Tiende Kapittel.Holland in de wolken en Zegepraal1.“Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd vanTen Brink’s Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw, was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht.”(Taco H. de Beer.)“Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mareEn helm-zwaan na, wiens zilver wiekgespreiMijn spoor vlingt langs ’t azuur.”(J. K. Rensburg.)In geen járen wasCasa Carazulk een honnig, huiselijknestjegeweest.Na regen pleegt zonneschijn te komen (zij ’t woord niet voor Holland bestemd)—na storm windstilte—na wanhoop òp een toren: idylle in ’n binnenkamer.Mevrouw en Amélie sliepen na ’t gebeurde dikke vier-en-twintig uur, meneer bleef nòg langer onder de wol, om z’n voet rust te gunnen.Toen verkneuterden ze zich gezamenlijk in de welbehagelijkheid van hunthuis.Wat deed alles frisch en nieuw aan na de nachtmerrie bij de wolken!Mevrouw liet zich door Amélie geklutste eitjes en geroosterde boterhammetjes met ansjovis voeren.Ver-zaligd in de mollige breedheid van den leunstoel voor ’t raam, de voeten op ’n bankje, Tutu en Zo op ’r schoot, beglansde ze de voorbijgaande, nieuwsgierige menschen met zonnig-genoeglijke groetjes—en las de feuilletons der krant, die ze opKoepelsteynniet had kunnen bijhouden.Lieve huiskamer-teederheid omspon haar.Ze zei wittebroodsweek-achtige dingen tot Pieter, die óver haar aan ’t andre venster, dronken door de meigeuren van zooveel plots ontluikende huwelijks-bloesems, de gelukkige vette handen over ’tontknooptvest gespannen hield en herhaaldelijk indroom-toestand, met vredige kreuntjes-van-kokende-koffie snòrkte.Jaren, lange jaren had zij hem den droom, den waarachtigen droom, die zich in snorken verzinnelijkt, door vinnige interrupties gebrijzeld.Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig òngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het Ontastbare.Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwichtig als op dien vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes kraamontvangdag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren die de speech des burgemeesters inextensoin het plaatselijk blad hadden gelezen—vandaag dùldde ze zijn gesnork, ’t robust getremoleer van ’nrobust geweten—vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen deliefde, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dàt onaesthetische, beluistert, verschoont, begrijpt.Er was in diè uren opCasa Carahet volmaakte, het harmonieuze, het subtiele.Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus, nieuw aandoenlijk bewijs der publieke belangstelling.De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie bezeten.Wildvreemden namen de hoeden af.Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk ontkerkerd na meneer’s bewust-wording) werden aangesproken, befluisterd,befooid.De melkboer gaf ’n scheutje toe, wijdscher dan z’n duim in de pint had verschalkt—de jongenuit den comestibleswinkel—’n eerbiedsstaaltje om nimmer te vergeten!—die dagelijks kwam hooren of ’r rookvleesch, saucisse, blokworst, gelardeerde kalfslever noodig was, stopte Kobus ’n handteekeningen-album in de hand, met het bevend verzoek of meneer en mevrouw zoo buitengewoon vriendelijk wilden zijn hunnamen, elk op ’n blanco bladzijde, te schrijven.Het wakkere dorp was van eene superbe Amerikaansche onthutsing.Ten bate der algemeene armen hield de “Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingen-verkeer”, gedurende twee dagen, eene tentoonstelling der beschadigde vliegmachines, der ledige flesch, ’t ledig sardineblikje, de portretten der helden en van ’t dramatisch, alles zeggend visitekaartje met haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren. P. Z.”Drie honderd zeven en twintig kwartjes werden ontvangen.Dat geschiedde in het dorp.Er buiten steeg de ontroering in gelijke of versnelde mate.Verschillende bladen wijdden hoofdartikelen aan het nieuwe middel van vervoer.Men doorzocht de vaderlandsche historie, steldevergelijkingen tusschen de uitvinding der boekdrukkunst, het haringkaken en dàt.De ruïne vanKoepelsteynen alweer de heer en mevrouw Pieter Zwaluw metgezinvulden de geïllustreerde tijdschriften.Hetland der trekschuithad het eerst in Europa gèvlógen.Er waren er die het niet geloofden, die van eencanard—vlóóg ’n canard niet?—spraken, die zich wilden overtuigen. Ze zouden spoedig in een hoekje gedrongen worden.De eerste fietsers hadden bekijks, werden gesteenigd, gebeten (door honden), de eerste luchtpeddelaars, die den Nacht boven den Dag verkozen, zouden nà hun lijden volgers vinden, volgers bij honderd- en duizendtallen.Wanneer ge, vooruitstrevenden, in later jaren, als schrijver dezes ’n eerbiedwaardig grijsaard zal zijn—der Sport ontvallen—dit Boek van avonturen doorbladert—moge detand des tijdsen het gruwzaam gebit der critiek het tot dien datum (1950) sparen!—welk een phantastisch-heerlijke droom voor den uitgever en mijzelven (eind der interruptie)—wanneer ge in negentienhonderd vijftig, om man en paard te noemen, dit thans schijnbaar topzwaarepischverhaal herleest,of er uw kleinkinderen mede rustig houdt, bedenkt dan dat ònze voorvaderen geen vermoeden noch begrip hadden van doosjesSäkerhets Tandstickor(Zweedsche lucifers,made in Holland), van naaimachines, van waterleiding of linnen zakdoeken, om te zwijgen van zoo overdonderende zaken als eene electrische tram, telegraphie zonder draad en W. C.’s intreinen. Bedenkt, vooruitstrevenden, hoe onze kinderen thans, als eene vredige kalmte des tijds, auto’s, tuffen, X-stralen, hondsdolheid-serum, bestuurbare luchtballons, gepasteuriseerde moedermelkaanvaarden—bedenkt dat de vliegmachine der familieZwaluwgeen Mop doch een voorhoofd-rimplendeErnstis.Nog vóór de verzwikte voet inCasa Caratot beleidvol gepeddel in staat was, had de Amerikaansche firma uit Holland reuze-bestellingen gekregen.De eenvoudige machine, waarop de vleugel-lam-geslagen Menschheid zoo innig gewacht had, werd de sensatie van den dag.Binnen eene maand na de eerste levering was er reeds een fabriek bij Amsterdam opgericht, die de toestellen namaakte en ze goedkooper fabriceerde.Ter eere der eerste vliegers heette het merkDe Zwaluw.Oudbakken zaken als dépôts, vliegscholen etc. terzijde latend, ook de nuchtere verbazing in de straten bij het zien der luchtpeddelaars in vol dàglicht, vermeldt de geschiedschrijver uitsluitend de meer gedecideerde lijnen van opschudding en verkeers-verbouwereerdheid.In de eerste maandenontstonder inderdaad eenige Anarchie.Wat de heer P. E. Zwaluw voorspeld had, toen hij het gevaltheoretischbepeinsde, geschiedde in verrassend-juisten zin.Daar niet alle vliegers begrip hadden van de regelen der samenleving, elke vogel zingt zooals hij gebekt is, elke omwenteling andere manieren en wetten noodig maakt, veroorzaakten de plotseling opduikende, neerschietende, op de kozijnen rustende luchtpeddelaars stoornis in zeden en gebruiken.Vrijages bij zoldervensters vervingen het gekeuvel aan voor- en achterdeuren.Menigmaal, nadat op soliede wijze gesloten was, verlieten lichtzinnige zoons de ouderlijke woning, om nièt-controleerbaar weder terug te keeren.Achtbare gezinnen op deftigste grachten hadden uren dat zij aan vroeger verachte alkoven enraamlooze kamers de voorkeur gaven, daar bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondagsvliegers de luchten en vensters onveilig maakten.Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het onhebbelijk, weerzinwekkenddauw-peddelen.Wel sloten ’s avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de wàrme dagen werd het op die wijze eene marteling.Noch voor noch achter had men een vrij zitje.En dikwerf ’s avonds, als men te rusten lag, rommelden dakpannen omlaag onder deonhandigevóéten van een zwerver.De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg een nekslag.Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten òf het verbod van vliegen òf eene revolutie in revolutiebouw.De architecten hielden buitengewone vergaderingen.Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der woningen rasterwerk te stellen.Het stuitte af op oneindige bezwaren.Met lapmiddelen bereikte men niets.Toen schreef men een prijsvraag uit en bekroonde drie antwoorden.Het eerste gaf een model-woning ònder den grond, ingericht als een stoomboot met ventilatoren en licht-reflectors.Het tweede een huis van enkel muren—en vensters op een overrasterdebinnenplaats.Het derde had een vernuftige samenwerking van lenzen.Vast stond, onherroepelijk vast, dat de bestaande bouworde om practische en aesthetische redenen gedoemd was.Een huis werd niet meer van uit de straat en van de overzij bekeken.Het dak trok de meeste aandacht.De rookende schoorsteenen moesten verdwijnen.Zij belemmerden het verkeer en waren schadelijk voor de gezondheid, tenzij rookend van tien tot elf ’s morgens, op het uur dat kleeden geklopt werden.Platte daken, beplant en versierd, werden eene noodzakelijke mode.De luxe richtte zich naar het dak vóór alles.De pui, de hoofddeur werden bijzaak.De lang verwaarloosde bol van het huis kwamonder kappershanden, werd gefriseerd, gefatsoeneerd.Men dronk er koffie, thee, ontving er.De logica bracht vanzelf mede, dat de bovenste verdieping eener woning voor ontvangzaal werd ingericht.Bevriende lucht-peddelaars drie, vier verdiepingen te doen afdalen naar desuite, bleek onmogelijk en ongastvrij.De dienstbodenkamers zakten eerste-étage-waarts.Benedenwoningen stonden in massa’s te huur, bleven leeg of werden betrokken door ouden van dagen, zieken en gebrekkigen.Hijschbalken werden onnoodig.Waartoe lijnen en kabels om meubilair omhoog te brengen, terwijl elk vliegend kruier de meubelen aan zijn ballasthaak door de vensters peddelde?Kortom—een te lange opsomming van normale, alleen in den éérsten groei vreemde feiten, zou den lezer vermoeien—het heele wezen van het Huis met z’n inrichting, aspect, bedekking, schoorsteenen etc. onderging eene wonderlijke verandering.Waar het oog reikte zag men bebloemde keurig onderhouden dak-tuinen.De rijke lieden plantten de kostbaarste zaken,dedegelijkeburgerij bloemkool, savooiekool, boerekool, boonen, erwten, rhabarber.Hier en daar, op het dak van kleine burgers, graasde een geitje, liepen kippen en konijnen, doch nagenoeg overal ontwaarde men waakhonden, die grimmig de lucht-peddelaars nablaften.Garden-partiesraakten uit de mode.Flat-roof-partieswerden detopic.De geheele maatschappij werd in enkle maanden opgejaagd.Er waren dagen, dat treinen en stoomtrams ganschelijk ledig liepen.Van Amsterdam naar Leeuwarden, van Den Haag naar Katwijk, van Den Helder naar Arnhem, bleek thans de eeuwenoude mathematische stelling, dat de kortste verbinding tusschen twee punten de rèchte lijn is, inderdaad de kern-ware te zijn.Riviertjes, noch kanalen, noch zeeën had men te mijden en tegen accidenten verzekerde al dadelijk de “Eerste Nederlandsche Vliegverzekering-Maatschappij”, die alle ongevallen waarborgde, behalve zelfmoord en hetmoedwilligopvliegen tegen telephoon-, telegraaf- en andere draden.Een fietser zag men zelden.Wie een fiets kon koopen, kon zich eenZwaluwaanschaffen, ook op afbetaling.Ook de auto’s raakten in discrediet.De wegen, kort geleden onbegaanbaar, door woest gerij en het afschuwelijk zomersche stof, werden door conservatieven en reactionnairen bewandeld, evenwel niet zóó sterk of tusschen de keien en tegels alom weligde gras.Vele verhoudingen werden zonderling.Zelden kostte een brand menschenlevens.Elk huis had ’n uitgang in ’t dak en de slangen der brandweervlogenomhoog eer ’n vuurtje lucht had gehapt.De politie had het zwaarder te verantwoorden.Bereden politie was nutteloos. Welke beteekenis had ’n paard? Vliegende brigades, gestationneerd op de daken der bureau’s en posthuizen, hadden bij dag een wanhopend werk om de menigte links en rechts te doen houden, daar links en rechts in de ruimte een klànk werd. Bij avond en in den nacht fladderden de brigades machteloos....De steden waren niet te overzien—de ruimten niet te belichten. De vele sterren èn de ontelbare lantaarns der peddelaars stichtten een onbeschrijflijke verwarring tusschen huishoudelijke en Groote-Beeren, aberratie, planeten en meteoren. De Keplersche wetten schudden op haar elliptische grondvesten. In één maand tijds kreeg Jupiter er op het Lick-observatorium een dozijn foutieve satellieten bij ....Er werd zeldzaam veelgevloekt(in de hemellagen) in die eerste, éérste bevleugelde tijden.Gevloekt óók beneden in de rustige straten, waar eindjes sigaar, verbruikte pruimen, kousenbanden, haarpennen en verbruikte zolen uit de Mysterie nedertuimelden.De vogels sliepen ’s nachts in de boomen—boemelende nachtpitten peddelden tot de ochtendschemering, helaas.Want het gebeurde toen dikwijls, dat de Dageraad bewusteloozen en dooden in de telephoonnetwerken aanschouwde.Had de politie eene bezwaarlijke taak—bedenkt u eens hoe schromelijk de aanwas van inbrekers, in-sluipers, in-vliegers werd!