HOOFDSTUK II.DE NOORDSCHE COMPAGNIE.

[135]O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.[136]Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.—O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 74.[137]Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.[138]O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.[139]Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.[140]Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.—Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt. De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende, Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot 112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch, dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N. vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl. X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.—Nicolai (Relation. Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in 1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in 1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd begrepen heeft.

[135]O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.

[136]Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.—O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 74.

[137]Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.

[138]O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.

[139]Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.

[140]Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.—Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt. De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende, Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot 112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch, dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N. vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl. X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.—Nicolai (Relation. Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in 1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in 1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd begrepen heeft.

Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne goederen weder vrij te mogenuitvoeren—een verzoek dadelijk toegestaan[141]—toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614) werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus voortaan de bron waaruittweevereenigingen schatten hoopten te verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond, zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze traditie nog jarenlang voort[142].De Compagnie van Nieuw-Nederland, die eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen, door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette, wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is, voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang in onze geschiedboeken bestaan heeft.

[141]Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.[142]Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd: Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer, Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst, Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in 1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614 twee reizen.

[141]Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.

[142]Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd: Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer, Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst, Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in 1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614 twee reizen.

Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen, hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in 1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te doorzoeken.

Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143],met het schip The Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking. Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland entoen hij daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144].De walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken; sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te gebruiken[145].Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron van voordeel voor de Moscovische Compagnie.

[143]Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 295, 96.—De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)[144]Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III p. 464.)—Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l. c. III p. 556.)—Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605) (Purchas, l. c. III p. 558.)—Poole, Fourth Voyage to Chery Iland. 1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)—Poole, Sixth Voyage to Cherie Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)—Poole, Seventh Voyage to Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)—Poole, Voyage to Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)—Comm. der Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)—Edge, Dutch disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)—Poole deelt ons in het verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward, was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)[145]Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 709.

[143]Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 295, 96.—De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)

[144]Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III p. 464.)—Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l. c. III p. 556.)—Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605) (Purchas, l. c. III p. 558.)—Poole, Fourth Voyage to Chery Iland. 1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)—Poole, Sixth Voyage to Cherie Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)—Poole, Seventh Voyage to Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)—Poole, Voyage to Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)—Comm. der Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)—Edge, Dutch disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)—Poole deelt ons in het verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward, was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)

[145]Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 709.

Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden. Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit spoor[146].De compagnie, diehet door haar aan de Engelschen bekend geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden; hij verkende de baaien[147]en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148]en de uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar Greenland[149],te richten.

[146]Purchas, Pilgrimes. III p. 709.[147]Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben. Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount, Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle, Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound, Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en Greenhaven of Greenharbour.[148]Wel werd „Cherie-island” nog verscheidene malen bezocht, o. a. reeds in 1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de bemanning der bij Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf. Poole, Briefe Declaration of my Voyage to Greeneland. 1611, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 711) en door Gordon met „The Amitie” (cf. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 306), maar de geregelde jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot de walrusjacht hielden sinds 1610 op.[149]De Engelsche schrijvers van dien tijd noemennagenoeg zonder uitzonderingSpitsbergen „Greenland”, een naam, gegeven in den tijd, dat men het eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust hield. Groenland zelf noemden zij daarom nu ter onderscheiding Groneland, Groynland, Groenland of met eene andere dergelijke verbastering.

[146]Purchas, Pilgrimes. III p. 709.

[147]Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben. Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount, Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle, Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound, Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en Greenhaven of Greenharbour.

[148]Wel werd „Cherie-island” nog verscheidene malen bezocht, o. a. reeds in 1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de bemanning der bij Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf. Poole, Briefe Declaration of my Voyage to Greeneland. 1611, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 711) en door Gordon met „The Amitie” (cf. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 306), maar de geregelde jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot de walrusjacht hielden sinds 1610 op.

[149]De Engelsche schrijvers van dien tijd noemennagenoeg zonder uitzonderingSpitsbergen „Greenland”, een naam, gegeven in den tijd, dat men het eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust hield. Groenland zelf noemden zij daarom nu ter onderscheiding Groneland, Groynland, Groenland of met eene andere dergelijke verbastering.

