[754]Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94.[755]Zie hiervóorp. 74-77.[756]R. S.-G. 4 April 1614.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Resol. Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.
[754]Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94.
[755]Zie hiervóorp. 74-77.
[756]R. S.-G. 4 April 1614.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Resol. Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.
Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek het, dat de Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen hadden, die in de gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit werd de spreuk »si vis pacem para bellum” schitterender bevestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal na de oprichting der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de volharding der Nederlanders had te kennen gegeven[757],kwam het niet tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachtsinspanning behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter ontdekking uitzeilde[758]dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen gezonden, maar de Nederlanders waren toch sterker: zij kwamen met veertien groote schepen vergezeld van drie wel-toegerusteoorlogschepen, die de Staten-Generaal hun hadden medegegeven. Al waren dus de Engelschen niet minder dan het vorige jaar geneigd tot gewelddadige handelingen[759],»het een mes hielt het ander in de schede” en het bleef vrede. »The Dutch stayed and fished for the Whale perforce, they were farre stronger then the English,” verhaalt Edge wrevelig. De commandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de schepen der Moscovische Compagnie, was zelfs zoo ontmoedigd, dat hij den 19 juni/2 juli met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbij hij hem alle hulp in zijne visscherij aanbood, mits hij aan de Engelschen de reeds toen door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, Fair foreland (of Sir Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen overliet[760].Op dien voet verkeerden partijen in vrede naast elkander, maar de groote menigte der schepen was oorzaak, dat de vangst aan beide zijden slecht was.[761]
[757]R. S.-G. 19 Mei 1614.[758]Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720.[759]Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde schepen uit Maudlen-sound te verjagen. (Fotherbye, Voyage of Discouerie to Greenland, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 724.)[760]De Engelsche verhalen maken van dit contract natuurlijk geene melding. Zie echter de „Memoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. fol. 94.—Ook met den zoo gehaten Marmaduke van Hull was de Moscovische Compagnie dit jaar „in termes of consortment;” „but nothing was concluded”, voegt Fotherby (Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeenkomst met de Nederlanders, dadelijk daarbij.[761]Zie over deze reis: Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.
[757]R. S.-G. 19 Mei 1614.
[758]Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720.
[759]Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde schepen uit Maudlen-sound te verjagen. (Fotherbye, Voyage of Discouerie to Greenland, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 724.)
[760]De Engelsche verhalen maken van dit contract natuurlijk geene melding. Zie echter de „Memoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. fol. 94.—Ook met den zoo gehaten Marmaduke van Hull was de Moscovische Compagnie dit jaar „in termes of consortment;” „but nothing was concluded”, voegt Fotherby (Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeenkomst met de Nederlanders, dadelijk daarbij.
[761]Zie over deze reis: Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.
Was het misschien in de overtuiging, dat zulk eene overspanning van krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur voor beide natiën onvoordeelig ja onhoudbaar moest zijn, zeker is het, dat de Noordsche Compagnie zelve de eerste was, die niettegenstaande de meer voorkomende houding, door de Engelschen dit jaar aangenomen, op pogingen tot een vergelijk met hen aandrong. Het was op haar verzoek, dat de Staten-Generaal 20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen, dat de Engelsche ambassade, die eerstdaags in Den Haag verwacht werd tot regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om ook de quaestie der vaart en visscherij in de IJszee te schikken[762].Koning Jakob toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hij voorzag zijne gezanten Wotton, Edmonds, Middleton en Abbot van commissie om over de zaak te onderhandelen. Maar deze commissie beloofde weinig goeds: reeds de uitdrukking, dat men zou spreken over de »piscationes in mari Boreali prope Groenlandiae littoranobis solum et nostris jure acquisitas, ab Incolis et Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tamen interruptas,”[763]bewees, dat de vorst zijn vermeend recht bleef handhaven. Werkelijk bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan geen toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard de zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhandelingen[764]en zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal op aandringen der Noordsche Compagnie[765]tot hen gezonden werd om hun gevoelen te vernemen (8 April 1615), leverden zij eene nota over, waarin zij met nadruk verklaarden, dat Jakob I van zijn recht op Spitsbergen en de aangrenzende wateren volstrekt niet dacht af te zien[766].De Staten-Generaal benoemden nu dadelijk eene commissie, om met gebruikmaking van de bescheiden, die onder de Noordsche Compagnie berustten, de Engelschen te weerleggen[767].Het antwoord, dat De Groot en zijne mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat »dese Landen, zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht van haere openbaere, ofte bedeckte vyanden nyet en souden connen bestaen nochte dienstich zyn aen haere vrunden, ten waere de zee suppleerde t’ gunt aen t’ landt is ontbreeckende, sulcx dat de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese landen heeft bewogen, om verscheyden nauigatien te soecken, ende haer seluen alsoo ten deele door trafficque, ten deele oock door de Visscherie te onderhouden.” Uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid der Nederlandsche visscherijen, en werden de bekende tochten der Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aangedrongen op herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; nadrukkelijk verdedigde men het verleenen van octrooi aan de Noordsche Compagnie door een beroep op de natuurlijke vrijheid der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen onderdanen bepaald verboden hadden, aan de Engelschen of eenige andere natie direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd eindelijk aangedrongen op het maken van »eenige goede ordre ende reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, walrussen, ende andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, met affweeringe van alle confusien ende misverstanden, tenmeesten proffijte van de ondersaten van zyne Mat. ende vande ingesetenen van dese landen mocht werden gebeneficieert, ende het different vande voorgaende schaden tot redelyck contentement affgedaen.” Een bepaalden voorslag daartoe deden de commissarissen in strijd met de opdracht der Staten-Generaal nog niet[768].