—degenerale stafscheen een oogenblik met lamheid geslagen.De verdediging des Vaderlands geraakte van haar stabiele basis.De plek waar eens de wieg op stond, kon geen úúr langer aan stompzinnig-loopendesoldaten blijven toevertrouwd.De geheele schoone traditie van rotten-links en rotten-rechts, stormloop, zwenken, defileeren, tirailleurslinie, sectie, compagnie enz. lei in demodder.De uitnemende hollandscheWaterlinie, met of zonder water (welk een gelukkig toeval dater geen vérdere kosten gemaakt waren om voor heuschelijk wàterinde linie te zorgen!) verschimde tot een vogelverschrikkend onding.Een ooievaar zou er vróeger niet voor teruggedeinsd zijn—een vliegend eskader gierlachte er om.En het vestingstelsel!Waarlijk ook in dit opzicht bofte het Land.De prijzenswaardige Voorzichtigheid omlangzaamte voltooien en het geschut geleidelijk te verplaatsen naarmate de fortenverzakten, behoedde de burgerij voor nieuwe uitgaven.Vestingen, pantserschepen, snelvuurgeschut waren plots zoo verouderd als harnassen en maliënkolders.Een 30 c.M. kanonloodrechtte richten, het eischte meer van de gevaarten dan deplatteland-dronkenKruppsche ingenieurs er mee bedoeld hadden. En zeer terecht groeiden eraesthetischebezwaren tegen een slagveld, dat met z’n staande kanonnen in dubbelen zin op een kerkhof met buitenissige zerken geleek.DeGeneralestaf hijgde voor een berg hindernissen en gevaren. Had men tot heden voor naburen, met wie direct gerekend moest worden, twee of drie mogendheden geteld—heden, o nachtmerrie, begon een lucht-oorlog met Zwitserland of Abessynië tot de èrnstige mogelijkheden te behooren.Holland als bufferstaat bestond niet meer.Tusschen Duitschland en Engeland wijdde de hemel, de vrije, heerlijkevechthemel, de hemel zonder rivieren, bergen, vestingen, mijnen.Ja, dàt was bij alle slapeloosheid en hoofdbreken eene kostelijke, blijde verheugenis, dat er op de gansche wereld eenidealeRuimte was gekomen om mekaar dood te slaan.’t Slag-veld werd legendarisch—de Slaghemel de strategische droom van elken aanvoerder.De opperste veldmaarschalk heette opperste hemelmaarschalk.Een veldheer noemde men kortheidshalvelucht-chef.De dienst-te-velde werd herdoopt in dienst-te-wolken.De cavalerie verdween—ook de genie.En om de mobilisatie te bevorderen in den zoo spoedeischenden zin van den gevleugelden tijd, kreeg elk mannelijk en vrouwelijk ingezetene boven de achttien jaar een dienst-vliegmachine met speer thuis.Het bezwaar om ook de vrouwen dienstplichtig te maken hield in de Ruimte op.Man en vrouw konden met hetzelfde gemak een bom latenvallen.Laten vallenop wie beneden vloog, liep, at.Een leger van vliegende vijanden te omsingelen, af te snijden, om te trekken, werd hopeloos gekkenwerk.De eerste wet van alle zuivere strategie werd het (gevleugeld) woordExcelsior!Geraakte menbovenhet vijandelijk heir, dan was dit vernietigd.Vandaar dat eenige keur-regimenten, de zoogenaamdeNuageurs-en-plein-air, als opvolgers dergrenadiersenjagers, voortdurend geoefend werden op duizeling-wekkende hoogten (5000 tot 10000 M.), om zich te gewennen aan deeigenaardighedender sfeer.Veel gebruik maakte men ook van den genialen inval van een kapitein dernuageurs, die proefnemingen met gedresseerde arenden en valken nam.In den nieuwen oorlogstoestand bleken die nagenoeg tot de diergaarden beperkte soorten zeer wenschelijke bondgenooten.Zij vielen de geduchtste vijanden aan,reten hun de hersenpan vaneen, rukten oog en uit, of scheurden de zijden vleugelen der tegenstanders stuk.Van dezeroodeafgrijselijkheden afstappend—niet nader uiteenzettend hóé gemakkelijk oorlogschepen, gewapende luchtballons etc. geënterd konden worden—eveneens alswelvoegelijkavondkouterde gevolgen van volks-meetings, volks-bewegingen en internationale arbeiders-vluchtwijselijk mijdend—zij het veroorloofd nog een páár opmerklijke maatschappelijke veranderingen te releveeren.Het geschiedde dat de brievenbussen aan de daken bevestigd werden en de rond-zwevende bestellers aangenamer taak kregen.Schipbreuken waren zeldzaamheid.Elk zeeman had bevleugelde reddingsgordels.In de schouwburgen moesten de vestiaires vergroot worden ter bewaring der vliegmachines.Deze tak vanKunstnijverheid, die zoolang op slechte recettes geteerd had, leefdeplotselingwonderlijk op.Uit de vele ontberende provincieplaatsjes vloog het ’s avonds storm.Wat in geen eeuwen gebeurd was, gebeurde thans: er kwam gebrek aan theaters, directeuren, raad-van-beheeren, adviseurs, critici en wat verder tot het Vak behoort.De tjingeltjangels en café-concerts verliepen geleidelijk.Althans het groote publiek, nu zèlf gewend aanparforce-toerenin de open lucht, juichte het gezwaai aan trapezes minder toe.Na veelbewogen tochten over rivieren, zeeën,daken, deed zich de behoefte aanintellectueelezaken gevoelen.De geozoniseerde Menschheid herkreeg haar ouwe liefde en gelaatskleur.Stukken die men doodgespeeld waande, alsDe Roode BrugenDe twee Weezenmaakten series met verscheiden nullen.Acteurs, die zich uit broodsgebrek in het burgerbestaan hadden teruggetrokken, werden weerartist.De auteurs verdienden zonder hoog te vliegen betuinde villa’s bij de vleet.De aandrang naar de schouwburgen werd zóo hevig en het gedrang bij de toegangsdeuren (op de eerste étage) soms zoo vinnig, dat een listig ondernemer op een weiland buiten (afstanden bestonden niet langer) een openlucht-theater metdertig duizendzitplaatsen liet bouwen.Men vloog vóór acht naar zijn plaats. De ondernemer had voortreffelijk gezien. Bij droog weer hing elken avond het verlicht transparantUitverkochtaan een ballon captif boven het arena. Ook de literatuur kwam meeren vogue.Er was waarlijk niets genotrijkers dan op een eenzaam plekje in de wolken rond te drijven met een boek op de stuurstang.In de meest sereene stilte lééfde men met z’nlievelingsdichter.Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de verheven stemming van den poëet.Realisme en naturalisme kregen eenknauw.Peddelend-droomend begréép men eerst,dat kunst hooger moet heffen dan aardsche vleuglen gedoogen, en uitblazend op een lastigen telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z’n vroegere verblinding, z’n vroegere genegenheid voormodder-goden en riool-ontleders.Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden, Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders op eennuchteren grondte drukken—à quoi bon?—,)ontstondenverrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te grijpen—om door hoepels te parachuteeren—om in verblindende vaart een appel met eenspeerte doorsteken.De zeden werden in zooverre verzacht en verteederd dat niemand er meer aan dachtvliegendgedierte te kwellen of te mishandelen.Wist men niet aan z’n eigen lijf van de gevaren?Er kwam een “Bond tot bescherming van insecten bijbrandende lampen”.Zelfs geen jongen kreeg het meer in ’t hoofd nestjes uit te halen.Zoo zeer steeg dit sentiment voor alle bevleugelden, dat er eene neiging groeide den Hollandschen Leeuw op de vele wapens door eenminder achterlijk, minder aan de aarde vastgebakken dier, te vervangen.Behoeft aan dit beknopt en schuchter overzicht van eene geweldige evolutie te worden toegevoegd, dat de verschillende mogendheden, geschokt en ontdaan, eene spoed-conferentie in Den Haag belegden.Reeds lagen de eerste heipalen voor het Vredes-Gebouw gereed.En nog voor de moker zijn slagen mepte, debatteerden deDéléguésmet onthutste gelaten.DeFlying Dutchman, het ding van trappers en aluminium-latten, smeet geheel Europa in een roes, lachte als een ’n kwajongen om tractaten, volkerenrecht, oorlogsrecht, internationale bepalingen.Het evenwicht der beschaafde naties was verbroken.Een hollandsch minister-president was vliegend gezien, te zamen met een belgisch, een zwitsersch en een monacooschstaatsman.De kleine landen verbonden zich.Berlijn, Londen werden overgeleverd aan de willekeur der stoutmoedigen.“Messieurs,” sprak de duitsche afgevaardigde, bezorgd denkend aan de vergruizelde eenheid van het duitsche rijk en de geruïneerde duitsche oorlogs-industrie: “Messieurs, indien wij thans den oorlog nietkortwieken, worden wij door den drang der volkerenovervleugeld, zal het in de wereld bloedregenen. Ik stel voor elkander lief te hebben ....”Voor de vuist sprak hij in dien zin een paar uur.En na eenige broeiend-optimistische discussie, werd voorloopig aangenomen dat alle beschaafde landen alsopen stedenzouden worden beschouwd, noch aangevallen, noch be-bomd mochten worden.Omdat die besluiten evenwel niet doorgevoerd kònden worden, zonderonaangename concessiesaanmeesmuilende socialisten, ging men tot eene zitting met gesloten deuren over.Hier sluit ook Falkland—nièt meesmuilend—matigheids- en bezadigdheidshalve de deur.Het spreekt echter vanzelf dat de heer P. E. Zwaluw dat jaar den Nobel-prijs verwierf en aangezien het ongepast is een Verhaal van avonturen als een nachtkaars te doen eindigen, vermeldt deauteur, ter wille der volledigheid en der stemming zijner nieuwsgierige lezers, nog dit prettig slot:Zegepraal.Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine enkelingen.Zoolang de familieZwaluw, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij onze aandacht.De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers, dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.De overgang is moeilijk.“Du sublime au ridicule, il n’y a qu’un pas.”Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig genas, lijkt een sprong in debùrgerlijkstediepte van ’t leven.Er is gelukkig meer te zeggen.In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonsteRenaissance, was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch en comfortable.Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal Genootschap èn beriddeord (Oranje-Nassau en Huis-orde), bleef hij tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.Hetpootjebelette hem na een paar jaar in z’n eentje te vliegen.Toen liet hij—wéér de eerste—een vernuftigen bi-luchtpeddel en een tri-luchtpeddel maken.Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een heele poos mede.Ook dàt nam een einde.Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakteverliefd. Het was te voorzien.Op eenflatroof-partyleerde ze hèm kennen.Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag, deklareerde hij zich op diezelfde ruïne vanKoepelsteyn, die eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café was ingericht.En daar noch mama noch papa op dat tijdstip alsfacheux troisièmekonden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlkenover de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het dak, in het oor fluisterde: “Mama—ik hoopmoederte worden ....”“Wat maak je ons blij,” snikte mevrouw.“Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ....”“Dat is niets,” sprak mevrouw innig: “deooievaarzal ’t voor jóú doen, kind.”Het werd een zoete tijd van verwachting.Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend voor de luiermand.Ouwe Chris merkte met ’r stevige handen de honderd luiers en ’t kindergoed.Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de amsterdamsche lootjes van dengoeienouwen tijd.Sinds ’tspektakelin de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar den Hemel.Een wurm in de aarde was ’n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle menschen van den tijd.En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze ’r eerste tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den knolligen jongen passen, die z’n duim bezoog en van god-verzoekende malligheden geen besef had.De jongen heettePieternaar z’n grootvader—Sperwerals symbool van ’n krachtigen vlieger—Bakkernaar z’n vader:Pieter Sperwer Bakker.Het was een voorspoedig kind.Binnen ’t jaar begon-ie te babbelen.’t Schoonste uur voor de heele familie was ’t oogenblik, toen-ie in z’n handjes klapte bij ’t kippenhok, waar de haan gekraaid had en z’n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.“....Opa-kukelu!”“Wàt zeg je daar?”—, vroeg grootvader verrast.“Opa-kukelu!”—, herhaalde het ventje.De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.“Wat ’ngoddelijkverstand,” zei-ie met dik-aangedane stem2.Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een stapel boeken door S. Falkland.Einde.1Niet te verwarren met deQuérido’sche.2Als ’n beminnaar van schoone kunsten eene serie tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden, wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone teekeningen, die nà pag.113vruchteloos hare vingers bevochtigd heeft,huiverig-verlangend naar verdere fantastischescheppingen, alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in eenpasse-partoutte doenencadreerenen—en tot op deze pag....188nièts meer vindend. Ik bevroed depijnlijketeleurstelling. Verwijs de verbolgenen naar den uitgever,ergens in Bussum. Ik ben onschuldig. Zoo puur van geweten als ’n knaap vantwee jaar. Reeds lang had het tusschen mij en dien heergemot. Ik kan welkunstzinnigsamenwerken met iemand, die mijbegrijpt, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijtNeelmeyertegen de vlakte. De littéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reedsgeïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts ditoverzichtte geven:a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit vanverluchterinderdaadontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat “de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet totuiting, daar zooals ik op pag.35schreef: “bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op densteenarbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijnoeuvrezincographisch verknoeid. Ikdulddedat.Mijne verdere motieven zijn:b) .... Bij de derde teekening op pag.44beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen inartistieken arbeid. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eensartiests, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onzeziel? Ik weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motiefc) .... Bij de teekening op pag.50, uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen opeen “provinciaal deskundige” die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag.61moest ’k dit aandikken. Immers aan ’t slot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: “Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijkstuitendewoorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liepzonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen—mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteurFalkland, wiens populariteit eenhoonis voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De strijd, in het stadium gekomenvan het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motiefd) .... Bij de inderdaadheerlijketeekening op pag.71schreef mij de tegenpartij: “Wat beteekent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekeningonderstebovenhad gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag.71) ... “helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” “Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nòg was ’t einde niet daar. Motiefe) .... Op pag.106, ter hoogte deruitnemendeillustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak: “.... Schei in ’s hemels naam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost...” ...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veelonheusche opmerkingen aanleiding. Ik draagfrontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van eenoverhemdvergist. Vertoornd zeide ik tot den uitgever: “Fiche moi la paix!”.... Toen, bij de teekening op pag.113, meende mijn tegenstandergeestigte zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever nietschaamteloosgehandeld hebben, als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenoverwillekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels teverrijken. Ziehier het overzicht—vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand—van de onverkwikkelijke verhouding tusschen eenkunstenaaren eenzakenman. En na al de onaangenaamheden mìj aangedaan—welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!—had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoekenzijn portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekeningden nièt in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek(hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.S. F.
Tiende Kapittel.Holland in de wolken en Zegepraal1.“Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd vanTen Brink’s Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw, was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht.”(Taco H. de Beer.)“Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mareEn helm-zwaan na, wiens zilver wiekgespreiMijn spoor vlingt langs ’t azuur.”(J. K. Rensburg.)In geen járen wasCasa Carazulk een honnig, huiselijknestjegeweest.Na regen pleegt zonneschijn te komen (zij ’t woord niet voor Holland bestemd)—na storm windstilte—na wanhoop òp een toren: idylle in ’n binnenkamer.Mevrouw en Amélie sliepen na ’t gebeurde dikke vier-en-twintig uur, meneer bleef nòg langer onder de wol, om z’n voet rust te gunnen.Toen verkneuterden ze zich gezamenlijk in de welbehagelijkheid van hunthuis.Wat deed alles frisch en nieuw aan na de nachtmerrie bij de wolken!Mevrouw liet zich door Amélie geklutste eitjes en geroosterde boterhammetjes met ansjovis voeren.Ver-zaligd in de mollige breedheid van den leunstoel voor ’t raam, de voeten op ’n bankje, Tutu en Zo op ’r schoot, beglansde ze de voorbijgaande, nieuwsgierige menschen met zonnig-genoeglijke groetjes—en las de feuilletons der krant, die ze opKoepelsteynniet had kunnen bijhouden.Lieve huiskamer-teederheid omspon haar.Ze zei wittebroodsweek-achtige dingen tot Pieter, die óver haar aan ’t andre venster, dronken door de meigeuren van zooveel plots ontluikende huwelijks-bloesems, de gelukkige vette handen over ’tontknooptvest gespannen hield en herhaaldelijk indroom-toestand, met vredige kreuntjes-van-kokende-koffie snòrkte.Jaren, lange jaren had zij hem den droom, den waarachtigen droom, die zich in snorken verzinnelijkt, door vinnige interrupties gebrijzeld.Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig òngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het Ontastbare.Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwichtig als op dien vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes kraamontvangdag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren die de speech des burgemeesters inextensoin het plaatselijk blad hadden gelezen—vandaag dùldde ze zijn gesnork, ’t robust getremoleer van ’nrobust geweten—vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen deliefde, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dàt onaesthetische, beluistert, verschoont, begrijpt.Er was in diè uren opCasa Carahet volmaakte, het harmonieuze, het subtiele.Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus, nieuw aandoenlijk bewijs der publieke belangstelling.De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie bezeten.Wildvreemden namen de hoeden af.Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk ontkerkerd na meneer’s bewust-wording) werden aangesproken, befluisterd,befooid.De melkboer gaf ’n scheutje toe, wijdscher dan z’n duim in de pint had verschalkt—de jongenuit den comestibleswinkel—’n eerbiedsstaaltje om nimmer te vergeten!—die dagelijks kwam hooren of ’r rookvleesch, saucisse, blokworst, gelardeerde kalfslever noodig was, stopte Kobus ’n handteekeningen-album in de hand, met het bevend verzoek of meneer en mevrouw zoo buitengewoon vriendelijk wilden zijn hunnamen, elk op ’n blanco bladzijde, te schrijven.Het wakkere dorp was van eene superbe Amerikaansche onthutsing.Ten bate der algemeene armen hield de “Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingen-verkeer”, gedurende twee dagen, eene tentoonstelling der beschadigde vliegmachines, der ledige flesch, ’t ledig sardineblikje, de portretten der helden en van ’t dramatisch, alles zeggend visitekaartje met haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren. P. Z.”Drie honderd zeven en twintig kwartjes werden ontvangen.Dat geschiedde in het dorp.Er buiten steeg de ontroering in gelijke of versnelde mate.Verschillende bladen wijdden hoofdartikelen aan het nieuwe middel van vervoer.Men doorzocht de vaderlandsche historie, steldevergelijkingen tusschen de uitvinding der boekdrukkunst, het haringkaken en dàt.De ruïne vanKoepelsteynen alweer de heer en mevrouw Pieter Zwaluw metgezinvulden de geïllustreerde tijdschriften.Hetland der trekschuithad het eerst in Europa gèvlógen.Er waren er die het niet geloofden, die van eencanard—vlóóg ’n canard niet?—spraken, die zich wilden overtuigen. Ze zouden spoedig in een hoekje gedrongen worden.De eerste fietsers hadden bekijks, werden gesteenigd, gebeten (door honden), de eerste luchtpeddelaars, die den Nacht boven den Dag verkozen, zouden nà hun lijden volgers vinden, volgers bij honderd- en duizendtallen.Wanneer ge, vooruitstrevenden, in later jaren, als schrijver dezes ’n eerbiedwaardig grijsaard zal zijn—der Sport ontvallen—dit Boek van avonturen doorbladert—moge detand des tijdsen het gruwzaam gebit der critiek het tot dien datum (1950) sparen!