Chapter 9

„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den hadji.Maar die had er schik in.„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, geplukt; hij had volstrekt[195]geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemdeadatheerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar[196]niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang eensoerat lepasgehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood kauwend.„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; zij hadhaar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf toch niets.”„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven.Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”„Ik vraag geen geld.”„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar gezicht.„Wij scheidenniet!”Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij aan met[197]gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.„Wij scheidenniet!” herhaalde zij dan.En dat was alles.Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel sloot.Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.[198]Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over zaken.„Ga zitten, meneer.”„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den kapitein Borne.”Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep iets van de gelegenheidshouding.„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in hooge mate.„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw[199]Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Watmijnverhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u erallesaan doen, endatkom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie.…”„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moetuverzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein er door geïmponeerd werd; hetkonwaar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”[200]„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne te voldoen. Maar erzalaan voldaan worden,datverzeker ik u.”„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.Bronkhorst was woedend.Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij[201]zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht was den kapitein uit te dagen.De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn zucht naar wat afwisseling.„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”„Men zegt dat zoopar manière de dire, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”„Ik vermeen van neen.”Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie niet, maar ik ben bang.…”„Waarvoor?”„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”[202]„Moet het bepaald een officier wezen?”„Als het kan, liefst wel.”„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor physiek ontoerekenbaar.”„Ik ook,” zei de dokter.En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, en vervolgde:„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.”„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd te gevoelen.”„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”[203]„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”„U schijnt hem te haten.”De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”„Zou die ons niet kunnen helpen?”„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat[204]duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan te dringen en onaangenaam te zijn.Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde denkbeelden vrij duidelijk in. Hetwaseen stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover[205]het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw van den resident.Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden uit zijnSturm-und-Drang-periode, toen hij als jongelingle jeu,le vin,les bellesnajoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.[206]Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden van eenobsceenFransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.„Zal ik om den dokter zenden?”Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen.„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”„Nog eens; ikwilgeen dokter.”Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug naar haar toe.„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…”[207]„Ik heb niets noodig.”En zich plotseling naar haar toekeerend:„Heb je er nu over nagedacht?”Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep.„Waarover?”„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.”Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen, die het woord uitsprak.„Ik weet van geen voorstel.”„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.”„Wij scheiden niet!”„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.”Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had.„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen stilhield, zei Marie:„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!”Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène[208]van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat eendos-à-dosstil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.Zelfs de inlanders,hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei datitoenjonja in mijnheers kamer was gegaan.Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond zij van haar stoel op.„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”„Ik zal haar de deur uitgooien.”„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar[209]het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde gaan, als ze was binnengekomen,’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal.„Hoe gaat het?” vroeg ze.„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast hetledikant.„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees.„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.”Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.”„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaamwie!”Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend, snikte zij:„Lidia is onverwacht gekomen.”Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.