[762]R. S.-G. 20 Nov. 1614.[763]Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[764]R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.[765]Zie haar request aan de Stn.-Gen. dd. 1 April 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[766]Muller, Mare Clausum. p. 129.[767]cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615.[768]R. S.-G. 16 Apr. 1615.—Zie de memorie afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 363.
[762]R. S.-G. 20 Nov. 1614.
[763]Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[764]R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.
[765]Zie haar request aan de Stn.-Gen. dd. 1 April 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[766]Muller, Mare Clausum. p. 129.
[767]cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615.
[768]R. S.-G. 16 Apr. 1615.—Zie de memorie afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 363.
Overtuigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zijn mocht, de Engelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bij de overhandiging van het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze leemte voldoende aangevuld. Een vrij hevig dispuut, waarin De Groot een zeer hoogen toon voerde, schijnt toen tusschen de wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan te zijn; het verdedigende standpunt, dat in de memorie zeer verstandig was ingenomen om den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te kwetsen, werd in de hitte van het debat verlaten en men liet zich onvoorzichtig tot eenen aanval op de zoogenaamde Engelsche kroonrechten verleiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking van Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door hen in hunne memorie aangevoerde feiten over de ontdekking door Heemskerck nog nader. Maar vooral werd er in deze bijeenkomst op gewezen, dat het geschil over het bezit van het eiland eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden de Nederlanders, was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen behoorden aan niemand en konden dus door ieder vrijelijk worden gevangen. Toen bleek het duidelijk, dat het de Engelschen met eene schikking geen ernst was: volmondig erkenden zij, dat zij de stukken ter weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was dit volgens hen in het geheel niet noodig: elke schikking tusschen beide natiën toch, dus beweerden zij op hoogen toon, moest vóor alles beginnen met eene erkenning van Jakob I als heer van Spitsbergen; wilden de Nederlanders den vorst beleedigen door het in twijfel trekken van zijn recht, dan was ook alle onderhandeling nutteloos[769].Men scheidde dus met de nietszeggende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het gehoorde aan hunnen koning zouden doen, die later aan Caron zijn besluit zou mededeelen[770].Weinige dagen later vertrokken de gezanten weder naar Engeland[771].
[769]Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59.[770]R. S.-G. 4 Mei 1615.[771]R. S.-G. 6 Mei 1615.
[769]Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59.
[770]R. S.-G. 4 Mei 1615.
[771]R. S.-G. 6 Mei 1615.
Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Nederlanders en de voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I zouden maken. Weldra kwam dan ook in Den Haag het bericht, dat de koning overwoog, zijne onderdanen door den bijstand van twee oorlogschepen in staat te stellen, hunne beweerde rechtenmet kracht te handhaven, en dat ook de Moscovische Compagnie beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting dan het vorige jaar[772].In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de Noordsche Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen[773],maar tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche Compagnie werd aangeschreven »haer in goede ordre tot de Nauigatie ende Neeringe te willen tydelyck praepareren ende het selve doende naer behooren, ten minsten als in den voorleden jare is gedaen, dat in dien gevalle haer gelycke assistentie ende faveur ghedaen soude worden als in den voorleden jare was gheschiet, maer anders en by gebreck van haer eygen devoir niet[774].” Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze krachtige houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder Adriaen Block[775],begeleid door drie oorlogschepen naar Spitsbergen zond[776],verschenen de Engelschen tegen de verwachting dit jaar slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waarschijnlijk had de slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis onder de reeders ter walvischvangst doen ontstaan, en was daardoor de uitrusting geringer dan zij vorige jaren geweest was[777].Hoe dit ook zij, de Nederlanders »stayed vpon the coast of Greenland perforce” en bezochten ook de door de Engelschen het vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs over tot het bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen voor het volgende jaar te bewaren[778].
[772]Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615.—R. S.-G. 16 Mei 1615.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[773]Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5.[774]R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.[775]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.—Block is bekend door zijne reis naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 85, IX fol. 44.—Zie meer bij: De Jonge, Opkomst. I p. 33.)[776]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.[777]Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) verhaalt, dat de leden der Moscovische Compagnie, die zich op de walvischvangst toelegden, in 1619 „dissoluedagaine.”[778]Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[772]Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615.—R. S.-G. 16 Mei 1615.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[773]Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5.
[774]R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.
[775]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.—Block is bekend door zijne reis naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 85, IX fol. 44.—Zie meer bij: De Jonge, Opkomst. I p. 33.)
[776]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.
[777]Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) verhaalt, dat de leden der Moscovische Compagnie, die zich op de walvischvangst toelegden, in 1619 „dissoluedagaine.”
[778]Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen kwamen met acht groote schepen en twee pinassen op Spitsbergen, terwijl de Nederlanders reden hadden om ook eenige Deensche oorlogschepen met vijandige bedoelingen daar te verwachten. Tegen deze overmacht kon de Noordsche Compagnie, door de groote uitrusting van het vorige jaar uitgeput, niet meer dan zes schepenoverstellen, waarvan zij om goede redenen[779]nog eenige naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest zenden. De Staten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de vereeniging met kracht bij te staan: een konvooi van vijf oorlogschepen werd ter harer beschikking gesteld, terwijl aan den commandeur daarvan Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om geene vreemde natiën in de walvischvangst te hinderen, maar dan ook eventueele aanvallen krachtig te keer te gaan[780].Maar toch voelde de Noordsche Compagnie zich niet krachtig genoeg: zij schijnt ernstig beraadslaagd te hebben, de walvischvangst aan Spitsbergen voor goed op te geven en zich met de voordeelige visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans daarheen was het dat dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging gezonden werd. De Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik: in de afwezigheid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die later in het jaar aan Spitsbergen kwamen, moesten zich in verschillende baaien verspreid schuil houden. Zij hadden eene slechte vangst, terwijl de Engelschen ongeveer 100 walvisschen vingen en zooveel traan kookten, dat zij nog een gedeelte daarvan op het eiland moesten achterlaten tot het volgende jaar[781].
[779]Zie over die redenen:Hoofdst. IX.[780]Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[781]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.—Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Purchas, Pilgrimage. p. 816.
[779]Zie over die redenen:Hoofdst. IX.
[780]Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[781]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.—Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Purchas, Pilgrimage. p. 816.
Het blijkt niet, of de Staten-Generaal met de verplaatsing der Nederlandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen genomen hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, wanneer men ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte het gewone konvooi aan de compagnie te verleenen, eene spaarzaamheid, die de vereeniging misschien zou kunnen noodzaken in haar voornemen te volharden. Het is waar, er kunnen andere redenen voor deze handelwijze der regeering bestaan hebben: de Engelschen hadden, niettegenstaande de verdeeling der Nederlandsche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid tot wraak aanbood, sinds 1613 hunne aanvallen op de walvischvaarders niet herhaald; de Noordsche Compagnie, die toch in ieder geval een paar goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht worden om zich zelve te beschermen: maar toch, de weinige onderstand, dien de vereeniging in deze crisis verkreeg, schijnt er op te wijzen, dat de regeering huiverig was den strijd met de Engelschen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de Staten-Generaal vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617, zelven»sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende Visscherie.”[782]De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in den wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet het haar veel gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene overeenkomst met eene Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs ook op de walvischvangst had beginnen toe te leggen. Men kwam overeen over het aandeel, dat ieder in de winst zou hebben, men beloofde elkander wederkeerig hulp en bescherming[783].Dus versterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te kunnen bieden.
[782]Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5.[783]Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[782]Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5.
[783]Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Maar toen het contract eenmaal gesloten was, schijnt de Noordsche Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland, van de gemeenschap uitgesloten, omdat de Hollanders als ontdekkers daarop uitsluitende rechten deden gelden,—bleef een door de afwezigheid der Engelschen aanlokkelijk verblijf. Al had de walvischvangst daar in 1616 niet aan de verwachting beantwoord, de verleiding was groot en de hulp, die de Zeeuwen konden leveren, schijnt niet aan de verwachting der Noordsche Compagnie beantwoord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was, schoot dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling van het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele uitrusting naar Jan Mayen-eiland. Toen dus op het laatst van Mei drie Vlissingsche schepen, »de Arke Noë” kapitein Jan Verelle, »de Peerle” kapitein Huybrecht Cornelisz., en »de Vos” kapitein Cornelis De Cock, op Spitsbergen aankwamen, waren zij volkomen onbeschermd. De Moscovische Compagnie daarentegen, die dit jaar veertien groote schepen en twee pinassen naar het noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen op eene ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen. Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette De Cock den Engelschen commandeur Edge, die hem, toen hij vernam dat de Moscovische Compagnie dit jaar op Spitsbergen de sterkste was, onder beroep op de commissie van Jakob I het visschen verbood, terwijl hij alle Nederlanders gelastte zich dadelijk van de kust te verwijderen met de bedreiging hun anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd beproefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de walvischvangst in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig Engelsch kapitein, Harry Smith geheeten, dadelijk den commandeur van hunne aankomst bericht gaf, en de Hollanders, die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound te zijn, voelden de drie Vlissingers zich te zwak om het herhaalde verbodder Engelschen te weerstaan en besloten aan Beeren-eiland hun geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoordeelig en op aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, die sinds 1611 jaarlijks met zijne Hullers ter walvischvangst op Spitsbergen kwam en de Moscovische Compagnie trotseerde[784],keerden zij naar Spitsbergen terug. Het geluk diende hun ook toen niet. In Horn-sound vonden zij behalve Smith nu nog een ander schip der Engelsche compagnie. De kapitein James Beversham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het geheim naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der indringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tijdig kennis en zij besloten nu Cornelisz. en De Cock dadelijk met een paar onderweg gevangen walvisschen naar huis te zenden, maar Verelle kon niet zoo spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen tijd in Horn-sound achterblijven. Terwijl hij nog bezig was zijne gereedschappen van de kust te halen, kwam William Heley, de Engelsche onderbevelhebber, daar aan om hem te verjagen. Heley, een jong man die aan groote bekwaamheid een vurigen inborst paarde[785],viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet alleen de weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem ook van al zijne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit vrees voor represailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en kruit ontnomen. Wel was de directe schade der Zeeuwen niet groot, maar daar zij dit jaar nagenoeg niets mede naar huis brachten, waren de kosten der uitrusting geheel verloren[786].De Nederlandsche verhalen zijn dan ook eenstemmig in klachten over de behandeling van Heley, dien zij »een Jonck ende outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende” noemen. De Moscovische Compagnie maakte daarentegen dit jaar weder zulk eene goede reis, dat zij een gedeelte van hare vangst van 150 walvisschen voor het volgende jaar op Spitsbergen moest achterlaten[787].
[784]Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan Mayen-eiland werd opengesteld (Macpherson, Annals. II p. 292), vinden wij nog in 1631 twee Hullsche walvischvaarders afgescheiden van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 281, 82.) Van hunne aanwezigheid op Jan Mayen-eiland blijkt daarentegen nooit iets.[785]Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst der Engelschen. (Purchas, Pilgrimes. II p. 738.)[786]Zie de schaderekeningen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—De Engelschen achtten de geroofde goederen zeer gering. (Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley aan Deicrowe, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 732.)[787]Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de getuigenissen van De Cock c. s., D’Hallegorey c. s., Gasteloser c. s. en Verelle c. s., en in: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. ook: Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—R. S.-G. 9 Nov. 1617.—Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan Caron dd. 21 Dec. 1617, als bijlage achter de N. Z.—De Engelsche verhalen van Edge (Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68, 732. (Edge geeft het verhaal tweemaal; slechts bij aandachtige lezing ontdekt men, dat de uitvoerigste beschrijving volgt onder 1618.)
