Chapter 7

„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij verschrikt was.„Bah!” dacht Betsy, „hoebêteis toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hijaantafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,ondertafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grapvanbelang!Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van bijzondere liefheid tegen Marie,[131]die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd,alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, want ’t hinderde en[132]ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”„Je zanikt,nèh! Ik zie het heel goed.”„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”„Nu, dat is vlug!”„Hij is er toch geweest.”„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug werken.”„Ik weet het niet.”[133]„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”„Het behoort er bij.”„Malligheid,nèh! Het moest haar uithuizig maken.”„Dat zal het.”„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien als tegenwoordig.”Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.„Het is zeker nog de tijd niet.…”„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed,nèh. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”„Laat maar. Het komt terecht!”„Nu ja!”„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”„Ja.… dàt nu wel. Maar ophaarschijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”„Mooi hoor!”„Het isbetoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.„Soedah!wij zullen zien!”Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon,[134]en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en daar kon ze niet tegen.Wie aan de werking van degoena-goenamet al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg aan verdiend.”„Het is wat!”„En ’t kan me niet schelen, maar ikmoethet hebben en je krijgt er geen duit voor.”Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.„Denk je?”„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”[135]„Wat gedronken?”„Ik heb het in haar koffie gedaan.”Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en schudde haar heen en weer.„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”„En moet dat haar uithuizig maken?”„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”„’t Komt er niet op aan.”„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”„Juist goed. Dan blijven we hier.”Maar Betsy schudde het hoofd.„Dat kan niet,nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”„Waarom?”„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geenadatbij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt nog niet?”Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, oude vrouw.”„Nu,soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder slaperig dan anders[136]en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar trekken.„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.„Komiek? Hoezoo?”„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij zette.„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd op die manier kijken.”Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze wel, dat denonnaerg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.„Wat scheelt er aan?”„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’nromance sans paroles.Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke komen om hemmunterte maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”[137]„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”Toen Betsy naar degoedangging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.„Wij zullen wel zien,soedahla, wij zullen zien.”„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”„O ja!”De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in gespannen verwachting volgden!’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’nhavanna[138]opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.Aandachtig bekeek hij het adres.„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aanjouwadres”, zei hij tot Marie.„’t Zou ook wat zijn!”„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”„Van wie is hij?”„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijdoentoenghad, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man[139]had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor die narenon, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.„Ik voel me onwel.”„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.Betsy had niets durven vragen.Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en[140]in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert me niet.”„Och kom,nonsens! Wie wil haar nu.…”„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”Het verruimde hem.„Nu, als het niet anders is dan dat.…”Zij keek hem verwonderd aan.„Niets anders?”„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”„Wat dan?”[141]„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!„Ikzal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te kunnen nadenken.„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche[142]vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in haar geest zonder verwijl hetflagrant délitopgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dathaarman te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voorhem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen[143]getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in denchasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”Marie aarzelde een oogenblik.„Dank je,” antwoordde zij kortaf.„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”„Neen,” klonk het als een diepe zucht.Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den[144]indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het geheel van zich zettenkonze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te verdenken viel.Maar zou ze henkunnenvertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden inhaarrechten; haar verdringen wilde uit het hart vanhaarman; haar tot een voetveeg wilde maken inhaarhuis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” te strijden, als het noodig was;[145]een voor haar heiligen strijd om haar man envoorzichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een opoffering was.…Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij[146]liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want het was erg duister.„Wel?” vroeg hij.Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Numoestze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met zelfverwijt, of diepe droefheid.[147]En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.„Ik ook.”Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”„Volstrekt niet.”