DE AANVAL DER NEDERLANDSCHE TROEPEN OP DE SCHAERBEEKSCHE POORT TE BRUSSEL.
DE AANVAL DER NEDERLANDSCHE TROEPEN OP DE SCHAERBEEKSCHE POORT TE BRUSSEL.
Intusschen breidde de opstand in de Belgische steden zich meer en meer uit. Te Antwerpen werd den 27 Oct. 1830 den opstandelingen een gevoelige les gelezen. Baron Chassé toch bombardeerde het oproerige Antwerpen uit de naburige Citadel zoodanig dat de vijanden verplicht werden, al de voorwaarden aan te nemen, welke de grijze Chassé hun voorschreef en waarbij zij zich verbindenmoesten, voortaan alle vijandelijkheden te staken. De Belgen schonden echter gedurig deze overeenkomst. Dit bleek onder anderen op den 5 Febr. 1831. De kanonneerboot No. 2, onder bevel van den dapperen luitenant J. C. J. van Speyk, was door een zwaren storm bij Antwerpen aan wal gedreven, waarop de Belgen zich eensklaps met een groote overmacht op het gestrande vaartuig wierpen en eischten, dat de bevelhebber zich zou overgeven. In plaats echter van aan dezen eisch te voldoen, snelt Van Speyk naar beneden, steekt den brand in het kruit en vliegt, als een tweede Klaassens, met vriend en vijand in de lucht.
J. C. J. VAN SPEYK.
J. C. J. VAN SPEYK.
Deze heldhaftige zelfopoffering bezielde de geheele natie met een heldenmoed, waarvan in den kort daaropvolgenden tiendaagschen veldtocht de schoonste blijken gegeven werden.
De Belgen toch dreven hun ondankbaarheid zoover, dat zij het stamhuis van Oranje voor altijd van den troon uitsloten. Na langdurige beraadslagingen hadden zij prins Leopold van Saksen Coburg tot hun Koning verkozen. Willem I verklaarde echter, dat hij dien prinsals zijn vijand beschouwde en gewapenderhand zijne rechten verdedigen zou.
Daarop stelde zich ons leger den 2 Aug. 1831 in beweging, onder aanvoering van den Prins van Oranje en Prins Frederik en reeds op den 3 Aug. werd Turnhout ingenomen. Daarna werden achtereenvolgens bij Diest, Bheringen, Hasselt en Bautersem slagen geleverd, waarbij de Belgen overal de nederlaag leden en schandelijk vluchten moesten. Nu zette het zegevierende leger zijn tocht naar Leuven voort. Het was op den weg derwaarts, dat het paard van den Prins van Oranje, door een kogel getroffen, dood ter aarde stortte. Hierop werden de Belgen, met prins Leopold aan hun hoofd, zoodanig geslagen, dat alles verloren was, en het Nederlandsche leger den 13 Aug. Leuven zegevierend binnentrok. Na deze overwinning werd ons dapper leger eensklaps in zijn verdere ondernemingen gestuit, daar, op verzoek van prins Leopold, een Fransch leger van 50.000 man, onder den maarschalk Gerard, de Belgen te hulp snelde. De Engelsche gezant Sir Robert verscheen in het hoofdkwartier van den Prins om aan dezen dit bekend te maken. Deze Fransche hulp, door Engeland dus goedgekeurd, stelde onze moedige krijgslieden zeer te leur, daar zij op het punt stonden, ook België's hoofdstad in te nemen. Onze moedige veldheer, de hertog van Saksen-Weimar, was reeds met zijne dapperen Leuven voorbij gesneld en den weg naar Brussel ingeslagen, alles voor zich doende vluchten,—toen een renbode, door den Prins van Oranje afgezonden, hem den last gaf, van verdere vervolging af te zien. Groot was zijn spijt, doch hij moest terugtrekken, daar de prins van zijn vader bevel ontvangen had, geen strijd met de Franschen aan te vangen. Dit toch had aanleiding kunnen geven toteen Europeeschen oorlog. Zoo eindigde de tiendaagsche veldtocht, die altijd in onze geschiedenis een eervolle plaats bekleeden zal.
SLAG BIJ HASSELT.
SLAG BIJ HASSELT.
Uit de kanonnen, die men in den tiendaagschen veldtocht veroverd had, werden metalen kruisen gemaakt, die den soldaten als eereteeken werden uitgereikt. Met een lintje op de borst vastgehecht, waren die kruisen voor de oud-strijders een sieraad, dat ze niet voor goud zouden willen geruild hebben.
Frankrijk en Engeland leggen beslag op onze schepen.—De Franschen bombardeeren Antwerpen's Citadel.—Willem I teekent in 1839 de 34 artikelen.—Het Reveil.
In Londen werd in dezen tijd een vergadering (Conferentie) van gevolmachtigden der vijf groote mogendheden (Frankrijk, Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen) gehouden. Deze bood thans een traktaat van scheiding, bestaande uit 24 artikelen, aan, dat door België aangenomen, doch door onzen Koning, evenals een vroeger uit 18 artikelen bestaand traktaat, geweigerd werd. Toen Engeland en Frankrijk zagen, dat onze Koning in zijne weigering bleef volharden, kwamen zij in 1832overeen, het genoemde traktaat door dwangmiddelen ten uitvoer te leggen. Dientengevolge werd, tegen alle recht, beslag (embargo) op onze schepen gelegd, terwijl te gelijkertijd een Fransch leger van 70.000 man in België rukte, om het kasteel bij Antwerpen in bezit te nemen. De dappere Chassé bleef evenwel de overgave volstandig weigeren. En nu had er gedurende 24 dagen een bombardement plaats, zooals er wellicht nooit een aanschouwd werd. De Citadel was in de gedaante van een vijfhoek voortreffelijk aangelegd. Eene afdeeling kanonneerbooten, onder Schout bij nacht Koopman, belemmerde de Franschen aan de rivierzijde. Hoewel steedsuit 14 batterijen een regen van kogels, bommen en houwitsers op het kasteel neerplofte, waren de Franschen, die ten hoogste op 10 dagen wederstand gerekend hadden, na verloop van dien tijd nog niets gevorderd. Eerst toen na 25 dagen beleg, van 30 Nov. tot 24 Dec., de sterkte als tot een puinhoop was geschoten, de bomvrije gebouwen vernield, de waterputten ingestort waren en een bres, 33 Meter breed, de gracht had gevuld, bood Chassé de ontruiming aan. Omdat echter Gerard ook nog de overgave van een paar andere forten eischte, waaraan Chassé niet kon voldoen, moest de bezetting krijgsgevangen blijven. Koopman verbrandde zijne vaartuigen liever, dan dat hij ze overgaf. Zulk een standvastige moed boezemde zelfs den Franschen zoo groote hoogachting voor onze krijgslieden in, dat zij die bij elke voorkomende gelegenheid betuigden.
Na de vermeestering van de Citadel, welke den Franschen volgens hunne eigene opgave 3700 dooden en 8000 gewonden gekost heeft, werd den 21 Mei 1833 te Londen eene overeenkomst getroffen, waarbij het embargo opgeheven en onze krijgsgevangenen in Frankrijk vrijheid gegeven werd naar hun vaderland terug te keeren, waar zij onder luide toejuichingen verwelkomd werden. Ofschoon na deze laatste gebeurtenis alle vijandelijkheden tusschen ons land en België een einde namen, bleven echter de bestaande geschillen tot in 1839 voortduren, wanneer het bovengenoemde tractaat van scheiding door Willem I aangenomen en de vrede tusschen Nederland en België hersteld werd.
Door dezen strijd met België was ons land diep in schulden geraakt, die 2200 millioen gulden bedroegen, waarvan 40 millioen gulden rente betaald moest worden.
RUÏNE VAN DE KERK EN HET HUIS VAN CHASSÉ, IN DEN CITADEL VAN ANTWERPEN.
RUÏNE VAN DE KERK EN HET HUIS VAN CHASSÉ, IN DEN CITADEL VAN ANTWERPEN.
Ongeloof en revolutie kregen in dezen tijd hoe langerhoe meer invloed op ons volk. Gelukkig werd er in ons vaderland een geestelijke opwekking bespeurd, hetreveilgeheeten en mochten wij onder ons volk vele helden des geloofs zien optreden, als de dichters Bilderdijk en Da Costa, verder Groen van Prinsterer, Capadose en zoo velen meer. Vol geestdrift zong Da Costa:
„Zij zullen het niet hebben,Ons oude Nederland!Het bleef bij alle ellendenGods en der Vaad'ren pand!Zij zullen het niet hebben,De goden van den tijd!Niet om hun erf te wezen,Heeft God het ons bevrijd.Met al hun schoone woorden,Met al hun stout geschreeuw,Zij zullen het niet hebben,De Goden dezer eeuw.Tenzij het woord des ZwijgersMoedwillig werd verzaakt:'k Heb met den Heer der HeerenEen vast verbond gemaakt”.
„Zij zullen het niet hebben,Ons oude Nederland!Het bleef bij alle ellendenGods en der Vaad'ren pand!Zij zullen het niet hebben,De goden van den tijd!Niet om hun erf te wezen,Heeft God het ons bevrijd.
„Zij zullen het niet hebben,
Ons oude Nederland!
Het bleef bij alle ellenden
Gods en der Vaad'ren pand!
Zij zullen het niet hebben,
De goden van den tijd!
Niet om hun erf te wezen,
Heeft God het ons bevrijd.
Met al hun schoone woorden,Met al hun stout geschreeuw,Zij zullen het niet hebben,De Goden dezer eeuw.Tenzij het woord des ZwijgersMoedwillig werd verzaakt:'k Heb met den Heer der HeerenEen vast verbond gemaakt”.
Met al hun schoone woorden,
Met al hun stout geschreeuw,
Zij zullen het niet hebben,
De Goden dezer eeuw.
Tenzij het woord des Zwijgers
Moedwillig werd verzaakt:
'k Heb met den Heer der Heeren
Een vast verbond gemaakt”.
Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon Willem II volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder den Minister Van Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.
Na den vrede met België verlangde ook Koning Willem I naar rust. De groote en moeilijke staatszorgen, voornamelijk gedurende den Belgischen opstand getorst en tamelijk hooge ouderdom, deden den vorst die rust als gewenscht voorkomen. In 1840 nam hij dan ook het besluit, om ten behoeve van zijnen dapperen oudsten zoon, afstand van de kroon te doen. Deze vrijwillige afstand had plaats den 8 Oct. 1840. Op dienzelfden dag werd de Prins van Oranje, onder den naam van Willem II, tot Koning der Nederlanden uitgeroepen.
Alom mocht Willem II de ondubbelzinnigste blijken van vreugde bij de ingezetenen wegens zijne troonbeklimming ontvangen. Niet lang echter mocht zijn vader, die bij het nederleggen van de kroon den titel van graaf van Nassau aangenomen had, de rust zijns ouderdoms smaken. Den 12 Dec. 1843 werd hij te Berlijn door een beroerte plotseling uit het leven weggerukt, in den ouderdom van 71 jaar. Zijn stoffelijk overschot, over zee naar het vaderland vervoerd, werd door zijn doorluchtige zonen en kleinzonen den 2 Jan. 1844 met alle eer enplechtigheid in het vorstelijk familiegraf te Delft ter aarde besteld.
