Chapter 13

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over de Kolonie.

In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken—geheelehuisgezinnenstierven bijna uit.214

In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht, die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was, spoedig gestuit.215

In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijdenvernam men droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.—Mauricius nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen slechts zondags hunnepredikatiënin te rigten als op een bededag, maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken dit kwaad af te wenden.

Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd.216

Eene217andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte der Kolonie moesten geschieden. Den 28stenFeb. 1744 werd daarom in eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren ƒ 1,— per hoofd, voor de kinderen ƒ 0,50218; deze belasting schijnt echter niet tot stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo, waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden,219vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.

De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonistengelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,”schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221»niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen teGEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van teLEENEN, of van teAVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”

Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag gaven.222

Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor223om te beproeven vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend,224welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren, door de tegenpartij zeer Pernicieus enRuïneusvoor dezelve genoemd werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij 1750 een rekwest aan H.H.M. in225waarbij zij den verlangden vrede met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht voorbeeld voor de andere slavenenz. enz. In de meesterlijk gestelde verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.—De Directeuren der geoctroyeerdeSociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden, namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeelweifelden, verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak, ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen, waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit behaagde echter zijne vijanden niet—men wenschte tot elken prijs zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover, dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen, als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten, den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.

Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten, uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de kolonie.—Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem, aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van de Staten van Holland den 23stenJulij 1750 werden de kosten van het onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op ƒ 150,000, waarvan ¼ door deSociëteiten ¾ door de ingezetenen moest worden gedragen, waartoe latereene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden ’s jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.

Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15denDec. 1750 eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname226.

Door heeren Commissarissen werdaudiëntieverleend waarop ieder zijne klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik gemaakt.—Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde, onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf, de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op te zingen227.

Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die aanmerking in den wind sloegen.—Sommige ingezetenen leverden een uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres” in 52 artikelen aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij, volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de kolonie vertrok228.

Den13denApril 1755werd door Commissarissen eene publicatie uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan den baron H. E.vonSpörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius, reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten (welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in treffenden toon.

Den 12denApril 1751 gaf hij het bestuur aanVonSpörche over, regelde zijne particulieren zaken envertrokden15denMei met zijne vrouw en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.—De Commissarissen Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander schip vertrokken.

Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare bloedverwanten achterliet.

Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz.161, want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt men beide in één persoon vereenigd—dan al ware dit zoo geweest, eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij niet zoo geweldig tegengewerkt.

In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalenstil gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken toestand van Suriname’s blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde; zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.

Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel en tak zoekt uit te roeijen, dochpersoneelebeleedigingen met den mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend, doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg, alwaar hij in 1768 overleed.


Back to IndexNext