„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”„Het is niet noodig.”Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.„Weer heelemaal beter?”„Ja.… Zoowat.…”„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal je heelemaal opknappen.”Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuurkonBetsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die briefmoesteen gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig[148]omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische voetgemeenschap onthield.Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd:boeat njonja. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.[149]„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.„Mevrouw!Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.Een vriend.”Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.Zwijgend wees Marie op de beide brieven.„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen gezicht onderging geen verandering.„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”[150]Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.„Moetikzeggen, wat het beduidt?”„U of een ander.Ikweet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”„Wie er de hand in heeft?”„Natuurlijk.Ikdenk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn pleizier.„Of uit drang om te waarschuwen.”„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve „gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot rumoer of heftig tooneel.„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat Betsy er van trilde.„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.[151]Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”„Te erg,nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”„Vandaag krijgt ze nog wat.”„Als ze ’t hebben wil.”„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”„En hij?”„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”„Hoe weet je dat?”„Van den djoeroetoelis.”„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”[152]„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan nonna en ziet haar.”„Je weet,nèh! van de brieven.”„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd is.”„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven krijgen?”„Je begrijpt, dat wij weggaan.”„Adoe!Toch niet gauw?”„Vandaag nog.”„Het kan niet, nonna.Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”„Ben je gek? Waarom? Het moet!”„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; ik ben niet klaar.”Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!„Het is onmogelijk,nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja!Allah!het zou zoo jammer zijn.”Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat er was voorgevallen.„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en hem aanziend met tranen in de oogen:[153]„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… Maar ik zie niet in op welke manier.”Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.„Het zal niet gebeuren,”zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.„Asjeblieft!”’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel[154]werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy de oogen had doen neerslaan.„Ja”,antwoorddeze.Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk.Ikzal haar niet terughouden.”Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”„Ikben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”„En wiens schuld is dat?”„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”[155]„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”„Enikzal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voormijngenoegen is het niet, en voor hethareevenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang haar valsch gezicht te zien.”„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moetenverzoekenhier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig was, dan.…”„Dan?”Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden ze zóó gestaan.Hij sprak het woord niet uit.„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was bereikt.„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verderallesmaar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen huisje”.Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo[156]aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—zijzou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Hetwasvroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maaralszij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waarmoestwezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.En nu was het voor altijd uit!De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld[157]om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde maken.Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten[158]te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach om haar lippen.En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”„O neen!”„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste bewijs van je schuld.”„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”„Dat zou het niet.”„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen[159]schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”Erwaswaarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.Wel twee minuten zwegen beiden.Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel stond te koken.„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”Betsy haalde de schouders op.„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”„Ik kan er niets tegen doen.”„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zoukunnengelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo[160]openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”„Ja, en dat moet bepaald blijven.”„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was hethaarbesluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… watnietwaar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd het een heel ander geval.”Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en.…”[161]„En?”„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”„Het is fraai! Een goede troost! Maarsoedah, ik zal het aannemen.”„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”„Geld?”„Natuurlijk. Waarom niet?”„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Ik.….”„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.Betsy moest eerst uitlachen.„Zij wil me geld geven.”Nu lachte de oude mee.„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”„Dat kan je begrijpen.”Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad te doen[162]alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel draaglijker vond.’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou laten!

„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij verschrikt was.„Bah!” dacht Betsy, „hoebêteis toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hijaantafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,ondertafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grapvanbelang!Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van bijzondere liefheid tegen Marie,[131]die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd,alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, want ’t hinderde en[132]ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”„Je zanikt,nèh! Ik zie het heel goed.”„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”„Nu, dat is vlug!”„Hij is er toch geweest.”„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug werken.”„Ik weet het niet.”[133]„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”„Het behoort er bij.”„Malligheid,nèh! Het moest haar uithuizig maken.”„Dat zal het.”„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien als tegenwoordig.”Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.„Het is zeker nog de tijd niet.…”„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed,nèh. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”„Laat maar. Het komt terecht!”„Nu ja!”„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”„Ja.… dàt nu wel. Maar ophaarschijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”„Mooi hoor!”„Het isbetoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.„Soedah!wij zullen zien!”Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon,[134]en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en daar kon ze niet tegen.Wie aan de werking van degoena-goenamet al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg aan verdiend.”„Het is wat!”„En ’t kan me niet schelen, maar ikmoethet hebben en je krijgt er geen duit voor.”Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.„Denk je?”„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”[135]„Wat gedronken?”„Ik heb het in haar koffie gedaan.”Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en schudde haar heen en weer.„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”„En moet dat haar uithuizig maken?”„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”„’t Komt er niet op aan.”„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”„Juist goed. Dan blijven we hier.”Maar Betsy schudde het hoofd.„Dat kan niet,nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”„Waarom?”„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geenadatbij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt nog niet?”Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, oude vrouw.”„Nu,soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder slaperig dan anders[136]en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar trekken.„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.„Komiek? Hoezoo?”„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij zette.„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd op die manier kijken.”Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze wel, dat denonnaerg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.„Wat scheelt er aan?”„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’nromance sans paroles.Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke komen om hemmunterte maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”[137]„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”Toen Betsy naar degoedangging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.„Wij zullen wel zien,soedahla, wij zullen zien.”„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”„O ja!”De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in gespannen verwachting volgden!’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’nhavanna[138]opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.Aandachtig bekeek hij het adres.„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aanjouwadres”, zei hij tot Marie.„’t Zou ook wat zijn!”„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”„Van wie is hij?”„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijdoentoenghad, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man[139]had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor die narenon, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.„Ik voel me onwel.”„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.Betsy had niets durven vragen.Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en[140]in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert me niet.”„Och kom,nonsens! Wie wil haar nu.…”„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”Het verruimde hem.„Nu, als het niet anders is dan dat.…”Zij keek hem verwonderd aan.„Niets anders?”„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”„Wat dan?”[141]„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!„Ikzal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te kunnen nadenken.„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche[142]vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in haar geest zonder verwijl hetflagrant délitopgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dathaarman te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voorhem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen[143]getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in denchasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”Marie aarzelde een oogenblik.„Dank je,” antwoordde zij kortaf.„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”„Neen,” klonk het als een diepe zucht.Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den[144]indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het geheel van zich zettenkonze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te verdenken viel.Maar zou ze henkunnenvertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden inhaarrechten; haar verdringen wilde uit het hart vanhaarman; haar tot een voetveeg wilde maken inhaarhuis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” te strijden, als het noodig was;[145]een voor haar heiligen strijd om haar man envoorzichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een opoffering was.…Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij[146]liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want het was erg duister.„Wel?” vroeg hij.Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Numoestze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met zelfverwijt, of diepe droefheid.[147]En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.„Ik ook.”Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”„Volstrekt niet.”„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”„Het is niet noodig.”Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.„Weer heelemaal beter?”„Ja.… Zoowat.…”„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal je heelemaal opknappen.”Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuurkonBetsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die briefmoesteen gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig[148]omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische voetgemeenschap onthield.Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd:boeat njonja. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.[149]„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.„Mevrouw!Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.Een vriend.”Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.Zwijgend wees Marie op de beide brieven.„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen gezicht onderging geen verandering.„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”[150]Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.„Moetikzeggen, wat het beduidt?”„U of een ander.Ikweet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”„Wie er de hand in heeft?”„Natuurlijk.Ikdenk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn pleizier.„Of uit drang om te waarschuwen.”„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve „gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot rumoer of heftig tooneel.„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat Betsy er van trilde.„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.[151]Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”„Te erg,nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”„Vandaag krijgt ze nog wat.”„Als ze ’t hebben wil.”„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”„En hij?”„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”„Hoe weet je dat?”„Van den djoeroetoelis.”„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”[152]„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan nonna en ziet haar.”„Je weet,nèh! van de brieven.”„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd is.”„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven krijgen?”„Je begrijpt, dat wij weggaan.”„Adoe!Toch niet gauw?”„Vandaag nog.”„Het kan niet, nonna.Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”„Ben je gek? Waarom? Het moet!”„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; ik ben niet klaar.”Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!„Het is onmogelijk,nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja!Allah!het zou zoo jammer zijn.”Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat er was voorgevallen.„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en hem aanziend met tranen in de oogen:[153]„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… Maar ik zie niet in op welke manier.”Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.„Het zal niet gebeuren,”zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.„Asjeblieft!”’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel[154]werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy de oogen had doen neerslaan.„Ja”,antwoorddeze.Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk.Ikzal haar niet terughouden.”Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”„Ikben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”„En wiens schuld is dat?”„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”[155]„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”„Enikzal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voormijngenoegen is het niet, en voor hethareevenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang haar valsch gezicht te zien.”„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moetenverzoekenhier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig was, dan.…”„Dan?”Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden ze zóó gestaan.Hij sprak het woord niet uit.„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was bereikt.„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verderallesmaar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen huisje”.Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo[156]aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—zijzou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Hetwasvroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maaralszij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waarmoestwezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.En nu was het voor altijd uit!De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld[157]om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde maken.Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten[158]te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach om haar lippen.En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”„O neen!”„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste bewijs van je schuld.”„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”„Dat zou het niet.”„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen[159]schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”Erwaswaarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.Wel twee minuten zwegen beiden.Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel stond te koken.„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”Betsy haalde de schouders op.„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”„Ik kan er niets tegen doen.”„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zoukunnengelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo[160]openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”„Ja, en dat moet bepaald blijven.”„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was hethaarbesluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… watnietwaar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd het een heel ander geval.”Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en.…”[161]„En?”„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”„Het is fraai! Een goede troost! Maarsoedah, ik zal het aannemen.”„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”„Geld?”„Natuurlijk. Waarom niet?”„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Ik.….”„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.Betsy moest eerst uitlachen.„Zij wil me geld geven.”Nu lachte de oude mee.„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”„Dat kan je begrijpen.”Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad te doen[162]alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel draaglijker vond.’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou laten!