[210]„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.„Ja.… met haar man.”„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.… Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.”„Maar je eigen zuster.”„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!”Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.…„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek.„Wat?”„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op.„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd met zijn gemaakte houding.„Neen Jean, nu niet.… Van avond.”„Ik ga oogenblikkelijk mee.”Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken.„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen meimmersniet opeten! En als je dan[211]van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”„Ik zou liever nu gaan.”’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ikkonje niet van alles onkundig laten.”Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.„Tot van avond dan, Jean.”„Zonder fout.”„Als je beter bent.”„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon zeggen.Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog maar half, en die helft was[212]toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep.„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.Iedereenschrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen.„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies eender.”Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een[213]opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…”Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia haarsérieuxte bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen.„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet vervaard!”Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n monster te maken.”Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag[214]kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.„Het gaat je niet aan. Laat me door!”„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij.[215]Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen.„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster thuis?”„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.”Bronkhorst boog even het hoofd.„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.”„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:„Wilt u wel zoo goed wezen?”Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.”Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd.…„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw Duhr het best.”En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.”„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt.…”Bronkhorst hief zijn stok op.[216]„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.”Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk.„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo, zoujijde politie roepen, ommijuitjouhuis te laten gooien?”„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”„Ik heb niets met u te maken, meneer.”„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar mevrouw?”„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op.„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis.[217]Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen.„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen.„Ya,” zong de staljongen klagend.In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en weer.De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.„Ik ben beleedigd,” zei hij.„Alweer?” vroeg de dokter lachend.„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie hebben.”„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.”Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid ben u van dienst te zijn.”„Mag ik vragen waarom niet?”„Zeker, u hebt die dame.…”„Ik verzoek u te gelooven.…”„Ik geloofniets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.”Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in[218]opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het dubbel erg.”„Maar mijn goede heer.…”„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en erkent iedereen, behalve u.”Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden.…”„Te redden?”„Ja, van u.”„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten beletten naar voren te komen.”„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend.„Als ikmijn vrouweens vroeg?.…„Ja.… als dát kon.…”Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en openhartige, maar[219]allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in geen geval meer mee.”„Het is maar,” zeide de controleur,„dat ik moeilijk langer kan blijven.”„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…”„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!”„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”„Heb je den dokter laten roepen?”„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst bij mij thuis zijn.”„En toen?”„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.„Wel,nadat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid.…”„Dat spook, die Sarinah?”„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”[220]„Krakallen moest ze, aan den weg!”„Maarnéhzei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”„Ze werd zeker bang!”„Het is wel mogelijk!Enfin, zegaatnu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht.„Dan gaikmaar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.… je kent mijn adres.”Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. Deperkara—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in[221]zijn bed gekomen, maarhoewist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood.Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig, neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.… maar anders.… niets, hoegenaamd niets!En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.…Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van[222]helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger.En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik dan gek geweest?”Degoena-goenahad uitgewerkt.

„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den hadji.Maar die had er schik in.„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, geplukt; hij had volstrekt[195]geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemdeadatheerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar[196]niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang eensoerat lepasgehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood kauwend.„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; zij hadhaar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf toch niets.”„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven.Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”„Ik vraag geen geld.”„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar gezicht.„Wij scheidenniet!”Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij aan met[197]gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.„Wij scheidenniet!” herhaalde zij dan.En dat was alles.Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel sloot.Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.[198]Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over zaken.„Ga zitten, meneer.”„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den kapitein Borne.”Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep iets van de gelegenheidshouding.„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in hooge mate.„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw[199]Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Watmijnverhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u erallesaan doen, endatkom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie.…”„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moetuverzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein er door geïmponeerd werd; hetkonwaar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”[200]„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne te voldoen. Maar erzalaan voldaan worden,datverzeker ik u.”„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.Bronkhorst was woedend.Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij[201]zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht was den kapitein uit te dagen.De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn zucht naar wat afwisseling.„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”„Men zegt dat zoopar manière de dire, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”„Ik vermeen van neen.”Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie niet, maar ik ben bang.…”„Waarvoor?”„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”[202]„Moet het bepaald een officier wezen?”„Als het kan, liefst wel.”„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor physiek ontoerekenbaar.”„Ik ook,” zei de dokter.En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, en vervolgde:„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.”„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd te gevoelen.”„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”[203]„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”„U schijnt hem te haten.”De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”„Zou die ons niet kunnen helpen?”„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat[204]duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan te dringen en onaangenaam te zijn.Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde denkbeelden vrij duidelijk in. Hetwaseen stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover[205]het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw van den resident.Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden uit zijnSturm-und-Drang-periode, toen hij als jongelingle jeu,le vin,les bellesnajoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.[206]Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden van eenobsceenFransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.„Zal ik om den dokter zenden?”Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen.„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”„Nog eens; ikwilgeen dokter.”Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug naar haar toe.„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…”[207]„Ik heb niets noodig.”En zich plotseling naar haar toekeerend:„Heb je er nu over nagedacht?”Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep.„Waarover?”„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.”Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen, die het woord uitsprak.„Ik weet van geen voorstel.”„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.”„Wij scheiden niet!”„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.”Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had.„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen stilhield, zei Marie:„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!”Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène[208]van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat eendos-à-dosstil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.Zelfs de inlanders,hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei datitoenjonja in mijnheers kamer was gegaan.Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond zij van haar stoel op.„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”„Ik zal haar de deur uitgooien.”„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar[209]het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde gaan, als ze was binnengekomen,’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal.„Hoe gaat het?” vroeg ze.„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast hetledikant.„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees.„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.”Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.”„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaamwie!”Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend, snikte zij:„Lidia is onverwacht gekomen.”Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.[210]„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.„Ja.… met haar man.”„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.… Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.”„Maar je eigen zuster.”„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!”Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.…„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek.„Wat?”„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op.„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd met zijn gemaakte houding.„Neen Jean, nu niet.… Van avond.”„Ik ga oogenblikkelijk mee.”Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken.„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen meimmersniet opeten! En als je dan[211]van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”„Ik zou liever nu gaan.”’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ikkonje niet van alles onkundig laten.”Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.„Tot van avond dan, Jean.”„Zonder fout.”„Als je beter bent.”„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon zeggen.Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog maar half, en die helft was[212]toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep.„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.Iedereenschrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen.„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies eender.”Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een[213]opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…”Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia haarsérieuxte bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen.„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet vervaard!”Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n monster te maken.”Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag[214]kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.„Het gaat je niet aan. Laat me door!”„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij.[215]Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen.„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster thuis?”„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.”Bronkhorst boog even het hoofd.„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.”„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:„Wilt u wel zoo goed wezen?”Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.”Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd.…„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw Duhr het best.”En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.”„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt.…”Bronkhorst hief zijn stok op.[216]„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.”Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk.„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo, zoujijde politie roepen, ommijuitjouhuis te laten gooien?”„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”„Ik heb niets met u te maken, meneer.”„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar mevrouw?”„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op.„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis.[217]Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen.„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen.„Ya,” zong de staljongen klagend.In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en weer.De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.„Ik ben beleedigd,” zei hij.„Alweer?” vroeg de dokter lachend.„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie hebben.”„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.”Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid ben u van dienst te zijn.”„Mag ik vragen waarom niet?”„Zeker, u hebt die dame.…”„Ik verzoek u te gelooven.…”„Ik geloofniets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.”Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in[218]opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het dubbel erg.”„Maar mijn goede heer.…”„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en erkent iedereen, behalve u.”Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden.…”„Te redden?”„Ja, van u.”„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten beletten naar voren te komen.”„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend.„Als ikmijn vrouweens vroeg?.…„Ja.… als dát kon.…”Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en openhartige, maar[219]allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in geen geval meer mee.”„Het is maar,” zeide de controleur,„dat ik moeilijk langer kan blijven.”„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…”„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!”„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”„Heb je den dokter laten roepen?”„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst bij mij thuis zijn.”„En toen?”„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.„Wel,nadat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid.…”„Dat spook, die Sarinah?”„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”[220]„Krakallen moest ze, aan den weg!”„Maarnéhzei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”„Ze werd zeker bang!”„Het is wel mogelijk!Enfin, zegaatnu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht.„Dan gaikmaar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.… je kent mijn adres.”Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. Deperkara—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in[221]zijn bed gekomen, maarhoewist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood.Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig, neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.… maar anders.… niets, hoegenaamd niets!En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.…Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van[222]helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger.En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik dan gek geweest?”Degoena-goenahad uitgewerkt.

„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den hadji.Maar die had er schik in.„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, geplukt; hij had volstrekt[195]geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemdeadatheerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar[196]niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang eensoerat lepasgehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood kauwend.„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; zij hadhaar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf toch niets.”„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven.Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”„Ik vraag geen geld.”„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar gezicht.„Wij scheidenniet!”Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij aan met[197]gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.„Wij scheidenniet!” herhaalde zij dan.En dat was alles.Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel sloot.Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.[198]Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over zaken.„Ga zitten, meneer.”„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den kapitein Borne.”Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep iets van de gelegenheidshouding.„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in hooge mate.„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw[199]Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Watmijnverhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u erallesaan doen, endatkom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie.…”„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moetuverzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein er door geïmponeerd werd; hetkonwaar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”[200]„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne te voldoen. Maar erzalaan voldaan worden,datverzeker ik u.”„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.Bronkhorst was woedend.Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij[201]zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht was den kapitein uit te dagen.De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn zucht naar wat afwisseling.„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”„Men zegt dat zoopar manière de dire, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”„Ik vermeen van neen.”Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie niet, maar ik ben bang.…”„Waarvoor?”„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”[202]„Moet het bepaald een officier wezen?”„Als het kan, liefst wel.”„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor physiek ontoerekenbaar.”„Ik ook,” zei de dokter.En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, en vervolgde:„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.”„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd te gevoelen.”„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”[203]„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”„U schijnt hem te haten.”De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”„Zou die ons niet kunnen helpen?”„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat[204]duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan te dringen en onaangenaam te zijn.Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde denkbeelden vrij duidelijk in. Hetwaseen stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover[205]het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw van den resident.Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden uit zijnSturm-und-Drang-periode, toen hij als jongelingle jeu,le vin,les bellesnajoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.[206]Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden van eenobsceenFransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.„Zal ik om den dokter zenden?”Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen.„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”„Nog eens; ikwilgeen dokter.”Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug naar haar toe.„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…”[207]„Ik heb niets noodig.”En zich plotseling naar haar toekeerend:„Heb je er nu over nagedacht?”Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep.„Waarover?”„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.”Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen, die het woord uitsprak.„Ik weet van geen voorstel.”„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.”„Wij scheiden niet!”„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.”Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had.„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen stilhield, zei Marie:„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!”Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène[208]van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat eendos-à-dosstil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.Zelfs de inlanders,hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei datitoenjonja in mijnheers kamer was gegaan.Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond zij van haar stoel op.„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”„Ik zal haar de deur uitgooien.”„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar[209]het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde gaan, als ze was binnengekomen,’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal.„Hoe gaat het?” vroeg ze.„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast hetledikant.„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees.„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.”Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.”„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaamwie!”Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend, snikte zij:„Lidia is onverwacht gekomen.”Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.[210]„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.„Ja.… met haar man.”„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.… Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.”„Maar je eigen zuster.”„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!”Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.…„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek.„Wat?”„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op.„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd met zijn gemaakte houding.„Neen Jean, nu niet.… Van avond.”„Ik ga oogenblikkelijk mee.”Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken.„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen meimmersniet opeten! En als je dan[211]van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”„Ik zou liever nu gaan.”’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ikkonje niet van alles onkundig laten.”Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.„Tot van avond dan, Jean.”„Zonder fout.”„Als je beter bent.”„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon zeggen.Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog maar half, en die helft was[212]toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep.„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.Iedereenschrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen.„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies eender.”Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een[213]opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…”Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia haarsérieuxte bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen.„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet vervaard!”Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n monster te maken.”Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag[214]kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.„Het gaat je niet aan. Laat me door!”„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij.[215]Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen.„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster thuis?”„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.”Bronkhorst boog even het hoofd.„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.”„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:„Wilt u wel zoo goed wezen?”Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.”Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd.…„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw Duhr het best.”En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.”„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt.…”Bronkhorst hief zijn stok op.[216]„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.”Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk.„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo, zoujijde politie roepen, ommijuitjouhuis te laten gooien?”„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”„Ik heb niets met u te maken, meneer.”„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar mevrouw?”„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op.„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis.[217]Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen.„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen.„Ya,” zong de staljongen klagend.In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en weer.De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.„Ik ben beleedigd,” zei hij.„Alweer?” vroeg de dokter lachend.„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie hebben.”„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.”Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid ben u van dienst te zijn.”„Mag ik vragen waarom niet?”„Zeker, u hebt die dame.…”„Ik verzoek u te gelooven.…”„Ik geloofniets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.”Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in[218]opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het dubbel erg.”„Maar mijn goede heer.…”„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en erkent iedereen, behalve u.”Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden.…”„Te redden?”„Ja, van u.”„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten beletten naar voren te komen.”„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend.„Als ikmijn vrouweens vroeg?.…„Ja.… als dát kon.…”Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en openhartige, maar[219]allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in geen geval meer mee.”„Het is maar,” zeide de controleur,„dat ik moeilijk langer kan blijven.”„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…”„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!”„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”„Heb je den dokter laten roepen?”„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst bij mij thuis zijn.”„En toen?”„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.„Wel,nadat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid.…”„Dat spook, die Sarinah?”„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”[220]„Krakallen moest ze, aan den weg!”„Maarnéhzei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”„Ze werd zeker bang!”„Het is wel mogelijk!Enfin, zegaatnu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht.„Dan gaikmaar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.… je kent mijn adres.”Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. Deperkara—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in[221]zijn bed gekomen, maarhoewist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood.Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig, neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.… maar anders.… niets, hoegenaamd niets!En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.…Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van[222]helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger.En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik dan gek geweest?”Degoena-goenahad uitgewerkt.