Willem II, die als prins de Nederlanders tweemaal ter overwinning had geleid, heeft slechts negen jaar mogen regeeren. Onder zijn bewind begonnen de goede gevolgen, die de scheiding van België voor onzen handel en zeevaart had, meer en meer te blijken. Ze werden bevorderd door de opheffing der acte van Navigatie in Engeland en vrijere scheepvaartwetten, die bij ons daarop volgden. De winstgevende vrachtvaart herleefde en de toenemende vraag naar onze grondvoortbrengselen opende ook voor den landbouw een tijdperk van ongekende welvaart.
Den 28 Nov. 1840 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam ingehuldigd, begon Willem II onder geen gunstige omstandigheden de regeering. De langdurige oorlog met België deed het land onder den last der Staatsschuld zuchten, terwijl de bestaande instellingen velen niet naar den zin waren. Nadat reeds twee wetsontwerpen ter verbetering van 's lands geldmiddelen waren afgekeurd, werd er in 1843 door den minister Van Hall een gedwongen heffing op het inkomen van ieder burger voorgesteld, waarvan men zich echter bevrijden kon door eene vrijwillige geldleening van 127 millioen gulden tegen 3 % rente. Niemand dacht, dat deze leening zou tot stand komen. Doch nu bleek het ook, hoezeer de natie aan haar Koning gehecht was. Den 6 Maart 1844 was een ware feestdag, want het genoemde kapitaal werd op weinig na volteekend; ieder, die iets had bij te dragen, nam er deel in, terwijl het ontbrekende door den Koning uit eigen middelen grootmoedig werd aangevuld. Door dit nationaal offer kreeg de regeering nu de handen ruim en werd zij weldra in staat gesteld, om orde enverbetering in de geldmiddelen van den Staat te brengen.
KONING WILLEM II EN ZIJNE GEMALIN ANNA PAULONA MET HUNNE KINDEREN.
KONING WILLEM II EN ZIJNE GEMALIN ANNA PAULONA MET HUNNE KINDEREN.
Een treurige en onvoorziene ramp deed zich in 1846 zoo hier als elders gevoelen, n.l. een vreeselijke ziekte onder de aardappelen, waardoor de prijzen der andere levensmiddelen aanmerkelijk stegen. Op sommige plaatsen in ons vaderland, vooral in Friesland en Groningen werd hierdoor veel beweging en opschudding veroorzaakt. In weerwil van de leniging der armoede door de Nederlandsche weldadigheid nam door dit alles de landverhuizing naar Noord-Amerika, vooral in navolging van Duitschland, hier zeer toe.
In Frankrijk brak in 1848 een nieuwe omwenteling uit. Lodewijk Filips, sedert 1830 Koning der Franschen, moest evenals zijn voorganger Karel X, den Franschen troon verlaten. De vrijheidskoorts, in Frankrijk begonnen, verspreidde zich weldra door bijna geheel Europa. In alle Duitsche Staten, in Oostenrijk, Pruisen, ook in Napels, Rome, Lombardije en Denemarken stond het volk tegen zijn wettigen souverein op, hetgeen van ontzettende moordtooneelen vergezeld ging. Hier te lande bleef het volk rustig, hoewel er het nadeel der naburige ongeregeldheden diep gevoeld werd door vele handelshuizen, die groote verliezen leden. Doch ook hier lieten de kreten om herziening der grondwet zich al luider hooren. De ministers zagen echter geen gevaar en bleven even lauw op den weg ter verbetering als vroeger. Toen was het Willem II, die met krachtige hand op eens de donkere toekomst in een helderen en blijden dag deed verkeeren. Zonder langer op zijne ministers te wachten deed hij zelf in Maart 1848 het volk de toezegging, dat de verlangde verbeteringen in de grondwet met milde hand zouden geschonken worden. Luid werd deze handelwijze des Konings geprezen. En terwijl in anderelanden door oproer en geweld de hervormingen werden afgeperst, kwam in ons land de grondwetsherziening door samenwerking van vorst en volk tot stand. Toch moet erkend worden, dat alle veranderingen, die hier werden ingevoerd, nog geen verbeteringen waren, daar ze grootendeels in het revolutiebeginsel waren geworteld. De geest der eeuw, waar DaCostazoo vol geestdrift tegen getuigde, werd ook hier telkens machtiger. Het ongeloof zat bij ons op den troon en aan het geloof werd ook zelfs het bescheidenste plaatsje misgund. Scholenzonderden Bijbel werden b.v. rijkelijk met staatsgeld ondersteund.
De Grondwet van 1848 behelsde o.a. de volgende bepalingen:
De Kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het Huis Oranje. De Koning heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording verschuldigd zijn aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en Tweede Kamer. De leden der Eerste Kamer worden door de provinciale Staten benoemd uit de in de directe belastingen hoogst aangeslagenen. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers gekozen, die meerderjarig zijn en aan zekere vereischten moeten voldoen. Zij hebben zitting voor vier jaren. De Staatswetten worden namens den Koning door de ministers aan de leden der Tweede Kamer voorgelegd. Deze hebben het recht vanamendement, d. w. z. zij mogen veranderingen in deze wetten voorstellen; het recht vaninitiatief, d. w. z. zij mogenzelf een wet voorstellen en het recht van interpellatie, d. w. z. zij mogen inlichtingen aan een minister vragen omtrent diens handelingen en gebeurtenissen, die in zijn departement zijn voorgevallen. De Eerste Kamer heeft niet het recht van amendement, en moet alzoo de wet, gelijk die aangeboden is, bij meerderheid van stemmen aannemen of verwerpen. Wordt eene door de Tweede Kamer aangenomen wet ook door de Eerste Kamer aangenomen, dan wordt die wet den Koning ter onderteekening aangeboden, maar verkrijgt nog geen kracht van uitvoering, voordat de minister, onder wiens departement de wet behoort, haar mede onderteekend heeft. Zoo is ook geen Koninklijk Besluit geldig zonder zulk een ministeriëele medeonderteekening (hetContre-Seign). Hierdoor wordt de ministerverantwoordelijk.
