De Vlaschaard.De landstreek.In „de Vlaschaard” heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis „’t Lijsternest” staat teIngoyghembijKortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakkerFrank LateurteAvelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot ’t schoonste deel van Vlaanderen: ’t is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.In „de Vlaschaard” is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoob.v.in ’t begin van ’t prachtige hoofdstuk „Bloei”. „Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op ’t hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt.” En verder: „Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaarden daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is.”Invloed der Natuur op de menschen.Streuvels’ werk is niet enkelnatuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald „geval” in verteld wordt,maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is deNatuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. ’t Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in ’t begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is ’t grootsche, ’t epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.De boer afhankelijk van de Natuur.Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten ’t werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor ’t overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van ’t noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit „de Vlaschaard”. Zoo bv. dadelijk in ’t begin waar van den oudenVermeulendie al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: „altijd moet hij vechten en volhouden en op ’t einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed.” Als het vlas gezaaid is, is voor den boer ’t groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. „De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden eldersbezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert.” Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in „Bloei” een zin als deze: „’t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten ’t stond buiten aan ’t genadig of ’t ongenadig wisselspel van ’t lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen ….”In ’t geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan ’t al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van ’t vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij ’t niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem ’t gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van ’t Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al ’t goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo’n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?Pessimisme.Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. „Pessimisme wordt geboren uitnadenken, uitontleden,is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van allenatuurlijkheid, ver van de bron van ’t leven (de natuur)—in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:—Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij ’t werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan ’t geen hij met ’t overschot van zijn geld,koopenkan—daar ontstaat dejachten het uitrekenen om tewinnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er ’t beste en ’t menschelijkste is der tweemachten.1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft.”1’t Levenwekkende der Natuur.Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en ’t genot van zijn werk doet Streuvels in „De Vlaschaard” telkens uitkomen. Zoob.v.de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boerLouis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. „Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde ’t geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in ’t nieuwe jaargetijde rondom hem.” Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, ’t is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur,’t begin van een nieuw leven.„Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet vanhet jonge jaar. Niemand dacht er aan dat ’t herbeginnen en herdoens was van ’t geen ze zooveel jaren reeds begingen—een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden.”Vooral ook de zaaitijd, als de „zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders.” „Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:—de levenwekker op het doode land.”Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen ’t vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.Evenals ’t vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in ’t muffe huis, nu hebben ze „’t beurelen en heien gehoord van ’t losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt.” Ten slotte als toppunt van alle vreugde de „slijting”, het groote landfeest.In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, ’t is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.Tweeërlei natuur in den boer.We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z’n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is ’t niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in ’t algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: ’t is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar ’t iszijn eigen schuld. Hij heeftb.v.nietden meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft ’t land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en „zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen.”Er is dus tweeërlei natuur in den boer:de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden inDe Vlaschaard.2Boer Vermeulen en de Natuur.De oudeVermeulenis zoo’n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.„Vermeulen stond stil met ’t voorhoofd tegen ’t vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe ’t op den vlaschaard vergaan was.” Als hij later op ’t veld komt om deverwoestingte overzien, blijft hij die kalmte bewaren. „Hijzuchtteniet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond—zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt—al waar hij keek was ’t hetzelfde, ’t scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen—heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd ’t geen zoo’n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toevalwaar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon.”Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op ’t hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer ’t hoogere land. ’t Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. „De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem ’t meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen—maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg.”Duidelijk blijkt die „dubbele gezindheid” bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs ’t lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: „de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging.En de boer die bij ’t overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg.”Nijver der boeren.In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel’s boeren staat een andere:hun jaloerschheidenonderlinge naijver. „In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander.” „Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in ’t boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen.”Verkoop van ’t vlas.Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in ’t vlas komt en de „vlaskutsers”, de kooplui ’t land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie ’t beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. ’t Beste vlas gaat naar de Leie om te roten („Leiroote”), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom ’t land („Blauw- of Veldroote”). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de „hottekrotters” die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in ’t land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor ’t vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. „Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van.”Karakter van Vermeulen.Vermeulen, de hoofdpersoon uitStreuvels’Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in ’t voorafgaande geschetst is.Vol berustingals harde noodlotsslagen hem treffen,vol grimmige woedeals de vrucht mislukt door eigen schuld enjaloerschals misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. „Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en ’t woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van ’t leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op ’t land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het—Vermeulen doet het niet—gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste enwist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven.”Zijn vrouw.Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw,Barbele, hem de waarheid: „Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening.Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven—hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte(dienstmeid)ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen.” Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele’s invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had ’t stellig niet gedaan!Zijn dochters.’t Zijn nufjes geworden. „Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn.” „Dat zijn mijn dochters niet,” bromt hij, als de vacantie om is, „ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn.” Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: „Wie op ’t hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met ’t volk naar ’t veld en in den stal zullen ze zijn en bij ’t werk en overal,” voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte „de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen” (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van ’t erf, al is ’t dan ook zijn eigen kind.Verhouding tot Louis.Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt:de verhouding tot zijn zoonLouis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijnheerschzuchten zijnjaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedachtdat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: „een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen.” Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is eenmededinger. „Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer.”Louis een mededinger.Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: „in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf.” Dan ziet hij „dat de zoon niets anders is dan ’t voortzetsel en ’t hernemen van ’t vergane leven van den vader …. de spruite van den ouden boom.” Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den „ouden, pezigen kamper” geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten „als een oude grolpot, die ’t leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen—die als een vreemde in eigen huis zal kijken op ’t geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood.” De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en ’t zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.Louis wordt behandeld als een onmondige.Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zouhebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.Als Louis vraagt: „Vader, waar zaaien we ’t vlas dees jaar?” maakt Vermeulen een „afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?” Als ook de boerin zich in ’t gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z’n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en ’t werkvolk spreken er over, wàar ’t vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van ’t dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en ’t hoogkouter. Men is ’t er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is ’t laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: „dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden.” Alleen dus weer om ’t anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. „’t Voordeel van de ligging, ’t voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte ’t nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen.”Spanning tusschen Louis en z’n vader.Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. ’t Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z’n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. „Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennisvan alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en ’t geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in ’t wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.Louis verliest de achting voor z’n vader.Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling „dat er een hoogere wetenschap was van ’t bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip.” Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. „dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap.”Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachtingbehandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en ’t voorloopig „aan zijn botten veegt”, maar als z’n vader hem weer eens op zoo’n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man „als een vreemden boer, niet als zijn vader.” En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde—„hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader.”De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hijwordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. ’t Vlas wil niet, er blijven kale plekken op ’t veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nuschaamthij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. „Moest hij ’t aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?”Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou ’t geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!Besluit om Louis weg te zenden.Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: ’t vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op ’t laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van ’t veld gespaard. Vermeulen moet ’t zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z’n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel:Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe:Legijnsboerderijzal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!De aanleiding.Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z’n vrouw ’t niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat ’t verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen „zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen ’t geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding.”Louis en Schellebelle.Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets:de verhouding vanLouistotSchellebelle.3Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren—hij wilde immers z’n dochters zien „als struische blokken, boerendeernen van ’t Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven ’t geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman”—maar ’t is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op ’t oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. ’t Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van „die vuile meid” en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat „Louis zich aan vrouwvolk verslingert”, maar z’n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. „Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben”, voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.’t Koopen van Legijns hoeve.Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. „Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen.” Hij is weerdeboer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.Botsing met Louis over de slijting.Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van ’t vlas door te gaan, overtreden, en voor ’t eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op ’t oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.De oude heerscher heeft overwonnen, maar—hij voelt het—toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.Zielestrijd van Vermeulen.’t Laatste deel van „De Vlaschaard” doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z’n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan ’t gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien ’t hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij ’t geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe ’t met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer ’t hoofd. Nog gaat hij niet naar z’n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan ’t bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; ’t is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan ’t ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willenverzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in „dat hij maar een nieteling was in ’t wentelen der groote gebeurtenissen.”Als de oudePoorterevraagt wat er moet gebeuren op ’t veld, zegt de boer hortend: „Doe maar …. ’t is al wel; ’k en weet het niet.” Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑2ZieDe Ridderblz. 74.↑3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑
De Vlaschaard.De landstreek.In „de Vlaschaard” heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis „’t Lijsternest” staat teIngoyghembijKortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakkerFrank LateurteAvelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot ’t schoonste deel van Vlaanderen: ’t is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.In „de Vlaschaard” is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoob.v.in ’t begin van ’t prachtige hoofdstuk „Bloei”. „Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op ’t hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt.” En verder: „Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaarden daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is.”Invloed der Natuur op de menschen.Streuvels’ werk is niet enkelnatuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald „geval” in verteld wordt,maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is deNatuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. ’t Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in ’t begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is ’t grootsche, ’t epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.De boer afhankelijk van de Natuur.Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten ’t werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor ’t overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van ’t noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit „de Vlaschaard”. Zoo bv. dadelijk in ’t begin waar van den oudenVermeulendie al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: „altijd moet hij vechten en volhouden en op ’t einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed.” Als het vlas gezaaid is, is voor den boer ’t groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. „De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden eldersbezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert.” Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in „Bloei” een zin als deze: „’t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten ’t stond buiten aan ’t genadig of ’t ongenadig wisselspel van ’t lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen ….”In ’t geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan ’t al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van ’t vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij ’t niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem ’t gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van ’t Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al ’t goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo’n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?Pessimisme.Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. „Pessimisme wordt geboren uitnadenken, uitontleden,is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van allenatuurlijkheid, ver van de bron van ’t leven (de natuur)—in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:—Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij ’t werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan ’t geen hij met ’t overschot van zijn geld,koopenkan—daar ontstaat dejachten het uitrekenen om tewinnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er ’t beste en ’t menschelijkste is der tweemachten.1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft.”1’t Levenwekkende der Natuur.Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en ’t genot van zijn werk doet Streuvels in „De Vlaschaard” telkens uitkomen. Zoob.v.de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boerLouis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. „Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde ’t geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in ’t nieuwe jaargetijde rondom hem.” Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, ’t is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur,’t begin van een nieuw leven.„Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet vanhet jonge jaar. Niemand dacht er aan dat ’t herbeginnen en herdoens was van ’t geen ze zooveel jaren reeds begingen—een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden.”Vooral ook de zaaitijd, als de „zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders.” „Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:—de levenwekker op het doode land.”Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen ’t vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.Evenals ’t vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in ’t muffe huis, nu hebben ze „’t beurelen en heien gehoord van ’t losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt.” Ten slotte als toppunt van alle vreugde de „slijting”, het groote landfeest.In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, ’t is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.Tweeërlei natuur in den boer.We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z’n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is ’t niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in ’t algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: ’t is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar ’t iszijn eigen schuld. Hij heeftb.v.nietden meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft ’t land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en „zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen.”Er is dus tweeërlei natuur in den boer:de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden inDe Vlaschaard.2Boer Vermeulen en de Natuur.De oudeVermeulenis zoo’n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.„Vermeulen stond stil met ’t voorhoofd tegen ’t vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe ’t op den vlaschaard vergaan was.” Als hij later op ’t veld komt om deverwoestingte overzien, blijft hij die kalmte bewaren. „Hijzuchtteniet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond—zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt—al waar hij keek was ’t hetzelfde, ’t scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen—heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd ’t geen zoo’n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toevalwaar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon.”Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op ’t hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer ’t hoogere land. ’t Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. „De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem ’t meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen—maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg.”Duidelijk blijkt die „dubbele gezindheid” bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs ’t lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: „de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging.En de boer die bij ’t overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg.”Nijver der boeren.In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel’s boeren staat een andere:hun jaloerschheidenonderlinge naijver. „In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander.” „Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in ’t boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen.”Verkoop van ’t vlas.Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in ’t vlas komt en de „vlaskutsers”, de kooplui ’t land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie ’t beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. ’t Beste vlas gaat naar de Leie om te roten („Leiroote”), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom ’t land („Blauw- of Veldroote”). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de „hottekrotters” die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in ’t land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor ’t vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. „Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van.”Karakter van Vermeulen.Vermeulen, de hoofdpersoon uitStreuvels’Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in ’t voorafgaande geschetst is.Vol berustingals harde noodlotsslagen hem treffen,vol grimmige woedeals de vrucht mislukt door eigen schuld enjaloerschals misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. „Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en ’t woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van ’t leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op ’t land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het—Vermeulen doet het niet—gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste enwist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven.”Zijn vrouw.Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw,Barbele, hem de waarheid: „Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening.Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven—hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte(dienstmeid)ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen.” Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele’s invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had ’t stellig niet gedaan!Zijn dochters.’t Zijn nufjes geworden. „Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn.” „Dat zijn mijn dochters niet,” bromt hij, als de vacantie om is, „ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn.” Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: „Wie op ’t hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met ’t volk naar ’t veld en in den stal zullen ze zijn en bij ’t werk en overal,” voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte „de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen” (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van ’t erf, al is ’t dan ook zijn eigen kind.Verhouding tot Louis.Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt:de verhouding tot zijn zoonLouis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijnheerschzuchten zijnjaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedachtdat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: „een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen.” Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is eenmededinger. „Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer.”Louis een mededinger.Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: „in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf.” Dan ziet hij „dat de zoon niets anders is dan ’t voortzetsel en ’t hernemen van ’t vergane leven van den vader …. de spruite van den ouden boom.” Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den „ouden, pezigen kamper” geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten „als een oude grolpot, die ’t leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen—die als een vreemde in eigen huis zal kijken op ’t geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood.” De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en ’t zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.Louis wordt behandeld als een onmondige.Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zouhebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.Als Louis vraagt: „Vader, waar zaaien we ’t vlas dees jaar?” maakt Vermeulen een „afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?” Als ook de boerin zich in ’t gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z’n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en ’t werkvolk spreken er over, wàar ’t vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van ’t dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en ’t hoogkouter. Men is ’t er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is ’t laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: „dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden.” Alleen dus weer om ’t anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. „’t Voordeel van de ligging, ’t voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte ’t nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen.”Spanning tusschen Louis en z’n vader.Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. ’t Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z’n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. „Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennisvan alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en ’t geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in ’t wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.Louis verliest de achting voor z’n vader.Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling „dat er een hoogere wetenschap was van ’t bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip.” Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. „dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap.”Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachtingbehandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en ’t voorloopig „aan zijn botten veegt”, maar als z’n vader hem weer eens op zoo’n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man „als een vreemden boer, niet als zijn vader.” En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde—„hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader.”De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hijwordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. ’t Vlas wil niet, er blijven kale plekken op ’t veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nuschaamthij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. „Moest hij ’t aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?”Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou ’t geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!Besluit om Louis weg te zenden.Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: ’t vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op ’t laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van ’t veld gespaard. Vermeulen moet ’t zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z’n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel:Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe:Legijnsboerderijzal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!De aanleiding.Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z’n vrouw ’t niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat ’t verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen „zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen ’t geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding.”Louis en Schellebelle.Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets:de verhouding vanLouistotSchellebelle.3Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren—hij wilde immers z’n dochters zien „als struische blokken, boerendeernen van ’t Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven ’t geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman”—maar ’t is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op ’t oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. ’t Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van „die vuile meid” en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat „Louis zich aan vrouwvolk verslingert”, maar z’n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. „Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben”, voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.’t Koopen van Legijns hoeve.Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. „Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen.” Hij is weerdeboer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.Botsing met Louis over de slijting.Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van ’t vlas door te gaan, overtreden, en voor ’t eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op ’t oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.De oude heerscher heeft overwonnen, maar—hij voelt het—toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.Zielestrijd van Vermeulen.’t Laatste deel van „De Vlaschaard” doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z’n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan ’t gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien ’t hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij ’t geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe ’t met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer ’t hoofd. Nog gaat hij niet naar z’n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan ’t bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; ’t is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan ’t ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willenverzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in „dat hij maar een nieteling was in ’t wentelen der groote gebeurtenissen.”Als de oudePoorterevraagt wat er moet gebeuren op ’t veld, zegt de boer hortend: „Doe maar …. ’t is al wel; ’k en weet het niet.” Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑2ZieDe Ridderblz. 74.↑3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑
De Vlaschaard.De landstreek.In „de Vlaschaard” heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis „’t Lijsternest” staat teIngoyghembijKortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakkerFrank LateurteAvelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot ’t schoonste deel van Vlaanderen: ’t is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.In „de Vlaschaard” is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoob.v.in ’t begin van ’t prachtige hoofdstuk „Bloei”. „Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op ’t hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt.” En verder: „Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaarden daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is.”Invloed der Natuur op de menschen.Streuvels’ werk is niet enkelnatuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald „geval” in verteld wordt,maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is deNatuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. ’t Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in ’t begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is ’t grootsche, ’t epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.De boer afhankelijk van de Natuur.Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten ’t werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor ’t overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van ’t noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit „de Vlaschaard”. Zoo bv. dadelijk in ’t begin waar van den oudenVermeulendie al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: „altijd moet hij vechten en volhouden en op ’t einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed.” Als het vlas gezaaid is, is voor den boer ’t groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. „De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden eldersbezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert.” Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in „Bloei” een zin als deze: „’t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten ’t stond buiten aan ’t genadig of ’t ongenadig wisselspel van ’t lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen ….”In ’t geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan ’t al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van ’t vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij ’t niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem ’t gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van ’t Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al ’t goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo’n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?Pessimisme.Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. „Pessimisme wordt geboren uitnadenken, uitontleden,is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van allenatuurlijkheid, ver van de bron van ’t leven (de natuur)—in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:—Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij ’t werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan ’t geen hij met ’t overschot van zijn geld,koopenkan—daar ontstaat dejachten het uitrekenen om tewinnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er ’t beste en ’t menschelijkste is der tweemachten.1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft.”1’t Levenwekkende der Natuur.Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en ’t genot van zijn werk doet Streuvels in „De Vlaschaard” telkens uitkomen. Zoob.v.de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boerLouis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. „Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde ’t geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in ’t nieuwe jaargetijde rondom hem.” Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, ’t is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur,’t begin van een nieuw leven.„Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet vanhet jonge jaar. Niemand dacht er aan dat ’t herbeginnen en herdoens was van ’t geen ze zooveel jaren reeds begingen—een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden.”Vooral ook de zaaitijd, als de „zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders.” „Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:—de levenwekker op het doode land.”Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen ’t vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.Evenals ’t vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in ’t muffe huis, nu hebben ze „’t beurelen en heien gehoord van ’t losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt.” Ten slotte als toppunt van alle vreugde de „slijting”, het groote landfeest.In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, ’t is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.Tweeërlei natuur in den boer.We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z’n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is ’t niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in ’t algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: ’t is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar ’t iszijn eigen schuld. Hij heeftb.v.nietden meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft ’t land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en „zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen.”Er is dus tweeërlei natuur in den boer:de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden inDe Vlaschaard.2Boer Vermeulen en de Natuur.De oudeVermeulenis zoo’n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.„Vermeulen stond stil met ’t voorhoofd tegen ’t vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe ’t op den vlaschaard vergaan was.” Als hij later op ’t veld komt om deverwoestingte overzien, blijft hij die kalmte bewaren. „Hijzuchtteniet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond—zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt—al waar hij keek was ’t hetzelfde, ’t scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen—heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd ’t geen zoo’n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toevalwaar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon.”Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op ’t hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer ’t hoogere land. ’t Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. „De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem ’t meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen—maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg.”Duidelijk blijkt die „dubbele gezindheid” bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs ’t lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: „de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging.En de boer die bij ’t overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg.”Nijver der boeren.In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel’s boeren staat een andere:hun jaloerschheidenonderlinge naijver. „In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander.” „Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in ’t boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen.”Verkoop van ’t vlas.Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in ’t vlas komt en de „vlaskutsers”, de kooplui ’t land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie ’t beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. ’t Beste vlas gaat naar de Leie om te roten („Leiroote”), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom ’t land („Blauw- of Veldroote”). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de „hottekrotters” die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in ’t land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor ’t vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. „Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van.”Karakter van Vermeulen.Vermeulen, de hoofdpersoon uitStreuvels’Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in ’t voorafgaande geschetst is.Vol berustingals harde noodlotsslagen hem treffen,vol grimmige woedeals de vrucht mislukt door eigen schuld enjaloerschals misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. „Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en ’t woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van ’t leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op ’t land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het—Vermeulen doet het niet—gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste enwist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven.”Zijn vrouw.Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw,Barbele, hem de waarheid: „Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening.Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven—hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte(dienstmeid)ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen.” Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele’s invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had ’t stellig niet gedaan!Zijn dochters.’t Zijn nufjes geworden. „Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn.” „Dat zijn mijn dochters niet,” bromt hij, als de vacantie om is, „ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn.” Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: „Wie op ’t hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met ’t volk naar ’t veld en in den stal zullen ze zijn en bij ’t werk en overal,” voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte „de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen” (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van ’t erf, al is ’t dan ook zijn eigen kind.Verhouding tot Louis.Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt:de verhouding tot zijn zoonLouis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijnheerschzuchten zijnjaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedachtdat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: „een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen.” Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is eenmededinger. „Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer.”Louis een mededinger.Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: „in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf.” Dan ziet hij „dat de zoon niets anders is dan ’t voortzetsel en ’t hernemen van ’t vergane leven van den vader …. de spruite van den ouden boom.” Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den „ouden, pezigen kamper” geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten „als een oude grolpot, die ’t leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen—die als een vreemde in eigen huis zal kijken op ’t geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood.” De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en ’t zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.Louis wordt behandeld als een onmondige.Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zouhebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.Als Louis vraagt: „Vader, waar zaaien we ’t vlas dees jaar?” maakt Vermeulen een „afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?” Als ook de boerin zich in ’t gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z’n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en ’t werkvolk spreken er over, wàar ’t vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van ’t dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en ’t hoogkouter. Men is ’t er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is ’t laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: „dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden.” Alleen dus weer om ’t anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. „’t Voordeel van de ligging, ’t voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte ’t nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen.”Spanning tusschen Louis en z’n vader.Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. ’t Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z’n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. „Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennisvan alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en ’t geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in ’t wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.Louis verliest de achting voor z’n vader.Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling „dat er een hoogere wetenschap was van ’t bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip.” Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. „dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap.”Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachtingbehandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en ’t voorloopig „aan zijn botten veegt”, maar als z’n vader hem weer eens op zoo’n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man „als een vreemden boer, niet als zijn vader.” En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde—„hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader.”De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hijwordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. ’t Vlas wil niet, er blijven kale plekken op ’t veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nuschaamthij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. „Moest hij ’t aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?”Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou ’t geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!Besluit om Louis weg te zenden.Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: ’t vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op ’t laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van ’t veld gespaard. Vermeulen moet ’t zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z’n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel:Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe:Legijnsboerderijzal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!De aanleiding.Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z’n vrouw ’t niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat ’t verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen „zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen ’t geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding.”Louis en Schellebelle.Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets:de verhouding vanLouistotSchellebelle.3Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren—hij wilde immers z’n dochters zien „als struische blokken, boerendeernen van ’t Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven ’t geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman”—maar ’t is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op ’t oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. ’t Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van „die vuile meid” en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat „Louis zich aan vrouwvolk verslingert”, maar z’n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. „Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben”, voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.’t Koopen van Legijns hoeve.Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. „Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen.” Hij is weerdeboer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.Botsing met Louis over de slijting.Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van ’t vlas door te gaan, overtreden, en voor ’t eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op ’t oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.De oude heerscher heeft overwonnen, maar—hij voelt het—toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.Zielestrijd van Vermeulen.’t Laatste deel van „De Vlaschaard” doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z’n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan ’t gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien ’t hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij ’t geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe ’t met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer ’t hoofd. Nog gaat hij niet naar z’n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan ’t bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; ’t is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan ’t ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willenverzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in „dat hij maar een nieteling was in ’t wentelen der groote gebeurtenissen.”Als de oudePoorterevraagt wat er moet gebeuren op ’t veld, zegt de boer hortend: „Doe maar …. ’t is al wel; ’k en weet het niet.” Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑2ZieDe Ridderblz. 74.↑3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑
De Vlaschaard.
De landstreek.In „de Vlaschaard” heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis „’t Lijsternest” staat teIngoyghembijKortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakkerFrank LateurteAvelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot ’t schoonste deel van Vlaanderen: ’t is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.In „de Vlaschaard” is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoob.v.in ’t begin van ’t prachtige hoofdstuk „Bloei”. „Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op ’t hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt.” En verder: „Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaarden daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is.”Invloed der Natuur op de menschen.Streuvels’ werk is niet enkelnatuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald „geval” in verteld wordt,maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is deNatuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. ’t Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in ’t begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is ’t grootsche, ’t epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.De boer afhankelijk van de Natuur.Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten ’t werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor ’t overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van ’t noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit „de Vlaschaard”. Zoo bv. dadelijk in ’t begin waar van den oudenVermeulendie al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: „altijd moet hij vechten en volhouden en op ’t einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed.” Als het vlas gezaaid is, is voor den boer ’t groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. „De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden eldersbezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert.” Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in „Bloei” een zin als deze: „’t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten ’t stond buiten aan ’t genadig of ’t ongenadig wisselspel van ’t lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen ….”In ’t geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan ’t al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van ’t vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij ’t niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem ’t gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van ’t Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al ’t goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo’n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?Pessimisme.Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. „Pessimisme wordt geboren uitnadenken, uitontleden,is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van allenatuurlijkheid, ver van de bron van ’t leven (de natuur)—in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:—Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij ’t werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan ’t geen hij met ’t overschot van zijn geld,koopenkan—daar ontstaat dejachten het uitrekenen om tewinnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er ’t beste en ’t menschelijkste is der tweemachten.1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft.”1’t Levenwekkende der Natuur.Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en ’t genot van zijn werk doet Streuvels in „De Vlaschaard” telkens uitkomen. Zoob.v.de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boerLouis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. „Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde ’t geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in ’t nieuwe jaargetijde rondom hem.” Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, ’t is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur,’t begin van een nieuw leven.„Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet vanhet jonge jaar. Niemand dacht er aan dat ’t herbeginnen en herdoens was van ’t geen ze zooveel jaren reeds begingen—een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden.”Vooral ook de zaaitijd, als de „zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders.” „Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:—de levenwekker op het doode land.”Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen ’t vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.Evenals ’t vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in ’t muffe huis, nu hebben ze „’t beurelen en heien gehoord van ’t losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt.” Ten slotte als toppunt van alle vreugde de „slijting”, het groote landfeest.In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, ’t is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.Tweeërlei natuur in den boer.We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z’n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is ’t niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in ’t algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: ’t is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar ’t iszijn eigen schuld. Hij heeftb.v.nietden meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft ’t land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en „zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen.”Er is dus tweeërlei natuur in den boer:de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden inDe Vlaschaard.2Boer Vermeulen en de Natuur.De oudeVermeulenis zoo’n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.„Vermeulen stond stil met ’t voorhoofd tegen ’t vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe ’t op den vlaschaard vergaan was.” Als hij later op ’t veld komt om deverwoestingte overzien, blijft hij die kalmte bewaren. „Hijzuchtteniet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond—zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt—al waar hij keek was ’t hetzelfde, ’t scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen—heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd ’t geen zoo’n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toevalwaar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon.”Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op ’t hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer ’t hoogere land. ’t Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. „De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem ’t meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen—maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg.”Duidelijk blijkt die „dubbele gezindheid” bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs ’t lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: „de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging.En de boer die bij ’t overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg.”Nijver der boeren.In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel’s boeren staat een andere:hun jaloerschheidenonderlinge naijver. „In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander.” „Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in ’t boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen.”Verkoop van ’t vlas.Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in ’t vlas komt en de „vlaskutsers”, de kooplui ’t land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie ’t beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. ’t Beste vlas gaat naar de Leie om te roten („Leiroote”), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom ’t land („Blauw- of Veldroote”). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de „hottekrotters” die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in ’t land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor ’t vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. „Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van.”Karakter van Vermeulen.Vermeulen, de hoofdpersoon uitStreuvels’Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in ’t voorafgaande geschetst is.Vol berustingals harde noodlotsslagen hem treffen,vol grimmige woedeals de vrucht mislukt door eigen schuld enjaloerschals misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. „Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en ’t woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van ’t leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op ’t land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het—Vermeulen doet het niet—gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste enwist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven.”Zijn vrouw.Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw,Barbele, hem de waarheid: „Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening.Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven—hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte(dienstmeid)ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen.” Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele’s invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had ’t stellig niet gedaan!Zijn dochters.’t Zijn nufjes geworden. „Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn.” „Dat zijn mijn dochters niet,” bromt hij, als de vacantie om is, „ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn.” Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: „Wie op ’t hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met ’t volk naar ’t veld en in den stal zullen ze zijn en bij ’t werk en overal,” voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte „de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen” (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van ’t erf, al is ’t dan ook zijn eigen kind.Verhouding tot Louis.Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt:de verhouding tot zijn zoonLouis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijnheerschzuchten zijnjaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedachtdat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: „een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen.” Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is eenmededinger. „Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer.”Louis een mededinger.Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: „in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf.” Dan ziet hij „dat de zoon niets anders is dan ’t voortzetsel en ’t hernemen van ’t vergane leven van den vader …. de spruite van den ouden boom.” Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den „ouden, pezigen kamper” geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten „als een oude grolpot, die ’t leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen—die als een vreemde in eigen huis zal kijken op ’t geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood.” De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en ’t zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.Louis wordt behandeld als een onmondige.Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zouhebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.Als Louis vraagt: „Vader, waar zaaien we ’t vlas dees jaar?” maakt Vermeulen een „afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?” Als ook de boerin zich in ’t gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z’n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en ’t werkvolk spreken er over, wàar ’t vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van ’t dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en ’t hoogkouter. Men is ’t er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is ’t laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: „dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden.” Alleen dus weer om ’t anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. „’t Voordeel van de ligging, ’t voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte ’t nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen.”Spanning tusschen Louis en z’n vader.Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. ’t Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z’n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. „Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennisvan alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en ’t geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in ’t wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.Louis verliest de achting voor z’n vader.Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling „dat er een hoogere wetenschap was van ’t bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip.” Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. „dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap.”Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachtingbehandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en ’t voorloopig „aan zijn botten veegt”, maar als z’n vader hem weer eens op zoo’n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man „als een vreemden boer, niet als zijn vader.” En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde—„hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader.”De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hijwordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. ’t Vlas wil niet, er blijven kale plekken op ’t veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nuschaamthij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. „Moest hij ’t aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?”Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou ’t geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!Besluit om Louis weg te zenden.Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: ’t vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op ’t laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van ’t veld gespaard. Vermeulen moet ’t zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z’n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel:Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe:Legijnsboerderijzal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!De aanleiding.Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z’n vrouw ’t niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat ’t verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen „zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen ’t geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding.”Louis en Schellebelle.Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets:de verhouding vanLouistotSchellebelle.3Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren—hij wilde immers z’n dochters zien „als struische blokken, boerendeernen van ’t Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven ’t geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman”—maar ’t is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op ’t oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. ’t Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van „die vuile meid” en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat „Louis zich aan vrouwvolk verslingert”, maar z’n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. „Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben”, voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.’t Koopen van Legijns hoeve.Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. „Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen.” Hij is weerdeboer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.Botsing met Louis over de slijting.Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van ’t vlas door te gaan, overtreden, en voor ’t eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op ’t oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.De oude heerscher heeft overwonnen, maar—hij voelt het—toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.Zielestrijd van Vermeulen.’t Laatste deel van „De Vlaschaard” doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z’n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan ’t gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien ’t hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij ’t geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe ’t met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer ’t hoofd. Nog gaat hij niet naar z’n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan ’t bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; ’t is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan ’t ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willenverzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in „dat hij maar een nieteling was in ’t wentelen der groote gebeurtenissen.”Als de oudePoorterevraagt wat er moet gebeuren op ’t veld, zegt de boer hortend: „Doe maar …. ’t is al wel; ’k en weet het niet.” Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.
De landstreek.In „de Vlaschaard” heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis „’t Lijsternest” staat teIngoyghembijKortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakkerFrank LateurteAvelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot ’t schoonste deel van Vlaanderen: ’t is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.
In „de Vlaschaard” is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoob.v.in ’t begin van ’t prachtige hoofdstuk „Bloei”. „Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op ’t hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt.” En verder: „Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaarden daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is.”
Invloed der Natuur op de menschen.Streuvels’ werk is niet enkelnatuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald „geval” in verteld wordt,maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is deNatuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. ’t Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in ’t begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is ’t grootsche, ’t epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.
De boer afhankelijk van de Natuur.Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten ’t werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor ’t overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van ’t noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit „de Vlaschaard”. Zoo bv. dadelijk in ’t begin waar van den oudenVermeulendie al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: „altijd moet hij vechten en volhouden en op ’t einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed.” Als het vlas gezaaid is, is voor den boer ’t groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. „De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden eldersbezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert.” Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in „Bloei” een zin als deze: „’t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten ’t stond buiten aan ’t genadig of ’t ongenadig wisselspel van ’t lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen ….”
In ’t geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan ’t al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van ’t vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij ’t niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem ’t gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.
Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van ’t Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al ’t goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo’n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?
Pessimisme.Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. „Pessimisme wordt geboren uitnadenken, uitontleden,is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van allenatuurlijkheid, ver van de bron van ’t leven (de natuur)—in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:—Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij ’t werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan ’t geen hij met ’t overschot van zijn geld,koopenkan—daar ontstaat dejachten het uitrekenen om tewinnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er ’t beste en ’t menschelijkste is der tweemachten.
1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;
2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft.”1
’t Levenwekkende der Natuur.Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en ’t genot van zijn werk doet Streuvels in „De Vlaschaard” telkens uitkomen. Zoob.v.de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boerLouis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. „Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde ’t geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in ’t nieuwe jaargetijde rondom hem.” Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, ’t is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur,’t begin van een nieuw leven.
„Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet vanhet jonge jaar. Niemand dacht er aan dat ’t herbeginnen en herdoens was van ’t geen ze zooveel jaren reeds begingen—een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden.”
Vooral ook de zaaitijd, als de „zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders.” „Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:—de levenwekker op het doode land.”
Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen ’t vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.
Evenals ’t vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in ’t muffe huis, nu hebben ze „’t beurelen en heien gehoord van ’t losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt.” Ten slotte als toppunt van alle vreugde de „slijting”, het groote landfeest.
In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, ’t is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.
Tweeërlei natuur in den boer.We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z’n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is ’t niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in ’t algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: ’t is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar ’t iszijn eigen schuld. Hij heeftb.v.nietden meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft ’t land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en „zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen.”
Er is dus tweeërlei natuur in den boer:de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden inDe Vlaschaard.2
Boer Vermeulen en de Natuur.De oudeVermeulenis zoo’n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.
„Vermeulen stond stil met ’t voorhoofd tegen ’t vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe ’t op den vlaschaard vergaan was.” Als hij later op ’t veld komt om deverwoestingte overzien, blijft hij die kalmte bewaren. „Hijzuchtteniet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond—zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt—al waar hij keek was ’t hetzelfde, ’t scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen—heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd ’t geen zoo’n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toevalwaar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon.”
Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op ’t hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer ’t hoogere land. ’t Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. „De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem ’t meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen—maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg.”