„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij verschrikt was.„Bah!” dacht Betsy, „hoebêteis toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hijaantafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,ondertafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grapvanbelang!Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van bijzondere liefheid tegen Marie,[131]die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd,alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, want ’t hinderde en[132]ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”„Je zanikt,nèh! Ik zie het heel goed.”„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”„Nu, dat is vlug!”„Hij is er toch geweest.”„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug werken.”„Ik weet het niet.”[133]„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”„Het behoort er bij.”„Malligheid,nèh! Het moest haar uithuizig maken.”„Dat zal het.”„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien als tegenwoordig.”Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.„Het is zeker nog de tijd niet.…”„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed,nèh. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”„Laat maar. Het komt terecht!”„Nu ja!”„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”„Ja.… dàt nu wel. Maar ophaarschijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”„Mooi hoor!”„Het isbetoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.„Soedah!wij zullen zien!”Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon,[134]en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en daar kon ze niet tegen.Wie aan de werking van degoena-goenamet al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg aan verdiend.”„Het is wat!”„En ’t kan me niet schelen, maar ikmoethet hebben en je krijgt er geen duit voor.”Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.„Denk je?”„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”[135]„Wat gedronken?”„Ik heb het in haar koffie gedaan.”Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en schudde haar heen en weer.„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”„En moet dat haar uithuizig maken?”„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”„’t Komt er niet op aan.”„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”„Juist goed. Dan blijven we hier.”Maar Betsy schudde het hoofd.„Dat kan niet,nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”„Waarom?”„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geenadatbij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt nog niet?”Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, oude vrouw.”„Nu,soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder slaperig dan anders[136]en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar trekken.„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.„Komiek? Hoezoo?”„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij zette.„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd op die manier kijken.”Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze wel, dat denonnaerg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.„Wat scheelt er aan?”„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’nromance sans paroles.Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke komen om hemmunterte maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”[137]„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”Toen Betsy naar degoedangging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.„Wij zullen wel zien,soedahla, wij zullen zien.”„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”„O ja!”De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in gespannen verwachting volgden!’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’nhavanna[138]opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.Aandachtig bekeek hij het adres.„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aanjouwadres”, zei hij tot Marie.„’t Zou ook wat zijn!”„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”„Van wie is hij?”„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijdoentoenghad, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man[139]had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor die narenon, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.„Ik voel me onwel.”„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.Betsy had niets durven vragen.Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en[140]in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert me niet.”„Och kom,nonsens! Wie wil haar nu.…”„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”Het verruimde hem.„Nu, als het niet anders is dan dat.…”Zij keek hem verwonderd aan.„Niets anders?”„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”„Wat dan?”[141]„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!„Ikzal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te kunnen nadenken.„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche[142]vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in haar geest zonder verwijl hetflagrant délitopgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dathaarman te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voorhem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen[143]getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in denchasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”Marie aarzelde een oogenblik.„Dank je,” antwoordde zij kortaf.„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”„Neen,” klonk het als een diepe zucht.Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den[144]indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het geheel van zich zettenkonze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te verdenken viel.Maar zou ze henkunnenvertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden inhaarrechten; haar verdringen wilde uit het hart vanhaarman; haar tot een voetveeg wilde maken inhaarhuis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” te strijden, als het noodig was;[145]een voor haar heiligen strijd om haar man envoorzichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een opoffering was.…Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij[146]liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want het was erg duister.„Wel?” vroeg hij.Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Numoestze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met zelfverwijt, of diepe droefheid.[147]En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.„Ik ook.”Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”„Volstrekt niet.”