Chapter 26

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pondƒ600,000.20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vatƒ,,400,000.3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pondƒ,,300,000.500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pondƒ,,18,750.10 pCt. op de houtplantaadjesƒ,,30,000.Idem op het zegelƒ,,150,000.80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per tonƒ,,160,000.Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofdƒ,,100,000.Op de venduenƒ,,30,000.Te zamenƒ1,888,700.

Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.

Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald, dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld, waardoor verwarringen zouden worden voorkomen925.

Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten waren levendig en ieder is te vreden.” Dat Berranger zich wel wat veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen veronderstellen; evenwel de scheepvaartnam toe, in korten tijd waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht, vertrokken926; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.

De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt dekoloniënvan den staat. Den 25stenApril 1804vertoondenzich 31 Engelsche grootere en kleinereoorlogsschepenaan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27stenbemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28stenApril, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”

De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen:»zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.

Den 30stenontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort van achteren aan te tasten927. Vijf honderd man landden aan de Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen, zoodat Berranger geen middel van »contrainte” voorhanden hebbende, aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen928. »Batenburg, ongeacht de uitventing zijner dapperheid,” gaf Berranger kennis van het gevoel zijner onmagt—en eindigde met, zonder Berranger te kennen, eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen eervol en voordeeligvoor de militairen, doch schadelijk en nadeelig voor de kolonie was.

Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af en op den kolonel Batenburg wierp929.

Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.

De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.

Wel is Suriname eeneproductievekolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de oorenvan den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.

Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.


Back to IndexNext