Met dit besluit ging echter dadelijk eene geheele verandering van het doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht gevestigd op den aan traan en andere kostbare handelsartikelen zoo rijken walvisch; Poole had het bevestigd, dat de zee om Spitsbergen van die dieren wemelde[150].Dadelijk in 1611 vinden wij dan ook op de twee schepen, die onder Bennet en Poole naar Spitsbergen vertrokken, zes harpoeniers uit St. Jean de Luz; de sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende Basken moestende Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk zelven te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen, dat schipper Thomas Marmaduke van Hull, die de Engelschen ook daarheen gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het vaderland terug te voeren[151].De compagnie hield echter vol: in 1612 verschenen weder twee schepen, het eene onder Poole en Bennet, het tweede onder Russell en Edge op Spitsbergen. Ditmaal was men gelukkiger: niettegenstaande hunne onbedrevenheid doodden de Engelschen zeventien walvisschen en eenige walrussen, die te zamen 180 tonnen traan leverden[152].Maar tegelijk vertoonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten, die de hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen.

[150]In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)[151]De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.[152]Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 699-707, 711-13, 713-15.

[150]In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)

[151]De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.

[152]Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 699-707, 711-13, 713-15.

Reeds in 1611 was de verschijning van het Hullsche schip eene ernstige zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie hare schepen voorzien had van een bevelschrift van den Geheimen Raad, dat de vereeniging machtigde om haar octrooi te handhaven tegen alle Engelschen, die zich in het noorden vertoonen zouden, en om zich met alle kracht tegen aanvallen van vreemden te verdedigen, had schipper Marmaduke zich niet ontzien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas Woodcocke, een van Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste baaien gewezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare concurrenten, zulk eene trouweloosheid van de zijde harer onderhoorigen beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 1612 verschenen nog geduchter mededingers. De Nederlanders, het jeugdige volk, dat overal naar middelen zocht om te voldoen aan den lust tot daden, die het bezielde, waren ook nu weder onder de eersten, die met de Engelschen kwamen concurreeren. »They kept their wont in following of the English steps,” zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 naar de Witte Zee volgde zij nu weder in de baan door de Engelschen geopend. Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot Brunel eenen gids gehad, die hun niet alleen den weg, maar ook de beste plaatsen voor hunnen handel aanwees, nu ontbrak hunzulk een leidsman geheel. De weg naar Spitsbergen was den Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam bekend; de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wijze waarop die nieuwe winstgevende nering werd geoefend, moesten zij door eigene krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne schande gezegd worden, dat zij een gemakkelijker maar ook minder eervol middel aangrepen om dit doel te bereiken: door omkooping haalden zij eenen Engelschman over tot verraad aan zijn land en zijne heeren[153].

[153]Edge (Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders „were brought thither (d. i. naar Spitsbergen) by an English man, and not out of any knowledge of their owne Discoueries, but by the direction of one Allan Sallowes.” Zoo ik desniettegenstaande eene andere voorstelling geef, dan is het omdat: 1o. het uit de Hist. du pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog in bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in 1596 bekend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden. 2o. omdat Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der Engelsche schepen van Beereneiland af toonde, dat hij de bekwaamheid miste om dien weg te wijzen. Ik ben daarom van het trouwens zeer partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, dat Sallowes door de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der walvischvangst en de plaatsen daartoe geschikt te toonen.

[153]Edge (Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders „were brought thither (d. i. naar Spitsbergen) by an English man, and not out of any knowledge of their owne Discoueries, but by the direction of one Allan Sallowes.” Zoo ik desniettegenstaande eene andere voorstelling geef, dan is het omdat: 1o. het uit de Hist. du pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog in bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in 1596 bekend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden. 2o. omdat Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der Engelsche schepen van Beereneiland af toonde, dat hij de bekwaamheid miste om dien weg te wijzen. Ik ben daarom van het trouwens zeer partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, dat Sallowes door de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der walvischvangst en de plaatsen daartoe geschikt te toonen.

