1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”
1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”
1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”
1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”
1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”
1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en
2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.
Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels, carga’s enz. ten hoogste 1 procent ’s maands,terwijl de boete op de overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op ƒ 1000 en voor de tweede op ƒ 3000. Doch de woeker hield niet op en de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.
De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.
Reeds vroeger, den 1stenSeptember 1755 en den 9denJanuarij 1756, had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op den 17denDecember 1762 weder in te trekken423. Ook nu lieten de schippers zich »deze verkorting hunner regten” gelijk zij deze belasting kwalificeerden, niet welgevallen.
Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen;424en men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten om de verzochte lading in te nemen.
Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7denApril 1774,425aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden, daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux, Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.
De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de hypotheekhouders in Holland over.426
Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad Amsterdam, den 19denApril 1770, het ⅓ aandeel in de kolonie van de erven van Sommelsdijk, voor eene som van ƒ 700.000, te betalen in drie termijnen427.
De stad Amsterdam werd alzoo voor ⅔ eigenaar, de W. I. Compagnie, welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere ⅓, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.
Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten invloed op den gang der zaken uit.
Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen, en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon; bijenkelenliep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het waarnemen van lands betrekkingen.428
Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.
Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het lot der slaven verzwaard en in vele opzigten hetnadeel der kolonie werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.
Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen, en alzoo konden zij hunne »luxurieuse” wijze van leven voortzetten.
Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen, leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.
Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden, verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in Europa, te verbeteren.
Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen, gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik—en eenmaal op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten spoedig de wrange vruchten.
De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.
In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar, dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.
Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester- of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander Christen alsAdministrateurbenoemd, doch zelden wedervoer een Jood deze onderscheiding.
De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica en deCommewijnete verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.
Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden openbaarden,429voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten, vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten van Paramaribo te wonen.430De huizen der Joden werden niet meer, zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd om vrolijke bijeenkomsten, ’t zij openbare of bijzondere, bij te wonen; zelfs de slaven behandeldenhen, op voorbeeld der Christen-meesters, met minachting.
Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking hunnerprivilegiënbij de directeuren dersociëteit, die hen wel genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.
Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later weder meer invloed.
Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd »het opzigt over de gemeene weiden,” waaronder tevens het toezigt over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was, gescheiden van het collegie van kleine zaken,431dat ook eigenlijk meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz.166).
Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken, terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.
Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel voor ƒ 30,000 aangekocht432en verbouwd en hieraan tevens kamers voor om schuld gegijzelden verbonden.433
Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervooreene afzonderlijke kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van de drukperse” verleend voor den tijd van 23 jaren.434
Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan.435In Mei deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs van ƒ 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10 stuivers mogt verkoopen.436Als proef nam hij vervolgens aan, al wat in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor ƒ 1000.437In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag de eerste Surinaamsche Courant den 10denAugustus 1774 het licht.438
Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden, zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.
Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het Journaal van Nepveu het volgende berigt:
»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een treurspel vertoond, namelijkSabina en Eponia, alwaar beyde Haar WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met diverse heeren en damesgeïnviteerdzyn geweest; zeekere Schouten van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt,439heeft daartoe een huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op ’t voorgordijn:»Pro Excolenda Eloquentia”, wordende de meeste kosten van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in ’t Tragique als Commique, wel speelt; ’t voorneemen is om alle maanden een vertooning te geeven, ’t welk dienen kan:om de ingezeetenen by deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te distraheeren.” (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy, admirabel uytgevoert is, synde nog ’t wonderlykste, dat niemant, des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was; eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers, dat haar teffens voor de Balie kan formeeren.”440
De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof verboden.441
In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.
Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal in het jaar gespeeld werd.442
Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable staat eenigzints te distraheeren”, achten wij de verbeteringen der werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:
In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.
Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning van ƒ 12 à ƒ 1500.443
Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar het model van Simeon »niet sufficent” genoeg waren. Nepveu liet een molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en gebroken werden.444
Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.
Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt445, vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes, overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire posten.
Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.