Duidelijk blijkt die „dubbele gezindheid” bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs ’t lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: „de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging.En de boer die bij ’t overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg.”
Nijver der boeren.In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel’s boeren staat een andere:hun jaloerschheidenonderlinge naijver. „In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander.” „Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in ’t boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen.”
Verkoop van ’t vlas.Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in ’t vlas komt en de „vlaskutsers”, de kooplui ’t land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie ’t beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. ’t Beste vlas gaat naar de Leie om te roten („Leiroote”), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom ’t land („Blauw- of Veldroote”). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de „hottekrotters” die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in ’t land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor ’t vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. „Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van.”
Karakter van Vermeulen.Vermeulen, de hoofdpersoon uitStreuvels’Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in ’t voorafgaande geschetst is.Vol berustingals harde noodlotsslagen hem treffen,vol grimmige woedeals de vrucht mislukt door eigen schuld enjaloerschals misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. „Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en ’t woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van ’t leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op ’t land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het—Vermeulen doet het niet—gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste enwist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven.”
Zijn vrouw.Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw,Barbele, hem de waarheid: „Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening.Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven—hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte(dienstmeid)ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen.” Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele’s invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had ’t stellig niet gedaan!
Zijn dochters.’t Zijn nufjes geworden. „Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn.” „Dat zijn mijn dochters niet,” bromt hij, als de vacantie om is, „ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn.” Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: „Wie op ’t hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met ’t volk naar ’t veld en in den stal zullen ze zijn en bij ’t werk en overal,” voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte „de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen” (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van ’t erf, al is ’t dan ook zijn eigen kind.
Verhouding tot Louis.Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt:de verhouding tot zijn zoonLouis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijnheerschzuchten zijnjaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedachtdat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: „een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen.” Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is eenmededinger. „Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer.”
Louis een mededinger.Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: „in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf.” Dan ziet hij „dat de zoon niets anders is dan ’t voortzetsel en ’t hernemen van ’t vergane leven van den vader …. de spruite van den ouden boom.” Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den „ouden, pezigen kamper” geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten „als een oude grolpot, die ’t leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen—die als een vreemde in eigen huis zal kijken op ’t geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood.” De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en ’t zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.
Louis wordt behandeld als een onmondige.Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zouhebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.
Als Louis vraagt: „Vader, waar zaaien we ’t vlas dees jaar?” maakt Vermeulen een „afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?” Als ook de boerin zich in ’t gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z’n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en ’t werkvolk spreken er over, wàar ’t vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van ’t dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en ’t hoogkouter. Men is ’t er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is ’t laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: „dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden.” Alleen dus weer om ’t anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. „’t Voordeel van de ligging, ’t voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte ’t nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen.”
Spanning tusschen Louis en z’n vader.Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. ’t Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z’n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. „Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennisvan alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en ’t geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in ’t wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.
Louis verliest de achting voor z’n vader.Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling „dat er een hoogere wetenschap was van ’t bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip.” Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. „dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap.”
Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachtingbehandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en ’t voorloopig „aan zijn botten veegt”, maar als z’n vader hem weer eens op zoo’n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man „als een vreemden boer, niet als zijn vader.” En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde—„hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader.”
De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hijwordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. ’t Vlas wil niet, er blijven kale plekken op ’t veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nuschaamthij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. „Moest hij ’t aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?”
Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou ’t geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!
Besluit om Louis weg te zenden.Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: ’t vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op ’t laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van ’t veld gespaard. Vermeulen moet ’t zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z’n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel:Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe:Legijnsboerderijzal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!
De aanleiding.Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z’n vrouw ’t niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat ’t verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen „zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen ’t geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding.”
Louis en Schellebelle.Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets:de verhouding vanLouistotSchellebelle.3Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren—hij wilde immers z’n dochters zien „als struische blokken, boerendeernen van ’t Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven ’t geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman”—maar ’t is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op ’t oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. ’t Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van „die vuile meid” en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat „Louis zich aan vrouwvolk verslingert”, maar z’n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. „Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben”, voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.
’t Koopen van Legijns hoeve.Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. „Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen.” Hij is weerdeboer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.
Botsing met Louis over de slijting.Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van ’t vlas door te gaan, overtreden, en voor ’t eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op ’t oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.
De oude heerscher heeft overwonnen, maar—hij voelt het—toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.
Zielestrijd van Vermeulen.’t Laatste deel van „De Vlaschaard” doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z’n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan ’t gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien ’t hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij ’t geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe ’t met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer ’t hoofd. Nog gaat hij niet naar z’n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan ’t bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; ’t is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan ’t ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willenverzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in „dat hij maar een nieteling was in ’t wentelen der groote gebeurtenissen.”
Als de oudePoorterevraagt wat er moet gebeuren op ’t veld, zegt de boer hortend: „Doe maar …. ’t is al wel; ’k en weet het niet.” Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.
1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑2ZieDe Ridderblz. 74.↑3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑
1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑2ZieDe Ridderblz. 74.↑3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑
1Stijn StreuvelsdoorAndré de Ridderblz. 79–80.↑
2ZieDe Ridderblz. 74.↑
3Ze heet eigenlijkRieneke;Schellebelleis de naam haar gegeven om „haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht.”↑