Van den Vos Reynaerde.Ontstaan van de dierenverhalen.Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.Oorsprong van den Reinaert.Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13eeeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl.Le Plaid(het pleidooi). Eenvertalingis het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwatvoorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.Letterkundige waarde.Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.Tweeslachtigheid.Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we metdierente doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.Schrijver.De aanvang van den Reinaert luidt:„Willem, die Madocke1makede,Daar hi dicke omme wakede,Hem vernoide soo haerdeDat eene avonture van ReinaerdeIn dietsche was onghemaket bleven(Die Aernout niet en hadde bescreven),Dat hi die vite dede soukenEnde hise uten walschen boukenIn dietsche dus hevet begonnen.”en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat ertwee schrijverszijn geweest: een oudere,Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere,Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.Bespreking van de verschillende karakters.Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑
Van den Vos Reynaerde.Ontstaan van de dierenverhalen.Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.Oorsprong van den Reinaert.Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13eeeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl.Le Plaid(het pleidooi). Eenvertalingis het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwatvoorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.Letterkundige waarde.Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.Tweeslachtigheid.Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we metdierente doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.Schrijver.De aanvang van den Reinaert luidt:„Willem, die Madocke1makede,Daar hi dicke omme wakede,Hem vernoide soo haerdeDat eene avonture van ReinaerdeIn dietsche was onghemaket bleven(Die Aernout niet en hadde bescreven),Dat hi die vite dede soukenEnde hise uten walschen boukenIn dietsche dus hevet begonnen.”en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat ertwee schrijverszijn geweest: een oudere,Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere,Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.Bespreking van de verschillende karakters.Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑
Van den Vos Reynaerde.Ontstaan van de dierenverhalen.Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.Oorsprong van den Reinaert.Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13eeeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl.Le Plaid(het pleidooi). Eenvertalingis het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwatvoorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.Letterkundige waarde.Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.Tweeslachtigheid.Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we metdierente doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.Schrijver.De aanvang van den Reinaert luidt:„Willem, die Madocke1makede,Daar hi dicke omme wakede,Hem vernoide soo haerdeDat eene avonture van ReinaerdeIn dietsche was onghemaket bleven(Die Aernout niet en hadde bescreven),Dat hi die vite dede soukenEnde hise uten walschen boukenIn dietsche dus hevet begonnen.”en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat ertwee schrijverszijn geweest: een oudere,Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere,Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.Bespreking van de verschillende karakters.Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑
Van den Vos Reynaerde.
Ontstaan van de dierenverhalen.Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.Oorsprong van den Reinaert.Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13eeeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl.Le Plaid(het pleidooi). Eenvertalingis het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwatvoorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.Letterkundige waarde.Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.Tweeslachtigheid.Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we metdierente doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.Schrijver.De aanvang van den Reinaert luidt:„Willem, die Madocke1makede,Daar hi dicke omme wakede,Hem vernoide soo haerdeDat eene avonture van ReinaerdeIn dietsche was onghemaket bleven(Die Aernout niet en hadde bescreven),Dat hi die vite dede soukenEnde hise uten walschen boukenIn dietsche dus hevet begonnen.”en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat ertwee schrijverszijn geweest: een oudere,Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere,Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.Bespreking van de verschillende karakters.Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.
Ontstaan van de dierenverhalen.Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.
Oorsprong van den Reinaert.Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13eeeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl.Le Plaid(het pleidooi). Eenvertalingis het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwatvoorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.
Letterkundige waarde.Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.
Tweeslachtigheid.Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we metdierente doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.
Schrijver.De aanvang van den Reinaert luidt:
„Willem, die Madocke1makede,Daar hi dicke omme wakede,Hem vernoide soo haerdeDat eene avonture van ReinaerdeIn dietsche was onghemaket bleven(Die Aernout niet en hadde bescreven),Dat hi die vite dede soukenEnde hise uten walschen boukenIn dietsche dus hevet begonnen.”
„Willem, die Madocke1makede,
Daar hi dicke omme wakede,
Hem vernoide soo haerde
Dat eene avonture van Reinaerde
In dietsche was onghemaket bleven
(Die Aernout niet en hadde bescreven),
Dat hi die vite dede souken
Ende hise uten walschen bouken
In dietsche dus hevet begonnen.”
en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat ertwee schrijverszijn geweest: een oudere,Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere,Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.
Bespreking van de verschillende karakters.Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.
Bespreking van de verschillende karakters.
Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”en verder:„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:„Die papen connen soo menich baraet” (= list)spreken boekdeelen.Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.
Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid.Reinaert.De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’nschranderheiden z’nmoed, die soms zelfs overslaat totbrutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen vanCantecleerheeft weten te pakken, de wijze waaropBruinenTibeertbeet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koningNobelen de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:
(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staenUp sine achterste twee beeneEnde maende die diere, groot ende cleene,Datsi alle voer hem baden,Of si an sine weldadenGherecht deel hebben wouden.Si seiden alle datsi soudenSijns ghedinken in haer ghebede.
(vers 3044)Na dese tale ghinc hi staen
Up sine achterste twee beene
Ende maende die diere, groot ende cleene,
Datsi alle voer hem baden,
Of si an sine weldaden
Gherecht deel hebben wouden.
Si seiden alle datsi souden
Sijns ghedinken in haer ghebede.
Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij aldie botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen vanCuwaerten den aartsdommen en verwaandenBelijnis bij dit alles vergeleken kinderspel.
Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent dezwakhedenvan zijn tegenstanders.
Tegenover den Beer.Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten!Bruunkomt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijkevraatzuchtvan den beer, hij weet dat ’t enkele woordhonighem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:
„Helpe, dor die doot, Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Honich es eene soete spiseDie ic voor alle gherechten prise,Ende voor alle gherechten minne,Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”
„Helpe, dor die doot, Reinaert,
Hebdi honich dus onwaert?
Honich es eene soete spise
Die ic voor alle gherechten prise,
Ende voor alle gherechten minne,
Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”
De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”
Tegenover den Kater.OokTibeertis eenvraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizeneten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!
Tegenover den Leeuw.Bij koningNobelis ’t een verwante eigenschap: ook hierbegeerigheid, nu niet naar lekker eten, maardorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdedigerGrimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen vanCuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.
Moed van Reinaert.Reynaerts tweede eigenschap, zijnmoed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning
„In alsoo bouden ghebare,Ghelijc of hi sconincx sone ware.”
„In alsoo bouden ghebare,
Ghelijc of hi sconincx sone ware.”
Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.
Spotzucht.Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijnspotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:
„Nu seghet priester, soete vrient,Bi den heere dien ghi dient:In wat ordinen wildi u doen,Dat ghi draghet rooden caproen?Weder sidi abt so priore?Hi ghinc u harde na den ooreDie u dese crune hevet bescoren.Ghi hebt uwen top verlorenEnde uwe hantscoen af ghedaen:Ic wane ghi wilt singhen gaenVan uwen complete dat ghetide.”
„Nu seghet priester, soete vrient,
Bi den heere dien ghi dient:
In wat ordinen wildi u doen,
Dat ghi draghet rooden caproen?
Weder sidi abt so priore?
Hi ghinc u harde na den oore
Die u dese crune hevet bescoren.
Ghi hebt uwen top verloren
Ende uwe hantscoen af ghedaen:
Ic wane ghi wilt singhen gaen
Van uwen complete dat ghetide.”
BijTibeertis het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:
„Vindise goetDie muse, Tibeert, ende vet?”
„Vindise goet
Die muse, Tibeert, ende vet?”
en verder:
„Tibeert, ghi singhet als ghi et,Pleghet men tes coninx hove des?”
„Tibeert, ghi singhet als ghi et,
Pleghet men tes coninx hove des?”
De arme wolvinHersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:
„Ghi sijt, des gheloovet miEen die liefste van minen maghen.Bedi sal ic u scoen andraghen.God weet, dat es al uwe bate.Ghi sult an dien hooghen aflateDeelen ende an alt pardoen,Dat ic, lieve moie, in u scoenSal bejaghen over see.”
„Ghi sijt, des gheloovet mi
Een die liefste van minen maghen.
Bedi sal ic u scoen andraghen.
God weet, dat es al uwe bate.
Ghi sult an dien hooghen aflate
Deelen ende an alt pardoen,
Dat ic, lieve moie, in u scoen
Sal bejaghen over see.”
Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen:Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparendevos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.
De Reinaert als satire.In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat inMaerlantswerken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigenMaerlantsMartijnzangen,Der Kerken Clagheen zijnVan den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk isBelijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:
„Die papen connen soo menich baraet” (= list)
„Die papen connen soo menich baraet” (= list)
spreken boekdeelen.
Parodie op ridderromans.Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als inCarel ende Elegastvermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.
1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑
1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑
1Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