[784]Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan Mayen-eiland werd opengesteld (Macpherson, Annals. II p. 292), vinden wij nog in 1631 twee Hullsche walvischvaarders afgescheiden van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 281, 82.) Van hunne aanwezigheid op Jan Mayen-eiland blijkt daarentegen nooit iets.
[785]Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst der Engelschen. (Purchas, Pilgrimes. II p. 738.)
[786]Zie de schaderekeningen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—De Engelschen achtten de geroofde goederen zeer gering. (Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley aan Deicrowe, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 732.)
[787]Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de getuigenissen van De Cock c. s., D’Hallegorey c. s., Gasteloser c. s. en Verelle c. s., en in: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. ook: Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—R. S.-G. 9 Nov. 1617.—Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan Caron dd. 21 Dec. 1617, als bijlage achter de N. Z.—De Engelsche verhalen van Edge (Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68, 732. (Edge geeft het verhaal tweemaal; slechts bij aandachtige lezing ontdekt men, dat de uitvoerigste beschrijving volgt onder 1618.)
Dadelijk bij hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de Staten-Generaal. Tegelijk zonden zij een persoon met aanbevelingsbrieven der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne belangen voor te staan. De zending beloofde aanvankelijk veel goeds. Wel werden de geroofde goederen der Zeeuwen onder de oogen van hunnen gevolmachtigde in het openbaar verkocht[788],maar het ontnomene geschut werd dadelijk teruggegeven en de Zeeuwsche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid te Londen gebruik om te trachten op andere wijze het doel der Nederlanders, de onverhinderde visscherij op Spitsbergen, te bereiken. Sir John Cunningham[789]en eenige Schotten hadden juist in dien tijd van koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Compagnie op de IJszee te mogen varen; Engelschen, waarschijnlijk inwoners van Hull, voegden zich bij hen, en ook de te Londen aanwezige Zeeuwen, die van hunne compagnieschap met de Hollanders niet veel voordeel gehad hadden, werden nu in de vereeniging opgenomen[790].De koninklijke toestemming werd verleend en de nieuwe compagnie beijverde zich de bekwaamste stuurlieden van hare mededingster te onderhuren en provisiën op groote schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren gemaakt had, te deelen, toen een maatregel van hare mededingster al deze plannen verijdelde. De Moscovische Compagnie, van dennood eene deugd makende, kwam met hare Oost-Indische zuster overeen, dat beiden voortaan gezamenlijk de kosten der uitrustingen voor de walvischvangst zouden dragen. Door buitengewone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie, die nu ook van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag dadelijk in, dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van kapitalen niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat de zaak zich zoo schikte, was de Moscovische Compagnie gaarne bereid voor grof geld de door hare mededingers opgedane voorraad over te nemen, al was die voor haar ook nutteloos[791].Zoo eindigde dit incident, dat echter medewerkte om de fondsen der Moscovische Compagnie uit te putten en aan de Engelsche uitrustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen slag toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: de Moscovische Compagnie, sterk door haar bondgenootschap met de Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge.
[788]Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse Compagnie, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, achter de N. Z. 1621.[789]Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee gevaren. Hij was in 1605 en 1606 kapitein geweest op het admiraalschip van de expeditiën van Lindenau naar Groenland, waarop de bekende James Hall stuurman was. (Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73.) In 1615 kwam hij als kapitein van een der drie Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.—Vgl. hiernaHfdst. VII.)[790]In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon van zijnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zeeuwsche handelaars op de IJszee was. (Mémoire et Relation veritable der Mosc. Comp., bij: Muller, Mare Clausum. p. 374, 75.—N. Z. 11 Mrt. 1619.) Waarschijnlijk werd ook hij in de nieuwe compagnie opgenomen.[791]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.
[788]Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse Compagnie, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, achter de N. Z. 1621.
[789]Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee gevaren. Hij was in 1605 en 1606 kapitein geweest op het admiraalschip van de expeditiën van Lindenau naar Groenland, waarop de bekende James Hall stuurman was. (Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73.) In 1615 kwam hij als kapitein van een der drie Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.—Vgl. hiernaHfdst. VII.)
[790]In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon van zijnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zeeuwsche handelaars op de IJszee was. (Mémoire et Relation veritable der Mosc. Comp., bij: Muller, Mare Clausum. p. 374, 75.—N. Z. 11 Mrt. 1619.) Waarschijnlijk werd ook hij in de nieuwe compagnie opgenomen.
[791]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.
De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te laten mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige jaar, waarvoor zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen,—teleurgesteld door het uiteengaan der Schotsche compagnie, sloten de verschillende kamers der Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 weder eene overeenkomst om elkander tegen de Engelschen te verdedigen. De Staten-Generaal stonden de compagnie twee oorlogschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote walvischvloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen verdeelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens afspraak in vier afdeelingen: de Rotterdammers bezetten Horn-sound onder konvooi van een oorlogschip; die van het Noorderkwartier namen in Bell-sound hun verblijf, terwijl het voor hen bestemde tweede oorlogschip achterbleef, daar het door de Amsterdammers weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was; de Zeeuwen en die van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van Abraham Dircksz. Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay[792];aan de Amsterdammers eindelijk viel de Mauritius-baai ten deel[793].Ook de Engelschenwaren over het geheele eiland verspreid; de meeste schepen waren echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond zich met eenige schepen in Bell-sound en de onderbevelhebber Heley met een paar andere in Sir Thomas Smiths-bay.
[792]Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het hieronder verhaalde in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat Leversteyn ongelijk had, toen hij stoutweg verklaarde: „Is gelogen, want hebben daer geen van allen geweest.” Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene kleine baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618 voorgevallene, „Zeelands baay.”[793]R. S.-G. 4 Nov. 1622.
[792]Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het hieronder verhaalde in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat Leversteyn ongelijk had, toen hij stoutweg verklaarde: „Is gelogen, want hebben daer geen van allen geweest.” Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene kleine baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618 voorgevallene, „Zeelands baay.”
[793]R. S.-G. 4 Nov. 1622.
De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd hadden, vischten dit jaar ongestoord; maar slecht verging het de onbeschermde schepen van het Noorderkwartier. In Bell-sound aangekomen, beval hun Edge dadelijk de baai te verlaten; hij was niet van plan hen te berooven of te hinderen, maar hij toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd wenschte te zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bij de Rotterdammers in Horn-sound, maar het oorlogschip was daar tot handhaving der rust hoognoodig, en die van het Noorderkwartier moesten dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wijken. Na hun vertrek wreekten zich de Engelschen door het vernielen der pas weder opgebouwde Nederlandsche loge in Bell-sound.
De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen van Hoorn en Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein tot eene losbarsting van woede. Den geheelen zomer was daar de verhouding zeer gespannen geweest. De Engelschen, die hier slechts met éen schip »the Pleasure” en een pinas »the Prudence” waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere en Vlissingen dadelijk na hunne aankomst in deze door hen vroeger nooit bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen geweigerd hadden aan dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoordigheid door de Engelschen, die zich te zwak gevoelden om hen te verjagen, slechts noode geduld. Aanvankelijk hadden de Nederlanders, weldra door twee schepen van Middelburg versterkt[794],gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst over de visscherij te sluiten, en toen dit aanbod gemelijk verworpen was, bleven zij zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne vijanden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen overliet, maar het stemde dezen niet beter: zij bleven steeds het plan koesteren om hunne mededingers zoo spoedig mogelijk te verdrijven en beleedigden ze bij elke voorkomende gelegenheid[795].Zulk eene behandeling moest de Nederlanders op den duur verdrieten; De Cock en Cornelisz., die hier beiden tegenwoordigwaren, herinnerden zich met steeds klimmende woede de behandeling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley aangedaan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een der door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot onaangenaamheden aanleiding gegeven; van weerszijden had men grieven, die licht tot een breuk aanleiding geven konden. Daar brachten de uit Bell-sound verjaagde schepen de tijding van het gebeurde. Spoedig daarop liet Heley den Nederlanders weten, dat commandeur Edge hem bevolen had, de Zeeuwen uit de baai te verdrijven; weigerden zij, dan wilde hij zelf komen en hen erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In allerijl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te doen stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie van Zijne Excellentie voorzien, die hen machtigde elken aanval met geweld te keeren; de vraag was, of hier aan zelfverdediging kon gedacht worden. Overwegende echter, dat die van het Noorderkwartier door de Engelschen verjaagd en dus niet in de gelegenheid geweest waren hunne reis te doen,—dat de ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de Engelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen,—en vooral, dat het zaak was de vereeniging van Edge en Heley te voorkomen, ten einde den aangekondigden aanval te ontgaan, besloten de Nederlanders, al werden zij niet direct aangevallen, van hunne commissie gebruik te maken. Stemde ook het Enkhuizer schip niet met dit besluit in, de twee schepen van Vlissingen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven tastten door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley’s schip »the Pleasure” tot de overgave. Deze weigerde op hoogen toon en poogde te ontsnappen. De Nederlanders lieten hem tijd om zich te bedenken, en namen eindelijk den 19 Juli 1618 het schip met geweld. Ook de pinas werd van alles beroofd. Het geschut en de in het schip gevonden traan en walvischbaarden werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als gedeeltelijke schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617 ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun door Maurits bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der admiraliteit gesteld, die ze tusschen de vier kamers, voor wie de aanvallende schepen uitgezeild waren, verdeelden[796].Voor hetgeschut werd in het begin van 1621 op aansporing van Carleton aan de bevelhebbers der beide beroofde schepen, Robert Salmon en een Schot, de som van ƒ 3600 uitgekeerd. De Noordsche Compagnie zwichtte hierin voor den billijken aandrang der Staten-Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen geschut was haar, hoewel op zeer onaangename wijze, door de Moscovische Compagnie teruggegeven[797].
