Chapter 45

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.

De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest.163Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.

Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.

Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.

In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder ƒ 1000 zoude kosten. De administrateur vanfinantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à ƒ 750 en een à ƒ 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.

Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.

Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van denBrandhoffen Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien164.

De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste derkolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.

Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd165. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield deprovisioneelevoorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.

Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd deAdministratieveafscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld166.

Den 21stenApril 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Eliaseen eervolontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16denJulij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.

Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en—Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijnbestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.

De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder vanCuraçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke dezweepen despaansche boktot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan167.

In Junij 1845 werden dediscussiënover de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.

Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18denJunij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.

In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakteom met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen,ten einde de koloniale administratie, des noods uit ’s Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.

Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.

Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:

a.eene vordering van ƒ 647,212.7⅓ ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837–1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;

b.eene vordering als voren van ƒ 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van ƒ 150,000 was overschreden geworden168.

Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.


Back to IndexNext