Reeds in 1611 waren—mag men het eenigszins verwarde verhaal van Zorgdrager[154]gelooven—op verschillende plaatsen des lands, met name te Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, inschrijvingen gedaan om de zoo winstgevende nieuwe nering der walvischvangst ook in Nederland te vestigen. De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide schaal nog geen voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert Van Tweenhuysen, Jacques Nicquet, Jacques Mercys en eenige andere Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederlandsche afkomst verrieden, tot eene compagnie, die ten doel had de walvischvangst in de IJszee te beginnen. De vereeniging rustte dadelijk in 1612 een schip van 140 last uit[155],bemande het met 36 koppen en zond het onder bevel van Willem Van Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits »om aldaer Walrussen te bekomen, ofte anders haer profijt te soecken”. Allan Sallowes, een Engelschman, die lange jaren voor de Moscovische Compagnie op de IJszee gevaren had, maar volgens de Engelschen een ter kwader naam bekend staande persoon, die zijn vaderland om schulden verlaten had, ging als stuurman mede[156].Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van Muyden en de zijnen de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan beraadslaagden er dadelijk ernstig over Sallowes als een »interloper”—of zooals men toen zeide »lorrendrayer”—gevangen te nemen, maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegenstaande het herhaalde verbod der Engelschen, 26 Mei met een Engelschen »interloper,” (het schip Diana, kapitein Thomas Bustion van Wapping-wall[157]) op Spitsbergen aan. De beide schepen zwierven langs de kust heen en weer en deden pogingen om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen der compagnie te vinden, maar hunne onbekendheid met de walvischvangst was oorzaak, dat de buit schraal was en zij bijna onverrichter zake huiswaarts moesten keeren[158].Een ander Nederlandsch schip, door eene Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt zich dit jaar alleen met de walrusjacht op Beeren-eiland te hebben beziggehouden[159].

[154]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.[155]Purchas (Pilgrimage. p. 815) spreekt ten onrechte van drie Nederlandsche schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er twee, waarvan een slechts tot Beeren-eiland kwam.[156]Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613 als stuurman van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. p. 716, 17.—Vgl. Hist. du pays de Spitsb. p. 20-25, waar Sallowes „Maistre Selly” genoemd wordt.)[157]Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovische Compagnie. Nicholas Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit St. Sebastiaan naar Spitsbergen geleid. Marmaduke van Hull kwam met zijn schip „The Hope-well” ook weder aan het eiland, dat hij echter weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden te maken.[158]De commies van Van Muyden, de koopman Kyen, verloor op Prince Charles’ foreland het leven. (Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 714—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze gebeurtenis werd het eiland, waar ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen „l’Isle de Kyn” genoemd.[159]Zie over deze eerste reis der Nederlanders: Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen., bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII. fol. 88.—Hist. de Spitsberghe p. 10, 11.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.—Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713-15.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.—Detectio freti, ed. 1613 F 3.

[154]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.

[155]Purchas (Pilgrimage. p. 815) spreekt ten onrechte van drie Nederlandsche schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er twee, waarvan een slechts tot Beeren-eiland kwam.

[156]Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613 als stuurman van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. p. 716, 17.—Vgl. Hist. du pays de Spitsb. p. 20-25, waar Sallowes „Maistre Selly” genoemd wordt.)

[157]Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovische Compagnie. Nicholas Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit St. Sebastiaan naar Spitsbergen geleid. Marmaduke van Hull kwam met zijn schip „The Hope-well” ook weder aan het eiland, dat hij echter weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden te maken.

[158]De commies van Van Muyden, de koopman Kyen, verloor op Prince Charles’ foreland het leven. (Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 714—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze gebeurtenis werd het eiland, waar ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen „l’Isle de Kyn” genoemd.

[159]Zie over deze eerste reis der Nederlanders: Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen., bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII. fol. 88.—Hist. de Spitsberghe p. 10, 11.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.—Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713-15.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.—Detectio freti, ed. 1613 F 3.

Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem Van Muyden kwam weder met zijn schip op Spitsbergen; de reeders hadden er nog het kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. Boots van Medemblik[160],bijgevoegd. De Zaandamsche reederij zond mede twee schepen op de walrusjacht uit, die ditmaal ook op Spitsbergen kwamen[161];een Enkhuizer schip, dat door eene tweede Amsterdamsche reederij was uitgerust, was weder dooreenige Engelschen, waartoe de kapitein Thomas Bonner zelf behoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er nog een schip van Hoorn, dat voor eene Fransche reederij voer. Ditmaal was men ook beter ter walvischvangst toegerust: behielpen de Enkhuizers zich nog met Engelschen, de Amsterdammers hadden zich reeds evenals hunne voorgangers gedaan hadden, van twaalf Baskische harpoeniers voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens minder de woede van den admiraal der Moscovische Compagnie zouden opwekken. De concurrentie werd dus voor deze vereeniging gevaarlijk; bovendien had de rijke vangst, in 1612 door een Biskaaisch schip op Spitsbergen verkregen, nu ook talrijke schepen van die bekwame walvischvaarders daarheen gelokt[Bijlage IX].

[160]De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend „Mossel.” Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld, die in het volgende jaar als schipper op de Nachtegael naar Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk was hij hier stuurman.[161]Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij: hiernap. 74 Noot 2.

[160]De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend „Mossel.” Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld, die in het volgende jaar als schipper op de Nachtegael naar Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk was hij hier stuurman.

[161]Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij: hiernap. 74 Noot 2.

De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in tijds verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan het vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk genoeg om tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar werden zeven schepen door de Moscovische Compagnie uitgerust en steunende op een koninklijk patent onder het groote zegel van Engeland, werden de vreemde schepen alle aangevallen. Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in dienst der Engelschen gehouden. De Nederlanders ontvingen van dien aanval ruimschoots hun deel: slechts een der Zaandamsche schepen ontkwam zonder schade[162].Zoo was de oorlog door de Moscovische Compagnie aan hare mededingers verklaard. Men had nu in Nederland slechts de keus tusschen het opgeven van den handel en het nemen van krachtige maatregelen. Tot het laatste werd dadelijk besloten.

[162]Verg. over de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1613 (waaroverlatermeer): Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716-20.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes III p. 466.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 11, 12, 20-26—Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen. bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[162]Verg. over de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1613 (waaroverlatermeer): Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716-20.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes III p. 466.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 11, 12, 20-26—Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen. bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

De reeders zelven zagen in, dat men eenig moest zijn om krachtig te kunnen optreden; de beide Amsterdamsche compagniën voor de walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie[163]en den 27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal gelezen een request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys enzes andere kooplieden »met haere Compaignons, als nu te samen vereenicht in eene Compagnie.”[164]De requestranten verzochten daarbij van de Staten-Generaal »Consent ende Octroy omme voor den tydt van thien eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beeren-eylant, Groenlandt ende de andere Eylanden die onder de voorszeide limiten souden mogen gevonden worden.” Zij steunden hun verzoek op het feit, »dat sy Supplianten de aldereerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest.” Zij meenden dus volgens de begrippen dier tijden recht te hebben om als de eersten, die den handel hadden gedreven, alle andere Nederlanders daarvan uit te sluiten. Toch waren zij er niet eer toe gekomen om de bekrachtiging van dit recht door de Staten-Generaal te vragen, voordat zij door eene harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen waren: »Ende alsoo zij supplianten bij experientie beuonden hebben,” dus gaat het request voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de voorszeide vaerte, poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te maecken vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed: int lange hebben verthoont[165],waervan de questie alsnoch is ongedecideert, sien zij geene apparentie omme alleene ofte int particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt vande voorszeide Engelschen, waerdoor de couragie lichtelick benomen soude werden vanden Coopluyden in ’t particulier te ondersoecken eenige nieuwe Landen.” Alleen de zucht der Engelschen om monopolie te verkrijgen had hen genoodzaakt, zelven tot een dergelijk middel om den handel te vestigen de toevlucht te nemen[166];immers »het soude buyten reden wesen, dat ’t geene sy Supplianten op hare groote excessive kosten gevonden hadden, ende ’t geene sy als noch verhoopten te vinden, by andere de profijten ende vruchten daer van getrocken souden werden, ’t welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: meyninge oock niet te zijn.” Toch verklaarden de requestranten zich »tevreden, dat alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde voorszeide Compagnie vande eerste aenstaende Equipagie binnen een Maent souden aengenomen werden, ende voor de naevolgende Jaren binnen drie eerst-komende Maenden, door dien sy Supplianten binnen den tijdt van ses Weecken in Zee souden moeten wesen met haere Schepen.” Geen monopolie, alleen samenwerking was het dus, wat de oprichters der compagnie beoogden[167].

[163]De Zaandamsche reederij ging later ook in de Noordsche Compagnie op. De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het octrooi aan die vereeniging het uitdrukkelijke beding, „dat die twee Scepen van Serdam, die twee Jaren aldaer (d. i. op de IJszee) hebben gevaren, jnde Compaignie souden werden aengenomen, Oft dat de Compaignie dese Scepen souden coopen, ende die eygenaers recompenseren voor hare gedane costen tot redelycke pryse, ten seggen van luyden hen des verstaende, Ofte anders ten seggen van hare Ho. Mo.” (R. S.-G. 27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige deelneming der Zaandammers aan de inschrijvingen ten gevolge, dat de laatste weg ingeslagen werd.[164]De mededeeling van Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 207) over pogingen om reeds vóor en in 1611 octrooi voor de walvischvangst van de Staten-Generaal te krijgen schijnt ontleend aan: Le Long, Kooph. van Amst. II p. 159-61, die echter niet dit zegt, maar alleen dat in 1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter walvischvangst plaats had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron, die 1611 voor 1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal gemaakt, wordt door de R. S.-G. weêrsproken, die vóor 1614 van verzoeken om octrooi zwijgen.[165]Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter walvischvangst, afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.[166]De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt alleszins het gevoelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in Ned. p. 175, 76), dat alleen de vrees, dat de Nederlandsche walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de Engelschen zou kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor monopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de Staten van Zeeland, dat het octrooi verleend werd „ter oorsaecke van” de gewelddadigheden der Engelschen en de aanmatiging van uitsluitende rechten door hunnen koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt. 1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court bij: Van Rees l. c. p. 179 Noot 1.—De N. C. zelve verhaalde in 1624 de geschiedenis van het verleenen van het octrooi aldus: „In het jaer 1614 den ijver ende genegentheijt totte neringe van Walvischvanght, bij velen ingesetenen deser landen noch meer als oijt te vooren ontsteken sijnde, uijt de Rapporten ende advertentien dijemen vercreeg, vande gene dije het jaer te vooren ter selver neringe wtgeweest waeren, ende datmen verstondt wat effecten de Engelschen daervan waren genietende, soo hebben verscheijden persoonen geraden geuonden de neringe te hervattenende omme haer te meer te verseeckeren jegens alle hostiliteijten soo van de Engelschenals anderen natien,” (zinspeling op de Denen, die echter onjuist is, daar dezen zich eerst in 1615 op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnne souden willen troubleren, van Uwe Ho: Mo: te versoucken een generael Octroij, onder beneficie van twelcke, sekere Compagnien in dese landen mochten werden gedresseert, dije met meerder orde ende eenicheijt als wel te vooren de voorszeide neringe aenvangen mochten; ende nae dat tselve Octroij by Uwe Ho: Mo: was vergunt ende daeronder alles in redelijcke goede ordre gebracht, . . . soo js daermede met meerder verseeckerheijt de Neringe . . . aen Spitsbergen gecontinueert.” (Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)[167]Een afschrift van dit request is door mij gevonden op het R.-A. in de verzameling getiteld: Noordsche togten. 1596-1634. (4. Loop. N. C. 1616-1634.) Het is mij daaruit gebleken, dat de griffier Aerssen, die in dit afschrift eigenhandig hier en daar veranderingen en aanvullingen maakte en het verleende octrooi achteraan stelde, het geheele request nagenoeg onveranderd als considerans in het octrooi opgenomen heeft. Alleen de door mij hierboven afgedrukte zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig geschrapt, waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens onverstaanbaar wordt.

[163]De Zaandamsche reederij ging later ook in de Noordsche Compagnie op. De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het octrooi aan die vereeniging het uitdrukkelijke beding, „dat die twee Scepen van Serdam, die twee Jaren aldaer (d. i. op de IJszee) hebben gevaren, jnde Compaignie souden werden aengenomen, Oft dat de Compaignie dese Scepen souden coopen, ende die eygenaers recompenseren voor hare gedane costen tot redelycke pryse, ten seggen van luyden hen des verstaende, Ofte anders ten seggen van hare Ho. Mo.” (R. S.-G. 27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige deelneming der Zaandammers aan de inschrijvingen ten gevolge, dat de laatste weg ingeslagen werd.

[164]De mededeeling van Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 207) over pogingen om reeds vóor en in 1611 octrooi voor de walvischvangst van de Staten-Generaal te krijgen schijnt ontleend aan: Le Long, Kooph. van Amst. II p. 159-61, die echter niet dit zegt, maar alleen dat in 1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter walvischvangst plaats had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron, die 1611 voor 1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal gemaakt, wordt door de R. S.-G. weêrsproken, die vóor 1614 van verzoeken om octrooi zwijgen.

[165]Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter walvischvangst, afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[166]De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt alleszins het gevoelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in Ned. p. 175, 76), dat alleen de vrees, dat de Nederlandsche walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de Engelschen zou kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor monopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de Staten van Zeeland, dat het octrooi verleend werd „ter oorsaecke van” de gewelddadigheden der Engelschen en de aanmatiging van uitsluitende rechten door hunnen koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt. 1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court bij: Van Rees l. c. p. 179 Noot 1.—De N. C. zelve verhaalde in 1624 de geschiedenis van het verleenen van het octrooi aldus: „In het jaer 1614 den ijver ende genegentheijt totte neringe van Walvischvanght, bij velen ingesetenen deser landen noch meer als oijt te vooren ontsteken sijnde, uijt de Rapporten ende advertentien dijemen vercreeg, vande gene dije het jaer te vooren ter selver neringe wtgeweest waeren, ende datmen verstondt wat effecten de Engelschen daervan waren genietende, soo hebben verscheijden persoonen geraden geuonden de neringe te hervattenende omme haer te meer te verseeckeren jegens alle hostiliteijten soo van de Engelschenals anderen natien,” (zinspeling op de Denen, die echter onjuist is, daar dezen zich eerst in 1615 op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnne souden willen troubleren, van Uwe Ho: Mo: te versoucken een generael Octroij, onder beneficie van twelcke, sekere Compagnien in dese landen mochten werden gedresseert, dije met meerder orde ende eenicheijt als wel te vooren de voorszeide neringe aenvangen mochten; ende nae dat tselve Octroij by Uwe Ho: Mo: was vergunt ende daeronder alles in redelijcke goede ordre gebracht, . . . soo js daermede met meerder verseeckerheijt de Neringe . . . aen Spitsbergen gecontinueert.” (Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[167]Een afschrift van dit request is door mij gevonden op het R.-A. in de verzameling getiteld: Noordsche togten. 1596-1634. (4. Loop. N. C. 1616-1634.) Het is mij daaruit gebleken, dat de griffier Aerssen, die in dit afschrift eigenhandig hier en daar veranderingen en aanvullingen maakte en het verleende octrooi achteraan stelde, het geheele request nagenoeg onveranderd als considerans in het octrooi opgenomen heeft. Alleen de door mij hierboven afgedrukte zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig geschrapt, waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens onverstaanbaar wordt.

De beslissing der Staten-Generaal kon niet twijfelachtig zijn. Daar reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleenen van octrooi aan de Oost-Indische Compagnie[168]van het oud-Nederlandsche systeem van vrijen handel was afgeweken, kon nu ook aan de in geheel dezelfde omstandigheden verkeerende Nederlandsche reeders op de IJszee een gelijke gunst niet geweigerd worden: ook daar dreigde te groote concurrentie bij aanvallenvan buitenlandsche vijanden den ontluikenden handel eerlang den doodsteek te zullen geven. Dadelijk besloten dan ook de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan en den supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren het octrooi te verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde de Staten echter uitdrukkelijk de voorwaarde, »dat die geene die dit Jaer inde Compagnie sullen begeren te komen ’t selve sullen moeten doen, ende haer daer op verklaren binnen ses Weecken naer affixie van Billieten, ende binnen vier Maenden die geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden voor de voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen profijteren van haer Gelt naer advenant dat sy gheadventueert sullen hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser sullen mogen geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt, soo wel het bewint vande voorszeide Compagnie ende Equipagie aengaende, als anders.” Op deze voorwaarde »interdiceerden ende verboden de Staten alle ende een yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen, van wat conditie ofte qualiteyt die zijn, anders als die vande voorszeide Compagnie Supplianten, binnen dit loopende ende twee daer na volgende Jaeren, uyt dese Vereenichde Nederlanden te handelen ende visschen op de Kusten ende Landen van Nova Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beren-Eylant, Groenlant, ende die andere Landen die onder de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden, op de verbeurte van hare Schepen ende Goederen.” Zij »ontboden daer omme ende bevalen wel expresselick allen Gouverneurs, Justicieren, Officieren, Magistraten ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde Landen, dat sy de voorszeide Compagnie Supplianten rustelijck ende vredelijck souden laten genieten ende gebruycken ’t volkomen effect van desen Octroye ende consent, cesserende alle contradictien ende empeschementen ter contrarien, want Haere Ho: Mo: ’t selve ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te behooren”[169].

[168]Zie over de motieven, die tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie leidden: Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p. 9-22.[169]R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614.—Gr. Placaet-boeck. I p. 669-72.—Het octrooi is ook afgedrukt bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 208, 9, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95, 6.

[168]Zie over de motieven, die tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie leidden: Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p. 9-22.

[169]R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614.—Gr. Placaet-boeck. I p. 669-72.—Het octrooi is ook afgedrukt bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 208, 9, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95, 6.

Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van de »Noordsche compagnie”[170]bijna dertig jaren lang zoo goed alsalleen de vlag der Nederlanders in de barre poolstreken zou voeren. Het waren natuurlijk meestal personen van meer dan gewone energie en bekwaamheid, die den eersten stoot aan den nieuwen handel gaven. Onder de eerste bewindhebbers vinden wij vooraan gedurende lange jaren het hoofd der Amsterdamsche compagnie, die het eerst de walvischvangst ter hand genomen had, Lambert Van Tweenhuysen, een naam ook onder de eerste reeders op Nieuw-Nederland met eere bekend.[171]Naast hem traden op zijne medebewindhebbers van de Amsterdamsche compagnie, Jacques Niquet en Jacques Mercys en een vierde lid Gilles Dodeur[172].Hoogstwaarschijnlijk was het de tweede Amsterdamsche compagnie, die als bewindhebber Ysbrandt Dobbesz. zond, een der reeders, die in 1613 door de Engelschen benadeeld waren[173],en naast hem Leonard Rans[174],die spoedig uit de rij der bewindhebbers verdween. Delft, de stad, die na Amsterdam steeds de meeste aandeelen in de Noordsche Compagnie had, benoemde tot bewindhebber Antonie Monier, »Contrerolleur van de Artillerije”, die aanstonds den goeden weg insloeg door zelf in den zomer van 1614 als commissaris-generaal het commando over de Nederlandsche walvischvaarders op zich te nemen[175];naast hem werden door Delft afgevaardigd Nicasius Kyen, »Commijs van de Vivres”, en Dirck Adriaensz. Leversteyn, twee mannen, die later door de oprichting der kleine Noordsche Compagnie toonden, dat geld en goed hun liever was dan een onbesproken naam, maar die tevens bewezen, dat zij geene inspanning van hunne groote talenten wilden ontzien om dat geld en goed te verkrijgen[176].Dit waren de eerste bewindhebbers der Noordsche Compagnie[177],maar ook andere personen van naam vinden wij onder de vroegste Nederlandsche walvischvaarders. Daar wasvooreerst Samuel Godin, evenals Tweenhuysen een der eerste reeders op Nieuw-Nederland en later patroon van een der koloniën aldaar[178];ook Symon, de zoon van den Amsterdamschen schout Van der Does, die zich reeds in 1613 op het schip van Bonner naar Spitsbergen waagde[179],en in 1625 bewindhebber der Noordsche Compagnie was[180];eindelijk Claes Jacobsz. Harencarspel, evenals Godin reeds in 1617 als bewindhebber genoemd[181].


Back to IndexNext