De militaire posten werden versterkt en uitgebreid;446en niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven te beletten en de plantaadjes te beveiligen447. Een corps van vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije engemanumitteerdeslaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden zij door ontvangen kwetsuren later verhinderdin hun eigen onderhoud te voorzien, dan geschiedde dit op ’s lands kosten.448
De 12 bataillons militairen, in dienst dersociëteit, werden in 1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste op het papier, 1200 man bedroeg.449Door ziekte waren echter vele soldaten buiten staat dienst te doen,450terwijl het bezetten der militairen posten vele manschappen vereischte.451
Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld om »een vrijcorps van negerslaven” op te rigten, die daartoe door het land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.
De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam” de keuring en taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement nader was omschreven.
Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:
Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en daarenboven ƒ 9 ’s maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke dienst waren.452Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch, onder nadere goedkeuring van desociëteit, zou aan ieder van hen, in de nabijheid van Paramaribo,kosteloos een stuk grond worden afgestaan, om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde banannen en andere aardvruchten te planten.
Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden: tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag jegens de blanken.
Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.
Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een vrijcorps gevormd453.
Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid454.
Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd455. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden den rang van Vaandrig. Behalve dezeblanke officieren, aan wie zij volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn”, gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.
Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid456; hunne wapenen waren: een geweer en een sabel.
Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.
Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene oorzaken.
De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als heilig geacht”457. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was het in hun eigen belang—en groot is de magt, die het eigenbelang op ’s menschen ziel uitoefent—om den blanken getrouw te zijn. Door hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner verpligtingen verloren zij dat voorregt458.
Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken, konden wonen459; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen, daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen, als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op de andere militairen waren verbitterd460.
Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hunonderhoud, dat voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor ƒ 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven,461en werd vervolgens aan de directeuren dersociëteitverzocht, om pogingen aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en, na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie Suriname, eene geldleening, groot ƒ 700,000, aangegaan. De stad Amsterdam weder was geldschietster462. De genoemde obligatiën, ten bedrage van ƒ 400,000 gemaakt, werden toen verbrand463.
De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten en dersociëteitechter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde, het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek gevolg te geven. Den 25stenDecember 1772 staken de schepen aan Texel in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden, die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbiceloffelijk onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin van Februarij 1773 in Suriname aan464.
Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam hetwegloopender slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.
In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede ’s Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten.465Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels vermeerderd werd.
In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat)466trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten barakken verbrand.467Een tegen hen uitgezonden commando van 20 gewapende burgers, 12 soldaten en 24schutter-negers, onderging eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen aan het lijf” te Paramaribo aan468.
De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden verschillende plantaadjes aan de Cottica, in deMot, Orleyne en Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz.469.
Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne meesters vermeld vindt, die het harte goed doen470. Dikwijls echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen471.
Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De wegloopers vermeerderden bij den dag472.
Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.
Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren, want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden zij vele sympathie bij deslaven, maar daarenboven bezaten zij in Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.
Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed, die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt, de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname, met de vrijheid zou begiftigen.
Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron aan een Jood.
Hoezeer was devurigejongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen, de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers473.
Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen, was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,merktedit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den Directeur aangeklaagd en—eene strengegeeseling volgde weldra. Een knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur, de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend moest boeten, zijn vader474.
Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon der wildernis.
Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die, man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op zijne manschappenuitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan, dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni’s troepen opgenomen, die alzoo eene uitgelezen keurbende vormde475.
De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September 1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen, te veroveren. Hetwas geene gemakkelijke taak geweest, want aan de eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte, die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan, toegang verleende.
Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen, de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval, eindelijk moest afdeinzen476.
In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en kinderen, te Paramaribo477. Over de door hen hiervoor geëischte belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners478.
Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede479.
Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando, in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen480. Groote verliezen werden achtereenvolgensdoor de militairen en gewapende burgers geleden; sommige commando’s, door de wegloopers teruggedreven en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen indeerlijkenstaat te Paramaribo481.
Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der Marrons en het wegloopen der slaven482.
Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit beladen, daar terug483.
Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen, waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig, dat hij deze plaats den naam van »Boucou” »tot stof vervallen” gaf, om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door de blanken zoude worden veroverd484.
Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;” en, een in de historie van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen”485.
