De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe vanWesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, ende belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.
De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.
Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe vanWesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.
Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.
Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.
Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest denwerkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz.714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.
»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23stenSeptember 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”
In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is hetdat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.
Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootstegedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.
De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.
Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.
Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.
De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.
Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.
Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.
De beideIsraëlietischegemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de PortugescheIsraëlietenuit ongeveer 700personen. Sedert lang waren de beideIsraëlietischegemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22stenJanuarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook deIsraëlietischejeugd van hem godsdienstig onderwijs.
In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.
Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd244.
Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eenerspaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.
In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school doorRoomsch-Catholiekegeestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.
Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening245.
Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.
Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven metconcubinesis er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.
Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen246, waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;—dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan¾bedraagt.
Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alleslavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.
De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”
Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.
Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.
Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—deproductievekracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen stervenwij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.
En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunneprivé-beurszullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk derAdministrateurennog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, meteere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.
Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die ƒ 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen247. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.
Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zalhierdoorde neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.
Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.
Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkelefamiliënals met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.
Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardigewettenbeperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.
Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.
De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis248.
De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.
Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.
Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.
Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.