Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Den 24stenMaart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27stenMaart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,—dit alles echter »behoudens kwaliteit en gages.” De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.
Den 11denApril werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dienzelfdendag gafMauriciushet bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.229
Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15denMei uit de kolonie per het schip de »Jufvrouw Johanna”, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.
Den 13denApril 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.
De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,230zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakten: »alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert deprivilegiënvrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerendentot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe,”en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,231hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.232
Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.
Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen”, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van redres” hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert”; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in dekolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.
Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.
Den volgenden dag den 14denApril werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en ’s avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.
Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten »het Fiscalaat”was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;233de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor degeëxecuteerdeslaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintiggeëxecuteerdeslaven eene som van ƒ 5600.— zijnde dehelft der gepriseerde waarde à ƒ 400.—; de heer H. N. van de Schepper234die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;235het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot—welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan—werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.
Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius.—Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.
Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt—doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan—geene boschtogten, geene militaire posten—geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten—daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.
Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natieheerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen—en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.—De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden236; door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijkenIsraëliette Amsterdam, den heer Soasso.237
Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.238Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze verschillenwaardoor de herziening en regeling vertraagd werden.239
De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.240In de vergadering van den 14denSeptember 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurigediscussiëndaaromtrent, werd den 20stenSeptember besloten, dat voortaan weder,even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld241die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.
Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit allesgeschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.
Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over deexorbitante rekeningender Practizijns.—Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort—doch zij waren hiermede niettevredenen leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3denSeptember 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.242Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen;eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.243
Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;244verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15denNovember 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,245waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.246
In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruikwenschtente maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan ⅝ der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve doorbeëedigdepriseurs, door het Hof benoemd, geschieden.
Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen;—zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (deMarrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.
Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:
»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan enconditiënvan crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen haddennaauwkeuriggeëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en degeëxamineertde kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagieOVERBRUGGE, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ 45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de ⅝ niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven”,—»verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagieOSEMBO, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11⁄16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ 20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle ⅝, die hij ingevolge het plaan enconditiënvan crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren tenfaveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de ⅝ toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.”
Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen geldenwerkelijktot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.247
Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren—wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.
Den 28stenAugustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7denSeptember des namiddags ten half vier ure.
De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren derSociëteitte zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen—maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11denderzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8stenSeptember had de begrafenis met groote pracht plaats.248Den volgenden dagwas er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11denSeptember de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren—en werd deze zaak uitgesteld.
Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?—Noch het een noch het andere—maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegenvoor zich zelvenhetInterims-bestuurte eischen; de Cabaledie vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.
Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13denSeptember 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, hetprovisioneeleGouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13denSeptember kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar deSociëteitover het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden—en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorigeusantiënen met het 21steartikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door desociëteitaangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.
Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij hetinterims-bestuur had aanvaard;—doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15denSeptember zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.
De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.
Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie derSociëteithad betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden vanMauricius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen—en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij,Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.
Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maardoor Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken »gebesoigneerd.”249
Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in—doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hijals Commandeurgeen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.
Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren derSociëteit.
De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andereCollegiënhielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt—doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16denJanuarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte denSociëteits-DirecteurBrendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.—Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.
Den 31stenJanuarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren derSociëteit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel»om zich te vergenoegenmet het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al ’t geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.” Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid.—De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2denFebruarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.
De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.”250Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:—“wat een elendig excuus!—en te gelijk wat een perfidie!—doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in ’t hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.” De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders derSociëteitmoesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur vanVerschuerhad geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toondezich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie—en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.251
De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.—Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch” schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.”252Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.”253
Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;254Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1stenMaart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in—en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.
Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de alof niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,255maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.
Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10denApril1753door Crommelin geschorst.256Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25stenApril, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.257
Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ 1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;258de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbijwerden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22stenMei 1753259de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.260De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.261Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;262doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; deLutherschepredikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in—daar hij zulks beschouwde “als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten”. Na langdurigediscussiën263werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;264in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd eenbrief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.” De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan—maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.”
Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die zeer wel naar den zin waren van hetbeschaafdstegedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.”265Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;266de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;267doch nu beging hun aanhang allerleiinsolentiëntegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlofvroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.268
De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.269
Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan deSociëteitdoor Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel van Directeuren den 4denJulij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer nietvoldoendewerd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.270Den 11denJulij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie vanden 13denMei1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.271Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen deSociëteiten de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.272
Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29stenOctober ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen endifferentiëntusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg,behoudens eer en waardigheid.”Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, »dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.” Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;273den 2denNovember 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;274’s avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuisgeïllumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden derSociëteiten andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.
Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8stenFebruarij 1754: »Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, ’t welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.” Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte »Verzoekpoincten van Redres”275besloten was alswetworden aangemerkt;276en volgens deaanschrijving van de Directeuren dersociëteitmoest al hetgeen »in het politieke” was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nulenkrachteloosen vanonwaardeworden verklaard en wedervoor zooveel des noodig op nieuw in deliberatieworden gebragt.”
Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4dede regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren derSociëteit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst derSociëteitover te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.277
Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.
Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan deSociëteiten H.H.M. en de Prinses Gouvernantenaar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen: