De Roos van Dekama.

De Roos van Dekama.Ontstaan van den roman.Van Lennep doet het in ’t begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van ’t klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezengeleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama’s, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijkeb.v.het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).Personen. Madzy en Adeelen.Madzy Dekama, of „De Roos van Dekama”—een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven—was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder ’t leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder vanSeerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten „broer”. Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva’s stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en ’t noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.Zoo is de toestand bij ’t begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in ’t oog houden, dat Madzy’s hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.Madzy en Deodaat.In ’t eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoeMadzykennis maakt metDeodaaten verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, alsReinoutenDeodaatwachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachterWalger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op ’t feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. „Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren”—zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, „huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!” Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy’s genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.Karaktertrekken van Madzy.Een enkel woord over haarkarakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar ’t geen van hem wordt verteld. Haargoed hartblijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haarvastberadenheid en moeduit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerpvoorloopig nog niet van haar te verwachten: „zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is,” voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. „Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden.” Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in ’t kamp voor Utrecht hare hand vraagt.Deodaat en Reinout. Hun afkomst.’t Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperenCarlo della Scala, later doorBeaumont, oom van graafWillemIV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. ’t Geheim hunner geboorte is bekend aanBarbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon vanAylvaenBianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.Karaktertrekken.Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.Deodaat is de blonde zoon van ’t Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig,Reinouthartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt ’t kenmerkend verschil in hun karakter bij ’t aanhooren van Madzy’s lied. Deodaat „verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden,” „de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst.”Deodaat te passief.Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van ’t verhaal, maar we dikwijls den „moordenaar” Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.Reinout ridderlijk.Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier vanDaamke’skist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeesterBeaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.Seerp van Adeelen.’t Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins vanSjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. ’t Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is ’t dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben.Seerp van Adeelen is als ’t ware de booze geest van graaf Willem.Willem IV.Hij isderidder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft eenCesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn.Juisthet grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen!Willem en Adeelen.En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:a.De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.b.Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.c.De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den kant der Friezen! Adeelen is ’t weer, dieden graaf prikkelt, door deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. „Vraag geen onderwerping van een vrijen Fries.”d.De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy heimelijk op ’t bal te doen verschijnen.e.Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf Willem.f.Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk langer aan ’t hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.Aylva.Dewereldwijzeedelman, die veel gezien en vooral veel geleden heeft. (Het verijdelde huwelijk metBianca di Salerno). Juist door zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt, uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan zegt Aylva: „Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer”…. Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige liefde voor zijn geboortegrond.De Abt van St. Odulf.Een bizonder mooi type en een echtkomische figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en een volkomen zelfstandigmensch te zijn, terwijl hij geheel geleid wordt door vaderSyard. ’t Leukst is dat hij Syard tracht voor te stellen als een onbeteekenend persoon: „broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten.” Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt onze sympathie.Broeder Syard.Eenzeer belangrijke figuurisbroederSyarddie zich bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote gaven en ’t belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan ’t licht in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht is van gewicht. ’t Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:het heil van Friesland. Hij wil eenoorlog met Holland; „omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden en de Friezen van ’t juk van Holland te ontslaan.” Enkele bewijzen voor ’t gewicht van zijne handelingen:Invloed van Syard.a.Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de Friezen en ’t Sticht tot stand te brengen.b.Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!c.Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den graaf te tergen.d.Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in ’t bizonder die tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten noodig!e.Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde Graaf Willem naar Friesland.f.Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weetbroeder Syard de orde te herstellen en ’t klooster geruimen tijd tegen de Hollanders te verdedigen.g.Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en edelen den ridder willen veroordeelen.Arkels invloed.Arkel,de bisschop van Utrecht, is iedereen te slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.a.Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf (hoofdstuk 12).b.Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is, herinnert Arkel hem nogmaals aan ’t orakel van den graaf van Gelder, die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door ’t zwaard der Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).c.Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen in ’t leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet te verkrijgen.d.Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en „drijft af” naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.e.Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.f.Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op ’t slot Nyenstein opgesloten.g.Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).h.Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).Eigenaardige van de karakterteekening.Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hijmeer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in ’t dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijlsgepersonifieerde eigenschappen, wat in „de Roos van Dekama” al heel duidelijk aan ’t licht treedt.DeodaatenMadzyzijn steedsdeugdzaam,Reinoutis altijdhartstochtelijk,Adeelenkoppigenoploopend,Aylvais dewereldwijze,Arkelverpersoonlijkt deslimheid,Syarddeschranderheidenonbaatzuchtigheid, abtVolkertdeonbeduidendheid,Barbanerais altijdgemeenenhebzuchtig.Het toeval in den roman.’t Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen vantoevallige omstandigheden, zoob.v.de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps romanmeer actie dan passieis. Het toeval speelt een te groote rol.Oordeel van Bakhuizen.Bakhuizen van den Brinkkeurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17eeeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen.M.a.w.Van Lenneps werk is nietnationaalgenoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegtPotgieterin zijn kritieken: „Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn.” Bakhuizen wijst o. a. opClaes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14eeeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, ’t is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in eenhistorischenroman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in „de Roos van Dekama”, dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14eeeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals datb.v.wel ’t geval is met de 17eeeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is,maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.Strekking.Eigenaardig is destrekking van den roman, die door Van Lennep van ’t slot aan zijn inleidingaangegeven wordt in de woorden: „Wacht en stille sitt”,m.a.w.men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd:Deodaatis in hoofdzaakpassief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen „stilzitters” en ze bereikten toch hun doel. We denkenb.v.aanVan Arkelen broederSyard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan,n.l.dat „degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook,de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: „Wacht en stille sitt.” Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat menzijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachtenen dit doet Arkel ook!Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat nietMadzyenDeodaatde hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In ’t eerste deel groepeert zich alles omGraaf Willem IVenSeerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk dejaloezievanReinoutjegensDeodaat.Later Arkel.In het tweede deel speeltArkelde voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voorUtrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan ’t slot treden weerWillemenAdeelenop den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwenArkelals overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis vanDeodaatenMadzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de „stil-sitter” zijn loon kan ontvangen.Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch—zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die ’t in beginsel afkeuren. Dat komt doorde eigenaardige verdiensten van den schrijver:Boeiende roman.1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoob.v.het optreden van twee Barbanera’s,de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan,de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop,het ontvoeren van Madzy door Van Arkel,het opsluiten van Syard en Barbanera.Van Lennep als verteller.2.Van Lennepschrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.

De Roos van Dekama.Ontstaan van den roman.Van Lennep doet het in ’t begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van ’t klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezengeleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama’s, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijkeb.v.het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).Personen. Madzy en Adeelen.Madzy Dekama, of „De Roos van Dekama”—een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven—was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder ’t leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder vanSeerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten „broer”. Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva’s stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en ’t noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.Zoo is de toestand bij ’t begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in ’t oog houden, dat Madzy’s hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.Madzy en Deodaat.In ’t eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoeMadzykennis maakt metDeodaaten verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, alsReinoutenDeodaatwachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachterWalger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op ’t feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. „Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren”—zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, „huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!” Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy’s genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.Karaktertrekken van Madzy.Een enkel woord over haarkarakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar ’t geen van hem wordt verteld. Haargoed hartblijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haarvastberadenheid en moeduit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerpvoorloopig nog niet van haar te verwachten: „zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is,” voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. „Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden.” Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in ’t kamp voor Utrecht hare hand vraagt.Deodaat en Reinout. Hun afkomst.’t Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperenCarlo della Scala, later doorBeaumont, oom van graafWillemIV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. ’t Geheim hunner geboorte is bekend aanBarbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon vanAylvaenBianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.Karaktertrekken.Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.Deodaat is de blonde zoon van ’t Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig,Reinouthartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt ’t kenmerkend verschil in hun karakter bij ’t aanhooren van Madzy’s lied. Deodaat „verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden,” „de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst.”Deodaat te passief.Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van ’t verhaal, maar we dikwijls den „moordenaar” Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.Reinout ridderlijk.Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier vanDaamke’skist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeesterBeaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.Seerp van Adeelen.’t Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins vanSjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. ’t Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is ’t dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben.Seerp van Adeelen is als ’t ware de booze geest van graaf Willem.Willem IV.Hij isderidder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft eenCesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn.Juisthet grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen!Willem en Adeelen.En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:a.De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.b.Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.c.De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den kant der Friezen! Adeelen is ’t weer, dieden graaf prikkelt, door deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. „Vraag geen onderwerping van een vrijen Fries.”d.De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy heimelijk op ’t bal te doen verschijnen.e.Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf Willem.f.Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk langer aan ’t hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.Aylva.Dewereldwijzeedelman, die veel gezien en vooral veel geleden heeft. (Het verijdelde huwelijk metBianca di Salerno). Juist door zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt, uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan zegt Aylva: „Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer”…. Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige liefde voor zijn geboortegrond.De Abt van St. Odulf.Een bizonder mooi type en een echtkomische figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en een volkomen zelfstandigmensch te zijn, terwijl hij geheel geleid wordt door vaderSyard. ’t Leukst is dat hij Syard tracht voor te stellen als een onbeteekenend persoon: „broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten.” Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt onze sympathie.Broeder Syard.Eenzeer belangrijke figuurisbroederSyarddie zich bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote gaven en ’t belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan ’t licht in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht is van gewicht. ’t Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:het heil van Friesland. Hij wil eenoorlog met Holland; „omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden en de Friezen van ’t juk van Holland te ontslaan.” Enkele bewijzen voor ’t gewicht van zijne handelingen:Invloed van Syard.a.Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de Friezen en ’t Sticht tot stand te brengen.b.Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!c.Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den graaf te tergen.d.Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in ’t bizonder die tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten noodig!e.Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde Graaf Willem naar Friesland.f.Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weetbroeder Syard de orde te herstellen en ’t klooster geruimen tijd tegen de Hollanders te verdedigen.g.Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en edelen den ridder willen veroordeelen.Arkels invloed.Arkel,de bisschop van Utrecht, is iedereen te slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.a.Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf (hoofdstuk 12).b.Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is, herinnert Arkel hem nogmaals aan ’t orakel van den graaf van Gelder, die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door ’t zwaard der Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).c.Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen in ’t leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet te verkrijgen.d.Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en „drijft af” naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.e.Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.f.Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op ’t slot Nyenstein opgesloten.g.Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).h.Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).Eigenaardige van de karakterteekening.Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hijmeer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in ’t dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijlsgepersonifieerde eigenschappen, wat in „de Roos van Dekama” al heel duidelijk aan ’t licht treedt.DeodaatenMadzyzijn steedsdeugdzaam,Reinoutis altijdhartstochtelijk,Adeelenkoppigenoploopend,Aylvais dewereldwijze,Arkelverpersoonlijkt deslimheid,Syarddeschranderheidenonbaatzuchtigheid, abtVolkertdeonbeduidendheid,Barbanerais altijdgemeenenhebzuchtig.Het toeval in den roman.’t Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen vantoevallige omstandigheden, zoob.v.de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps romanmeer actie dan passieis. Het toeval speelt een te groote rol.Oordeel van Bakhuizen.Bakhuizen van den Brinkkeurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17eeeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen.M.a.w.Van Lenneps werk is nietnationaalgenoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegtPotgieterin zijn kritieken: „Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn.” Bakhuizen wijst o. a. opClaes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14eeeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, ’t is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in eenhistorischenroman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in „de Roos van Dekama”, dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14eeeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals datb.v.wel ’t geval is met de 17eeeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is,maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.Strekking.Eigenaardig is destrekking van den roman, die door Van Lennep van ’t slot aan zijn inleidingaangegeven wordt in de woorden: „Wacht en stille sitt”,m.a.w.men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd:Deodaatis in hoofdzaakpassief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen „stilzitters” en ze bereikten toch hun doel. We denkenb.v.aanVan Arkelen broederSyard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan,n.l.dat „degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook,de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: „Wacht en stille sitt.” Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat menzijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachtenen dit doet Arkel ook!Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat nietMadzyenDeodaatde hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In ’t eerste deel groepeert zich alles omGraaf Willem IVenSeerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk dejaloezievanReinoutjegensDeodaat.Later Arkel.In het tweede deel speeltArkelde voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voorUtrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan ’t slot treden weerWillemenAdeelenop den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwenArkelals overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis vanDeodaatenMadzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de „stil-sitter” zijn loon kan ontvangen.Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch—zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die ’t in beginsel afkeuren. Dat komt doorde eigenaardige verdiensten van den schrijver:Boeiende roman.1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoob.v.het optreden van twee Barbanera’s,de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan,de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop,het ontvoeren van Madzy door Van Arkel,het opsluiten van Syard en Barbanera.Van Lennep als verteller.2.Van Lennepschrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.

De Roos van Dekama.Ontstaan van den roman.Van Lennep doet het in ’t begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van ’t klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezengeleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama’s, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijkeb.v.het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).Personen. Madzy en Adeelen.Madzy Dekama, of „De Roos van Dekama”—een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven—was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder ’t leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder vanSeerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten „broer”. Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva’s stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en ’t noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.Zoo is de toestand bij ’t begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in ’t oog houden, dat Madzy’s hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.Madzy en Deodaat.In ’t eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoeMadzykennis maakt metDeodaaten verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, alsReinoutenDeodaatwachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachterWalger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op ’t feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. „Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren”—zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, „huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!” Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy’s genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.Karaktertrekken van Madzy.Een enkel woord over haarkarakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar ’t geen van hem wordt verteld. Haargoed hartblijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haarvastberadenheid en moeduit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerpvoorloopig nog niet van haar te verwachten: „zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is,” voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. „Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden.” Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in ’t kamp voor Utrecht hare hand vraagt.Deodaat en Reinout. Hun afkomst.’t Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperenCarlo della Scala, later doorBeaumont, oom van graafWillemIV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. ’t Geheim hunner geboorte is bekend aanBarbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon vanAylvaenBianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.Karaktertrekken.Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.Deodaat is de blonde zoon van ’t Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig,Reinouthartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt ’t kenmerkend verschil in hun karakter bij ’t aanhooren van Madzy’s lied. Deodaat „verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden,” „de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst.”Deodaat te passief.Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van ’t verhaal, maar we dikwijls den „moordenaar” Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.Reinout ridderlijk.Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier vanDaamke’skist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeesterBeaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.Seerp van Adeelen.’t Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins vanSjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. ’t Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is ’t dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben.Seerp van Adeelen is als ’t ware de booze geest van graaf Willem.Willem IV.Hij isderidder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft eenCesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn.Juisthet grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen!Willem en Adeelen.En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:a.De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.b.Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.c.De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den kant der Friezen! Adeelen is ’t weer, dieden graaf prikkelt, door deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. „Vraag geen onderwerping van een vrijen Fries.”d.De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy heimelijk op ’t bal te doen verschijnen.e.Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf Willem.f.Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk langer aan ’t hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.Aylva.Dewereldwijzeedelman, die veel gezien en vooral veel geleden heeft. (Het verijdelde huwelijk metBianca di Salerno). Juist door zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt, uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan zegt Aylva: „Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer”…. Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige liefde voor zijn geboortegrond.De Abt van St. Odulf.Een bizonder mooi type en een echtkomische figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en een volkomen zelfstandigmensch te zijn, terwijl hij geheel geleid wordt door vaderSyard. ’t Leukst is dat hij Syard tracht voor te stellen als een onbeteekenend persoon: „broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten.” Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt onze sympathie.Broeder Syard.Eenzeer belangrijke figuurisbroederSyarddie zich bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote gaven en ’t belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan ’t licht in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht is van gewicht. ’t Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:het heil van Friesland. Hij wil eenoorlog met Holland; „omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden en de Friezen van ’t juk van Holland te ontslaan.” Enkele bewijzen voor ’t gewicht van zijne handelingen:Invloed van Syard.a.Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de Friezen en ’t Sticht tot stand te brengen.b.Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!c.Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den graaf te tergen.d.Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in ’t bizonder die tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten noodig!e.Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde Graaf Willem naar Friesland.f.Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weetbroeder Syard de orde te herstellen en ’t klooster geruimen tijd tegen de Hollanders te verdedigen.g.Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en edelen den ridder willen veroordeelen.Arkels invloed.Arkel,de bisschop van Utrecht, is iedereen te slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.a.Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf (hoofdstuk 12).b.Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is, herinnert Arkel hem nogmaals aan ’t orakel van den graaf van Gelder, die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door ’t zwaard der Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).c.Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen in ’t leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet te verkrijgen.d.Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en „drijft af” naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.e.Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.f.Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op ’t slot Nyenstein opgesloten.g.Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).h.Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).Eigenaardige van de karakterteekening.Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hijmeer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in ’t dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijlsgepersonifieerde eigenschappen, wat in „de Roos van Dekama” al heel duidelijk aan ’t licht treedt.DeodaatenMadzyzijn steedsdeugdzaam,Reinoutis altijdhartstochtelijk,Adeelenkoppigenoploopend,Aylvais dewereldwijze,Arkelverpersoonlijkt deslimheid,Syarddeschranderheidenonbaatzuchtigheid, abtVolkertdeonbeduidendheid,Barbanerais altijdgemeenenhebzuchtig.Het toeval in den roman.’t Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen vantoevallige omstandigheden, zoob.v.de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps romanmeer actie dan passieis. Het toeval speelt een te groote rol.Oordeel van Bakhuizen.Bakhuizen van den Brinkkeurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17eeeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen.M.a.w.Van Lenneps werk is nietnationaalgenoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegtPotgieterin zijn kritieken: „Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn.” Bakhuizen wijst o. a. opClaes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14eeeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, ’t is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in eenhistorischenroman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in „de Roos van Dekama”, dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14eeeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals datb.v.wel ’t geval is met de 17eeeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is,maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.Strekking.Eigenaardig is destrekking van den roman, die door Van Lennep van ’t slot aan zijn inleidingaangegeven wordt in de woorden: „Wacht en stille sitt”,m.a.w.men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd:Deodaatis in hoofdzaakpassief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen „stilzitters” en ze bereikten toch hun doel. We denkenb.v.aanVan Arkelen broederSyard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan,n.l.dat „degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook,de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: „Wacht en stille sitt.” Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat menzijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachtenen dit doet Arkel ook!Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat nietMadzyenDeodaatde hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In ’t eerste deel groepeert zich alles omGraaf Willem IVenSeerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk dejaloezievanReinoutjegensDeodaat.Later Arkel.In het tweede deel speeltArkelde voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voorUtrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan ’t slot treden weerWillemenAdeelenop den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwenArkelals overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis vanDeodaatenMadzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de „stil-sitter” zijn loon kan ontvangen.Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch—zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die ’t in beginsel afkeuren. Dat komt doorde eigenaardige verdiensten van den schrijver:Boeiende roman.1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoob.v.het optreden van twee Barbanera’s,de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan,de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop,het ontvoeren van Madzy door Van Arkel,het opsluiten van Syard en Barbanera.Van Lennep als verteller.2.Van Lennepschrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.

De Roos van Dekama.

Ontstaan van den roman.Van Lennep doet het in ’t begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van ’t klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezengeleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama’s, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijkeb.v.het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).Personen. Madzy en Adeelen.Madzy Dekama, of „De Roos van Dekama”—een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven—was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder ’t leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder vanSeerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten „broer”. Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva’s stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en ’t noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.Zoo is de toestand bij ’t begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in ’t oog houden, dat Madzy’s hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.Madzy en Deodaat.In ’t eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoeMadzykennis maakt metDeodaaten verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, alsReinoutenDeodaatwachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachterWalger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op ’t feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. „Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren”—zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, „huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!” Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy’s genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.Karaktertrekken van Madzy.Een enkel woord over haarkarakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar ’t geen van hem wordt verteld. Haargoed hartblijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haarvastberadenheid en moeduit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerpvoorloopig nog niet van haar te verwachten: „zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is,” voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. „Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden.” Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in ’t kamp voor Utrecht hare hand vraagt.Deodaat en Reinout. Hun afkomst.’t Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperenCarlo della Scala, later doorBeaumont, oom van graafWillemIV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. ’t Geheim hunner geboorte is bekend aanBarbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon vanAylvaenBianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.Karaktertrekken.Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.Deodaat is de blonde zoon van ’t Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig,Reinouthartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt ’t kenmerkend verschil in hun karakter bij ’t aanhooren van Madzy’s lied. Deodaat „verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden,” „de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst.”Deodaat te passief.Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van ’t verhaal, maar we dikwijls den „moordenaar” Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.Reinout ridderlijk.Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier vanDaamke’skist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeesterBeaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.Seerp van Adeelen.’t Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins vanSjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. ’t Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is ’t dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben.Seerp van Adeelen is als ’t ware de booze geest van graaf Willem.Willem IV.Hij isderidder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft eenCesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn.Juisthet grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen!Willem en Adeelen.En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:a.De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.b.Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.c.De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den kant der Friezen! Adeelen is ’t weer, dieden graaf prikkelt, door deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. „Vraag geen onderwerping van een vrijen Fries.”d.De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy heimelijk op ’t bal te doen verschijnen.e.Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf Willem.f.Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk langer aan ’t hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.Aylva.Dewereldwijzeedelman, die veel gezien en vooral veel geleden heeft. (Het verijdelde huwelijk metBianca di Salerno). Juist door zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt, uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan zegt Aylva: „Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer”…. Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige liefde voor zijn geboortegrond.De Abt van St. Odulf.Een bizonder mooi type en een echtkomische figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en een volkomen zelfstandigmensch te zijn, terwijl hij geheel geleid wordt door vaderSyard. ’t Leukst is dat hij Syard tracht voor te stellen als een onbeteekenend persoon: „broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten.” Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt onze sympathie.Broeder Syard.Eenzeer belangrijke figuurisbroederSyarddie zich bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote gaven en ’t belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan ’t licht in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht is van gewicht. ’t Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:het heil van Friesland. Hij wil eenoorlog met Holland; „omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden en de Friezen van ’t juk van Holland te ontslaan.” Enkele bewijzen voor ’t gewicht van zijne handelingen:Invloed van Syard.a.Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de Friezen en ’t Sticht tot stand te brengen.b.Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!c.Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den graaf te tergen.d.Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in ’t bizonder die tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten noodig!e.Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde Graaf Willem naar Friesland.f.Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weetbroeder Syard de orde te herstellen en ’t klooster geruimen tijd tegen de Hollanders te verdedigen.g.Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en edelen den ridder willen veroordeelen.Arkels invloed.Arkel,de bisschop van Utrecht, is iedereen te slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.a.Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf (hoofdstuk 12).b.Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is, herinnert Arkel hem nogmaals aan ’t orakel van den graaf van Gelder, die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door ’t zwaard der Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).c.Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen in ’t leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet te verkrijgen.d.Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en „drijft af” naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.e.Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.f.Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op ’t slot Nyenstein opgesloten.g.Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).h.Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).Eigenaardige van de karakterteekening.Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hijmeer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in ’t dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijlsgepersonifieerde eigenschappen, wat in „de Roos van Dekama” al heel duidelijk aan ’t licht treedt.DeodaatenMadzyzijn steedsdeugdzaam,Reinoutis altijdhartstochtelijk,Adeelenkoppigenoploopend,Aylvais dewereldwijze,Arkelverpersoonlijkt deslimheid,Syarddeschranderheidenonbaatzuchtigheid, abtVolkertdeonbeduidendheid,Barbanerais altijdgemeenenhebzuchtig.Het toeval in den roman.’t Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen vantoevallige omstandigheden, zoob.v.de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps romanmeer actie dan passieis. Het toeval speelt een te groote rol.Oordeel van Bakhuizen.Bakhuizen van den Brinkkeurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17eeeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen.M.a.w.Van Lenneps werk is nietnationaalgenoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegtPotgieterin zijn kritieken: „Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn.” Bakhuizen wijst o. a. opClaes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14eeeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, ’t is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in eenhistorischenroman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in „de Roos van Dekama”, dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14eeeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals datb.v.wel ’t geval is met de 17eeeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is,maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.Strekking.Eigenaardig is destrekking van den roman, die door Van Lennep van ’t slot aan zijn inleidingaangegeven wordt in de woorden: „Wacht en stille sitt”,m.a.w.men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd:Deodaatis in hoofdzaakpassief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen „stilzitters” en ze bereikten toch hun doel. We denkenb.v.aanVan Arkelen broederSyard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan,n.l.dat „degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook,de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: „Wacht en stille sitt.” Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat menzijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachtenen dit doet Arkel ook!Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat nietMadzyenDeodaatde hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In ’t eerste deel groepeert zich alles omGraaf Willem IVenSeerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk dejaloezievanReinoutjegensDeodaat.Later Arkel.In het tweede deel speeltArkelde voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voorUtrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan ’t slot treden weerWillemenAdeelenop den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwenArkelals overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis vanDeodaatenMadzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de „stil-sitter” zijn loon kan ontvangen.Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch—zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die ’t in beginsel afkeuren. Dat komt doorde eigenaardige verdiensten van den schrijver:Boeiende roman.1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoob.v.het optreden van twee Barbanera’s,de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan,de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop,het ontvoeren van Madzy door Van Arkel,het opsluiten van Syard en Barbanera.Van Lennep als verteller.2.Van Lennepschrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.

Ontstaan van den roman.Van Lennep doet het in ’t begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van ’t klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezengeleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama’s, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijkeb.v.het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).

Personen. Madzy en Adeelen.Madzy Dekama, of „De Roos van Dekama”—een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven—was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder ’t leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder vanSeerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten „broer”. Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva’s stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en ’t noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.

Zoo is de toestand bij ’t begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in ’t oog houden, dat Madzy’s hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.

Madzy en Deodaat.In ’t eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoeMadzykennis maakt metDeodaaten verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, alsReinoutenDeodaatwachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachterWalger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op ’t feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. „Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren”—zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, „huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!” Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy’s genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.

Karaktertrekken van Madzy.Een enkel woord over haarkarakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar ’t geen van hem wordt verteld. Haargoed hartblijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haarvastberadenheid en moeduit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerpvoorloopig nog niet van haar te verwachten: „zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is,” voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. „Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden.” Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in ’t kamp voor Utrecht hare hand vraagt.

Deodaat en Reinout. Hun afkomst.’t Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperenCarlo della Scala, later doorBeaumont, oom van graafWillemIV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. ’t Geheim hunner geboorte is bekend aanBarbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon vanAylvaenBianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.

Karaktertrekken.Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.

Deodaat is de blonde zoon van ’t Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig,Reinouthartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt ’t kenmerkend verschil in hun karakter bij ’t aanhooren van Madzy’s lied. Deodaat „verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden,” „de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst.”

Deodaat te passief.Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van ’t verhaal, maar we dikwijls den „moordenaar” Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.

Reinout ridderlijk.Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier vanDaamke’skist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeesterBeaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.

Seerp van Adeelen.’t Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins vanSjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. ’t Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is ’t dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben.Seerp van Adeelen is als ’t ware de booze geest van graaf Willem.

Willem IV.Hij isderidder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft eenCesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn.Juisthet grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen!Willem en Adeelen.En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:

a.De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.

b.Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.

c.De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den kant der Friezen! Adeelen is ’t weer, dieden graaf prikkelt, door deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. „Vraag geen onderwerping van een vrijen Fries.”

d.De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy heimelijk op ’t bal te doen verschijnen.

e.Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf Willem.

f.Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk langer aan ’t hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.

Aylva.Dewereldwijzeedelman, die veel gezien en vooral veel geleden heeft. (Het verijdelde huwelijk metBianca di Salerno). Juist door zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt, uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan zegt Aylva: „Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer”…. Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige liefde voor zijn geboortegrond.

De Abt van St. Odulf.Een bizonder mooi type en een echtkomische figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en een volkomen zelfstandigmensch te zijn, terwijl hij geheel geleid wordt door vaderSyard. ’t Leukst is dat hij Syard tracht voor te stellen als een onbeteekenend persoon: „broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten.” Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt onze sympathie.

Broeder Syard.Eenzeer belangrijke figuurisbroederSyarddie zich bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote gaven en ’t belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan ’t licht in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht is van gewicht. ’t Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:het heil van Friesland. Hij wil eenoorlog met Holland; „omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden en de Friezen van ’t juk van Holland te ontslaan.” Enkele bewijzen voor ’t gewicht van zijne handelingen:

Invloed van Syard.a.Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de Friezen en ’t Sticht tot stand te brengen.

b.Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!

c.Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den graaf te tergen.

d.Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in ’t bizonder die tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten noodig!

e.Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde Graaf Willem naar Friesland.

f.Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weetbroeder Syard de orde te herstellen en ’t klooster geruimen tijd tegen de Hollanders te verdedigen.

g.Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en edelen den ridder willen veroordeelen.

Arkels invloed.Arkel,de bisschop van Utrecht, is iedereen te slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.

a.Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf (hoofdstuk 12).

b.Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is, herinnert Arkel hem nogmaals aan ’t orakel van den graaf van Gelder, die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door ’t zwaard der Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).

c.Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen in ’t leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet te verkrijgen.

d.Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en „drijft af” naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.

e.Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.

f.Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op ’t slot Nyenstein opgesloten.

g.Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).

h.Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).

Eigenaardige van de karakterteekening.Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hijmeer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in ’t dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijlsgepersonifieerde eigenschappen, wat in „de Roos van Dekama” al heel duidelijk aan ’t licht treedt.

DeodaatenMadzyzijn steedsdeugdzaam,Reinoutis altijdhartstochtelijk,Adeelenkoppigenoploopend,Aylvais dewereldwijze,Arkelverpersoonlijkt deslimheid,Syarddeschranderheidenonbaatzuchtigheid, abtVolkertdeonbeduidendheid,Barbanerais altijdgemeenenhebzuchtig.

Het toeval in den roman.’t Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen vantoevallige omstandigheden, zoob.v.de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps romanmeer actie dan passieis. Het toeval speelt een te groote rol.

Oordeel van Bakhuizen.Bakhuizen van den Brinkkeurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17eeeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen.M.a.w.Van Lenneps werk is nietnationaalgenoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegtPotgieterin zijn kritieken: „Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn.” Bakhuizen wijst o. a. opClaes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14eeeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, ’t is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in eenhistorischenroman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in „de Roos van Dekama”, dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14eeeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals datb.v.wel ’t geval is met de 17eeeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is,maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.

Strekking.Eigenaardig is destrekking van den roman, die door Van Lennep van ’t slot aan zijn inleidingaangegeven wordt in de woorden: „Wacht en stille sitt”,m.a.w.men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd:Deodaatis in hoofdzaakpassief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen „stilzitters” en ze bereikten toch hun doel. We denkenb.v.aanVan Arkelen broederSyard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan,n.l.dat „degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook,de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: „Wacht en stille sitt.” Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat menzijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachtenen dit doet Arkel ook!

Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat nietMadzyenDeodaatde hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In ’t eerste deel groepeert zich alles omGraaf Willem IVenSeerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk dejaloezievanReinoutjegensDeodaat.

Later Arkel.In het tweede deel speeltArkelde voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voorUtrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan ’t slot treden weerWillemenAdeelenop den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwenArkelals overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis vanDeodaatenMadzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de „stil-sitter” zijn loon kan ontvangen.

Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch—zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die ’t in beginsel afkeuren. Dat komt doorde eigenaardige verdiensten van den schrijver:

Boeiende roman.1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoob.v.het optreden van twee Barbanera’s,de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan,de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop,het ontvoeren van Madzy door Van Arkel,het opsluiten van Syard en Barbanera.

Van Lennep als verteller.2.Van Lennepschrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.


Back to IndexNext