Alle ingezetenen van ons land hebben het recht vanpetitie, d.i. om zich schriftelijk met verzoeken te zamen of afzonderlijk te wenden tot de bevoegde macht. In Nederland bestaat vrijheid van godsdienst.
De staatsman J. R. Thorbecke had een belangrijk aandeel in de samenstelling der nieuwe Grondwet en wilde daardoor onzen staat verheffen „tot een vrij volk met een vrije regeering.” Omdat hij hierbij echter te veel van de beginselen der revolutie uitging, werd hij steeds bestreden door den uitnemenden Staatsman en historieschrijver Mr. G. Groen v. Prinsterer. Thorbecke is driemaal 't hoofd van 't ministerie geweest, te zamen acht jaar lang. Hij overleed in 1872, terwijl Groen van Prinsterer in 1876 van ons werd weggenomen.
Koning Willem III.—Onze Koloniën.
In 1848 werd het tweede eeuwfeest van den Munsterschen vrede met luister gevierd o.a. door de onthulling van het standbeeld van den grooten grondlegger der Nederlandsche vrijheid, Prins Willem I, op het Plein te 's-Gravenhage.
De regeering van Willem II was kort. In het begin van 1849 begaf de vorst zich naar Tilburg, waar hij vele goederen bezat. Aldaar werd hij door hevige koortsen aangetast, die na weinige dagen reeds een einde aan zijn leven maakten, den 17 Maart 1849. Hij had slechts den ouderdom van 56 jaren bereikt. Onder de algemeene droefheid des volks werd het stoffelijk overschot van den held van Waterloo te Delft met meer dan vorstelijke pracht ter aarde besteld. Weinige jaren daarna werd ter eere van Willem II te 's-Gravenhage een standbeeld opgericht. De Prins van Oranje bevond zich juist in het Noorden van Engeland, toen de noodlottige tijding van den dood zijns vaders hem bericht werd. Na weinige dagen keerde hij in het vaderland terug en aanvaardde hij weldra, onder den naam van Willem III, de regeering en werd kort daarna den 12 Mei 1849 te Amsterdam in de Nieuwe kerk plechtig als zoodanig gehuldigd. Van het overlijden van Willem II en de troonsbestijging van Willem III zong de dichter:
„Daar zonk hij neder op zijn sponde,Daar gaf hij worst'lensmoe den geest;Zij God almachtig in die stondeZijn Herder en zijn Licht geweest!De doodsklok dreunt, heel Neerland weentEn om het Delfsche grafgesteentPleegt het den Tweeden Willem rouw,Zweert het den Derden Willem trouw.”
„Daar zonk hij neder op zijn sponde,Daar gaf hij worst'lensmoe den geest;Zij God almachtig in die stondeZijn Herder en zijn Licht geweest!De doodsklok dreunt, heel Neerland weentEn om het Delfsche grafgesteentPleegt het den Tweeden Willem rouw,Zweert het den Derden Willem trouw.”
„Daar zonk hij neder op zijn sponde,
Daar gaf hij worst'lensmoe den geest;
Zij God almachtig in die stonde
Zijn Herder en zijn Licht geweest!
De doodsklok dreunt, heel Neerland weent
En om het Delfsche grafgesteent
Pleegt het den Tweeden Willem rouw,
Zweert het den Derden Willem trouw.”
De landbouw, die zenuw van den Staat, heeft door de bijzondere zorgen van Willem III een mate van bloei en welvaart bereikt, die hij nooit te voren gekend heeft. Daarmede staat tevens in verband de droogmaking van het Haarlemmermeer, welke mede onder het bestuur van Willem III in 1853 haar beslag kreeg en waar thans het oog met welgevallen rust op die duizenden vruchtbare akkers, waar vroeger niets anders dan de golven van een verslindend meer aanschouwd werden.
In de Tweede Kamer drong vooral de predikant Van Hoëvell, die in Twente tot lid dier Kamer gekozen was, op afschaffing der slavernij in onze Overzeesche gewesten aan. In 1863 bereikte hij zijn doel. 120 millioen gulden heeft onze regeering besteed, om in West-Indië een einde te maken aan dien schandelijken toestand.
KONING WILLEM III EN ZIJN GEMALIN, KONINGIN SOPHIE, MET HUN KINDEREN.
KONING WILLEM III EN ZIJN GEMALIN, KONINGIN SOPHIE, MET HUN KINDEREN.
Onze bezittingen op de Westkust van Afrika stonden wij in 1872 af aan Engeland. Wij hadden de goede gezindheid der Britsche regeering noodig, om in Oost-Indië met kracht op te kunnen treden. Bij traktaat van 1824 had Engeland zich verbonden, om onze handelingen op de O.-Indische eilanden niet te bemoeilijken op voorwaarde, dat wij de zeerooverij in de Indische wateren zouden keeren. Daarenboven bestond er bij onze Indische ambtenaren een streven, om ons gezag steeds verder uit te breiden. Zoo was na twee vergeefsche pogingen het eiland Bali door generaal Michiels in 1849 onderworpen,het rijk Boni ('t Zuidelijk deel van Celébes) cijnsbaar gemaakt door van Swieten in 1860, oorlog tegen Japan gevoerd en slag geleverd in de Straat van Simonaski en langzamerhand de geheele kuststreek van het groote en vruchtbare eiland Sumatra in ons bezit gekomen, behalve het noordelijkste deel, Atjeh. Dit rijk bemoeilijkte door zeerooverij den toegang tot de Straat van Malakka, bij welker veiligheid de Engelschen groot belang hebben. De Sultan tartte ons, door de winstgevende tabakscultuur in het aan Atjeh schatplichtige Deli te belemmeren en weigerde aan onzen eisch,het beletten der zeerooverij, te voldoen. Hierop verklaarde ons Indisch gouvernement hem den oorlog en hoewel Engeland door een verdrag verplicht was, Atjeh in den oorlog bij te staan, hield het zich onzijdig op grond van bovengenoemd tractaat van 1824. De oorlog begon in 1873. Het paleis van den Sultan (de Kraton Kotta-radja) werd veroverd door generaal Van Swieten. In 1879 had Generaal Van der Heyden Atjeh in zoover onderworpen, dat de gansche kustlijn in ons bezit was.
