[Inhoud]NIOBE.(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
[Inhoud]NIOBE.(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
[Inhoud]NIOBE.(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
[Inhoud]NIOBE.(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
NIOBE.(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)
Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
Nìobewas een dochter van Tàntalos en gehuwd metAmphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid[43]tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.