„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”„Het is niet noodig.”Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.„Weer heelemaal beter?”„Ja.… Zoowat.…”„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal je heelemaal opknappen.”Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuurkonBetsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die briefmoesteen gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig[148]omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische voetgemeenschap onthield.Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd:boeat njonja. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.[149]„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.„Mevrouw!Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.Een vriend.”Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.Zwijgend wees Marie op de beide brieven.„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen gezicht onderging geen verandering.„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”[150]Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.„Moetikzeggen, wat het beduidt?”„U of een ander.Ikweet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”„Wie er de hand in heeft?”„Natuurlijk.Ikdenk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn pleizier.„Of uit drang om te waarschuwen.”„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve „gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot rumoer of heftig tooneel.„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat Betsy er van trilde.„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.[151]Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”„Te erg,nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”„Vandaag krijgt ze nog wat.”„Als ze ’t hebben wil.”„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”„En hij?”„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”„Hoe weet je dat?”„Van den djoeroetoelis.”„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”[152]„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan nonna en ziet haar.”„Je weet,nèh! van de brieven.”„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd is.”„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven krijgen?”„Je begrijpt, dat wij weggaan.”„Adoe!Toch niet gauw?”„Vandaag nog.”„Het kan niet, nonna.Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”„Ben je gek? Waarom? Het moet!”„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; ik ben niet klaar.”Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!„Het is onmogelijk,nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja!Allah!het zou zoo jammer zijn.”Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat er was voorgevallen.„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en hem aanziend met tranen in de oogen:[153]„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… Maar ik zie niet in op welke manier.”Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.„Het zal niet gebeuren,”zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.„Asjeblieft!”’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel[154]werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy de oogen had doen neerslaan.„Ja”,antwoorddeze.Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk.Ikzal haar niet terughouden.”Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”„Ikben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”„En wiens schuld is dat?”„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”[155]„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”„Enikzal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voormijngenoegen is het niet, en voor hethareevenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang haar valsch gezicht te zien.”„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moetenverzoekenhier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig was, dan.…”„Dan?”Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden ze zóó gestaan.Hij sprak het woord niet uit.„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was bereikt.„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verderallesmaar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen huisje”.Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo[156]aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—zijzou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Hetwasvroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maaralszij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waarmoestwezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.En nu was het voor altijd uit!De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld[157]om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde maken.Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten[158]te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach om haar lippen.En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”„O neen!”„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste bewijs van je schuld.”„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”„Dat zou het niet.”„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen[159]schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”Erwaswaarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.Wel twee minuten zwegen beiden.Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel stond te koken.„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”Betsy haalde de schouders op.„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”„Ik kan er niets tegen doen.”„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zoukunnengelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo[160]openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”„Ja, en dat moet bepaald blijven.”„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was hethaarbesluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… watnietwaar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd het een heel ander geval.”Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en.…”[161]„En?”„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”„Het is fraai! Een goede troost! Maarsoedah, ik zal het aannemen.”„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”„Geld?”„Natuurlijk. Waarom niet?”„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Ik.….”„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.Betsy moest eerst uitlachen.„Zij wil me geld geven.”Nu lachte de oude mee.„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”„Dat kan je begrijpen.”Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad te doen[162]alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel draaglijker vond.’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou laten!

