Hagar.Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in ’t oog vatten,n.l.:Ontstaan.1.De eigenaardige wijze van ontstaan.Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgeverA. C. Krusemanuitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de „Bijbelsche Vrouwen”, een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus deaanstaandemoeder van Ismaël).Van den Boschzegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), „’t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in ’t gebaar van ’t zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in hetmooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: „Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan.”Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als ’t ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke ’t gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: „de Moeder Ismaëls”.Geloof van Da Costa.2.Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heelebeschouwing op geschiedkundiggebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot hetKatholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van ’tBijgeloof(Het Katholicisme), tegen hetWangeloof(De Islam).Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot hetRéveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is doorDen HertoginNoord en Zuid XVI, blz. 163–169. Vooral de aanhaling gedaan uit de „Standaard” is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van „Hagar” verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van ’t geheel vormen, aanhalen. „Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden enmannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden.”Duizendjarig rijk.Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamdemillennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: „kom Koning Jezus! kom, ja kom!” We wijzen hier op den slotzang van de „Vijf en twintig jaren”, op het laatste gedeelte van „Wachter wat is er van den Nacht?” op de schildering van het duizendjarig rijk in „Hagar”, op de slotverzen van „1648 en 1848”, van „RouwenTrouw”, op het motto van „de Chaos en het Licht”, op den slotzang van „de Slag bij Nieuwpoort”.Dat dit apocalyptische ook in „Hagar” de grondgedachte aangeeft, als ’t ware de kroon op ’t geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszinslijdelijkChristendom. „God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen.” Vandaar ook, datPotgieterin zijn critiek op „1648 en 1848” zegt: „Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft.”Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan ’t licht in de „Hagar”, als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben „vóór ’t rijpen van Gods tijden” (vgl.vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch („noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen”).Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen wede compositie van het gedichtnagaan.Grondgedachte van het gedicht.Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd:de strijd tusschen het Christendom en den Islam.Dit behoort nader aangetoond te worden. Deoorsprong van den strijdis de twist tusschen de beide stammoedersSaraenHagar. Veertien jaren later „herhaalt de moederzonde zich”:Ismaëlwerpt spottende blikken op den zuigelingIzaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, „wiens hand is tegen allen”, hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in ’t Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerstKarel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: „de Halvemaan gaat onder!” en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal „Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen,” dus:eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:„de tijd van groote schuldvergeving,Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa’s voorstelling.De grondgedachte van ’t gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking,n.l.deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium—de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over ’t geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zichnog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers eenbijschriftleveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:De moeder Ismaëls!Op u een laatsten blik!Is ’t niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?—In elk geval is ’t zeer juist gezien deterugkeerendeHagar te beschrijven, „die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan.”Schema.Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:a.Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.b.Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.c.Opkomst en bloei van den Islam.d.Langzaam terugdringen door het Christendom.e.Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).f.Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).Belangrijke stof voor Da Costa.Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar metbezieling, metvuurheeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder!De stof was voor hem belangrijk: ’t was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maareen stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloofaan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:„God heeft een woord gesproken!Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”Vertrouwen op God.Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:„de dag bevestigt aan den dag,Wat Navarino eens met luid kanongedonderAan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”En nu redeneert Da Costa aldus:God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van ’t geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd,duszal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: „Wat tijden,vast voorzegd, van groote schuldvergeving.”)Schoonheden van het gedicht.Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.a.Beschrijving van den woestijn.Hierin treft ons vooral hetaanschouwelijke.—„Wij zien en ons schroeit de woestijn,” zegtPotgieterervan in zijn „Isaac Da Costa.”b.Schildering van Hagar in de woestenij.„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschenhoogmoedenberouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.„— — — — — — Slechts éen vrouw,Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouwEn kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”c.Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van dekameelenhet ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in ’t verband passen, dus eenhors d’oeuvrezijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geenmenschelijkenbondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts tweedierenzullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die „zijn ruiter knielendafwerpten weeropvangt”d.De uitbreiding van den Islam.Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.110 „’t Schiereilandgoothen uit.”—Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Hetonweerstaanbarevoelen we in: „Of zoo zich de Oceaan een baanveegtdoor de dijken.” Vooral regel 115 is zeer fraai: dehoogten(bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren teweerstaan, deglooiing(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts teweerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, ’t Is eene uitstekende oefening, omdat men dan ’t beeld als ’t ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.Nog dient gelet op de talrijkeimperatievenwelke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. „Buig Syrier!” „Torsch den last der Oostersche moskeeën!” „Zink onredbaar, Oosterchristenheid!”e.Beschrijving van Mohammed.Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161–186.a.Mohammed was eendichter.b.Hij was zeergodsdienstig.c.Hij had eerbied voor de vroegereprofeten, en bovenal voorJezus.d.Eenvoorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijdhervormt.e.Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er isgeen opzetin ’t spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maarverschoonbaar.f.De schildering van het Westersch Khalifaat.Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costamoesthet hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.Hoe dichterlijk is de vergelijking aan ’t slot:„De Christenvolken slapenHun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nachtBeheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”g.Beschrijving der Kruistochten.Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van ’tmislukkender kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”h.De beschrijving van ’t Duizendjarig Rijk.De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat „Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk” en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van ’t kind Jezus door de drie Koningen.Let ten slotte op de woordkeuze in ’t laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.i.De bekeerde Hagar.Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: „de hoogten vielen neer” en voor Sara’s voet ging zij haar „dwazen trots bekennen.”Critiek van Potgieter.Men leze nu de onderstaande verzen, doorPotgieterin zijn „Isaäc Da Costa” aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van ’t gedicht heeft aangegeven.„O Zoon van het Oost, die de zengende stralenGebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,Die moeder van tallooze volken zal zijn!’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!
Hagar.Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in ’t oog vatten,n.l.:Ontstaan.1.De eigenaardige wijze van ontstaan.Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgeverA. C. Krusemanuitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de „Bijbelsche Vrouwen”, een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus deaanstaandemoeder van Ismaël).Van den Boschzegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), „’t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in ’t gebaar van ’t zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in hetmooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: „Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan.”Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als ’t ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke ’t gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: „de Moeder Ismaëls”.Geloof van Da Costa.2.Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heelebeschouwing op geschiedkundiggebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot hetKatholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van ’tBijgeloof(Het Katholicisme), tegen hetWangeloof(De Islam).Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot hetRéveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is doorDen HertoginNoord en Zuid XVI, blz. 163–169. Vooral de aanhaling gedaan uit de „Standaard” is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van „Hagar” verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van ’t geheel vormen, aanhalen. „Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden enmannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden.”Duizendjarig rijk.Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamdemillennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: „kom Koning Jezus! kom, ja kom!” We wijzen hier op den slotzang van de „Vijf en twintig jaren”, op het laatste gedeelte van „Wachter wat is er van den Nacht?” op de schildering van het duizendjarig rijk in „Hagar”, op de slotverzen van „1648 en 1848”, van „RouwenTrouw”, op het motto van „de Chaos en het Licht”, op den slotzang van „de Slag bij Nieuwpoort”.Dat dit apocalyptische ook in „Hagar” de grondgedachte aangeeft, als ’t ware de kroon op ’t geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszinslijdelijkChristendom. „God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen.” Vandaar ook, datPotgieterin zijn critiek op „1648 en 1848” zegt: „Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft.”Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan ’t licht in de „Hagar”, als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben „vóór ’t rijpen van Gods tijden” (vgl.vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch („noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen”).Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen wede compositie van het gedichtnagaan.Grondgedachte van het gedicht.Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd:de strijd tusschen het Christendom en den Islam.Dit behoort nader aangetoond te worden. Deoorsprong van den strijdis de twist tusschen de beide stammoedersSaraenHagar. Veertien jaren later „herhaalt de moederzonde zich”:Ismaëlwerpt spottende blikken op den zuigelingIzaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, „wiens hand is tegen allen”, hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in ’t Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerstKarel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: „de Halvemaan gaat onder!” en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal „Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen,” dus:eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:„de tijd van groote schuldvergeving,Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa’s voorstelling.De grondgedachte van ’t gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking,n.l.deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium—de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over ’t geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zichnog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers eenbijschriftleveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:De moeder Ismaëls!Op u een laatsten blik!Is ’t niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?—In elk geval is ’t zeer juist gezien deterugkeerendeHagar te beschrijven, „die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan.”Schema.Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:a.Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.b.Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.c.Opkomst en bloei van den Islam.d.Langzaam terugdringen door het Christendom.e.Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).f.Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).Belangrijke stof voor Da Costa.Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar metbezieling, metvuurheeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder!De stof was voor hem belangrijk: ’t was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maareen stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloofaan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:„God heeft een woord gesproken!Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”Vertrouwen op God.Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:„de dag bevestigt aan den dag,Wat Navarino eens met luid kanongedonderAan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”En nu redeneert Da Costa aldus:God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van ’t geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd,duszal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: „Wat tijden,vast voorzegd, van groote schuldvergeving.”)Schoonheden van het gedicht.Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.a.Beschrijving van den woestijn.Hierin treft ons vooral hetaanschouwelijke.—„Wij zien en ons schroeit de woestijn,” zegtPotgieterervan in zijn „Isaac Da Costa.”b.Schildering van Hagar in de woestenij.„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschenhoogmoedenberouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.„— — — — — — Slechts éen vrouw,Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouwEn kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”c.Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van dekameelenhet ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in ’t verband passen, dus eenhors d’oeuvrezijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geenmenschelijkenbondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts tweedierenzullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die „zijn ruiter knielendafwerpten weeropvangt”d.De uitbreiding van den Islam.Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.110 „’t Schiereilandgoothen uit.”—Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Hetonweerstaanbarevoelen we in: „Of zoo zich de Oceaan een baanveegtdoor de dijken.” Vooral regel 115 is zeer fraai: dehoogten(bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren teweerstaan, deglooiing(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts teweerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, ’t Is eene uitstekende oefening, omdat men dan ’t beeld als ’t ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.Nog dient gelet op de talrijkeimperatievenwelke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. „Buig Syrier!” „Torsch den last der Oostersche moskeeën!” „Zink onredbaar, Oosterchristenheid!”e.Beschrijving van Mohammed.Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161–186.a.Mohammed was eendichter.b.Hij was zeergodsdienstig.c.Hij had eerbied voor de vroegereprofeten, en bovenal voorJezus.d.Eenvoorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijdhervormt.e.Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er isgeen opzetin ’t spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maarverschoonbaar.f.De schildering van het Westersch Khalifaat.Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costamoesthet hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.Hoe dichterlijk is de vergelijking aan ’t slot:„De Christenvolken slapenHun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nachtBeheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”g.Beschrijving der Kruistochten.Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van ’tmislukkender kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”h.De beschrijving van ’t Duizendjarig Rijk.De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat „Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk” en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van ’t kind Jezus door de drie Koningen.Let ten slotte op de woordkeuze in ’t laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.i.De bekeerde Hagar.Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: „de hoogten vielen neer” en voor Sara’s voet ging zij haar „dwazen trots bekennen.”Critiek van Potgieter.Men leze nu de onderstaande verzen, doorPotgieterin zijn „Isaäc Da Costa” aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van ’t gedicht heeft aangegeven.„O Zoon van het Oost, die de zengende stralenGebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,Die moeder van tallooze volken zal zijn!’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!
Hagar.Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in ’t oog vatten,n.l.:Ontstaan.1.De eigenaardige wijze van ontstaan.Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgeverA. C. Krusemanuitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de „Bijbelsche Vrouwen”, een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus deaanstaandemoeder van Ismaël).Van den Boschzegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), „’t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in ’t gebaar van ’t zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in hetmooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: „Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan.”Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als ’t ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke ’t gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: „de Moeder Ismaëls”.Geloof van Da Costa.2.Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heelebeschouwing op geschiedkundiggebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot hetKatholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van ’tBijgeloof(Het Katholicisme), tegen hetWangeloof(De Islam).Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot hetRéveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is doorDen HertoginNoord en Zuid XVI, blz. 163–169. Vooral de aanhaling gedaan uit de „Standaard” is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van „Hagar” verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van ’t geheel vormen, aanhalen. „Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden enmannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden.”Duizendjarig rijk.Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamdemillennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: „kom Koning Jezus! kom, ja kom!” We wijzen hier op den slotzang van de „Vijf en twintig jaren”, op het laatste gedeelte van „Wachter wat is er van den Nacht?” op de schildering van het duizendjarig rijk in „Hagar”, op de slotverzen van „1648 en 1848”, van „RouwenTrouw”, op het motto van „de Chaos en het Licht”, op den slotzang van „de Slag bij Nieuwpoort”.Dat dit apocalyptische ook in „Hagar” de grondgedachte aangeeft, als ’t ware de kroon op ’t geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszinslijdelijkChristendom. „God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen.” Vandaar ook, datPotgieterin zijn critiek op „1648 en 1848” zegt: „Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft.”Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan ’t licht in de „Hagar”, als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben „vóór ’t rijpen van Gods tijden” (vgl.vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch („noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen”).Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen wede compositie van het gedichtnagaan.Grondgedachte van het gedicht.Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd:de strijd tusschen het Christendom en den Islam.Dit behoort nader aangetoond te worden. Deoorsprong van den strijdis de twist tusschen de beide stammoedersSaraenHagar. Veertien jaren later „herhaalt de moederzonde zich”:Ismaëlwerpt spottende blikken op den zuigelingIzaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, „wiens hand is tegen allen”, hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in ’t Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerstKarel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: „de Halvemaan gaat onder!” en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal „Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen,” dus:eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:„de tijd van groote schuldvergeving,Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa’s voorstelling.De grondgedachte van ’t gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking,n.l.deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium—de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over ’t geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zichnog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers eenbijschriftleveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:De moeder Ismaëls!Op u een laatsten blik!Is ’t niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?—In elk geval is ’t zeer juist gezien deterugkeerendeHagar te beschrijven, „die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan.”Schema.Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:a.Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.b.Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.c.Opkomst en bloei van den Islam.d.Langzaam terugdringen door het Christendom.e.Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).f.Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).Belangrijke stof voor Da Costa.Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar metbezieling, metvuurheeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder!De stof was voor hem belangrijk: ’t was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maareen stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloofaan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:„God heeft een woord gesproken!Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”Vertrouwen op God.Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:„de dag bevestigt aan den dag,Wat Navarino eens met luid kanongedonderAan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”En nu redeneert Da Costa aldus:God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van ’t geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd,duszal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: „Wat tijden,vast voorzegd, van groote schuldvergeving.”)Schoonheden van het gedicht.Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.a.Beschrijving van den woestijn.Hierin treft ons vooral hetaanschouwelijke.—„Wij zien en ons schroeit de woestijn,” zegtPotgieterervan in zijn „Isaac Da Costa.”b.Schildering van Hagar in de woestenij.„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschenhoogmoedenberouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.„— — — — — — Slechts éen vrouw,Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouwEn kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”c.Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van dekameelenhet ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in ’t verband passen, dus eenhors d’oeuvrezijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geenmenschelijkenbondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts tweedierenzullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die „zijn ruiter knielendafwerpten weeropvangt”d.De uitbreiding van den Islam.Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.110 „’t Schiereilandgoothen uit.”—Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Hetonweerstaanbarevoelen we in: „Of zoo zich de Oceaan een baanveegtdoor de dijken.” Vooral regel 115 is zeer fraai: dehoogten(bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren teweerstaan, deglooiing(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts teweerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, ’t Is eene uitstekende oefening, omdat men dan ’t beeld als ’t ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.Nog dient gelet op de talrijkeimperatievenwelke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. „Buig Syrier!” „Torsch den last der Oostersche moskeeën!” „Zink onredbaar, Oosterchristenheid!”e.Beschrijving van Mohammed.Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161–186.a.Mohammed was eendichter.b.Hij was zeergodsdienstig.c.Hij had eerbied voor de vroegereprofeten, en bovenal voorJezus.d.Eenvoorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijdhervormt.e.Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er isgeen opzetin ’t spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maarverschoonbaar.f.De schildering van het Westersch Khalifaat.Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costamoesthet hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.Hoe dichterlijk is de vergelijking aan ’t slot:„De Christenvolken slapenHun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nachtBeheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”g.Beschrijving der Kruistochten.Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van ’tmislukkender kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”h.De beschrijving van ’t Duizendjarig Rijk.De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat „Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk” en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van ’t kind Jezus door de drie Koningen.Let ten slotte op de woordkeuze in ’t laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.i.De bekeerde Hagar.Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: „de hoogten vielen neer” en voor Sara’s voet ging zij haar „dwazen trots bekennen.”Critiek van Potgieter.Men leze nu de onderstaande verzen, doorPotgieterin zijn „Isaäc Da Costa” aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van ’t gedicht heeft aangegeven.„O Zoon van het Oost, die de zengende stralenGebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,Die moeder van tallooze volken zal zijn!’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!
Hagar.
Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in ’t oog vatten,n.l.:Ontstaan.1.De eigenaardige wijze van ontstaan.Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgeverA. C. Krusemanuitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de „Bijbelsche Vrouwen”, een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus deaanstaandemoeder van Ismaël).Van den Boschzegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), „’t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in ’t gebaar van ’t zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in hetmooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: „Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan.”Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als ’t ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke ’t gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: „de Moeder Ismaëls”.Geloof van Da Costa.2.Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heelebeschouwing op geschiedkundiggebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot hetKatholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van ’tBijgeloof(Het Katholicisme), tegen hetWangeloof(De Islam).Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot hetRéveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is doorDen HertoginNoord en Zuid XVI, blz. 163–169. Vooral de aanhaling gedaan uit de „Standaard” is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van „Hagar” verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van ’t geheel vormen, aanhalen. „Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden enmannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden.”Duizendjarig rijk.Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamdemillennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: „kom Koning Jezus! kom, ja kom!” We wijzen hier op den slotzang van de „Vijf en twintig jaren”, op het laatste gedeelte van „Wachter wat is er van den Nacht?” op de schildering van het duizendjarig rijk in „Hagar”, op de slotverzen van „1648 en 1848”, van „RouwenTrouw”, op het motto van „de Chaos en het Licht”, op den slotzang van „de Slag bij Nieuwpoort”.Dat dit apocalyptische ook in „Hagar” de grondgedachte aangeeft, als ’t ware de kroon op ’t geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszinslijdelijkChristendom. „God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen.” Vandaar ook, datPotgieterin zijn critiek op „1648 en 1848” zegt: „Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft.”Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan ’t licht in de „Hagar”, als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben „vóór ’t rijpen van Gods tijden” (vgl.vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch („noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen”).Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen wede compositie van het gedichtnagaan.Grondgedachte van het gedicht.Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd:de strijd tusschen het Christendom en den Islam.Dit behoort nader aangetoond te worden. Deoorsprong van den strijdis de twist tusschen de beide stammoedersSaraenHagar. Veertien jaren later „herhaalt de moederzonde zich”:Ismaëlwerpt spottende blikken op den zuigelingIzaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, „wiens hand is tegen allen”, hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in ’t Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerstKarel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: „de Halvemaan gaat onder!” en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal „Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen,” dus:eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:„de tijd van groote schuldvergeving,Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa’s voorstelling.De grondgedachte van ’t gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking,n.l.deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium—de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over ’t geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zichnog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers eenbijschriftleveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:De moeder Ismaëls!Op u een laatsten blik!Is ’t niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?—In elk geval is ’t zeer juist gezien deterugkeerendeHagar te beschrijven, „die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan.”Schema.Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:a.Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.b.Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.c.Opkomst en bloei van den Islam.d.Langzaam terugdringen door het Christendom.e.Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).f.Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).Belangrijke stof voor Da Costa.Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar metbezieling, metvuurheeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder!De stof was voor hem belangrijk: ’t was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maareen stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloofaan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:„God heeft een woord gesproken!Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”Vertrouwen op God.Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:„de dag bevestigt aan den dag,Wat Navarino eens met luid kanongedonderAan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”En nu redeneert Da Costa aldus:God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van ’t geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd,duszal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: „Wat tijden,vast voorzegd, van groote schuldvergeving.”)Schoonheden van het gedicht.Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.a.Beschrijving van den woestijn.Hierin treft ons vooral hetaanschouwelijke.—„Wij zien en ons schroeit de woestijn,” zegtPotgieterervan in zijn „Isaac Da Costa.”b.Schildering van Hagar in de woestenij.„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschenhoogmoedenberouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.„— — — — — — Slechts éen vrouw,Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouwEn kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”c.Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van dekameelenhet ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in ’t verband passen, dus eenhors d’oeuvrezijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geenmenschelijkenbondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts tweedierenzullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die „zijn ruiter knielendafwerpten weeropvangt”d.De uitbreiding van den Islam.Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.110 „’t Schiereilandgoothen uit.”—Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Hetonweerstaanbarevoelen we in: „Of zoo zich de Oceaan een baanveegtdoor de dijken.” Vooral regel 115 is zeer fraai: dehoogten(bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren teweerstaan, deglooiing(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts teweerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, ’t Is eene uitstekende oefening, omdat men dan ’t beeld als ’t ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.Nog dient gelet op de talrijkeimperatievenwelke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. „Buig Syrier!” „Torsch den last der Oostersche moskeeën!” „Zink onredbaar, Oosterchristenheid!”e.Beschrijving van Mohammed.Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161–186.a.Mohammed was eendichter.b.Hij was zeergodsdienstig.c.Hij had eerbied voor de vroegereprofeten, en bovenal voorJezus.d.Eenvoorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijdhervormt.e.Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er isgeen opzetin ’t spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maarverschoonbaar.f.De schildering van het Westersch Khalifaat.Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costamoesthet hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.Hoe dichterlijk is de vergelijking aan ’t slot:„De Christenvolken slapenHun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nachtBeheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”g.Beschrijving der Kruistochten.Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van ’tmislukkender kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”h.De beschrijving van ’t Duizendjarig Rijk.De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat „Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk” en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van ’t kind Jezus door de drie Koningen.Let ten slotte op de woordkeuze in ’t laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.i.De bekeerde Hagar.Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: „de hoogten vielen neer” en voor Sara’s voet ging zij haar „dwazen trots bekennen.”Critiek van Potgieter.Men leze nu de onderstaande verzen, doorPotgieterin zijn „Isaäc Da Costa” aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van ’t gedicht heeft aangegeven.„O Zoon van het Oost, die de zengende stralenGebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,Die moeder van tallooze volken zal zijn!’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!
Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in ’t oog vatten,n.l.:
Ontstaan.1.De eigenaardige wijze van ontstaan.Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgeverA. C. Krusemanuitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de „Bijbelsche Vrouwen”, een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus deaanstaandemoeder van Ismaël).Van den Boschzegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), „’t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in ’t gebaar van ’t zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in hetmooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: „Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan.”
Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als ’t ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke ’t gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: „de Moeder Ismaëls”.
Geloof van Da Costa.2.Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.
De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heelebeschouwing op geschiedkundiggebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot hetKatholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van ’tBijgeloof(Het Katholicisme), tegen hetWangeloof(De Islam).
Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot hetRéveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is doorDen HertoginNoord en Zuid XVI, blz. 163–169. Vooral de aanhaling gedaan uit de „Standaard” is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van „Hagar” verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van ’t geheel vormen, aanhalen. „Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden enmannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden.”
Duizendjarig rijk.Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamdemillennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: „kom Koning Jezus! kom, ja kom!” We wijzen hier op den slotzang van de „Vijf en twintig jaren”, op het laatste gedeelte van „Wachter wat is er van den Nacht?” op de schildering van het duizendjarig rijk in „Hagar”, op de slotverzen van „1648 en 1848”, van „RouwenTrouw”, op het motto van „de Chaos en het Licht”, op den slotzang van „de Slag bij Nieuwpoort”.
Dat dit apocalyptische ook in „Hagar” de grondgedachte aangeeft, als ’t ware de kroon op ’t geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszinslijdelijkChristendom. „God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen.” Vandaar ook, datPotgieterin zijn critiek op „1648 en 1848” zegt: „Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft.”
Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan ’t licht in de „Hagar”, als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben „vóór ’t rijpen van Gods tijden” (vgl.vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch („noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen”).
Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen wede compositie van het gedichtnagaan.
Grondgedachte van het gedicht.Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd:de strijd tusschen het Christendom en den Islam.
Dit behoort nader aangetoond te worden. Deoorsprong van den strijdis de twist tusschen de beide stammoedersSaraenHagar. Veertien jaren later „herhaalt de moederzonde zich”:Ismaëlwerpt spottende blikken op den zuigelingIzaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, „wiens hand is tegen allen”, hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in ’t Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerstKarel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: „de Halvemaan gaat onder!” en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal „Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen,” dus:eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:
„de tijd van groote schuldvergeving,Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”
„de tijd van groote schuldvergeving,
Van voor geheel deze aard volzalige herleving.”
Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa’s voorstelling.
De grondgedachte van ’t gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking,n.l.deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).
In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium—de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over ’t geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zichnog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers eenbijschriftleveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:
De moeder Ismaëls!Op u een laatsten blik!
De moeder Ismaëls!
Op u een laatsten blik!
Is ’t niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?—In elk geval is ’t zeer juist gezien deterugkeerendeHagar te beschrijven, „die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan.”
Schema.Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:
a.Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.
b.Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.
c.Opkomst en bloei van den Islam.
d.Langzaam terugdringen door het Christendom.
e.Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).
f.Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).
Belangrijke stof voor Da Costa.Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar metbezieling, metvuurheeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder!De stof was voor hem belangrijk: ’t was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maareen stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloofaan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:
„God heeft een woord gesproken!Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”
„God heeft een woord gesproken!
Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken.”
Vertrouwen op God.Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:
„de dag bevestigt aan den dag,Wat Navarino eens met luid kanongedonderAan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”
„de dag bevestigt aan den dag,
Wat Navarino eens met luid kanongedonder
Aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder.”
En nu redeneert Da Costa aldus:
God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van ’t geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd,duszal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: „Wat tijden,vast voorzegd, van groote schuldvergeving.”)
Schoonheden van het gedicht.Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.
a.Beschrijving van den woestijn.
Hierin treft ons vooral hetaanschouwelijke.—„Wij zien en ons schroeit de woestijn,” zegtPotgieterervan in zijn „Isaac Da Costa.”
b.Schildering van Hagar in de woestenij.
„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”
„’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte.”
We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschenhoogmoedenberouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.
„— — — — — — Slechts éen vrouw,Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouwEn kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”
„— — — — — — Slechts éen vrouw,
Met fierheid, diep verneerd, in ’t oog,—met naberouw
En kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,—
Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden.”
c.Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.
Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van dekameelenhet ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in ’t verband passen, dus eenhors d’oeuvrezijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geenmenschelijkenbondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts tweedierenzullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.
Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die „zijn ruiter knielendafwerpten weeropvangt”
d.De uitbreiding van den Islam.
Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.
110 „’t Schiereilandgoothen uit.”—Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Hetonweerstaanbarevoelen we in: „Of zoo zich de Oceaan een baanveegtdoor de dijken.” Vooral regel 115 is zeer fraai: dehoogten(bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren teweerstaan, deglooiing(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts teweerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, ’t Is eene uitstekende oefening, omdat men dan ’t beeld als ’t ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.
Nog dient gelet op de talrijkeimperatievenwelke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. „Buig Syrier!” „Torsch den last der Oostersche moskeeën!” „Zink onredbaar, Oosterchristenheid!”
e.Beschrijving van Mohammed.
Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161–186.
a.Mohammed was eendichter.
b.Hij was zeergodsdienstig.
c.Hij had eerbied voor de vroegereprofeten, en bovenal voorJezus.
d.Eenvoorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijdhervormt.
e.Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er isgeen opzetin ’t spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maarverschoonbaar.
f.De schildering van het Westersch Khalifaat.
Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costamoesthet hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.
Hoe dichterlijk is de vergelijking aan ’t slot:
„De Christenvolken slapenHun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nachtBeheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”
„De Christenvolken slapen
Hun middeleeuwschen slaap. ’t Is nacht. Maar juist die nacht
Beheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.”
g.Beschrijving der Kruistochten.
Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van ’tmislukkender kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:
„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”
„Der talen sleutel weêr—, de Drukkunst uitgevonden,
De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,
Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,
Van ’t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid.”
h.De beschrijving van ’t Duizendjarig Rijk.
De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat „Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk” en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van ’t kind Jezus door de drie Koningen.
Let ten slotte op de woordkeuze in ’t laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.
i.De bekeerde Hagar.
Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: „de hoogten vielen neer” en voor Sara’s voet ging zij haar „dwazen trots bekennen.”
Critiek van Potgieter.Men leze nu de onderstaande verzen, doorPotgieterin zijn „Isaäc Da Costa” aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van ’t gedicht heeft aangegeven.
„O Zoon van het Oost, die de zengende stralenGebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,Die moeder van tallooze volken zal zijn!’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!
„O Zoon van het Oost, die de zengende stralen
Gebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,—
Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,
Die moeder van tallooze volken zal zijn!
’t Penseel wijkt beschaamd voor uw schild’ring van smarte,
Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,
En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,
Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!