„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den hadji.

Maar die had er schik in.

„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”

Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.

Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, geplukt; hij had volstrekt[195]geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.

Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.

Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.

Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.

Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.

„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.

Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemdeadatheerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar[196]niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang eensoerat lepasgehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.

„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood kauwend.

„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”

Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; zij hadhaar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.

„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf toch niets.”

„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.

„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven.Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”

„Ik vraag geen geld.”

„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”

Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.

„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”

Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar gezicht.

„Wij scheidenniet!”

Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij aan met[197]gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.

Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.

„Wij scheidenniet!” herhaalde zij dan.

En dat was alles.

Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.

Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel sloot.

Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.[198]

Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.

„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”

Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over zaken.

„Ga zitten, meneer.”

„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den kapitein Borne.”

Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep iets van de gelegenheidshouding.

„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”

Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in hooge mate.

„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw[199]Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Watmijnverhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”

„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”

„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”

„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u erallesaan doen, endatkom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”

„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”

„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”

„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.

„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie.…”

„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moetuverzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”

In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein er door geïmponeerd werd; hetkonwaar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.

„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”[200]

„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”

Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.

„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne te voldoen. Maar erzalaan voldaan worden,datverzeker ik u.”

„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”

„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”

En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.

Bronkhorst was woedend.

Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!

Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij[201]zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht was den kapitein uit te dagen.

De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn zucht naar wat afwisseling.

„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”

„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”

„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”

„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”

„Men zegt dat zoopar manière de dire, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”

„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”

„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”

„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”

„Ik vermeen van neen.”

Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.

„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie niet, maar ik ben bang.…”

„Waarvoor?”

„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”[202]

„Moet het bepaald een officier wezen?”

„Als het kan, liefst wel.”

„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”

„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”

Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.

Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”

„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor physiek ontoerekenbaar.”

„Ik ook,” zei de dokter.

En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, en vervolgde:

„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.”

„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”

„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd te gevoelen.”

„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”[203]

„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”

„U schijnt hem te haten.”

De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.

„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”

„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”

Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.

„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”

„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.

„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.

„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”

Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.

Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.

„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.

Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!

„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”

„Zou die ons niet kunnen helpen?”

„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat[204]duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”

En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.

Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan te dringen en onaangenaam te zijn.

Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde denkbeelden vrij duidelijk in. Hetwaseen stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover[205]het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw van den resident.

Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.

Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.

Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.

Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.

Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden uit zijnSturm-und-Drang-periode, toen hij als jongelingle jeu,le vin,les bellesnajoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.[206]

Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden van eenobsceenFransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.

Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.

„Zal ik om den dokter zenden?”

Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen.

„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”

„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”

„Nog eens; ikwilgeen dokter.”

Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug naar haar toe.

„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…”[207]

„Ik heb niets noodig.”

En zich plotseling naar haar toekeerend:

„Heb je er nu over nagedacht?”

Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep.

„Waarover?”

„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.”

Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen, die het woord uitsprak.

„Ik weet van geen voorstel.”

„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.”

„Wij scheiden niet!”

„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.”

Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had.

„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”

Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen stilhield, zei Marie:

„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!”

Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène[208]van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.

„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.

Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat eendos-à-dosstil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.