„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij verschrikt was.

„Bah!” dacht Betsy, „hoebêteis toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”

Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hijaantafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,ondertafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.

Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grapvanbelang!

Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van bijzondere liefheid tegen Marie,[131]die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.

Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd,alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, want ’t hinderde en[132]ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!

Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!

Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.

„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.

„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”

„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”

„Je zanikt,nèh! Ik zie het heel goed.”

„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”

„Nu, dat is vlug!”

„Hij is er toch geweest.”

„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug werken.”

„Ik weet het niet.”[133]

„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”

„Het behoort er bij.”

„Malligheid,nèh! Het moest haar uithuizig maken.”

„Dat zal het.”

„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien als tegenwoordig.”

Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.

„Het is zeker nog de tijd niet.…”

„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed,nèh. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”

„Laat maar. Het komt terecht!”

„Nu ja!”

„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”

„Ja.… dàt nu wel. Maar ophaarschijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”

„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”

„Mooi hoor!”

„Het isbetoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”

De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.

„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.

„Soedah!wij zullen zien!”

Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon,[134]en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en daar kon ze niet tegen.

Wie aan de werking van degoena-goenamet al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.

„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.

„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg aan verdiend.”

„Het is wat!”

„En ’t kan me niet schelen, maar ikmoethet hebben en je krijgt er geen duit voor.”

Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.

Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.

Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.

„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.

„Denk je?”

„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”[135]

„Wat gedronken?”

„Ik heb het in haar koffie gedaan.”

Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en schudde haar heen en weer.

„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”

„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”

„En moet dat haar uithuizig maken?”

„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”

„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”

„’t Komt er niet op aan.”

„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”

„Juist goed. Dan blijven we hier.”

Maar Betsy schudde het hoofd.

„Dat kan niet,nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”

„Waarom?”

„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geenadatbij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt nog niet?”

Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.

„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, oude vrouw.”

„Nu,soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”

Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder slaperig dan anders[136]en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar trekken.

„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.

„Komiek? Hoezoo?”

„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”

Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij zette.

„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd op die manier kijken.”

Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze wel, dat denonnaerg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.

Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.

„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.

„Wat scheelt er aan?”

„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”

Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’nromance sans paroles.

Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.

„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke komen om hemmunterte maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.

„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”

„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”

„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”[137]

„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”

„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”

Toen Betsy naar degoedangging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.

„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.

Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.

„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.

„Wij zullen wel zien,soedahla, wij zullen zien.”

„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”

„O ja!”

De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in gespannen verwachting volgden!

’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.

Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.

Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’nhavanna[138]opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.

Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.

Aandachtig bekeek hij het adres.

„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aanjouwadres”, zei hij tot Marie.

„’t Zou ook wat zijn!”

„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”

„Van wie is hij?”

„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”

En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.

Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijdoentoenghad, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.

Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man[139]had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”

Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor die narenon, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…

„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”

Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.

„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.

„Ik voel me onwel.”

„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”

Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.

Betsy had niets durven vragen.

Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en[140]in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.

„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.

„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”

Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.

„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”

„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert me niet.”

„Och kom,nonsens! Wie wil haar nu.…”

„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”

Het verruimde hem.

„Nu, als het niet anders is dan dat.…”

Zij keek hem verwonderd aan.

„Niets anders?”

„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”

’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.

„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”

„Wat dan?”[141]

„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”

Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.

„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”

Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.

„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”

De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!

„Ikzal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.

Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te kunnen nadenken.

„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—

De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche[142]vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in haar geest zonder verwijl hetflagrant délitopgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.

Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dathaarman te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voorhem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen[143]getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.

Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.

Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.

Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in denchasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.

Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.

„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”

Marie aarzelde een oogenblik.

„Dank je,” antwoordde zij kortaf.

„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”

„Neen,” klonk het als een diepe zucht.

Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den[144]indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het geheel van zich zettenkonze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te verdenken viel.

Maar zou ze henkunnenvertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden inhaarrechten; haar verdringen wilde uit het hart vanhaarman; haar tot een voetveeg wilde maken inhaarhuis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” te strijden, als het noodig was;[145]een voor haar heiligen strijd om haar man envoorzichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.

Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een opoffering was.…

Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!

Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij[146]liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want het was erg duister.

„Wel?” vroeg hij.

Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.

In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Numoestze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.

Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…

Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met zelfverwijt, of diepe droefheid.[147]

En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.

Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.

„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.

„Ik ook.”

Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.

„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”

„Volstrekt niet.”

„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”

„Het is niet noodig.”

Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.

In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.

„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.

„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.

„Weer heelemaal beter?”

„Ja.… Zoowat.…”

„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal je heelemaal opknappen.”

Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuurkonBetsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die briefmoesteen gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig[148]omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.

„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.

„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.

„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”

„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”

„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.

„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”

Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische voetgemeenschap onthield.

Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd:boeat njonja. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.[149]

„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”

Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.

„Mevrouw!Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.Een vriend.”

„Mevrouw!

Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.

Een vriend.”

Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.

Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.

Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!

Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.

„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.

Zwijgend wees Marie op de beide brieven.

„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”

Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen gezicht onderging geen verandering.

„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”[150]

Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.

„Moetikzeggen, wat het beduidt?”

„U of een ander.Ikweet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”

„Wie er de hand in heeft?”

„Natuurlijk.Ikdenk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn pleizier.

„Of uit drang om te waarschuwen.”

„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”

Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve „gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot rumoer of heftig tooneel.

„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”

Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat Betsy er van trilde.

„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.[151]

Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.

Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.

„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.

„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.

„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”

„Te erg,nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”

„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”

„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”

„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”

„Vandaag krijgt ze nog wat.”

„Als ze ’t hebben wil.”

„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”

„En hij?”

„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”

„Hoe weet je dat?”

„Van den djoeroetoelis.”

„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”[152]

„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan nonna en ziet haar.”

„Je weet,nèh! van de brieven.”

„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”

„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd is.”

„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven krijgen?”

„Je begrijpt, dat wij weggaan.”

„Adoe!Toch niet gauw?”

„Vandaag nog.”

„Het kan niet, nonna.Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”

„Ben je gek? Waarom? Het moet!”

„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; ik ben niet klaar.”

Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!

„Het is onmogelijk,nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”

„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja!Allah!het zou zoo jammer zijn.”

Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.

„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.

„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat er was voorgevallen.

„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en hem aanziend met tranen in de oogen:[153]„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… Maar ik zie niet in op welke manier.”

Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.

„Het zal niet gebeuren,”zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”

„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”

Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.

„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”

Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.

„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.

Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.

„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”

Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.

„Asjeblieft!”

’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.

„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel[154]werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”

Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy de oogen had doen neerslaan.

„Ja”,antwoorddeze.

Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.

„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”

„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”

„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk.Ikzal haar niet terughouden.”

Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.

„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”

„Ikben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”

„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”

„En wiens schuld is dat?”

„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”

„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”[155]

„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”

„Enikzal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”

„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voormijngenoegen is het niet, en voor hethareevenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”

„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang haar valsch gezicht te zien.”

„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moetenverzoekenhier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig was, dan.…”

„Dan?”

Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden ze zóó gestaan.

Hij sprak het woord niet uit.

„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”

Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was bereikt.

„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verderallesmaar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen huisje”.

Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo[156]aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.

Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—zijzou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Hetwasvroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maaralszij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.

En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waarmoestwezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.

En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.

En nu was het voor altijd uit!

De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld[157]om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde maken.

Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten[158]te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.

En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.

„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.

„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach om haar lippen.

En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:

„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”

„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”

„O neen!”

„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste bewijs van je schuld.”

„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”

„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”

„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”

„Dat zou het niet.”

„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen[159]schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”

Erwaswaarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.

„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”

Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.

Wel twee minuten zwegen beiden.

Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel stond te koken.

„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”

Betsy haalde de schouders op.

„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”

„Ik kan er niets tegen doen.”

„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”

Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zoukunnengelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.

„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo[160]openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”

„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”

„Ja, en dat moet bepaald blijven.”

„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”

Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was hethaarbesluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.

„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.

„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”

„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”

Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.

„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”

„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.

„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… watnietwaar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd het een heel ander geval.”

Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.

„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en.…”[161]

„En?”

„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”

„Het is fraai! Een goede troost! Maarsoedah, ik zal het aannemen.”

„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”

„Geld?”

„Natuurlijk. Waarom niet?”

„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van maken.”

„Ik.….”

„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”

„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”

„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.

„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.

Betsy moest eerst uitlachen.

„Zij wil me geld geven.”

Nu lachte de oude mee.

„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”

„Dat kan je begrijpen.”

Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad te doen[162]alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel draaglijker vond.

’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.

„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.

„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.

Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou laten!


Back to IndexNext