeven hebben. De nieuwe pretendenten, dus door hunne beschermers verlaten, gaven hunne eischen op, en wachtten op gunstiger tijden om ze door te zetten. De Noordsche Compagnie liet de acht steden niet toe[1283],en handhaafde haar octrooi tot aan het jaar 1642.

[1282]R. S.-G. 22 Dec. 1636.[1283]Dit maak ik op uit de Resolutie der Haarlemsche vroedschap van 6 Maart 1642 (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.), waaruit blijkt, dat de N. C. in dat jaar o. a. met Dordrecht en Haarlem over hare opneming in de compagnie onderhandelde.

[1282]R. S.-G. 22 Dec. 1636.

[1283]Dit maak ik op uit de Resolutie der Haarlemsche vroedschap van 6 Maart 1642 (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.), waaruit blijkt, dat de N. C. in dat jaar o. a. met Dordrecht en Haarlem over hare opneming in de compagnie onderhandelde.

Maar de tijden van ongestoorde rust waren toch voor de vereeniging voorbij: in de nog overige jaren van haar bestaan schijnt zij zich ten gevolge der Hollandsche resolutie van 11 December 1636 in eene eenigszins dubbelzinnige positie bevonden te hebben. De concurrentie van niet tot de compagnie behoorende Nederlanders, waaronder misschien vele Hollanders uit de acht pretendeerende steden, die het octrooi voor vernietigd hielden, schuilden, namsteeds toe[1284],en in 1641 was het reeds zoover met de Noordsche Compagnie gekomen, dat de gedeputeerden der Staten-Generaal op de conferentie te Staden aan Christiaan IV officiëel durfden verklaren en op schrift verzekeren, dat er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1285].In deze omstandigheden meende natuurlijk ieder op zijne beurt deel aan het octrooi te kunnen krijgen. Overal vormden zich vereenigingen, die hun geld in de vaart op Spitsbergen wilden wagen, en aangemoedigd door het geluk van Friesland verzochten achtereenvolgens alle provinciën om toelating tot het octrooi. Die van Utrecht, reeds in 1622 begeerig om hun kapitaal in de walvischvangst te beleggen[1286],waren de eersten, die zich bij de Staten-Generaal aanmeldden. Mr. Jacob Le Petit verzocht 29 September 1638 om met zijne compagnie ter walvischvangst naar Spitsbergen te mogen uitreeden onder belofte, dat hij zich drie à vijf mijlen van de Hollandsche baai verwijderd zou houden; hij hield staande, dat Utrecht evenals de andere provinciën in het octrooi moest worden ingelaten. De Staten-Generaal plaatsten zich op een onzijdig standpunt; het request werd in handen der Noordsche Compagnie gesteld, en onwillig als deze was, verliep de tijd met het wisselen van re- en duplieken[1287].Overijssel had reeds in 1634 te gelijk met Friesland getracht deel in de Noordsche Compagnie te krijgen, maar hare pogingen waren toen mislukt[1288].Beide provinciën besloten nu den wettigen weg te bewandelen. Tegen het einde van het octrooi der compagnie wendden zij zich met Gelderland tot de Staten-Generaal met het verzoek, om bij de eventueele vernieuwing van het octrooi mede daarin toegelaten te worden. Utrecht herinnerde aan de pretensie van Le Petit en zijne compagnie; Overijssel wenschte Jan Van Gesscher en Johan Struckel met de hunnen toegelaten te zien; Gelderland noemde later Eustaes Feij en Willem Everts als de hoofden der door haar begunstigde compagnie. Gedachtig aan het met Friesland voorgevallene beriepen de drie provinciën zich reeds dadelijk op het recht, dat hun volgens de Unie van Utrecht toekwam, en verklaarden, dat de vernieuwing van het octrooi der Noordsche Compagnie bij overstemming of in hare afwezigheid niet ten nadeele der nieuwe pretendenten zou mogen geschieden[1289].De Staten-Generaal, die aanvankelijk alleen beloofden op het verzoek der drie provinciën te zullen letten, wanneer de vernieuwing van het octrooi ter sprake kwam, verklaarden later uitdrukkelijk, dat zij de supplianten zouden toelaten als het octrooi verlengd werd[1290].Daardoor aangemoedigd deed eindelijk ook de zevende provincie, Stad en Lande, eene gelijke verklaring als hare drie zusters; het schijnt echter, dat zij daarmede meer ten doel had haar recht niet te verliezen, dan om bepaald tot het reeds »in effecte gecesseerde” octrooi te worden toegelaten: althans de namen der pretendenten werden niet genoemd[1291].