Zelfs de inlanders,hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei datitoenjonja in mijnheers kamer was gegaan.

Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond zij van haar stoel op.

„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”

„Ik zal haar de deur uitgooien.”

„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”

Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar[209]het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde gaan, als ze was binnengekomen,

’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal.

„Hoe gaat het?” vroeg ze.

„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”

Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast hetledikant.

„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”

„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.

Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees.

„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.

„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.”

Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.

„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”

„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.”

„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaamwie!”

Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend, snikte zij:

„Lidia is onverwacht gekomen.”

Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.[210]

„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.

„Ja.… met haar man.”

„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”

„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.… Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.”

„Maar je eigen zuster.”

„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!”

Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.…

„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek.

„Wat?”

„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”

Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.

„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”

Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op.

„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”

Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd met zijn gemaakte houding.

„Neen Jean, nu niet.… Van avond.”

„Ik ga oogenblikkelijk mee.”

Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken.

„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen meimmersniet opeten! En als je dan[211]van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”

„Ik zou liever nu gaan.”

’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.

„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ikkonje niet van alles onkundig laten.”

Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.

„Tot van avond dan, Jean.”

„Zonder fout.”

„Als je beter bent.”

„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”

Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon zeggen.

Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog maar half, en die helft was[212]toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.

Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep.

„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.

Iedereenschrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen.

„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies eender.”

Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een[213]opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.

„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…”

Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia haarsérieuxte bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen.

„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet vervaard!”

Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n monster te maken.”

Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag[214]kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.

„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.

„Het gaat je niet aan. Laat me door!”

„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”

En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.

„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”

„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij.[215]

Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen.

„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster thuis?”

„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.”

Bronkhorst boog even het hoofd.

„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.”

„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”

Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:

„Wilt u wel zoo goed wezen?”

Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.

„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.”

Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd.…

„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw Duhr het best.”

En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.”

„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt.…”

Bronkhorst hief zijn stok op.[216]

„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”

„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.”

Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk.

„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo, zoujijde politie roepen, ommijuitjouhuis te laten gooien?”

„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”

„Ik heb niets met u te maken, meneer.”

„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar mevrouw?”

„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.

De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op.

„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.

In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.

In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis.[217]

Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen.

„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen.

„Ya,” zong de staljongen klagend.

In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en weer.

De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.

Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.

„Ik ben beleedigd,” zei hij.

„Alweer?” vroeg de dokter lachend.

„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie hebben.”

„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.”

Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.

„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”

„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid ben u van dienst te zijn.”

„Mag ik vragen waarom niet?”

„Zeker, u hebt die dame.…”

„Ik verzoek u te gelooven.…”

„Ik geloofniets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.”

Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in[218]opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het dubbel erg.”

„Maar mijn goede heer.…”

„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en erkent iedereen, behalve u.”

Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.

„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.

„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden.…”

„Te redden?”

„Ja, van u.”

„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”

Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.

Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.

„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.

„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten beletten naar voren te komen.”

„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”

„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend.

„Als ikmijn vrouweens vroeg?.…

„Ja.… als dát kon.…”

Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en openhartige, maar[219]allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.

„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”

Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in geen geval meer mee.”

„Het is maar,” zeide de controleur,„dat ik moeilijk langer kan blijven.”

„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”

Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.

„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”

„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.

„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…”

„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!”

„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”

„Heb je den dokter laten roepen?”

„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst bij mij thuis zijn.”

„En toen?”

„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.

„Wel,nadat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”

„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid.…”

„Dat spook, die Sarinah?”

„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”[220]

„Krakallen moest ze, aan den weg!”

„Maarnéhzei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”

„Ze werd zeker bang!”

„Het is wel mogelijk!Enfin, zegaatnu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht.

„Dan gaikmaar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.… je kent mijn adres.”

Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.

Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. Deperkara—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.

Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in[221]zijn bed gekomen, maarhoewist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.

Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood.

Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.

Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig, neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.… maar anders.… niets, hoegenaamd niets!

En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.…

Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van[222]helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger.

En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.

„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik dan gek geweest?”

Degoena-goenahad uitgewerkt.


Back to IndexNext