Sedert 1848 is door het vinden van ontzaglijke hoeveelheden goud en zilver de waarde dezer edele metalen, die alleen van hunne zeldzaamheid afhangt, zeer verminderd. Men drukt dit alles uit door te zeggen, dat allesduurdergeworden is. Zeker moet men thans een dubbel gewicht aan goud en zilver voor huis of grond of voedsel betalen, omdat sedert 1848 de voorraad geld, die onder de beschaafde natiën in omloop is, zoo toeneemt.
Meer nog echter dan aan zilver en goud heeft ons volk behoefte aan de vreeze des Heeren. DeH.Schrift toch zegt:
„Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden”.
Zeden en toestanden in de 19e eeuw.—Belangrijke Waterwerken.—De Overstrooming van 1861.
De 19e eeuw is in vele opzichten een eeuw van verlichting en vooruitgang geweest. In het begin dier eeuw waren de steden nog vestingen. Ze waren door grachten, wallen en muren omringd. Wilde men er binnen komen, dan moest men eene brug over en eene poort door gaan. De voornaamste straten werden des avonds door lantaarns die aan dwars over de straten gespannen touwen waren opgehangen, slechts spaarzaam verlicht. De achterbuurten moesten dit voorrecht geheel missen.
Van de meeste steden zijn thans de wallen geslecht en in sierlijke plantsoenen herschapen. De muren zijn afgebroken en zelfs vele grachten gedempt. De straten worden des avonds door gaslantaarns helder verlicht. Meer en meer treft men zelfs electrische verlichting aan.
Ook in de huizen is veel veranderd. In plaats van het haardvuur van vroeger, vindt men er nu overal kachels, waarin men steenkolen, cokes, en turf stookt. Gebruikte men eerst steenen kachels, thans zijn ze alle van ijzer. De woningen worden niet meer door kandelaars met brandende vetkaarsen of door walmende met raapolie gevulde tuitlampjes verlicht, maar door gas- of petroleumlampen, of hebben zelfs electrische verlichting.
In het begin der 19e eeuw waren de dilligence of postwagenen de trekschuit de meest gebruikte vervoermiddelen. De dilligence was een groote koets, waarvan de wagenbak niet op veeren, maar op sterke riemen rustte. Bovenop werden gewoonlijk de pakken en kisten der reizigers geladen. De trekschuiten gingen geregeld van de eene plaats naar de andere en werden door een paard getrokken.
DE EERSTE STOOMBOOT OP HET Y VOOR AMSTERDAM.
DE EERSTE STOOMBOOT OP HET Y VOOR AMSTERDAM.
De postwagen vervoerde niet alleen brieven, maar nam ook wel personen en goederen mee. Voorop zat de postiljon, die op zijn horen blies, als de wagen voor het kantoor van den postmeester moest stilhouden. Postzegels werden nog niet gebruikt. Wie een brief ontving, moest er steeds vracht voor betalen. De postmeester ontving een vastsalaris. Hij moest de gelden, voor het brievenvervoer gebeurd, in 's rijks kas storten.
Onder Koning Willem I werden straat- en grintwegen aangelegd. Klei-, zand- en veenwegen, die bij regenachtig weer erg modderig waren, verbonden echter verreweg de meeste plaatsen.
In het begin der 19e eeuw droeg men nog veel kleeren van eigen geweefde wollen of linnen stoffen. Het degelijke duffel of laken was als kleedingsstof zeer in eere. In de meeste huizen vond men een spinnewiel, waarmee in den wintertijd de wol der schapen of de draden van het door de landlieden zelf verbouwde vlas tot garen werden verwerkt. De winkels in de steden waren nog niet versierd met hooge en breede spiegelruiten. Waterleidingen zoowel als watertorens waren nog onbekend.
Een verblijdend verschijnsel is het aantal uitvindingen, vooral op het gebied van stoom en electriciteit in de 19e eeuw. In 1824 verscheen de eerste stoomboot voor Amsterdam en nu doorkruisen vele honderden zulke booten de binnenwateren en de snel in aantal toenemende kanalen van ons land. In 1839 reed de eerste spoortrein van Amsterdam naar Haarlem; nu is ons land met een uitgebreid net van spoorwegen overdekt en reusachtige spoorbruggen gebouwd. Hierdoor en door goedkoope tramlijnen is het mogelijk geworden, uit alle plaatsen van eenig belang in ons land op éénen dag, b.v. naar Amsterdam en Utrechttereizen.
DILLIGENCEVAN DEN HAAG NAAR ROTTERDAM IN 1813.
DILLIGENCEVAN DEN HAAG NAAR ROTTERDAM IN 1813.
Ook het postwezen heeft in de laatste jaren een hooge vlucht genomen. In 1870 werd het uniformport ingevoerd en van toen af is door de invoering van postzegels, briefkaarten, postpakketten en postspaarbanken de post een ware zegen voor ons volk geworden. In 1851 werd de Rijkstelegraafdienst ingesteld en nu kan een iedervoor weinige centen in enkele oogenblikken door het geheele land berichten verzonden krijgen.
Tal van machines zijn uitgevonden, waardoor men veel sneller en vaak veel netter kan werken dan weleer. Wat vroeger door menschenhanden werd verricht, en heel veel, dat men toen niet kon doen, wordt thans door middel van machines uitgevoerd. Sedert de stoom in gebruik gekomen is, zijn in vele steden fabrieken gebouwd. Vooral Twente en de Meyery van den Bosch in N. Brabant zijn fabrieksdistricten.
Door de telefoondraden zijn vele huizen en de steden met elkander verbonden. Daardoor is het mogelijk, dat menschen, die ver van elkander af wonen, in hunne woningen met elkander spreken.
De zware omnibussen van vroeger zijn meestal alle door de trams en auto'sverdrongen. En het rijwiel of de fiets doet meer en meer als vervoermiddel dienst. Zelfs de vliegmachine en het luchtschip worden middelen van vervoer.
Wat den landbouw betreft, de landbouwers enveehoudersbrengen meest hun melk naar zuivelfabrieken, waar men door middel van machines op uitnemende wijze boter en kaas uit de melk weet te halen. En waar men vroeger alleen stalmest en straatvuil voor bemesting bezigde, daar koopt men tegenwoordig vele balen kunstmest aan, om die over het land te strooien.
OPENING VAN DE EERSTE HOLLANDSCHE IJZEREN SPOORWEG 20 SEPT. 1839.
OPENING VAN DE EERSTE HOLLANDSCHE IJZEREN SPOORWEG 20 SEPT. 1839.
Werd van 1848 tot 1853 het Haarlemmermeer drooggemaakt, waardoor 15.000H.A.grond op de golven werd veroverd, van 1863 tot 1876 is het IJ voor Amsterdam vervangen door een kanaal, dwars door de duinen heen, met zeesluizen, havenhoofden en lichttorens ver in zee, waardoor de zwaarst beladen Oceaanbooten, die 9 Meter diepgang hebben, aan de Handelskade teAmsterdam kunnen komen. Zoo ook is een nieuwe waterweg door den Hoek van Holland naar Rotterdam gegraven, en Vlissingen tot een haven gemaakt voor het wereldverkeer. De droogmaking van de Zuiderzee behoort niet meer tot de onmogelijkheden. In 1883 werd te Amsterdam eene wereldtentoonstelling gehouden, zooals er voor dien tijd nog slechts te Londen, Parijs, Weenen enPhiladelphiagehouden waren.
Bij dit alles verkeerde ons land in een gunstigen toestand. Door een verstandig en zuinig beheer werd er sedert vele jaren veel meer door de schatkist ontvangen, dan de uitgaven bedroegen, waardoor er zooveel van 's Rijks schulden kon worden afgelost, dat wij in 1860 jaarlijks 9 millioen gulden minder rente behoefden te betalen dan tijdens de leening van Van Hall in 1844.
Toch troffen ook rampen ons land. Pas was 1861 aangevangen, of de treurmare werd vernomen, dat ten gevolge van zwaren ijsgang een geweldige overstrooming in het land tusschen Maas en Waal, evenals in den Bommelerwaard geheele dorpen en velden als in een zee veranderd had, waardoor duizenden menschen huis en have ontvluchtten en op de daken en hooge gebouwen of elders een veilige toevlucht zoeken moesten. Tot overmaat van ramp had dit plaats gedurende een fellen vorst in het midden der maand Januari, waardoor de ongelukkigen verkleumd van koude en gekweld door den honger, niet dan een akeligen dood voor oogen hadden, te meer, daar de vloed door de van boven telkens aandrijvende ijsschotsen gestadig klom.
HET EERSTE RIJWIEL.
HET EERSTE RIJWIEL.
Was de nood groot, niet minder groot was de algemeene deelneming. Koning Willem III was één der eersten, die zich naar de plaats des onheils begaf. Overal nam hij de doeltreffendste maatregelen, om de ongelukkigente redden en een veilig dak te bezorgen. Veertien dagen brachtZ. M.onder rustelooze inspanning en verachting van zijn eigen leven onder deze ongelukkigen door en rustte niet, voor dat allen huisvesting en doelmatige verzorging gevonden hadden. Toen eerst verliet de Koning een oord vanwaar hem dankbare zegenbeden eener geredde menigte naar de residentie volgden. Als in triumf werd de vorst te 's-Gravenhage ingehaald. Ja, de geestdrift van het volk was wellicht grooter en inniger, dan dat de vorst uit een beslissenden veldslag als overwinnaar ware wedergekeerd.
Dood van KoningWillem III.—Regentschap van Koningin Emma.—Expeditie naar Lombok.—Troonsbestijging en huwelijk van Koningin Wilhelmina.—Geboorte van prinses Juliana.
Koning Willem III heeft ruim 40 jaar mogen regeeren. Zondag 23 Nov. 1890 overleed hij op het paleis het Loo. In Juni 1839 was hij gehuwd met prinses Sophia Mathilde Wilhelmina van Wurtemburg, die den 3 Juni 1877 stierf. Nog meermalen zou de vorst in rouw worden gedompeld. Zoo moest hij in 1879 door den dood verliezen zijn broeder prins Hendrik en zijn oudsten zoon, onzen Kroonprins Willem; in 1881 zijn oom, prins Frederik en in 1884 zijn laatsten zoon, prins Alexander. Zoo was dan Willem III eindelijk de eenige, de laatste mannelijke spruit van 't oude Huis Oranje-Nassau. Hoe droef moet het hem bij die gedachte te moede zijn geweest. Gelukkig schonk de Heere God hem een rijke vertroosting in zijn tweede gemalin, prinses Adelheid Emma Wilhelmina Theresia van Waldeck-Pyrmont, met wie hij den 7 Jan. 1879 in het huwelijk trad. Uit dit huwelijk werd hem den 31 Aug. 1880 eene dochter geboren, prinses Wilhelmina Helena Maria Paulina. „En eerlang werd zij gedoopt in den naam des Drieëenigen Gods. Ook aan haar werden beteekend en verzegeld al de beloften van hetverbond der genade, welke de God des verbonds schenkt aan arme zondaars en zondaressen, om 't even, of zij in een paleis wonen of in een krot.” Slechts een tiental jaren mocht het kleine prinsesje zich in haar vader verheugen. Willem III toch overleed, gelijk wij zeiden, den 23 Nov. 1890 en werd te Delft begraven. En de grijze hofprediker Van Koetsveld mocht met recht bij de geopendegroeve spreken: „Zoo is dan ons Koningshuis uitgestorven, maar Gode zij dank, niet geheel! Wat in een hoogeren zin de profeet van Davids huis zeide: „Een rijske zal voortkomen uit den afgehouwen tronk en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht dragen,” is ook op ons vorstenhuis van toepassing.