Ziedaar wat er in het dagboek vanNepveuvan gemeld wordt. Het Hof besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven486. Baron spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering, om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot de blanken teruggezonden met de boodschap:»dat men noch de blanken noch de negerjagers vreesde.”487
Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den jeugdigen, moedigen officier deFriderici, werd daarop ter belegering naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen, plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.
Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even door het water bedekt, te vinden—en nu herleefde de moed in de borst der officieren en soldaten.
De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk bijeen om deze af te slaan.Fridericiintusschen ging met de zwarte vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad en Boucou werdingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en negentien kinderen werden gevangen genomen488.
Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27stenSeptember werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt489; den 28stenkwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden en de blanken vierden feest490. Enkele slaven kwamen vrijwillig terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden,” schrijft Nepveu, den 7denOctober 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110 slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in de bosschen gevonden”491, en den 26stenOctober, teekent hij aan: »De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn492.”
Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van ƒ 2090.—493.
Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst, doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet aan stoutmoedigheid ontbrak,bewees een aanval op een gedeelte van het vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling, moesten terugtrekken494.
Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallersbevrijden gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over495.
De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname, beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou worden gezonden, benevens tweeoorlogsschepentot secours der kolonie496, en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip, met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee andere gevolgd497.
Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit Holland te verwachten hulptroepen uitgezien,thans, daar men vermeende, dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber, Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar zelfs over de geheelekrijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid de breuke wijder.
Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen, en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname’s bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, datFourgeouden de zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.
De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.
De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd498.
Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen499.
Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen500. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen, werd aan dit voornemen gevolg gegeven501.
Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers502; en drukte men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden,om tegen de wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren503.
Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te noopentenminste den uitslag der met de boschnegers aangevangen onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds onverzettelijkheid op dit punt504, en hij maakte voor de tweede keer aanstalte om te vertrekken.505
Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij, zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een nieuwen aanval der wegloopers506, de toebereidselen tot vertrek deed vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald507.
Schotschriften,der regeringhonende en opgevuld met verwijten over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000 ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt508.
Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk dersociëteitgeleden, eenige toenadering teweeg.
Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien, dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het verhaal hiervan luidt als volgt:
De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30 soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras, dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten, te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen, maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig Buissart, commandant der naastbij gelegen post, lietiedere twee uur een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld509.
Na het ontvangen dezer droevige tijding werdonmiddellijkdoor het Hof eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien er gevaar was se weeder doen ontscheepen.” Hij wenschte evenwel, dat het Hof in »stellige termen” verklaarde of men zijne troepen, tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord510; doch Nepveu, die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden te expliceren, ’t welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt511.”
Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst demilitairebuitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt gereed512.
Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van zijn, te Boucougeleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou en l’Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l’Esperance vermoord513. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende: Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen, gij zijt nog te kort in dekoloniegeweest om ons slaven te hebben kunnen mishandelen.” Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af, doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken kon.514Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen laten doodschieten—maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen; verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar de stad terug.515
In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in516.
De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgrondenwerden vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde besturing517.
Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften.Om eenigzins over de bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen, nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van geeft, gedeeltelijk over:
De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk” zegt Stedman,»in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid, ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn, een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om een corps van zestigman, namelijk, een kapitein, twee luitenants, twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen.”518. »Ziehier,” zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op, en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden, en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal en zes soldaten maken de voorhoede uit.Vervolgens komt op eenigen afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester en twee negers, die hetkruitdragen. De tweede partij bestaat uit twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal enachttiensoldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen, het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan.519”
In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten, was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet van elkander af te geraken.
Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven sliepen op den blooten grond.520
In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld.Het water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te slaan.521
Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en, na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest Fourgeoud zijne en dessociëteits-troepeneenige rust vergunnen.
Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees, wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in de armen der ontevredene partij:—in Nepveu’s dagboek wordt hem deze »caballisering” scherp verweten.522
In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland, onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in.523
Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.
De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:
»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland opgeblazen,524waren door hunne spionsonderrigt, dat de kolonel Fourgeoud zich te Barbacoebabevond, en zijne soldaten willende trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15denAugustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken.”