[1284]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.[1285]Verbaal der zending v. 1641 naar Staden en Glückstadt ad 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct. 1641. R.-A.[1286]R. S.-G. 22 Dec. 1622.[1287]R. S.-G. 29 Sept. 1638, 31 Jan., 18 Mrt., 22 Juli, 22 Oct. 1639, 27 Jan., 1 Mei 1640.[1288]R. S.-G. 17 Mrt. 1634, 13 Jan., 26 Apr. 1635.[1289]R. S.-G. 11 Nov. 1641, 24 Febr. 1642.[1290]R. S.-G. 3 Mrt. 1642.[1291]R. S.-G. 10 Juli 1642.

[1284]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

[1285]Verbaal der zending v. 1641 naar Staden en Glückstadt ad 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct. 1641. R.-A.

[1286]R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1287]R. S.-G. 29 Sept. 1638, 31 Jan., 18 Mrt., 22 Juli, 22 Oct. 1639, 27 Jan., 1 Mei 1640.

[1288]R. S.-G. 17 Mrt. 1634, 13 Jan., 26 Apr. 1635.

[1289]R. S.-G. 11 Nov. 1641, 24 Febr. 1642.

[1290]R. S.-G. 3 Mrt. 1642.

[1291]R. S.-G. 10 Juli 1642.

Zoo scheen er dus eenige kans te zijn, dat de Noordsche Compagnie werkelijk eene »generale Nederlantsche compagnie” zou worden, maar de concurrentie was te groot dan dat men dit plan zou hebben kunnen verwezenlijken. De acht Hollandsche steden herinnerden reeds in Mei 1641 aan hunne aanspraken van 1636[1292],en ook nieuwe Hollandsche pretendenten meldden zich aan. Eenige reeders te Jisp, die vier schepen uitgerust hadden, verzochten van de Staten-Generaal verlof om ter walvischvangst te mogen varen[1293];Amsterdamsche kooplieden, voor wie Cornelis Ys, een naam in de geschiedenis der walvischvangst niet onbekend, optrad, verzetten zich tegen de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie[1294].

[1292]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808—R. H. 25 Nov. 1641.—Req. der N. C. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1293]R. S.-G. 3 Apr. 1640.[1294]R. S.-G. 23 Sept., 1 Nov., 11 Dec. 1642.

[1292]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808—R. H. 25 Nov. 1641.—Req. der N. C. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1293]R. S.-G. 3 Apr. 1640.

[1294]R. S.-G. 23 Sept., 1 Nov., 11 Dec. 1642.

Ofschoon dus door mededingers overstelpt, beproefde de belaagde compagnie in den aanvang nog tegen den stroom op te roeien en poogde hare vijanden te bevredigen. Op de aanzoeken der vier landprovinciën, zeker meer door kwaadwilligen opgestookt dan door hoop op eigen voordeel gedreven, schijnt zij geen acht geslagen te hebben, maar met de Hollanders hoopte zij tot eene schikking te komen. Zij stelde voor op nieuw conferentiën met hen te houden, en de Staten van Holland toonden zich geneigd, tot het maken eener vaste verdeeling der vangst mede te werken[1295].Maar de eischen der steden waren te groot. Hoewel de Noordsche Compagnie veel verder ging in hare aanbiedingen dan in 1636 en o. a. aan Dordrecht en Haarlem zelfs ieder 1200 quarteelen traan aanbood, mits zij in de verlenging van het octrooibewilligden, nam alleen Dordrecht daarmede genoegen. Haarlem drong niet eens op verdere beraadslagingen aan, maar verklaarde »mette voorseide presentatie int minste nijet te sijn te vreeden” en liever zelve met eenige andere steden moeite te willen doen om een nieuw octrooi van de Staten-Generaal te verkrijgen[1296].Met zulke kwaadwilligen was niets aan te vangen. De Noordsche Compagnie mocht zich beroepen op hare ontdekking der noordelijke landen, op de vestiging der walvischvangst in de Vereenigde Provinciën door hare zorgen, op de bezwaren, die zij had doorgestaan en die nog steeds de walvischvangst bedreigden, zoo men ze niet met vereende krachten overwon, eindelijk op de »confusie ende disordren”, die het noodzakelijk gevolg zouden zijn van het gemis van »een behoorlyck ende voorsichtich reglement[1297]”, het baatte alles niets. De vernieuwing van het octrooi werd tallooze malen door de Staten van Holland besproken[1298];herhaaldelijk verzocht men om last van de principalen[1299],maar tot eene ernstige beraadslaging kwam het niet meer. Men begreep, dat het groote aantal der »Competiteuren” het onmogelijk maakte hun allen voldoening te geven[1300],en de moeielijkheid om het eens te worden over de verdeeling der traan, die reeds in 1636 een der commissarissen tot den raad gedrongen had, om de walvischvangst voorloopig aan ieder vrij te laten zonder eenige verhindering[1301],deed nu dien voorslag definitief aannemen. Het jaar 1642 ging voorbij zonder dat de vernieuwing van het octrooi in de vergadering der Staten-Generaal zelfs ter sprake kwam, en met het einde van het jaar »liep ’t octroy in ’t wilde ende desert[1302]”.

[1295]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. H. 13 Dec. 1641, 29 Jan., 4 Juli 1642.[1296]Resol. v. de Haarl. vroedsch. dd. 6 Mrt. 1642, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.[1297]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1298]R. H. 25 Nov., 13, 21 Dec. 1641, 18, 24, 28, 29 Jan., 4 Juli, 30 Sept. 1642.[1299]Punten v. beschr. der Stn. v. Holl. tegen 17 Juni 1642, art. 14,—tegen 8 Sept. 1642, art. 13,—tegen 18 Nov. 1642, art. 24.[1300]R. H. 30 Sept. 1642.[1301]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Conc. rapp. v. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1302]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808.

[1295]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. H. 13 Dec. 1641, 29 Jan., 4 Juli 1642.

[1296]Resol. v. de Haarl. vroedsch. dd. 6 Mrt. 1642, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

[1297]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1298]R. H. 25 Nov., 13, 21 Dec. 1641, 18, 24, 28, 29 Jan., 4 Juli, 30 Sept. 1642.

[1299]Punten v. beschr. der Stn. v. Holl. tegen 17 Juni 1642, art. 14,—tegen 8 Sept. 1642, art. 13,—tegen 18 Nov. 1642, art. 24.

[1300]R. H. 30 Sept. 1642.

[1301]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Conc. rapp. v. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1302]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808.

De Staten-Generaal handelden dusdoende niet alleen zeer verstandig, maar ook zeer consequent. De noodzakelijkheid van samenwerking en eenheid tegenover de aanvallen van vreemde natiën was hun hoofdmotief voor het verleenen van het octrooi geweest; nu Engelschen en Denen hunne pretensiën uitdrukkelijk hadden opgegeven, hadden de Nederlandsche walvischvaarders niets meer van hen te vreezen en de concurrentie van anderenatiën was niet belangrijk genoeg, om de Staten-Generaal op zulk een gewichtig punt van hunne oude vrijzinnige politiek te doen afwijken[1303].Toch bleef het altijd eenigszins een waagstuk, om een bedrijf, waartoe zulk een groot kapitaal, zoovele voorbereidingen noodig waren als de walvischvangst, voor de concurrentie geheel open te stellen. Het was de vraag, of enkele partikulieren de macht en den moed zouden hebben om zoo groote sommen te steken in gevaarlijke ondernemingen, die waarschijnlijk niet dan uiterst schrale winst zouden opleveren. De Noordsche Compagnie had dikwijls verlies gehad in plaats van winst: wat zou het zijn, zoo de groote concurrentie de prijzen van traan en balein sterk deed dalen? Werkelijk sloeg de walvischvangst na den val der Noordsche Compagnie weldra aan het kwijnen: de visschen werden door de vele schepen schuw en verdwenen uit de van ouds bezochte baaien; het liet zich aanzien, dat deze nering met de vele daaraan verbondene bedrijven in Nederland evenals in Engeland zou ondergaan[1304].Maar eerlang toonde zich de Nederlandsche energie in al hare grootheid: de wijkende prooi werd verder nagezet, de kostbare inrichtingen op de noordsche stranden werden verlaten, de schepen anders ingericht en moedig in het drijfijs gestuurd. En met uitstekend gevolg! De ijsvisscherij leverde door grootere bezuiniging in administratie en uitrusting ruime winsten; het getal schepen nam verbazend toe en vijf en twintig jaren na den val der Noordsche Compagnie kon men roemen, dat het aantal Nederlandsche walvischvaarders in dien tijdvijftienvoudigverdubbeld was[1305].De Noordsche Compagnie zelve was voortaan een afschrikkend voorbeeld, dat overal werd aangehaald, waar het gold de nadeelen van monopolie en bescherming overtuigend te bewijzen: de geschiedenis der bevoorrechte vereeniging werd een krachtig wapen in de handen der mannen van vrijheid en vooruitgang.

[1303]Vgl. Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 191.—Uit het voorgaande blijkt genoegzaam, dat de reden door Luzac (Hollands rijkdom. I p. 347) opgegeven voor den val der N. C. onjuist is. („De geringe voordelen, welke misschien door de kosten van bewind werden ingezwolgen, gaven aanleiding, dat de Noordsche Maatschappij van zelve een einde nam.”)—Vgl. ook: Tegenw. Staat. I p. 591.[1304]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 241.[1305]Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 84.

[1303]Vgl. Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 191.—Uit het voorgaande blijkt genoegzaam, dat de reden door Luzac (Hollands rijkdom. I p. 347) opgegeven voor den val der N. C. onjuist is. („De geringe voordelen, welke misschien door de kosten van bewind werden ingezwolgen, gaven aanleiding, dat de Noordsche Maatschappij van zelve een einde nam.”)—Vgl. ook: Tegenw. Staat. I p. 591.

[1304]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 241.

[1305]Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 84.

INSTRUCTIE voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua sembla[1306]) om, t’ ondersoucken, ende te vinden naer ’t Coninckryck van China etc.[1307]

INSTRUCTIE voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua sembla[1306]) om, t’ ondersoucken, ende te vinden naer ’t Coninckryck van China etc.[1307]

[1306]De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn in het origineel bijgeschreven door Oldenbarnevelt zelven. Het is merkwaardig, en het getuigt van zijne kennis van al, wat op de noordpoolreizen betrekking had, dat die bijvoegingen altijd betrekking hebben op het plan van Plancius om benoorden Novaya Zemlya om te zeilen.[1307]Twee zaken schijnen mij in deze Instructie vreemd: 1o. dat het stuk uitging van de Stn.-Gen., niet van de Amsterdamsche vroedschap, op wier kosten zooals men weet het schip, waarover Barendsz. het bevel voerde, was uitgerust, 2o. dat de Instructie door de regeering gegeven werd niet aan Nay, den „superintendent” der expeditie, maar aan Barendsz., die voor zoover wij weten niets met de schepen der Stn.-Gen. te maken had. Beide zaken getuigen wel voor het gewicht, dat men aan Barendsz.’ tegenwoordigheid reeds op deze eerste reis hechtte.

[1306]De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn in het origineel bijgeschreven door Oldenbarnevelt zelven. Het is merkwaardig, en het getuigt van zijne kennis van al, wat op de noordpoolreizen betrekking had, dat die bijvoegingen altijd betrekking hebben op het plan van Plancius om benoorden Novaya Zemlya om te zeilen.

[1307]Twee zaken schijnen mij in deze Instructie vreemd: 1o. dat het stuk uitging van de Stn.-Gen., niet van de Amsterdamsche vroedschap, op wier kosten zooals men weet het schip, waarover Barendsz. het bevel voerde, was uitgerust, 2o. dat de Instructie door de regeering gegeven werd niet aan Nay, den „superintendent” der expeditie, maar aan Barendsz., die voor zoover wij weten niets met de schepen der Stn.-Gen. te maken had. Beide zaken getuigen wel voor het gewicht, dat men aan Barendsz.’ tegenwoordigheid reeds op deze eerste reis hechtte.

Inden Iersten sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman het volcommen commandement hebben, ende goede ordre houden ouer spys, ende dranck, deselue ten meesten oorboer gebruyckende, ende daerbenevens goede discipline houden ouer alle tscheepsvolck, achtervolgende d’ artyckelbrieff daerop gemaeckt,

Ende sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman met zyn schip, ende schipsvolck in dese maendt van Meye hem gereet vinden int meersdiep, omme van daer met de twee andere schepen totte voyage gedestineert de voorszeide reyse te voorderen soohaest alst doenlyck ende mogelyck sal wesen,

Ende sullen de voorszeide dry schepen hen byden anderen houden waerouer die Superintendentie sal hebben Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen in tgene dat tot voorderinge van dese voorszeide voyage, off reyse sal strecken, Ende oft gebeurde (twelck Godt verhoede) dat dese schepen door storm, of onweder, oft oock door lanckduerige mist, oft ysganck, oft anderssins vanden anderen dwaelden, oft eenich ongeluck ouerquame, dat In sulcken geualle een ydert van d’ andere schepen euenwel hare voorszeide reyse sal voorderen, sonder dat d’ een d’ andere inde voorszeide voyage sal mogen empescheren ofte verhinderen,

Ende gepasseert zynde de noortcaep sullen hen alsdan verdeylen te weeten Cornelis Cornelisz., ende Brant Ysbrantsz. sullen haer cours nemen, nade Vaygatz ende Willem Barentsz. nae noua zemla, omme by alle mogelycke, ende doenlycke middelen t’ ondersoucken daer door te commen in de zee van Tartarien genaempt Mare tabin, Ende Ingeualle de voorszeide Wilhem Barentsz. door (oft om de) noua zemla niet soude connenpasseren sal alsdan gehouden wesen de andere schepen te volgen door de Vaigatz, Ende ter contrarien d’ andere schepen niet connende passeren door de Vaigatz, oft door de Vaigatz alreede eenige mylen geseylt zynde, ende beuindende empeschement, oft letsel van ys, sulcx dat zy niet voorder souden connen door commen, sullen alsdan mede haer voyage dirigeren naer noua zemla, ende d’ ander schip volgen,

Ende sal de voorszeide stuerman scherpelyck letten op de forme, gesteltenisse ende gelegentheyt van t’ eylandt (ende wateren van ende om noua sembla, ende alle andere eylanden ende wateren, die hij opte reijse om noua sembla sal beuinden, ende zoo hij nade Vaygats mede compt te seylen, oick) van vaygatz, hoe tzelue gesitueert is, ende op wat hoochte, ende ondersoucken die wyte, ende breete vande canalen derzeluer, Insgelycx die diepten, ende gronden soo aende Noortzyde nae (van) noua zemla, als aende suytsyde wesende aende custen van moscouien, ende Tartarien, ende van gelycken wat droochten, sanden, ende riffen daer mogen wesen, ende oft daer oock hauenen, oft Reeden zyn om schepen te bergen soo voorden ysganck, als anderssins, Ende daerbeneffens wat volck op tzelue Eylandt, Ende aen beyde custen derzelue woont etc. Ende dit alles pertinentelyck aen te teekenen ende by gescrifte te stellen,

Ende door den canael van Vaygatz gepasseert synde sal de voorszeide stuerman alsdan synen cours nemen oost noort oost, ofte noortoost ten oosten aen op de noortcaep van tartarien genaempt de caep van tabin, ende neerstelyck letten op de hoochte vande selue caep, op de gedaente van tlandt ende gelegentheyt vande diepten ende die steylten, oft vlacten vande strandt aldaer met alle voordere circumstantien daertoe dienende,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. onder anderen bysonder letten wat eylanden op dese voorszeide vaert gelegen zyn, ende waer, Ende wel distinctelyck aenteeckenen haere situatie ende die hoochte van dien, die commoditeyten van hauenen, ende Reeden derseluer, ende by wat volck d’ selue bewoont wordden, ende voorts daervan alle voordere kennisse nemen, sulcx als hy noodich ende dienstelyck sal beuinden,

Van gelycken sal de voorszeide Wilhem Barentsz. acht nemen op de stroomen, ende getyen van dese geheele passaige, soo by westen, als by oosten die Vaigatz, ende wel distinctelyck aen teeckenen op wat plaetssen, ebbe, ende vloet gaet, ende hoe hooch dattet daerop vloet, ende hoe lanck dat die ebbe, ende vloet op alle dese plaetsen gaet, Ende bouen dien ondersoucken de nature, ofte qualiteyt vande wateren aldaer te weeten, off deselue sout ofte soet, ofte brack zyn, Ende sal hier van pertinente notitie houden,

Alle tgene voorszeid is met Godts hulpe volbracht ende van alles pertinente notitie gehouden, ende alle aenteeckeninge scriftelyck gedaen zynde, soo sullen de voorszeide schepen wederkeeren, ende alsdan heuren cours nemen, die eenen lancx de custen van noua zemla, ende d’ andere lancx de custen van Tartarien, wel scherpelyck lettende op de streckinge ende gedaente vande Landen, ende die hoochte derseluer, mitsgaders die diepten, ende gronden, ende van gelycken die droochten, clippen, sanden, ende riffen met alle circumstantien daertoe dienende, Ende sullen die voorszeide schepen malcanderen verwachten ontrent het eylandt Colgoyeue,

Voorts sal de voorszeide Wilhem Barentsz., ende van gelycken synen onder stuerman, oft schipper pertinent Journael houden van alle die coursen, geduerende dese voyage, beginnende vanden noortcaep aff, ter tyt dat die schepen aldaer wederom door Godts genade gecomen sullen wesen, Ende sal tallen tyden, ende plaetssen des doenlyck zynde die hoochte affmeeten geduerende dese voorszeide reyse, als voorszeid is Ende daervan goede notitie houden, Ende voorts van alles een pertinentverbael maecken naer behooren, omme d’ Heeren Staten ouergeleuert te wordden,

Ende ten eynde eenen Iegelyck veroirsaeckt sal wesen syn vuyterste debuoir te doen sal de voorszeide Willem Barentsz. voor al van syne belooffde penningen betaelt wordden, ende de saecke wel geluckende, ende de reyse door Godts hulpe volbracht ende wederom hier te lande gecommen zynde, Sal de voorszeide Wilhem Barentsz. noch daerenbouen eerlyck gerecompenseert wordden, mitsgaders zyn scheepsvolck nade neersticheyt die een yegelyck in tvolbrengen van tgene voorszeid is gedaen, oft gemeriteert sal hebben,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. vande reyse wederom gecommen synde hem vervougen met zyn schip, ende scheepsvolck ter plaetsse daer hy toegerust is, ende hem terstont addresserende aende Magistraten derseluer plaetsse, die hem sullen verclaren, waer naer hy hem sal hebben te reguleren, houdende middelertyt syn volck in scheepsboort, sonder te voren om eenige oorsaecken yemant van henlieden aen landt, oft oock van tlandt aen boort te laten commen,

Aldus gedaen, besloten, ende gearresteert Inde vergaderinge vande heeren generale Staten vande Vereenichde Nederlantsche Prouincien in Sgrauenhage den XVIenMeye XVcvier ende tnegentich.

J. van Oldenbarnevelt.[1308]


Back to IndexNext