H. M.KONINGIN EMMA.
H. M.KONINGIN EMMA.
„Ons blijft de jeugdige Koningin, als prinses reeds de oogappel van ons volk, dat nu met dubbelen nadruk bidt: „O God, bescherm, bewaar en leid haar aan de hand eener vrome en wijze moeder; dat eens de spruit een boom worde als vroeger.””
Willem III werd opgevolgd door zijne dochter, Koningin Wilhelmina, onder regentschap van hare moeder, Koningin Emma. Het regentschap duurde acht jaren en was voor Nederland een tijd van vrede en welvaart. In 1894 was echter eene expeditie naar Lombok noodzakelijk, om de Sassaks tegen de Baliërs te beschermen. Op dat eiland werden onze troepen door de Baliërs verraderlijk overvallen, waarbij Generaal Van Ham en vele anderen sneuvelden. Generaal Vetter wist evenwel dit verraad streng te straffen en de Baliërs voor goed te onderwerpen.
God bekwaamde de Regentes en sterkte haar voor haar moeilijke taak en nam de jeugdige Koningin in Zijn heilige hoede en bescherming. Den 31 Aug. 1898 werd Wilhelmina 18 jaren en was dus meerderjarig. Den 6 Sept. daaraanvolgende werd ze in de Nieuwe Kerk te Amsterdam plechtig ingehuldigd en nam ze zelf de teugels van 't bewind in handen. Met den dichter is het onze bede:
„In gouden lett'ren zij 't geschreven,Bevestigd door des Heeren hand,Lang, lang mogeWilhelminalevenTot heil van 't lieve Vaderland.”
„In gouden lett'ren zij 't geschreven,Bevestigd door des Heeren hand,Lang, lang mogeWilhelminalevenTot heil van 't lieve Vaderland.”
„In gouden lett'ren zij 't geschreven,
Bevestigd door des Heeren hand,
Lang, lang mogeWilhelminaleven
Tot heil van 't lieve Vaderland.”
HET KONINKLIJK GEZIN.
HET KONINKLIJK GEZIN.
En het lied van Da Costa, eenigszins gewijzigd, herhalen wij:
„Heer behoud toch Wilhelmina!Schenk haar Uw gerechtigheid!Geef haar koningskracht in zachtheid,Bij oprechtheid wijs beleid!Overstort haar hoofd met zegen,In de vreeze van Uw Naam!Onder haar regeering blijveTot aan 't uiterste der aard,'t Plekje gronds bevoorrecht heeten,Steeds zoo wondervol bewaard;Bloeie wijsheid, kennis, godsvrucht,Die door liefde recht en plicht,De eerplaats heilige der grooten,En der mindren last verlicht.”
„Heer behoud toch Wilhelmina!Schenk haar Uw gerechtigheid!Geef haar koningskracht in zachtheid,Bij oprechtheid wijs beleid!Overstort haar hoofd met zegen,In de vreeze van Uw Naam!Onder haar regeering blijveTot aan 't uiterste der aard,'t Plekje gronds bevoorrecht heeten,Steeds zoo wondervol bewaard;Bloeie wijsheid, kennis, godsvrucht,Die door liefde recht en plicht,De eerplaats heilige der grooten,En der mindren last verlicht.”
„Heer behoud toch Wilhelmina!
Schenk haar Uw gerechtigheid!
Geef haar koningskracht in zachtheid,
Bij oprechtheid wijs beleid!
Overstort haar hoofd met zegen,
In de vreeze van Uw Naam!
Onder haar regeering blijve
Tot aan 't uiterste der aard,
't Plekje gronds bevoorrecht heeten,
Steeds zoo wondervol bewaard;
Bloeie wijsheid, kennis, godsvrucht,
Die door liefde recht en plicht,
De eerplaats heilige der grooten,
En der mindren last verlicht.”
Den 7 Febr. 1901 trad Koningin Wilhelmina in het huwelijk met Hertog Hendrik Wladimir Albrecht Ernst van Mecklenburg Schwerin. De Prins-Gemaal, thans Prins Hendrik der Nederlanden geheeten, werd den 19 April 1876 geboren en deed metH. M.de Koningin den 5 Maart 1901 zijn plechtigen intocht in Amsterdam. Het vorstelijk paar werd er met geestdrift ontvangen en allerwege toegejuicht.
Dat God hun huw'lijk kroneMet ongestoord geluk:Dat Hij zijn liefde tooneHen hoed' voor leed en druk.
Dat God hun huw'lijk kroneMet ongestoord geluk:Dat Hij zijn liefde tooneHen hoed' voor leed en druk.
Dat God hun huw'lijk krone
Met ongestoord geluk:
Dat Hij zijn liefde toone
Hen hoed' voor leed en druk.
Welnu God kroonde het huwelijk van het vorstelijk paar met overgroot geluk, toen het den 30 April 1909 werd verblijd met de geboorte van prinses Juliana. Niet slechts in het koninklijk paleis werd hierover gejubeld, maar door geheel het land en spontaan gaf het volk zijn blijdschap te kennen over de geboorte van het vorstelijk kind.