—welk een phantastisch-heerlijke droom voor den uitgever en mijzelven (eind der interruptie)—wanneer ge in negentienhonderd vijftig, om man en paard te noemen, dit thans schijnbaar topzwaarepischverhaal herleest,of er uw kleinkinderen mede rustig houdt, bedenkt dan dat ònze voorvaderen geen vermoeden noch begrip hadden van doosjesSäkerhets Tandstickor(Zweedsche lucifers,made in Holland), van naaimachines, van waterleiding of linnen zakdoeken, om te zwijgen van zoo overdonderende zaken als eene electrische tram, telegraphie zonder draad en W. C.’s intreinen. Bedenkt, vooruitstrevenden, hoe onze kinderen thans, als eene vredige kalmte des tijds, auto’s, tuffen, X-stralen, hondsdolheid-serum, bestuurbare luchtballons, gepasteuriseerde moedermelkaanvaarden—bedenkt dat de vliegmachine der familieZwaluwgeen Mop doch een voorhoofd-rimplendeErnstis.Nog vóór de verzwikte voet inCasa Caratot beleidvol gepeddel in staat was, had de Amerikaansche firma uit Holland reuze-bestellingen gekregen.De eenvoudige machine, waarop de vleugel-lam-geslagen Menschheid zoo innig gewacht had, werd de sensatie van den dag.Binnen eene maand na de eerste levering was er reeds een fabriek bij Amsterdam opgericht, die de toestellen namaakte en ze goedkooper fabriceerde.Ter eere der eerste vliegers heette het merkDe Zwaluw.Oudbakken zaken als dépôts, vliegscholen etc. terzijde latend, ook de nuchtere verbazing in de straten bij het zien der luchtpeddelaars in vol dàglicht, vermeldt de geschiedschrijver uitsluitend de meer gedecideerde lijnen van opschudding en verkeers-verbouwereerdheid.In de eerste maandenontstonder inderdaad eenige Anarchie.Wat de heer P. E. Zwaluw voorspeld had, toen hij het gevaltheoretischbepeinsde, geschiedde in verrassend-juisten zin.Daar niet alle vliegers begrip hadden van de regelen der samenleving, elke vogel zingt zooals hij gebekt is, elke omwenteling andere manieren en wetten noodig maakt, veroorzaakten de plotseling opduikende, neerschietende, op de kozijnen rustende luchtpeddelaars stoornis in zeden en gebruiken.Vrijages bij zoldervensters vervingen het gekeuvel aan voor- en achterdeuren.Menigmaal, nadat op soliede wijze gesloten was, verlieten lichtzinnige zoons de ouderlijke woning, om nièt-controleerbaar weder terug te keeren.Achtbare gezinnen op deftigste grachten hadden uren dat zij aan vroeger verachte alkoven enraamlooze kamers de voorkeur gaven, daar bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondagsvliegers de luchten en vensters onveilig maakten.Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het onhebbelijk, weerzinwekkenddauw-peddelen.Wel sloten ’s avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de wàrme dagen werd het op die wijze eene marteling.Noch voor noch achter had men een vrij zitje.En dikwerf ’s avonds, als men te rusten lag, rommelden dakpannen omlaag onder deonhandigevóéten van een zwerver.De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg een nekslag.Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten òf het verbod van vliegen òf eene revolutie in revolutiebouw.De architecten hielden buitengewone vergaderingen.Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der woningen rasterwerk te stellen.Het stuitte af op oneindige bezwaren.Met lapmiddelen bereikte men niets.Toen schreef men een prijsvraag uit en bekroonde drie antwoorden.Het eerste gaf een model-woning ònder den grond, ingericht als een stoomboot met ventilatoren en licht-reflectors.Het tweede een huis van enkel muren—en vensters op een overrasterdebinnenplaats.Het derde had een vernuftige samenwerking van lenzen.Vast stond, onherroepelijk vast, dat de bestaande bouworde om practische en aesthetische redenen gedoemd was.Een huis werd niet meer van uit de straat en van de overzij bekeken.Het dak trok de meeste aandacht.De rookende schoorsteenen moesten verdwijnen.Zij belemmerden het verkeer en waren schadelijk voor de gezondheid, tenzij rookend van tien tot elf ’s morgens, op het uur dat kleeden geklopt werden.Platte daken, beplant en versierd, werden eene noodzakelijke mode.De luxe richtte zich naar het dak vóór alles.De pui, de hoofddeur werden bijzaak.De lang verwaarloosde bol van het huis kwamonder kappershanden, werd gefriseerd, gefatsoeneerd.Men dronk er koffie, thee, ontving er.De logica bracht vanzelf mede, dat de bovenste verdieping eener woning voor ontvangzaal werd ingericht.Bevriende lucht-peddelaars drie, vier verdiepingen te doen afdalen naar desuite, bleek onmogelijk en ongastvrij.De dienstbodenkamers zakten eerste-étage-waarts.Benedenwoningen stonden in massa’s te huur, bleven leeg of werden betrokken door ouden van dagen, zieken en gebrekkigen.Hijschbalken werden onnoodig.Waartoe lijnen en kabels om meubilair omhoog te brengen, terwijl elk vliegend kruier de meubelen aan zijn ballasthaak door de vensters peddelde?Kortom—een te lange opsomming van normale, alleen in den éérsten groei vreemde feiten, zou den lezer vermoeien—het heele wezen van het Huis met z’n inrichting, aspect, bedekking, schoorsteenen etc. onderging eene wonderlijke verandering.Waar het oog reikte zag men bebloemde keurig onderhouden dak-tuinen.De rijke lieden plantten de kostbaarste zaken,dedegelijkeburgerij bloemkool, savooiekool, boerekool, boonen, erwten, rhabarber.Hier en daar, op het dak van kleine burgers, graasde een geitje, liepen kippen en konijnen, doch nagenoeg overal ontwaarde men waakhonden, die grimmig de lucht-peddelaars nablaften.Garden-partiesraakten uit de mode.Flat-roof-partieswerden detopic.De geheele maatschappij werd in enkle maanden opgejaagd.Er waren dagen, dat treinen en stoomtrams ganschelijk ledig liepen.Van Amsterdam naar Leeuwarden, van Den Haag naar Katwijk, van Den Helder naar Arnhem, bleek thans de eeuwenoude mathematische stelling, dat de kortste verbinding tusschen twee punten de rèchte lijn is, inderdaad de kern-ware te zijn.Riviertjes, noch kanalen, noch zeeën had men te mijden en tegen accidenten verzekerde al dadelijk de “Eerste Nederlandsche Vliegverzekering-Maatschappij”, die alle ongevallen waarborgde, behalve zelfmoord en hetmoedwilligopvliegen tegen telephoon-, telegraaf- en andere draden.Een fietser zag men zelden.Wie een fiets kon koopen, kon zich eenZwaluwaanschaffen, ook op afbetaling.Ook de auto’s raakten in discrediet.De wegen, kort geleden onbegaanbaar, door woest gerij en het afschuwelijk zomersche stof, werden door conservatieven en reactionnairen bewandeld, evenwel niet zóó sterk of tusschen de keien en tegels alom weligde gras.Vele verhoudingen werden zonderling.Zelden kostte een brand menschenlevens.Elk huis had ’n uitgang in ’t dak en de slangen der brandweervlogenomhoog eer ’n vuurtje lucht had gehapt.De politie had het zwaarder te verantwoorden.Bereden politie was nutteloos. Welke beteekenis had ’n paard? Vliegende brigades, gestationneerd op de daken der bureau’s en posthuizen, hadden bij dag een wanhopend werk om de menigte links en rechts te doen houden, daar links en rechts in de ruimte een klànk werd. Bij avond en in den nacht fladderden de brigades machteloos....De steden waren niet te overzien—de ruimten niet te belichten. De vele sterren èn de ontelbare lantaarns der peddelaars stichtten een onbeschrijflijke verwarring tusschen huishoudelijke en Groote-Beeren, aberratie, planeten en meteoren. De Keplersche wetten schudden op haar elliptische grondvesten. In één maand tijds kreeg Jupiter er op het Lick-observatorium een dozijn foutieve satellieten bij ....Er werd zeldzaam veelgevloekt(in de hemellagen) in die eerste, éérste bevleugelde tijden.Gevloekt óók beneden in de rustige straten, waar eindjes sigaar, verbruikte pruimen, kousenbanden, haarpennen en verbruikte zolen uit de Mysterie nedertuimelden.De vogels sliepen ’s nachts in de boomen—boemelende nachtpitten peddelden tot de ochtendschemering, helaas.Want het gebeurde toen dikwijls, dat de Dageraad bewusteloozen en dooden in de telephoonnetwerken aanschouwde.Had de politie eene bezwaarlijke taak—bedenkt u eens hoe schromelijk de aanwas van inbrekers, in-sluipers, in-vliegers werd!—degenerale stafscheen een oogenblik met lamheid geslagen.De verdediging des Vaderlands geraakte van haar stabiele basis.De plek waar eens de wieg op stond, kon geen úúr langer aan stompzinnig-loopendesoldaten blijven toevertrouwd.De geheele schoone traditie van rotten-links en rotten-rechts, stormloop, zwenken, defileeren, tirailleurslinie, sectie, compagnie enz. lei in demodder.De uitnemende hollandscheWaterlinie, met of zonder water (welk een gelukkig toeval dater geen vérdere kosten gemaakt waren om voor heuschelijk wàterinde linie te zorgen!) verschimde tot een vogelverschrikkend onding.Een ooievaar zou er vróeger niet voor teruggedeinsd zijn—een vliegend eskader gierlachte er om.En het vestingstelsel!Waarlijk ook in dit opzicht bofte het Land.De prijzenswaardige Voorzichtigheid omlangzaamte voltooien en het geschut geleidelijk te verplaatsen naarmate de fortenverzakten, behoedde de burgerij voor nieuwe uitgaven.Vestingen, pantserschepen, snelvuurgeschut waren plots zoo verouderd als harnassen en maliënkolders.Een 30 c.M. kanonloodrechtte richten, het eischte meer van de gevaarten dan deplatteland-dronkenKruppsche ingenieurs er mee bedoeld hadden. En zeer terecht groeiden eraesthetischebezwaren tegen een slagveld, dat met z’n staande kanonnen in dubbelen zin op een kerkhof met buitenissige zerken geleek.DeGeneralestaf hijgde voor een berg hindernissen en gevaren. Had men tot heden voor naburen, met wie direct gerekend moest worden, twee of drie mogendheden geteld—heden, o nachtmerrie, begon een lucht-oorlog met Zwitserland of Abessynië tot de èrnstige mogelijkheden te behooren.Holland als bufferstaat bestond niet meer.Tusschen Duitschland en Engeland wijdde de hemel, de vrije, heerlijkevechthemel, de hemel zonder rivieren, bergen, vestingen, mijnen.Ja, dàt was bij alle slapeloosheid en hoofdbreken eene kostelijke, blijde verheugenis, dat er op de gansche wereld eenidealeRuimte was gekomen om mekaar dood te slaan.’t Slag-veld werd legendarisch—de Slaghemel de strategische droom van elken aanvoerder.De opperste veldmaarschalk heette opperste hemelmaarschalk.Een veldheer noemde men kortheidshalvelucht-chef.De dienst-te-velde werd herdoopt in dienst-te-wolken.De cavalerie verdween—ook de genie.En om de mobilisatie te bevorderen in den zoo spoedeischenden zin van den gevleugelden tijd, kreeg elk mannelijk en vrouwelijk ingezetene boven de achttien jaar een dienst-vliegmachine met speer thuis.Het bezwaar om ook de vrouwen dienstplichtig te maken hield in de Ruimte op.Man en vrouw konden met hetzelfde gemak een bom latenvallen.Laten vallenop wie beneden vloog, liep, at.Een leger van vliegende vijanden te omsingelen, af te snijden, om te trekken, werd hopeloos gekkenwerk.De eerste wet van alle zuivere strategie werd het (gevleugeld) woordExcelsior!Geraakte menbovenhet vijandelijk heir, dan was dit vernietigd.Vandaar dat eenige keur-regimenten, de zoogenaamdeNuageurs-en-plein-air, als opvolgers dergrenadiersenjagers, voortdurend geoefend werden op duizeling-wekkende hoogten (5000 tot 10000 M.), om zich te gewennen aan deeigenaardighedender sfeer.Veel gebruik maakte men ook van den genialen inval van een kapitein dernuageurs, die proefnemingen met gedresseerde arenden en valken nam.In den nieuwen oorlogstoestand bleken die nagenoeg tot de diergaarden beperkte soorten zeer wenschelijke bondgenooten.Zij vielen de geduchtste vijanden aan,reten hun de hersenpan vaneen, rukten oog en uit, of scheurden de zijden vleugelen der tegenstanders stuk.Van dezeroodeafgrijselijkheden afstappend—niet nader uiteenzettend hóé gemakkelijk oorlogschepen, gewapende luchtballons etc. geënterd konden worden—eveneens alswelvoegelijkavondkouterde gevolgen van volks-meetings, volks-bewegingen en internationale arbeiders-vluchtwijselijk mijdend—zij het veroorloofd nog een páár opmerklijke maatschappelijke veranderingen te releveeren.Het geschiedde dat de brievenbussen aan de daken bevestigd werden en de rond-zwevende bestellers aangenamer taak kregen.Schipbreuken waren zeldzaamheid.Elk zeeman had bevleugelde reddingsgordels.In de schouwburgen moesten de vestiaires vergroot worden ter bewaring der vliegmachines.Deze tak vanKunstnijverheid, die zoolang op slechte recettes geteerd had, leefdeplotselingwonderlijk op.Uit de vele ontberende provincieplaatsjes vloog het ’s avonds storm.Wat in geen eeuwen gebeurd was, gebeurde thans: er kwam gebrek aan theaters, directeuren, raad-van-beheeren, adviseurs, critici en wat verder tot het Vak behoort.De tjingeltjangels en café-concerts verliepen geleidelijk.Althans het groote publiek, nu zèlf gewend aanparforce-toerenin de open lucht, juichte het gezwaai aan trapezes minder toe.Na veelbewogen tochten over rivieren, zeeën,daken, deed zich de behoefte aanintellectueelezaken gevoelen.De geozoniseerde Menschheid herkreeg haar ouwe liefde en gelaatskleur.Stukken die men doodgespeeld waande, alsDe Roode BrugenDe twee Weezenmaakten series met verscheiden nullen.Acteurs, die zich uit broodsgebrek in het burgerbestaan hadden teruggetrokken, werden weerartist.De auteurs verdienden zonder hoog te vliegen betuinde villa’s bij de vleet.De aandrang naar de schouwburgen werd zóo hevig en het gedrang bij de toegangsdeuren (op de eerste étage) soms zoo vinnig, dat een listig ondernemer op een weiland buiten (afstanden bestonden niet langer) een openlucht-theater metdertig duizendzitplaatsen liet bouwen.Men vloog vóór acht naar zijn plaats. De ondernemer had voortreffelijk gezien. Bij droog weer hing elken avond het verlicht transparantUitverkochtaan een ballon captif boven het arena. Ook de literatuur kwam meeren vogue.Er was waarlijk niets genotrijkers dan op een eenzaam plekje in de wolken rond te drijven met een boek op de stuurstang.In de meest sereene stilte lééfde men met z’nlievelingsdichter.Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de verheven stemming van den poëet.Realisme en naturalisme kregen eenknauw.Peddelend-droomend begréép men eerst,dat kunst hooger moet heffen dan aardsche vleuglen gedoogen, en uitblazend op een lastigen telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z’n vroegere verblinding, z’n vroegere genegenheid voormodder-goden en riool-ontleders.Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden, Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders op eennuchteren grondte drukken—à quoi bon?—,)ontstondenverrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te grijpen—om door hoepels te parachuteeren—om in verblindende vaart een appel met eenspeerte doorsteken.De zeden werden in zooverre verzacht en verteederd dat niemand er meer aan dachtvliegendgedierte te kwellen of te mishandelen.Wist men niet aan z’n eigen lijf van de gevaren?Er kwam een “Bond tot bescherming van insecten bijbrandende lampen”.Zelfs geen jongen kreeg het meer in ’t hoofd nestjes uit te halen.Zoo zeer steeg dit sentiment voor alle bevleugelden, dat er eene neiging groeide den Hollandschen Leeuw op de vele wapens door eenminder achterlijk, minder aan de aarde vastgebakken dier, te vervangen.Behoeft aan dit beknopt en schuchter overzicht van eene geweldige evolutie te worden toegevoegd, dat de verschillende mogendheden, geschokt en ontdaan, eene spoed-conferentie in Den Haag belegden.Reeds lagen de eerste heipalen voor het Vredes-Gebouw gereed.En nog voor de moker zijn slagen mepte, debatteerden deDéléguésmet onthutste gelaten.DeFlying Dutchman, het ding van trappers en aluminium-latten, smeet geheel Europa in een roes, lachte als een ’n kwajongen om tractaten, volkerenrecht, oorlogsrecht, internationale bepalingen.Het evenwicht der beschaafde naties was verbroken.Een hollandsch minister-president was vliegend gezien, te zamen met een belgisch, een zwitsersch en een monacooschstaatsman.De kleine landen verbonden zich.Berlijn, Londen werden overgeleverd aan de willekeur der stoutmoedigen.“Messieurs,” sprak de duitsche afgevaardigde, bezorgd denkend aan de vergruizelde eenheid van het duitsche rijk en de geruïneerde duitsche oorlogs-industrie: “Messieurs, indien wij thans den oorlog nietkortwieken, worden wij door den drang der volkerenovervleugeld, zal het in de wereld bloedregenen. Ik stel voor elkander lief te hebben ....”Voor de vuist sprak hij in dien zin een paar uur.En na eenige broeiend-optimistische discussie, werd voorloopig aangenomen dat alle beschaafde landen alsopen stedenzouden worden beschouwd, noch aangevallen, noch be-bomd mochten worden.Omdat die besluiten evenwel niet doorgevoerd kònden worden, zonderonaangename concessiesaanmeesmuilende socialisten, ging men tot eene zitting met gesloten deuren over.Hier sluit ook Falkland—nièt meesmuilend—matigheids- en bezadigdheidshalve de deur.Het spreekt echter vanzelf dat de heer P. E. Zwaluw dat jaar den Nobel-prijs verwierf en aangezien het ongepast is een Verhaal van avonturen als een nachtkaars te doen eindigen, vermeldt deauteur, ter wille der volledigheid en der stemming zijner nieuwsgierige lezers, nog dit prettig slot:Zegepraal.Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine enkelingen.Zoolang de familieZwaluw, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij onze aandacht.De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers, dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.De overgang is moeilijk.“Du sublime au ridicule, il n’y a qu’un pas.”Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig genas, lijkt een sprong in debùrgerlijkstediepte van ’t leven.Er is gelukkig meer te zeggen.In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonsteRenaissance, was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch en comfortable.Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal Genootschap èn beriddeord (Oranje-Nassau en Huis-orde), bleef hij tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.Hetpootjebelette hem na een paar jaar in z’n eentje te vliegen.Toen liet hij—wéér de eerste—een vernuftigen bi-luchtpeddel en een tri-luchtpeddel maken.Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een heele poos mede.Ook dàt nam een einde.Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakteverliefd. Het was te voorzien.Op eenflatroof-partyleerde ze hèm kennen.Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag, deklareerde hij zich op diezelfde ruïne vanKoepelsteyn, die eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café was ingericht.En daar noch mama noch papa op dat tijdstip alsfacheux troisièmekonden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlkenover de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het dak, in het oor fluisterde: “Mama—ik hoopmoederte worden ....”“Wat maak je ons blij,” snikte mevrouw.“Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ....”“Dat is niets,” sprak mevrouw innig: “deooievaarzal ’t voor jóú doen, kind.”Het werd een zoete tijd van verwachting.Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend voor de luiermand.Ouwe Chris merkte met ’r stevige handen de honderd luiers en ’t kindergoed.Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de amsterdamsche lootjes van dengoeienouwen tijd.Sinds ’tspektakelin de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar den Hemel.Een wurm in de aarde was ’n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle menschen van den tijd.En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze ’r eerste tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den knolligen jongen passen, die z’n duim bezoog en van god-verzoekende malligheden geen besef had.De jongen heettePieternaar z’n grootvader—Sperwerals symbool van ’n krachtigen vlieger—Bakkernaar z’n vader:Pieter Sperwer Bakker.Het was een voorspoedig kind.Binnen ’t jaar begon-ie te babbelen.’t Schoonste uur voor de heele familie was ’t oogenblik, toen-ie in z’n handjes klapte bij ’t kippenhok, waar de haan gekraaid had en z’n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.“....Opa-kukelu!”“Wàt zeg je daar?”—, vroeg grootvader verrast.“Opa-kukelu!”—, herhaalde het ventje.De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.“Wat ’ngoddelijkverstand,” zei-ie met dik-aangedane stem2.Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een stapel boeken door S. Falkland.Einde.1Niet te verwarren met deQuérido’sche.2Als ’n beminnaar van schoone kunsten eene serie tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden, wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone teekeningen, die nà pag.113vruchteloos hare vingers bevochtigd heeft,huiverig-verlangend naar verdere fantastischescheppingen, alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in eenpasse-partoutte doenencadreerenen—en tot op deze pag....188nièts meer vindend. Ik bevroed depijnlijketeleurstelling. Verwijs de verbolgenen naar den uitgever,ergens in Bussum. Ik ben onschuldig. Zoo puur van geweten als ’n knaap vantwee jaar. Reeds lang had het tusschen mij en dien heergemot. Ik kan welkunstzinnigsamenwerken met iemand, die mijbegrijpt, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijtNeelmeyertegen de vlakte. De littéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reedsgeïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts ditoverzichtte geven:a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit vanverluchterinderdaadontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat “de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet totuiting, daar zooals ik op pag.35schreef: “bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op densteenarbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijnoeuvrezincographisch verknoeid. Ikdulddedat.Mijne verdere motieven zijn:b) .... Bij de derde teekening op pag.44beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen inartistieken arbeid. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eensartiests, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onzeziel? Ik weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motiefc) .... Bij de teekening op pag.50, uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen opeen “provinciaal deskundige” die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag.61moest ’k dit aandikken. Immers aan ’t slot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: “Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijkstuitendewoorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liepzonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen—mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteurFalkland, wiens populariteit eenhoonis voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De strijd, in het stadium gekomenvan het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motiefd) .... Bij de inderdaadheerlijketeekening op pag.71schreef mij de tegenpartij: “Wat beteekent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekeningonderstebovenhad gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag.71) ... “helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” “Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nòg was ’t einde niet daar. Motiefe) .... Op pag.106, ter hoogte deruitnemendeillustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak: “.... Schei in ’s hemels naam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost...” ...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veelonheusche opmerkingen aanleiding. Ik draagfrontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van eenoverhemdvergist. Vertoornd zeide ik tot den uitgever: “Fiche moi la paix!”.... Toen, bij de teekening op pag.113, meende mijn tegenstandergeestigte zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever nietschaamteloosgehandeld hebben, als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenoverwillekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels teverrijken. Ziehier het overzicht—vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand—van de onverkwikkelijke verhouding tusschen eenkunstenaaren eenzakenman. En na al de onaangenaamheden mìj aangedaan—welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!—had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoekenzijn portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekeningden nièt in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek(hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.S. F.
“Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd vanTen Brink’s Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw, was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht.”(Taco H. de Beer.)“Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mareEn helm-zwaan na, wiens zilver wiekgespreiMijn spoor vlingt langs ’t azuur.”(J. K. Rensburg.)
“Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd vanTen Brink’s Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw, was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht.”
(Taco H. de Beer.)
“Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mare
En helm-zwaan na, wiens zilver wiekgesprei
Mijn spoor vlingt langs ’t azuur.”
(J. K. Rensburg.)
In geen járen wasCasa Carazulk een honnig, huiselijknestjegeweest.
Na regen pleegt zonneschijn te komen (zij ’t woord niet voor Holland bestemd)—na storm windstilte—na wanhoop òp een toren: idylle in ’n binnenkamer.
Mevrouw en Amélie sliepen na ’t gebeurde dikke vier-en-twintig uur, meneer bleef nòg langer onder de wol, om z’n voet rust te gunnen.
Toen verkneuterden ze zich gezamenlijk in de welbehagelijkheid van hunthuis.
Wat deed alles frisch en nieuw aan na de nachtmerrie bij de wolken!
Mevrouw liet zich door Amélie geklutste eitjes en geroosterde boterhammetjes met ansjovis voeren.
Ver-zaligd in de mollige breedheid van den leunstoel voor ’t raam, de voeten op ’n bankje, Tutu en Zo op ’r schoot, beglansde ze de voorbijgaande, nieuwsgierige menschen met zonnig-genoeglijke groetjes—en las de feuilletons der krant, die ze opKoepelsteynniet had kunnen bijhouden.
Lieve huiskamer-teederheid omspon haar.
Ze zei wittebroodsweek-achtige dingen tot Pieter, die óver haar aan ’t andre venster, dronken door de meigeuren van zooveel plots ontluikende huwelijks-bloesems, de gelukkige vette handen over ’tontknooptvest gespannen hield en herhaaldelijk indroom-toestand, met vredige kreuntjes-van-kokende-koffie snòrkte.
Jaren, lange jaren had zij hem den droom, den waarachtigen droom, die zich in snorken verzinnelijkt, door vinnige interrupties gebrijzeld.
Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig òngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het Ontastbare.
Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwichtig als op dien vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes kraamontvangdag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren die de speech des burgemeesters inextensoin het plaatselijk blad hadden gelezen—vandaag dùldde ze zijn gesnork, ’t robust getremoleer van ’nrobust geweten—vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen deliefde, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dàt onaesthetische, beluistert, verschoont, begrijpt.
Er was in diè uren opCasa Carahet volmaakte, het harmonieuze, het subtiele.
Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus, nieuw aandoenlijk bewijs der publieke belangstelling.
De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie bezeten.
Wildvreemden namen de hoeden af.
Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk ontkerkerd na meneer’s bewust-wording) werden aangesproken, befluisterd,befooid.
De melkboer gaf ’n scheutje toe, wijdscher dan z’n duim in de pint had verschalkt—de jongenuit den comestibleswinkel—’n eerbiedsstaaltje om nimmer te vergeten!—die dagelijks kwam hooren of ’r rookvleesch, saucisse, blokworst, gelardeerde kalfslever noodig was, stopte Kobus ’n handteekeningen-album in de hand, met het bevend verzoek of meneer en mevrouw zoo buitengewoon vriendelijk wilden zijn hunnamen, elk op ’n blanco bladzijde, te schrijven.
Het wakkere dorp was van eene superbe Amerikaansche onthutsing.
Ten bate der algemeene armen hield de “Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingen-verkeer”, gedurende twee dagen, eene tentoonstelling der beschadigde vliegmachines, der ledige flesch, ’t ledig sardineblikje, de portretten der helden en van ’t dramatisch, alles zeggend visitekaartje met haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren. P. Z.”
Drie honderd zeven en twintig kwartjes werden ontvangen.
Dat geschiedde in het dorp.
Er buiten steeg de ontroering in gelijke of versnelde mate.
Verschillende bladen wijdden hoofdartikelen aan het nieuwe middel van vervoer.
Men doorzocht de vaderlandsche historie, steldevergelijkingen tusschen de uitvinding der boekdrukkunst, het haringkaken en dàt.
De ruïne vanKoepelsteynen alweer de heer en mevrouw Pieter Zwaluw metgezinvulden de geïllustreerde tijdschriften.
Hetland der trekschuithad het eerst in Europa gèvlógen.
Er waren er die het niet geloofden, die van eencanard—vlóóg ’n canard niet?—spraken, die zich wilden overtuigen. Ze zouden spoedig in een hoekje gedrongen worden.
De eerste fietsers hadden bekijks, werden gesteenigd, gebeten (door honden), de eerste luchtpeddelaars, die den Nacht boven den Dag verkozen, zouden nà hun lijden volgers vinden, volgers bij honderd- en duizendtallen.
Wanneer ge, vooruitstrevenden, in later jaren, als schrijver dezes ’n eerbiedwaardig grijsaard zal zijn—der Sport ontvallen—dit Boek van avonturen doorbladert—moge detand des tijdsen het gruwzaam gebit der critiek het tot dien datum (1950) sparen!—welk een phantastisch-heerlijke droom voor den uitgever en mijzelven (eind der interruptie)—wanneer ge in negentienhonderd vijftig, om man en paard te noemen, dit thans schijnbaar topzwaarepischverhaal herleest,of er uw kleinkinderen mede rustig houdt, bedenkt dan dat ònze voorvaderen geen vermoeden noch begrip hadden van doosjesSäkerhets Tandstickor(Zweedsche lucifers,made in Holland), van naaimachines, van waterleiding of linnen zakdoeken, om te zwijgen van zoo overdonderende zaken als eene electrische tram, telegraphie zonder draad en W. C.’s intreinen. Bedenkt, vooruitstrevenden, hoe onze kinderen thans, als eene vredige kalmte des tijds, auto’s, tuffen, X-stralen, hondsdolheid-serum, bestuurbare luchtballons, gepasteuriseerde moedermelkaanvaarden—bedenkt dat de vliegmachine der familieZwaluwgeen Mop doch een voorhoofd-rimplendeErnstis.
Nog vóór de verzwikte voet inCasa Caratot beleidvol gepeddel in staat was, had de Amerikaansche firma uit Holland reuze-bestellingen gekregen.
De eenvoudige machine, waarop de vleugel-lam-geslagen Menschheid zoo innig gewacht had, werd de sensatie van den dag.
Binnen eene maand na de eerste levering was er reeds een fabriek bij Amsterdam opgericht, die de toestellen namaakte en ze goedkooper fabriceerde.
Ter eere der eerste vliegers heette het merkDe Zwaluw.
Oudbakken zaken als dépôts, vliegscholen etc. terzijde latend, ook de nuchtere verbazing in de straten bij het zien der luchtpeddelaars in vol dàglicht, vermeldt de geschiedschrijver uitsluitend de meer gedecideerde lijnen van opschudding en verkeers-verbouwereerdheid.
In de eerste maandenontstonder inderdaad eenige Anarchie.
Wat de heer P. E. Zwaluw voorspeld had, toen hij het gevaltheoretischbepeinsde, geschiedde in verrassend-juisten zin.
Daar niet alle vliegers begrip hadden van de regelen der samenleving, elke vogel zingt zooals hij gebekt is, elke omwenteling andere manieren en wetten noodig maakt, veroorzaakten de plotseling opduikende, neerschietende, op de kozijnen rustende luchtpeddelaars stoornis in zeden en gebruiken.
Vrijages bij zoldervensters vervingen het gekeuvel aan voor- en achterdeuren.
Menigmaal, nadat op soliede wijze gesloten was, verlieten lichtzinnige zoons de ouderlijke woning, om nièt-controleerbaar weder terug te keeren.
Achtbare gezinnen op deftigste grachten hadden uren dat zij aan vroeger verachte alkoven enraamlooze kamers de voorkeur gaven, daar bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondagsvliegers de luchten en vensters onveilig maakten.
Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het onhebbelijk, weerzinwekkenddauw-peddelen.
Wel sloten ’s avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de wàrme dagen werd het op die wijze eene marteling.
Noch voor noch achter had men een vrij zitje.
En dikwerf ’s avonds, als men te rusten lag, rommelden dakpannen omlaag onder deonhandigevóéten van een zwerver.
De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg een nekslag.
Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten òf het verbod van vliegen òf eene revolutie in revolutiebouw.
De architecten hielden buitengewone vergaderingen.
Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.
Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der woningen rasterwerk te stellen.
Het stuitte af op oneindige bezwaren.
Met lapmiddelen bereikte men niets.
Toen schreef men een prijsvraag uit en bekroonde drie antwoorden.
Het eerste gaf een model-woning ònder den grond, ingericht als een stoomboot met ventilatoren en licht-reflectors.
Het tweede een huis van enkel muren—en vensters op een overrasterdebinnenplaats.
Het derde had een vernuftige samenwerking van lenzen.
Vast stond, onherroepelijk vast, dat de bestaande bouworde om practische en aesthetische redenen gedoemd was.
Een huis werd niet meer van uit de straat en van de overzij bekeken.
Het dak trok de meeste aandacht.
De rookende schoorsteenen moesten verdwijnen.
Zij belemmerden het verkeer en waren schadelijk voor de gezondheid, tenzij rookend van tien tot elf ’s morgens, op het uur dat kleeden geklopt werden.
Platte daken, beplant en versierd, werden eene noodzakelijke mode.
De luxe richtte zich naar het dak vóór alles.
De pui, de hoofddeur werden bijzaak.
De lang verwaarloosde bol van het huis kwamonder kappershanden, werd gefriseerd, gefatsoeneerd.
Men dronk er koffie, thee, ontving er.
De logica bracht vanzelf mede, dat de bovenste verdieping eener woning voor ontvangzaal werd ingericht.
Bevriende lucht-peddelaars drie, vier verdiepingen te doen afdalen naar desuite, bleek onmogelijk en ongastvrij.
De dienstbodenkamers zakten eerste-étage-waarts.
Benedenwoningen stonden in massa’s te huur, bleven leeg of werden betrokken door ouden van dagen, zieken en gebrekkigen.
Hijschbalken werden onnoodig.
Waartoe lijnen en kabels om meubilair omhoog te brengen, terwijl elk vliegend kruier de meubelen aan zijn ballasthaak door de vensters peddelde?
Kortom—een te lange opsomming van normale, alleen in den éérsten groei vreemde feiten, zou den lezer vermoeien—het heele wezen van het Huis met z’n inrichting, aspect, bedekking, schoorsteenen etc. onderging eene wonderlijke verandering.
Waar het oog reikte zag men bebloemde keurig onderhouden dak-tuinen.
De rijke lieden plantten de kostbaarste zaken,dedegelijkeburgerij bloemkool, savooiekool, boerekool, boonen, erwten, rhabarber.
Hier en daar, op het dak van kleine burgers, graasde een geitje, liepen kippen en konijnen, doch nagenoeg overal ontwaarde men waakhonden, die grimmig de lucht-peddelaars nablaften.
Garden-partiesraakten uit de mode.Flat-roof-partieswerden detopic.
De geheele maatschappij werd in enkle maanden opgejaagd.
Er waren dagen, dat treinen en stoomtrams ganschelijk ledig liepen.
Van Amsterdam naar Leeuwarden, van Den Haag naar Katwijk, van Den Helder naar Arnhem, bleek thans de eeuwenoude mathematische stelling, dat de kortste verbinding tusschen twee punten de rèchte lijn is, inderdaad de kern-ware te zijn.
Riviertjes, noch kanalen, noch zeeën had men te mijden en tegen accidenten verzekerde al dadelijk de “Eerste Nederlandsche Vliegverzekering-Maatschappij”, die alle ongevallen waarborgde, behalve zelfmoord en hetmoedwilligopvliegen tegen telephoon-, telegraaf- en andere draden.
Een fietser zag men zelden.
Wie een fiets kon koopen, kon zich eenZwaluwaanschaffen, ook op afbetaling.
Ook de auto’s raakten in discrediet.
De wegen, kort geleden onbegaanbaar, door woest gerij en het afschuwelijk zomersche stof, werden door conservatieven en reactionnairen bewandeld, evenwel niet zóó sterk of tusschen de keien en tegels alom weligde gras.
Vele verhoudingen werden zonderling.
Zelden kostte een brand menschenlevens.
Elk huis had ’n uitgang in ’t dak en de slangen der brandweervlogenomhoog eer ’n vuurtje lucht had gehapt.
De politie had het zwaarder te verantwoorden.
Bereden politie was nutteloos. Welke beteekenis had ’n paard? Vliegende brigades, gestationneerd op de daken der bureau’s en posthuizen, hadden bij dag een wanhopend werk om de menigte links en rechts te doen houden, daar links en rechts in de ruimte een klànk werd. Bij avond en in den nacht fladderden de brigades machteloos....
De steden waren niet te overzien—de ruimten niet te belichten. De vele sterren èn de ontelbare lantaarns der peddelaars stichtten een onbeschrijflijke verwarring tusschen huishoudelijke en Groote-Beeren, aberratie, planeten en meteoren. De Keplersche wetten schudden op haar elliptische grondvesten. In één maand tijds kreeg Jupiter er op het Lick-observatorium een dozijn foutieve satellieten bij ....
Er werd zeldzaam veelgevloekt(in de hemellagen) in die eerste, éérste bevleugelde tijden.
Gevloekt óók beneden in de rustige straten, waar eindjes sigaar, verbruikte pruimen, kousenbanden, haarpennen en verbruikte zolen uit de Mysterie nedertuimelden.
De vogels sliepen ’s nachts in de boomen—boemelende nachtpitten peddelden tot de ochtendschemering, helaas.
Want het gebeurde toen dikwijls, dat de Dageraad bewusteloozen en dooden in de telephoonnetwerken aanschouwde.
Had de politie eene bezwaarlijke taak—bedenkt u eens hoe schromelijk de aanwas van inbrekers, in-sluipers, in-vliegers werd!—degenerale stafscheen een oogenblik met lamheid geslagen.
De verdediging des Vaderlands geraakte van haar stabiele basis.
De plek waar eens de wieg op stond, kon geen úúr langer aan stompzinnig-loopendesoldaten blijven toevertrouwd.
De geheele schoone traditie van rotten-links en rotten-rechts, stormloop, zwenken, defileeren, tirailleurslinie, sectie, compagnie enz. lei in demodder.
De uitnemende hollandscheWaterlinie, met of zonder water (welk een gelukkig toeval dater geen vérdere kosten gemaakt waren om voor heuschelijk wàterinde linie te zorgen!) verschimde tot een vogelverschrikkend onding.
Een ooievaar zou er vróeger niet voor teruggedeinsd zijn—een vliegend eskader gierlachte er om.
En het vestingstelsel!
Waarlijk ook in dit opzicht bofte het Land.
De prijzenswaardige Voorzichtigheid omlangzaamte voltooien en het geschut geleidelijk te verplaatsen naarmate de fortenverzakten, behoedde de burgerij voor nieuwe uitgaven.
Vestingen, pantserschepen, snelvuurgeschut waren plots zoo verouderd als harnassen en maliënkolders.
Een 30 c.M. kanonloodrechtte richten, het eischte meer van de gevaarten dan deplatteland-dronkenKruppsche ingenieurs er mee bedoeld hadden. En zeer terecht groeiden eraesthetischebezwaren tegen een slagveld, dat met z’n staande kanonnen in dubbelen zin op een kerkhof met buitenissige zerken geleek.
DeGeneralestaf hijgde voor een berg hindernissen en gevaren. Had men tot heden voor naburen, met wie direct gerekend moest worden, twee of drie mogendheden geteld—heden, o nachtmerrie, begon een lucht-oorlog met Zwitserland of Abessynië tot de èrnstige mogelijkheden te behooren.
Holland als bufferstaat bestond niet meer.
Tusschen Duitschland en Engeland wijdde de hemel, de vrije, heerlijkevechthemel, de hemel zonder rivieren, bergen, vestingen, mijnen.
Ja, dàt was bij alle slapeloosheid en hoofdbreken eene kostelijke, blijde verheugenis, dat er op de gansche wereld eenidealeRuimte was gekomen om mekaar dood te slaan.
’t Slag-veld werd legendarisch—de Slaghemel de strategische droom van elken aanvoerder.
De opperste veldmaarschalk heette opperste hemelmaarschalk.
Een veldheer noemde men kortheidshalvelucht-chef.
De dienst-te-velde werd herdoopt in dienst-te-wolken.
De cavalerie verdween—ook de genie.
En om de mobilisatie te bevorderen in den zoo spoedeischenden zin van den gevleugelden tijd, kreeg elk mannelijk en vrouwelijk ingezetene boven de achttien jaar een dienst-vliegmachine met speer thuis.
Het bezwaar om ook de vrouwen dienstplichtig te maken hield in de Ruimte op.
Man en vrouw konden met hetzelfde gemak een bom latenvallen.
Laten vallenop wie beneden vloog, liep, at.
Een leger van vliegende vijanden te omsingelen, af te snijden, om te trekken, werd hopeloos gekkenwerk.
De eerste wet van alle zuivere strategie werd het (gevleugeld) woordExcelsior!
Geraakte menbovenhet vijandelijk heir, dan was dit vernietigd.
Vandaar dat eenige keur-regimenten, de zoogenaamdeNuageurs-en-plein-air, als opvolgers dergrenadiersenjagers, voortdurend geoefend werden op duizeling-wekkende hoogten (5000 tot 10000 M.), om zich te gewennen aan deeigenaardighedender sfeer.
Veel gebruik maakte men ook van den genialen inval van een kapitein dernuageurs, die proefnemingen met gedresseerde arenden en valken nam.
In den nieuwen oorlogstoestand bleken die nagenoeg tot de diergaarden beperkte soorten zeer wenschelijke bondgenooten.
Zij vielen de geduchtste vijanden aan,reten hun de hersenpan vaneen, rukten oog en uit, of scheurden de zijden vleugelen der tegenstanders stuk.
Van dezeroodeafgrijselijkheden afstappend—niet nader uiteenzettend hóé gemakkelijk oorlogschepen, gewapende luchtballons etc. geënterd konden worden—eveneens alswelvoegelijkavondkouterde gevolgen van volks-meetings, volks-bewegingen en internationale arbeiders-vluchtwijselijk mijdend—zij het veroorloofd nog een páár opmerklijke maatschappelijke veranderingen te releveeren.
Het geschiedde dat de brievenbussen aan de daken bevestigd werden en de rond-zwevende bestellers aangenamer taak kregen.
Schipbreuken waren zeldzaamheid.
Elk zeeman had bevleugelde reddingsgordels.
In de schouwburgen moesten de vestiaires vergroot worden ter bewaring der vliegmachines.
Deze tak vanKunstnijverheid, die zoolang op slechte recettes geteerd had, leefdeplotselingwonderlijk op.
Uit de vele ontberende provincieplaatsjes vloog het ’s avonds storm.
Wat in geen eeuwen gebeurd was, gebeurde thans: er kwam gebrek aan theaters, directeuren, raad-van-beheeren, adviseurs, critici en wat verder tot het Vak behoort.
De tjingeltjangels en café-concerts verliepen geleidelijk.
Althans het groote publiek, nu zèlf gewend aanparforce-toerenin de open lucht, juichte het gezwaai aan trapezes minder toe.
Na veelbewogen tochten over rivieren, zeeën,daken, deed zich de behoefte aanintellectueelezaken gevoelen.
De geozoniseerde Menschheid herkreeg haar ouwe liefde en gelaatskleur.
Stukken die men doodgespeeld waande, alsDe Roode BrugenDe twee Weezenmaakten series met verscheiden nullen.
Acteurs, die zich uit broodsgebrek in het burgerbestaan hadden teruggetrokken, werden weerartist.
De auteurs verdienden zonder hoog te vliegen betuinde villa’s bij de vleet.
De aandrang naar de schouwburgen werd zóo hevig en het gedrang bij de toegangsdeuren (op de eerste étage) soms zoo vinnig, dat een listig ondernemer op een weiland buiten (afstanden bestonden niet langer) een openlucht-theater metdertig duizendzitplaatsen liet bouwen.
Men vloog vóór acht naar zijn plaats. De ondernemer had voortreffelijk gezien. Bij droog weer hing elken avond het verlicht transparantUitverkochtaan een ballon captif boven het arena. Ook de literatuur kwam meeren vogue.
Er was waarlijk niets genotrijkers dan op een eenzaam plekje in de wolken rond te drijven met een boek op de stuurstang.
In de meest sereene stilte lééfde men met z’nlievelingsdichter.
Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de verheven stemming van den poëet.
Realisme en naturalisme kregen eenknauw.
Peddelend-droomend begréép men eerst,dat kunst hooger moet heffen dan aardsche vleuglen gedoogen, en uitblazend op een lastigen telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z’n vroegere verblinding, z’n vroegere genegenheid voormodder-goden en riool-ontleders.
Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.
In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden, Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders op eennuchteren grondte drukken—à quoi bon?—,)ontstondenverrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te grijpen—om door hoepels te parachuteeren—om in verblindende vaart een appel met eenspeerte doorsteken.
De zeden werden in zooverre verzacht en verteederd dat niemand er meer aan dachtvliegendgedierte te kwellen of te mishandelen.
Wist men niet aan z’n eigen lijf van de gevaren?
Er kwam een “Bond tot bescherming van insecten bijbrandende lampen”.
Zelfs geen jongen kreeg het meer in ’t hoofd nestjes uit te halen.
Zoo zeer steeg dit sentiment voor alle bevleugelden, dat er eene neiging groeide den Hollandschen Leeuw op de vele wapens door eenminder achterlijk, minder aan de aarde vastgebakken dier, te vervangen.
Behoeft aan dit beknopt en schuchter overzicht van eene geweldige evolutie te worden toegevoegd, dat de verschillende mogendheden, geschokt en ontdaan, eene spoed-conferentie in Den Haag belegden.
Reeds lagen de eerste heipalen voor het Vredes-Gebouw gereed.
En nog voor de moker zijn slagen mepte, debatteerden deDéléguésmet onthutste gelaten.
DeFlying Dutchman, het ding van trappers en aluminium-latten, smeet geheel Europa in een roes, lachte als een ’n kwajongen om tractaten, volkerenrecht, oorlogsrecht, internationale bepalingen.
Het evenwicht der beschaafde naties was verbroken.
Een hollandsch minister-president was vliegend gezien, te zamen met een belgisch, een zwitsersch en een monacooschstaatsman.
De kleine landen verbonden zich.
Berlijn, Londen werden overgeleverd aan de willekeur der stoutmoedigen.
“Messieurs,” sprak de duitsche afgevaardigde, bezorgd denkend aan de vergruizelde eenheid van het duitsche rijk en de geruïneerde duitsche oorlogs-industrie: “Messieurs, indien wij thans den oorlog nietkortwieken, worden wij door den drang der volkerenovervleugeld, zal het in de wereld bloedregenen. Ik stel voor elkander lief te hebben ....”
Voor de vuist sprak hij in dien zin een paar uur.
En na eenige broeiend-optimistische discussie, werd voorloopig aangenomen dat alle beschaafde landen alsopen stedenzouden worden beschouwd, noch aangevallen, noch be-bomd mochten worden.
Omdat die besluiten evenwel niet doorgevoerd kònden worden, zonderonaangename concessiesaanmeesmuilende socialisten, ging men tot eene zitting met gesloten deuren over.
Hier sluit ook Falkland—nièt meesmuilend—matigheids- en bezadigdheidshalve de deur.
Het spreekt echter vanzelf dat de heer P. E. Zwaluw dat jaar den Nobel-prijs verwierf en aangezien het ongepast is een Verhaal van avonturen als een nachtkaars te doen eindigen, vermeldt deauteur, ter wille der volledigheid en der stemming zijner nieuwsgierige lezers, nog dit prettig slot:
Zegepraal.Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine enkelingen.Zoolang de familieZwaluw, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij onze aandacht.De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers, dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.De overgang is moeilijk.“Du sublime au ridicule, il n’y a qu’un pas.”Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig genas, lijkt een sprong in debùrgerlijkstediepte van ’t leven.Er is gelukkig meer te zeggen.In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonsteRenaissance, was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch en comfortable.Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal Genootschap èn beriddeord (Oranje-Nassau en Huis-orde), bleef hij tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.Hetpootjebelette hem na een paar jaar in z’n eentje te vliegen.Toen liet hij—wéér de eerste—een vernuftigen bi-luchtpeddel en een tri-luchtpeddel maken.Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een heele poos mede.Ook dàt nam een einde.Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakteverliefd. Het was te voorzien.Op eenflatroof-partyleerde ze hèm kennen.Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag, deklareerde hij zich op diezelfde ruïne vanKoepelsteyn, die eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café was ingericht.En daar noch mama noch papa op dat tijdstip alsfacheux troisièmekonden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlkenover de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het dak, in het oor fluisterde: “Mama—ik hoopmoederte worden ....”“Wat maak je ons blij,” snikte mevrouw.“Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ....”“Dat is niets,” sprak mevrouw innig: “deooievaarzal ’t voor jóú doen, kind.”Het werd een zoete tijd van verwachting.Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend voor de luiermand.Ouwe Chris merkte met ’r stevige handen de honderd luiers en ’t kindergoed.Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de amsterdamsche lootjes van dengoeienouwen tijd.Sinds ’tspektakelin de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar den Hemel.Een wurm in de aarde was ’n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle menschen van den tijd.En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze ’r eerste tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den knolligen jongen passen, die z’n duim bezoog en van god-verzoekende malligheden geen besef had.De jongen heettePieternaar z’n grootvader—Sperwerals symbool van ’n krachtigen vlieger—Bakkernaar z’n vader:Pieter Sperwer Bakker.Het was een voorspoedig kind.Binnen ’t jaar begon-ie te babbelen.’t Schoonste uur voor de heele familie was ’t oogenblik, toen-ie in z’n handjes klapte bij ’t kippenhok, waar de haan gekraaid had en z’n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.“....Opa-kukelu!”“Wàt zeg je daar?”—, vroeg grootvader verrast.“Opa-kukelu!”—, herhaalde het ventje.De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.“Wat ’ngoddelijkverstand,” zei-ie met dik-aangedane stem2.Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een stapel boeken door S. Falkland.Einde.
Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine enkelingen.
Zoolang de familieZwaluw, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij onze aandacht.
De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers, dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.
De overgang is moeilijk.
“Du sublime au ridicule, il n’y a qu’un pas.”
Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig genas, lijkt een sprong in debùrgerlijkstediepte van ’t leven.
Er is gelukkig meer te zeggen.
In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonsteRenaissance, was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.
Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch en comfortable.
Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal Genootschap èn beriddeord (Oranje-Nassau en Huis-orde), bleef hij tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.
Hetpootjebelette hem na een paar jaar in z’n eentje te vliegen.
Toen liet hij—wéér de eerste—een vernuftigen bi-luchtpeddel en een tri-luchtpeddel maken.
Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een heele poos mede.
Ook dàt nam een einde.
Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakteverliefd. Het was te voorzien.
Op eenflatroof-partyleerde ze hèm kennen.
Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag, deklareerde hij zich op diezelfde ruïne vanKoepelsteyn, die eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café was ingericht.
En daar noch mama noch papa op dat tijdstip alsfacheux troisièmekonden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlkenover de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.
O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het dak, in het oor fluisterde: “Mama—ik hoopmoederte worden ....”
“Wat maak je ons blij,” snikte mevrouw.
“Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ....”
“Dat is niets,” sprak mevrouw innig: “deooievaarzal ’t voor jóú doen, kind.”
Het werd een zoete tijd van verwachting.
Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend voor de luiermand.
Ouwe Chris merkte met ’r stevige handen de honderd luiers en ’t kindergoed.
Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de amsterdamsche lootjes van dengoeienouwen tijd.
Sinds ’tspektakelin de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar den Hemel.
Een wurm in de aarde was ’n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle menschen van den tijd.
En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze ’r eerste tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den knolligen jongen passen, die z’n duim bezoog en van god-verzoekende malligheden geen besef had.
De jongen heettePieternaar z’n grootvader—Sperwerals symbool van ’n krachtigen vlieger—Bakkernaar z’n vader:Pieter Sperwer Bakker.
Het was een voorspoedig kind.
Binnen ’t jaar begon-ie te babbelen.
’t Schoonste uur voor de heele familie was ’t oogenblik, toen-ie in z’n handjes klapte bij ’t kippenhok, waar de haan gekraaid had en z’n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.
“....Opa-kukelu!”
“Wàt zeg je daar?”—, vroeg grootvader verrast.
“Opa-kukelu!”—, herhaalde het ventje.
De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.
“Wat ’ngoddelijkverstand,” zei-ie met dik-aangedane stem2.
Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een stapel boeken door S. Falkland.
1Niet te verwarren met deQuérido’sche.2Als ’n beminnaar van schoone kunsten eene serie tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden, wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone teekeningen, die nà pag.113vruchteloos hare vingers bevochtigd heeft,huiverig-verlangend naar verdere fantastischescheppingen, alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in eenpasse-partoutte doenencadreerenen—en tot op deze pag....188nièts meer vindend. Ik bevroed depijnlijketeleurstelling. Verwijs de verbolgenen naar den uitgever,ergens in Bussum. Ik ben onschuldig. Zoo puur van geweten als ’n knaap vantwee jaar. Reeds lang had het tusschen mij en dien heergemot. Ik kan welkunstzinnigsamenwerken met iemand, die mijbegrijpt, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijtNeelmeyertegen de vlakte. De littéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reedsgeïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts ditoverzichtte geven:a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit vanverluchterinderdaadontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat “de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet totuiting, daar zooals ik op pag.35schreef: “bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op densteenarbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijnoeuvrezincographisch verknoeid. Ikdulddedat.Mijne verdere motieven zijn:b) .... Bij de derde teekening op pag.44beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen inartistieken arbeid. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eensartiests, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onzeziel? Ik weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motiefc) .... Bij de teekening op pag.50, uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen opeen “provinciaal deskundige” die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag.61moest ’k dit aandikken. Immers aan ’t slot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: “Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijkstuitendewoorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liepzonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen—mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteurFalkland, wiens populariteit eenhoonis voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De strijd, in het stadium gekomenvan het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motiefd) .... Bij de inderdaadheerlijketeekening op pag.71schreef mij de tegenpartij: “Wat beteekent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekeningonderstebovenhad gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag.71) ... “helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” “Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nòg was ’t einde niet daar. Motiefe) .... Op pag.106, ter hoogte deruitnemendeillustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak: “.... Schei in ’s hemels naam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost...” ...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veelonheusche opmerkingen aanleiding. Ik draagfrontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van eenoverhemdvergist. Vertoornd zeide ik tot den uitgever: “Fiche moi la paix!”.... Toen, bij de teekening op pag.113, meende mijn tegenstandergeestigte zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever nietschaamteloosgehandeld hebben, als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenoverwillekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels teverrijken. Ziehier het overzicht—vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand—van de onverkwikkelijke verhouding tusschen eenkunstenaaren eenzakenman. En na al de onaangenaamheden mìj aangedaan—welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!—had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoekenzijn portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekeningden nièt in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek(hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.S. F.
1Niet te verwarren met deQuérido’sche.
2Als ’n beminnaar van schoone kunsten eene serie tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden, wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone teekeningen, die nà pag.113vruchteloos hare vingers bevochtigd heeft,huiverig-verlangend naar verdere fantastischescheppingen, alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in eenpasse-partoutte doenencadreerenen—en tot op deze pag....188nièts meer vindend. Ik bevroed depijnlijketeleurstelling. Verwijs de verbolgenen naar den uitgever,ergens in Bussum. Ik ben onschuldig. Zoo puur van geweten als ’n knaap vantwee jaar. Reeds lang had het tusschen mij en dien heergemot. Ik kan welkunstzinnigsamenwerken met iemand, die mijbegrijpt, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijtNeelmeyertegen de vlakte. De littéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reedsgeïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts ditoverzichtte geven:a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit vanverluchterinderdaadontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat “de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet totuiting, daar zooals ik op pag.35schreef: “bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op densteenarbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijnoeuvrezincographisch verknoeid. Ikdulddedat.
Mijne verdere motieven zijn:b) .... Bij de derde teekening op pag.44beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen inartistieken arbeid. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eensartiests, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onzeziel? Ik weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motiefc) .... Bij de teekening op pag.50, uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen opeen “provinciaal deskundige” die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag.61moest ’k dit aandikken. Immers aan ’t slot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: “Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijkstuitendewoorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liepzonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen—mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteurFalkland, wiens populariteit eenhoonis voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De strijd, in het stadium gekomenvan het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motiefd) .... Bij de inderdaadheerlijketeekening op pag.71schreef mij de tegenpartij: “Wat beteekent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekeningonderstebovenhad gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag.71) ... “helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” “Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nòg was ’t einde niet daar. Motiefe) .... Op pag.106, ter hoogte deruitnemendeillustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak: “.... Schei in ’s hemels naam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost...” ...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veelonheusche opmerkingen aanleiding. Ik draagfrontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van eenoverhemdvergist. Vertoornd zeide ik tot den uitgever: “Fiche moi la paix!”.... Toen, bij de teekening op pag.113, meende mijn tegenstandergeestigte zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever nietschaamteloosgehandeld hebben, als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenoverwillekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels teverrijken. Ziehier het overzicht—vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand—van de onverkwikkelijke verhouding tusschen eenkunstenaaren eenzakenman. En na al de onaangenaamheden mìj aangedaan—welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!—had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoekenzijn portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekeningden nièt in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek(hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.
S. F.