[794]Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten, bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk spoedig weder. Althans Courten overtuigde later Carleton, dat zíjne schepen onschuldig waren aan het berooven der Engelschen (Carleton, Lettres. II p. 355); uit andere, zoo Engelsche als Nederlandsche verhalen blijkt ook, dat ze daarbij niet tegenwoordig waren. Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands oostkust, waar ze dit jaar eene kust ontdekten, die zij Nieuw-Zeeland noemden. (R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Vgl. hiervóorp. 179.)[795]Van de kwade gezindheid der Engelschen tegen de Nederlandsche walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni, kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever), and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must take another course the next yeere: if they meane to make any benefit of this Country, they must send better ships that must beat these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound (Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go hang themselves, and although you be not strong enough to meddle with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would that they had all of them as good a paire of horns growing on their heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij (Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch were intolerable to English spirits, which then suffered, or hereafter should reade them, I chose rather to passe them by aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces, howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too officious mouthes such as some in this businesse of Greenland, beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie, intempered, distempered spirits, which not fearing God nor reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both, which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A difference is to be made of relation (Nationall?) and personall faults, of which we haue said enough in the East India quarrels, twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen wortel geschoten had.[796]Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene: Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Arrest v. de H. Raad van 31 Maart 1635.—Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—Engelsche schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende 1618. R.-A.—Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare clausum. p. 373 vlg.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 69.—Brieven van Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.[797]R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12 Febr., 4, 27 Mrt. 1621.—N. Z. 9 Mrt. 1621.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.
[794]Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten, bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk spoedig weder. Althans Courten overtuigde later Carleton, dat zíjne schepen onschuldig waren aan het berooven der Engelschen (Carleton, Lettres. II p. 355); uit andere, zoo Engelsche als Nederlandsche verhalen blijkt ook, dat ze daarbij niet tegenwoordig waren. Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands oostkust, waar ze dit jaar eene kust ontdekten, die zij Nieuw-Zeeland noemden. (R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Vgl. hiervóorp. 179.)
[795]Van de kwade gezindheid der Engelschen tegen de Nederlandsche walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni, kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever), and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must take another course the next yeere: if they meane to make any benefit of this Country, they must send better ships that must beat these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound (Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go hang themselves, and although you be not strong enough to meddle with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would that they had all of them as good a paire of horns growing on their heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij (Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch were intolerable to English spirits, which then suffered, or hereafter should reade them, I chose rather to passe them by aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces, howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too officious mouthes such as some in this businesse of Greenland, beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie, intempered, distempered spirits, which not fearing God nor reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both, which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A difference is to be made of relation (Nationall?) and personall faults, of which we haue said enough in the East India quarrels, twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen wortel geschoten had.
[796]Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene: Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Arrest v. de H. Raad van 31 Maart 1635.—Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—Engelsche schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende 1618. R.-A.—Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare clausum. p. 373 vlg.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 69.—Brieven van Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.
[797]R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12 Febr., 4, 27 Mrt. 1621.—N. Z. 9 Mrt. 1621.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.
De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3 October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences, robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798].De verontwaardiging van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der zee hadden gehouden.Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om ook over deze zaak te onderhandelen.[799]