Voor uitdeelingenhebben wij den prijs van dit werk nog aanmerkelijk verlaagd, n.l. bij 50 ex. à 40 cts., 100 ex. à 35 cts., 250 ex. à 30 cts., 500 ex.à27½ cts., 1000 ex. à 25 cts.AanH.H.Secretarissen van Feestcomité's zenden wij gaarne een exemplaar ter kennismaking.
Voor uitdeelingenhebben wij den prijs van dit werk nog aanmerkelijk verlaagd, n.l. bij 50 ex. à 40 cts., 100 ex. à 35 cts., 250 ex. à 30 cts., 500 ex.à27½ cts., 1000 ex. à 25 cts.
AanH.H.Secretarissen van Feestcomité's zenden wij gaarne een exemplaar ter kennismaking.
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. vi—Blz. viKrayenhofKrayenhoffBlz. vi)[Verwijderd.]Blz. vi[Niet in Bron.])Blz. viLutzenLützenBlz. viStirumStyrumBlz. viDuinDuynBlz. vi[Niet in Bron.].Blz. viReinardReinhardBlz. viiKrayenhofKrayenhoffBlz. vii[Niet in Bron.]deBlz. vii.,Blz. viiBergcnBergenBlz. viii[Niet in Bron.].Blz. vii—Blz. 1KrayenhofKrayenhoffBlz. 1KrayenhofKrayenhoffBlz. 9FanscheFranscheBlz. 24[Niet in Bron.].Blz. 26[Niet in Bron.]”Blz. 27[Niet in Bron.]”Blz. 28[Niet in Bron.]-Blz. 29[Niet in Bron.],Blz. 30KrayenhofKrayenhoffBlz. 30audientieaudiëntieBlz. 34KrayenhofKrayenhoffBlz. 34KrayenhofKrayenhoffBlz. 34KrayenhofKrayenhoffBlz. 34KrayenhofKrayenhoffBlz. 34KrayenhofKrayenhoffBlz. 35[Niet in Bron.]”Blz. 43teruggtochtterugtochtBlz. 45[Niet in Bron.].Blz. 45peletonpelotonBlz. 47BentheinBenthienBlz. 54egentegenBlz. 57hijbijBlz. 59elfszelfsBlz. 59.,Blz. 62[Niet in Bron.].Blz. 63STIRUMSTYRUMBlz. 65SlichterSlicherBlz. 68ReunieReünieBlz. 68ambtenarenaanambtenaren aanBlz. 70CharleCharléBlz. 72DuinDuynBlz. 72aanvaardenaanvaarddenBlz. 75DUINDUYNBlz. 75J. A.CHANQUIONF. D.CHANGUIONBlz. 75STIRUMSTYRUMBlz. 78DuijnDuynBlz. 79SweertsSweertzBlz. 82KrayenhofKrayenhoffBlz. 83[Niet in Bron.],Blz. 85KrayenhofKrayenhoffBlz. 89beöogdenbeoogdenBlz. 89GeällieerdenGealliëerdenBlz. 91GeällieerdenGealliëerdenBlz. 92KapitienKapiteinBlz. 92HeenemansHeenemanBlz. 93BlucherBlücherBlz. 973130Blz. 98[Niet in Bron.].Blz. 98ChancartyClancartyBlz. 101metdezenmet dezenBlz. 104KrayenhofKrayenhoffBlz. 105,.Blz. 109overschilligonverschilligBlz. 112GorichemGorinchemBlz. 117[Niet in Bron.].Blz. 118BlucherBlücherBlz. 118NapeleonsNapoleonsBlz. 125[Niet in Bron.].Blz. 126ButlingeButtingeBlz. 128WilemWillemBlz. 128,.Blz. 132BlucherBlücherBlz. 132ClarleroiCharleroiBlz. 132GemappeGemappesBlz. 133CollaersCollaertBlz. 134BlucherBlücherBlz. 135BlucherBlücherBlz. 135BlucherBlücherBlz. 135BlucherBlücherBlz. 135BlucherBlücherBlz. 139BlucherBlücherBlz. 139BlucherBlücherBlz. 139BlucherBlücherBlz. 139BlucherBlücherBlz. 141PapelatePapelotteBlz. 143ByleveldBijleveldBlz. 144BlucherBlücherBlz. 144LeLaBlz. 144HougoumonHougoumontBlz. 144BijlandBylandtBlz. 145BylandBylandtBlz. 146BlucherBlücherBlz. 146BlucherBlücherBlz. 146Blucher'sBlücher'sBlz. 147aanvaaanvalBlz. 147BlucherBlücherBlz. 148gardeGardeBlz. 148BlucherBlücherBlz. 148BlucherBlücherBlz. 148BlucherBlücherBlz. 149LIEBERECHTLEBERECHTBlz. 149BLUCHERBLÜCHERBlz. 150BlucherBlücherBlz. 150BlucherBlücherBlz. 150BlucherBlücherBlz. 154[Niet in Bron.].Blz. 154RaflesRafflesBlz. 155AlgarijnscheAlgerijnscheBlz. 155AlgarijnscheAlgerijnscheBlz. 155lordLordBlz. 155CappelenCapellenBlz. 166—Blz. 166overenovereenBlz. 170—Blz. 174CastaCostaBlz. 176[Niet in Bron.].Blz. 178:,Blz. 182[Niet in Bron.]teBlz. 183DILICENCEDILLIGENCEBlz. 184verdongenverdrongenBlz. 184veehouhoudersveehoudersBlz. 188Koning[Verwijderd.]Blz. 188—Blz. 190[Niet in Bron.]”Blz. 192[Niet in Bron.]”Blz. 192GeneraalGemaalachterzijde[Niet in Bron.]à
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: