I De klacht van Faust1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de wijsheid voorafgaat.Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat zij inhoudt—zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust’s omgeving en met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: hij is “de” mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van Faust’s klacht duidelijk maken.“Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles” (Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus Wagner uitFaust’s studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo’n schepsel, zijn beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen heeft gekarakteriseerd.Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben uitgevonden en de vergelijkende examens.Wagner is debegrensdemensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid daarbij blijven kanen dat de ware, ruime en diepe geest niet anders kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Ja: de dieperewaarheidder kennis ligt hierin—een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij kloppen begeerig aan de deur van Faust’s denkvertrek “om met hem te treden in geleerde overweging,” maar niet om wijsheid. De vrees, die hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: “de kunst is lang en kort het leven” “eer de halve weg is afgelegd moet een arme drommel misschien sterven.” Dekwantiteitvan het weetbare verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons inbeelden, dat het verstand zelfvoert tot het onbegrepene; dat aldus het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij ’t inspanden, maar bij de ontkenning des doels—dàt te verstaan is verrebuiten het vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk kan voortzetten:zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, de bittere en doodelijke klacht: “Ik zie dat wij niets kunnen weten” (ich sehe dass wir nichts wissen können)?“Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, een arme dwaas en ben zoo wijs als bij ’t begin. Ik heet Magister, Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen.”Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld en levenraadselzijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: “het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver ten laatste wij gekomen zijn.”2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der menschelijke ontwikkeling.De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien zij?Monstersdie het bestaan bedreigen.Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den eisch onzer eigen bewustheid. Maarbegrijpenwij nu? Het voorbarig “ja” als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het Algemeene begrijpen—en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes totraadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren (mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat oog?Zoogij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat dezinder schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een tweeledigen arbeid:vooreerstde klassifikatie (schematisatie) der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen wereld in verscheidenerangen: de anorganische wereld; de organische (plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der redelijke wezens. Detweedetaak van het verstand is: het leven der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische wereld is dit leven tweeërlei:chemische verbinding en ontbinding der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal voordoen, herleid hebben tot deenkelvoudige algemeene gevallen(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand even voldaan zijn als de famulus Wagner.Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van den wil: dat is juist het onbegrepene.In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we gaan peinzen over dat Algemeene!Overden groei zelf; over ontstaan en bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie noch verwijzingnaar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkingskracht. Kracht beteekent mysterie.Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,—den groei; de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aangewoon; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,d. i.tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en teleurgestelduitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij “dat wij niets kunnen weten.”De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht hetwijsheid. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In den mond der kleinere geesten is Faust’s klacht de uitspraak van het zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten een eindpunt heeft bereikt. “Que sais-je” vraagt Montaigne en wordt door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.Ook de groote zoekers van ons geslacht,Socrateszoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt:ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze man aan zijn klacht ontkomen?Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, maar te boven komen.De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze “buiten”-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastloozeonzekerheid versplinterd is: “gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op”. Zoo komt de geest zijn twijfel te boven en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een “bekeering” maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne daad—juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan ’t verstand niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts met haar tooverstaf de zaden aanroert en hetleven eruit opwekt, zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót de fantasie terugkeerde?Ofneen niet terugkeerde, maar vóórtging: een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de energie van geesten?....Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen eigen geest wordt vermoed.Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht “Die Götter Griechenlands” met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:“Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der natuur!Achslechts in hetfeeënlandder dichtkunst is uw fabelachtig spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan mijn blik vertoont zich geen godheid meer” ....wanneer zich nu wèl in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke machten waren, die mijn voetspoor omringden....Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: demagische, zooveel zinvoller dan haar zuster. Demythologische fantasie zingt, maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus als de dood.Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance,toen het kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van geestelijke machten welke men kan leeren kennen enop welke men kan invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: “over de onzekerheid en ijdelheid der wetenschappen” heet het andere “okkulte filosofie”; de weg dóór het verstand tot de klacht “ik zie dat ik niets weet” en vàn de klacht tot de fantasie.Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons streven verwant!“Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt”; “de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood uw hart. Rijs op leerling!Enbaad onbezwaard uw aardsche borst in het geestes-morgenrood.” Bij de aanschouwing der magische teekens, waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust’s zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!4. Faust’s klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der magie gelden: “De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met schroeven”. Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept “o welke weelde welt in dezen aanblik” is begrijpelijk. “Welke weelde vloeit door al mijn zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben ik een God? ik gevoel mij zoo licht!” De geestesverrukking van Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds door het nieuwe licht omstraald—zoolang de opwekking duurt. Weldra zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De droomen der magie voeren eerst recht hetOnbegrepene tot vlak nabij en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, al bestaat ze ook, dieper ligt dan onsbewustzijn. Maar zou er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten juist met onsbewustezieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur verwantschap aanwees met deonbewustegronden van ons menschelijk wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maardezezelfkenner is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling staat Faust voor het Onbegrepene.“Hoe voel ik mij u nabij” durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking samenvat. “Uw gelijke ben ik!”—maar deze moed is overmoed,of het is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend “gij gelijkt den geestdien gij begrijpt, niet mij”.... en de geest verdwijnt.Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: “Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk niet eens op u!”In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem verlaat.... “o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat men weet is overbodig.”—Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.II Faust en Mefistofeles1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is deoneindige drang. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen zijner menschelijkheid.Hiermede is Faust niet “Uebermensch” maarmensch. Hij is, zoo ge wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap naar het allerhoogste.In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal boeit slechts kinderen; de geschiedenis vaniemands worstelingen zonder meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen ook onzer menschlijkheid.Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar degrondenonzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen door aan het optreden van zijn figuur een “proloog in den hemel” te doen voorafgaan.Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het zachte wandelen van den dag.Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken de schoonstester van den hemel vordert en de hoogste lust van de aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande hoogere natuur.Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles’ weg: eindelijk zal de verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet in gestadige werking.In dezen “proloog in den hemel” wordt dus Faust genoemd in een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hijmensch. In iederen mensch is hetbovenpersoonlijke, algemeene en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd,zooals de val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.2. De verstorende macht.Faust dan is vergezeld doorMefistofeles. Reeds in den proloog is deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij met zijn geleider pleegt.De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte bijsmaak was.Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig wezen, maar een faktor van Faust’s menschelijkheid zelf, een elementinden menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het menschelijkwezenzelf is in zijn hoogereAlgemeenheid) eene belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wijzijn. De majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijntegendeelte stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde plaats. Faust’s titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw metons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust’s wezen.Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie—de eeuwigheidsmensch heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder dan het volstrekte zou voor hem eenontkenningvan de waarheid zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke voldaanheid, maar streven.De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs de famulus Wagner zuchtteeens: ach God, de kunst is lang en kort is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het ware een onderwerping aan Mefistofeles.Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en het doel, waarheen hij streeft isverstoring. Hij wil verderven, te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.“Ik ben de geest die steeds ontkent” roept hij tot Faust. Wel is waar is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst van een erkenning (nl.de erkenning van het tegenovergestelde)—maar dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid bedoeld is, maar als een deel van Faust’s persoonlijkheid. Van zijn standpunt uit “is alles wat bestaat waard om te gronde te gaan”. Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet omhet kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester verwachten zou, redeneert hij tot Faust: “Ik ben een deel des deels, dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht den ouden rang en plaats misgunt.” Ja,Mefistofeles is het tegendeel der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des lichts zal zijn vergaan.3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keertzich tegen hem en al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld tegen ons hooger ik.Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; het christelijke ascetisme, dat alle zingenotverwerpt; de mystische versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid der ervaarbare wereld bevrijdt—zij alle zijn de poging van den oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit alle wereldelementen het leven ontspringt: “had ik mij niet de vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven.” Dat echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche werk van zijn tegenstander: “Zoo heft gijtegen de eeuwig werkzame heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig balt, doch vergeefs”.4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is,verwijlen. Nooit zal hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat ontstaat is waard om te gronde te gaan.Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit Mefisto’s oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien maar Faust’s geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigendrang te binden. “Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en zet uw voet op hakken van meters hoog.”Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling de weddenschap met Mefisto aan: “wanneer ik ooit bevredigd mij op het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga ik aan met u!”De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de weddenschap met Mefistofeles aan.
I De klacht van Faust1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de wijsheid voorafgaat.Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat zij inhoudt—zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust’s omgeving en met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: hij is “de” mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van Faust’s klacht duidelijk maken.“Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles” (Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus Wagner uitFaust’s studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo’n schepsel, zijn beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen heeft gekarakteriseerd.Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben uitgevonden en de vergelijkende examens.Wagner is debegrensdemensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid daarbij blijven kanen dat de ware, ruime en diepe geest niet anders kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Ja: de dieperewaarheidder kennis ligt hierin—een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij kloppen begeerig aan de deur van Faust’s denkvertrek “om met hem te treden in geleerde overweging,” maar niet om wijsheid. De vrees, die hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: “de kunst is lang en kort het leven” “eer de halve weg is afgelegd moet een arme drommel misschien sterven.” Dekwantiteitvan het weetbare verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons inbeelden, dat het verstand zelfvoert tot het onbegrepene; dat aldus het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij ’t inspanden, maar bij de ontkenning des doels—dàt te verstaan is verrebuiten het vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk kan voortzetten:zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, de bittere en doodelijke klacht: “Ik zie dat wij niets kunnen weten” (ich sehe dass wir nichts wissen können)?“Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, een arme dwaas en ben zoo wijs als bij ’t begin. Ik heet Magister, Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen.”Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld en levenraadselzijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: “het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver ten laatste wij gekomen zijn.”2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der menschelijke ontwikkeling.De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien zij?Monstersdie het bestaan bedreigen.Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den eisch onzer eigen bewustheid. Maarbegrijpenwij nu? Het voorbarig “ja” als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het Algemeene begrijpen—en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes totraadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren (mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat oog?Zoogij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat dezinder schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een tweeledigen arbeid:vooreerstde klassifikatie (schematisatie) der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen wereld in verscheidenerangen: de anorganische wereld; de organische (plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der redelijke wezens. Detweedetaak van het verstand is: het leven der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische wereld is dit leven tweeërlei:chemische verbinding en ontbinding der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal voordoen, herleid hebben tot deenkelvoudige algemeene gevallen(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand even voldaan zijn als de famulus Wagner.Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van den wil: dat is juist het onbegrepene.In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we gaan peinzen over dat Algemeene!Overden groei zelf; over ontstaan en bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie noch verwijzingnaar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkingskracht. Kracht beteekent mysterie.Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,—den groei; de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aangewoon; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,d. i.tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en teleurgestelduitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij “dat wij niets kunnen weten.”De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht hetwijsheid. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In den mond der kleinere geesten is Faust’s klacht de uitspraak van het zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten een eindpunt heeft bereikt. “Que sais-je” vraagt Montaigne en wordt door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.Ook de groote zoekers van ons geslacht,Socrateszoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt:ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze man aan zijn klacht ontkomen?Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, maar te boven komen.De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze “buiten”-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastloozeonzekerheid versplinterd is: “gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op”. Zoo komt de geest zijn twijfel te boven en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een “bekeering” maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne daad—juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan ’t verstand niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts met haar tooverstaf de zaden aanroert en hetleven eruit opwekt, zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót de fantasie terugkeerde?Ofneen niet terugkeerde, maar vóórtging: een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de energie van geesten?....Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen eigen geest wordt vermoed.Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht “Die Götter Griechenlands” met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:“Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der natuur!Achslechts in hetfeeënlandder dichtkunst is uw fabelachtig spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan mijn blik vertoont zich geen godheid meer” ....wanneer zich nu wèl in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke machten waren, die mijn voetspoor omringden....Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: demagische, zooveel zinvoller dan haar zuster. Demythologische fantasie zingt, maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus als de dood.Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance,toen het kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van geestelijke machten welke men kan leeren kennen enop welke men kan invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: “over de onzekerheid en ijdelheid der wetenschappen” heet het andere “okkulte filosofie”; de weg dóór het verstand tot de klacht “ik zie dat ik niets weet” en vàn de klacht tot de fantasie.Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons streven verwant!“Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt”; “de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood uw hart. Rijs op leerling!Enbaad onbezwaard uw aardsche borst in het geestes-morgenrood.” Bij de aanschouwing der magische teekens, waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust’s zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!4. Faust’s klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der magie gelden: “De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met schroeven”. Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept “o welke weelde welt in dezen aanblik” is begrijpelijk. “Welke weelde vloeit door al mijn zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben ik een God? ik gevoel mij zoo licht!” De geestesverrukking van Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds door het nieuwe licht omstraald—zoolang de opwekking duurt. Weldra zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De droomen der magie voeren eerst recht hetOnbegrepene tot vlak nabij en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, al bestaat ze ook, dieper ligt dan onsbewustzijn. Maar zou er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten juist met onsbewustezieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur verwantschap aanwees met deonbewustegronden van ons menschelijk wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maardezezelfkenner is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling staat Faust voor het Onbegrepene.“Hoe voel ik mij u nabij” durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking samenvat. “Uw gelijke ben ik!”—maar deze moed is overmoed,of het is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend “gij gelijkt den geestdien gij begrijpt, niet mij”.... en de geest verdwijnt.Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: “Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk niet eens op u!”In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem verlaat.... “o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat men weet is overbodig.”—Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.
1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de wijsheid voorafgaat.Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat zij inhoudt—zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust’s omgeving en met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: hij is “de” mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van Faust’s klacht duidelijk maken.“Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles” (Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus Wagner uitFaust’s studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo’n schepsel, zijn beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen heeft gekarakteriseerd.Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben uitgevonden en de vergelijkende examens.Wagner is debegrensdemensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid daarbij blijven kanen dat de ware, ruime en diepe geest niet anders kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Ja: de dieperewaarheidder kennis ligt hierin—een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij kloppen begeerig aan de deur van Faust’s denkvertrek “om met hem te treden in geleerde overweging,” maar niet om wijsheid. De vrees, die hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: “de kunst is lang en kort het leven” “eer de halve weg is afgelegd moet een arme drommel misschien sterven.” Dekwantiteitvan het weetbare verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons inbeelden, dat het verstand zelfvoert tot het onbegrepene; dat aldus het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij ’t inspanden, maar bij de ontkenning des doels—dàt te verstaan is verrebuiten het vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk kan voortzetten:zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, de bittere en doodelijke klacht: “Ik zie dat wij niets kunnen weten” (ich sehe dass wir nichts wissen können)?“Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, een arme dwaas en ben zoo wijs als bij ’t begin. Ik heet Magister, Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen.”Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld en levenraadselzijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: “het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver ten laatste wij gekomen zijn.”
Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de wijsheid voorafgaat.
Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat zij inhoudt—zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust’s omgeving en met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: hij is “de” mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van Faust’s klacht duidelijk maken.
“Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles” (Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus Wagner uitFaust’s studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo’n schepsel, zijn beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen heeft gekarakteriseerd.
Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben uitgevonden en de vergelijkende examens.
Wagner is debegrensdemensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?
Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid daarbij blijven kanen dat de ware, ruime en diepe geest niet anders kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.
Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Ja: de dieperewaarheidder kennis ligt hierin—een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij kloppen begeerig aan de deur van Faust’s denkvertrek “om met hem te treden in geleerde overweging,” maar niet om wijsheid. De vrees, die hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: “de kunst is lang en kort het leven” “eer de halve weg is afgelegd moet een arme drommel misschien sterven.” Dekwantiteitvan het weetbare verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons inbeelden, dat het verstand zelfvoert tot het onbegrepene; dat aldus het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij ’t inspanden, maar bij de ontkenning des doels—dàt te verstaan is verrebuiten het vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:
Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk kan voortzetten:zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!
Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, de bittere en doodelijke klacht: “Ik zie dat wij niets kunnen weten” (ich sehe dass wir nichts wissen können)?
“Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, een arme dwaas en ben zoo wijs als bij ’t begin. Ik heet Magister, Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen.”
Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.
Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld en levenraadselzijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: “het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver ten laatste wij gekomen zijn.”
2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der menschelijke ontwikkeling.De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien zij?Monstersdie het bestaan bedreigen.Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den eisch onzer eigen bewustheid. Maarbegrijpenwij nu? Het voorbarig “ja” als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het Algemeene begrijpen—en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes totraadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren (mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat oog?Zoogij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat dezinder schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een tweeledigen arbeid:vooreerstde klassifikatie (schematisatie) der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen wereld in verscheidenerangen: de anorganische wereld; de organische (plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der redelijke wezens. Detweedetaak van het verstand is: het leven der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische wereld is dit leven tweeërlei:chemische verbinding en ontbinding der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal voordoen, herleid hebben tot deenkelvoudige algemeene gevallen(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand even voldaan zijn als de famulus Wagner.Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van den wil: dat is juist het onbegrepene.In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we gaan peinzen over dat Algemeene!Overden groei zelf; over ontstaan en bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie noch verwijzingnaar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkingskracht. Kracht beteekent mysterie.Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,—den groei; de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aangewoon; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,d. i.tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en teleurgestelduitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij “dat wij niets kunnen weten.”De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht hetwijsheid. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In den mond der kleinere geesten is Faust’s klacht de uitspraak van het zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten een eindpunt heeft bereikt. “Que sais-je” vraagt Montaigne en wordt door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.Ook de groote zoekers van ons geslacht,Socrateszoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt:ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze man aan zijn klacht ontkomen?Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, maar te boven komen.De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze “buiten”-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastloozeonzekerheid versplinterd is: “gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op”. Zoo komt de geest zijn twijfel te boven en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een “bekeering” maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.
De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der menschelijke ontwikkeling.
De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien zij?Monstersdie het bestaan bedreigen.
Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.
Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den eisch onzer eigen bewustheid. Maarbegrijpenwij nu? Het voorbarig “ja” als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.
Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het Algemeene begrijpen—en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.
Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes totraadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren (mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat oog?Zoogij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat dezinder schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.
Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een tweeledigen arbeid:vooreerstde klassifikatie (schematisatie) der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen wereld in verscheidenerangen: de anorganische wereld; de organische (plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der redelijke wezens. Detweedetaak van het verstand is: het leven der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische wereld is dit leven tweeërlei:chemische verbinding en ontbinding der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.
En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal voordoen, herleid hebben tot deenkelvoudige algemeene gevallen(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand even voldaan zijn als de famulus Wagner.
Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van den wil: dat is juist het onbegrepene.
In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we gaan peinzen over dat Algemeene!Overden groei zelf; over ontstaan en bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie noch verwijzingnaar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkingskracht. Kracht beteekent mysterie.
Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,—den groei; de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aangewoon; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.
In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,d. i.tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.
Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en teleurgestelduitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.
Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij “dat wij niets kunnen weten.”
De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht hetwijsheid. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In den mond der kleinere geesten is Faust’s klacht de uitspraak van het zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten een eindpunt heeft bereikt. “Que sais-je” vraagt Montaigne en wordt door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.
Ook de groote zoekers van ons geslacht,Socrateszoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt:ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.
Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze man aan zijn klacht ontkomen?
Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, maar te boven komen.
De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze “buiten”-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastloozeonzekerheid versplinterd is: “gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op”. Zoo komt de geest zijn twijfel te boven en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een “bekeering” maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.
3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne daad—juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan ’t verstand niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts met haar tooverstaf de zaden aanroert en hetleven eruit opwekt, zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót de fantasie terugkeerde?Ofneen niet terugkeerde, maar vóórtging: een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de energie van geesten?....Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen eigen geest wordt vermoed.Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht “Die Götter Griechenlands” met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:“Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der natuur!Achslechts in hetfeeënlandder dichtkunst is uw fabelachtig spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan mijn blik vertoont zich geen godheid meer” ....wanneer zich nu wèl in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke machten waren, die mijn voetspoor omringden....Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: demagische, zooveel zinvoller dan haar zuster. Demythologische fantasie zingt, maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus als de dood.Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance,toen het kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van geestelijke machten welke men kan leeren kennen enop welke men kan invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: “over de onzekerheid en ijdelheid der wetenschappen” heet het andere “okkulte filosofie”; de weg dóór het verstand tot de klacht “ik zie dat ik niets weet” en vàn de klacht tot de fantasie.Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons streven verwant!“Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt”; “de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood uw hart. Rijs op leerling!Enbaad onbezwaard uw aardsche borst in het geestes-morgenrood.” Bij de aanschouwing der magische teekens, waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust’s zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!
Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne daad—juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan ’t verstand niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.
De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts met haar tooverstaf de zaden aanroert en hetleven eruit opwekt, zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót de fantasie terugkeerde?Ofneen niet terugkeerde, maar vóórtging: een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de energie van geesten?....
Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.
Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen eigen geest wordt vermoed.
Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht “Die Götter Griechenlands” met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:“Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der natuur!Achslechts in hetfeeënlandder dichtkunst is uw fabelachtig spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan mijn blik vertoont zich geen godheid meer” ....wanneer zich nu wèl in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke machten waren, die mijn voetspoor omringden....
Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: demagische, zooveel zinvoller dan haar zuster. Demythologische fantasie zingt, maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus als de dood.
Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.
Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance,toen het kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van geestelijke machten welke men kan leeren kennen enop welke men kan invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: “over de onzekerheid en ijdelheid der wetenschappen” heet het andere “okkulte filosofie”; de weg dóór het verstand tot de klacht “ik zie dat ik niets weet” en vàn de klacht tot de fantasie.
Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons streven verwant!
“Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt”; “de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood uw hart. Rijs op leerling!Enbaad onbezwaard uw aardsche borst in het geestes-morgenrood.” Bij de aanschouwing der magische teekens, waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust’s zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!
4. Faust’s klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der magie gelden: “De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met schroeven”. Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept “o welke weelde welt in dezen aanblik” is begrijpelijk. “Welke weelde vloeit door al mijn zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben ik een God? ik gevoel mij zoo licht!” De geestesverrukking van Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds door het nieuwe licht omstraald—zoolang de opwekking duurt. Weldra zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De droomen der magie voeren eerst recht hetOnbegrepene tot vlak nabij en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, al bestaat ze ook, dieper ligt dan onsbewustzijn. Maar zou er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten juist met onsbewustezieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur verwantschap aanwees met deonbewustegronden van ons menschelijk wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maardezezelfkenner is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling staat Faust voor het Onbegrepene.“Hoe voel ik mij u nabij” durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking samenvat. “Uw gelijke ben ik!”—maar deze moed is overmoed,of het is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend “gij gelijkt den geestdien gij begrijpt, niet mij”.... en de geest verdwijnt.Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: “Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk niet eens op u!”In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem verlaat.... “o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat men weet is overbodig.”—Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.
Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der magie gelden: “De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met schroeven”. Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.
De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept “o welke weelde welt in dezen aanblik” is begrijpelijk. “Welke weelde vloeit door al mijn zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben ik een God? ik gevoel mij zoo licht!” De geestesverrukking van Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds door het nieuwe licht omstraald—zoolang de opwekking duurt. Weldra zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De droomen der magie voeren eerst recht hetOnbegrepene tot vlak nabij en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.
Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, al bestaat ze ook, dieper ligt dan onsbewustzijn. Maar zou er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten juist met onsbewustezieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur verwantschap aanwees met deonbewustegronden van ons menschelijk wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maardezezelfkenner is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling staat Faust voor het Onbegrepene.
“Hoe voel ik mij u nabij” durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking samenvat. “Uw gelijke ben ik!”—maar deze moed is overmoed,of het is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend “gij gelijkt den geestdien gij begrijpt, niet mij”.... en de geest verdwijnt.
Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: “Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk niet eens op u!”
In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem verlaat.... “o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat men weet is overbodig.”—Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.
II Faust en Mefistofeles1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is deoneindige drang. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen zijner menschelijkheid.Hiermede is Faust niet “Uebermensch” maarmensch. Hij is, zoo ge wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap naar het allerhoogste.In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal boeit slechts kinderen; de geschiedenis vaniemands worstelingen zonder meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen ook onzer menschlijkheid.Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar degrondenonzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen door aan het optreden van zijn figuur een “proloog in den hemel” te doen voorafgaan.Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het zachte wandelen van den dag.Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken de schoonstester van den hemel vordert en de hoogste lust van de aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande hoogere natuur.Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles’ weg: eindelijk zal de verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet in gestadige werking.In dezen “proloog in den hemel” wordt dus Faust genoemd in een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hijmensch. In iederen mensch is hetbovenpersoonlijke, algemeene en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd,zooals de val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.2. De verstorende macht.Faust dan is vergezeld doorMefistofeles. Reeds in den proloog is deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij met zijn geleider pleegt.De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte bijsmaak was.Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig wezen, maar een faktor van Faust’s menschelijkheid zelf, een elementinden menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het menschelijkwezenzelf is in zijn hoogereAlgemeenheid) eene belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wijzijn. De majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijntegendeelte stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde plaats. Faust’s titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw metons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust’s wezen.Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie—de eeuwigheidsmensch heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder dan het volstrekte zou voor hem eenontkenningvan de waarheid zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke voldaanheid, maar streven.De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs de famulus Wagner zuchtteeens: ach God, de kunst is lang en kort is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het ware een onderwerping aan Mefistofeles.Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en het doel, waarheen hij streeft isverstoring. Hij wil verderven, te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.“Ik ben de geest die steeds ontkent” roept hij tot Faust. Wel is waar is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst van een erkenning (nl.de erkenning van het tegenovergestelde)—maar dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid bedoeld is, maar als een deel van Faust’s persoonlijkheid. Van zijn standpunt uit “is alles wat bestaat waard om te gronde te gaan”. Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet omhet kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester verwachten zou, redeneert hij tot Faust: “Ik ben een deel des deels, dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht den ouden rang en plaats misgunt.” Ja,Mefistofeles is het tegendeel der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des lichts zal zijn vergaan.3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keertzich tegen hem en al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld tegen ons hooger ik.Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; het christelijke ascetisme, dat alle zingenotverwerpt; de mystische versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid der ervaarbare wereld bevrijdt—zij alle zijn de poging van den oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit alle wereldelementen het leven ontspringt: “had ik mij niet de vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven.” Dat echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche werk van zijn tegenstander: “Zoo heft gijtegen de eeuwig werkzame heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig balt, doch vergeefs”.4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is,verwijlen. Nooit zal hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat ontstaat is waard om te gronde te gaan.Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit Mefisto’s oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien maar Faust’s geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigendrang te binden. “Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en zet uw voet op hakken van meters hoog.”Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling de weddenschap met Mefisto aan: “wanneer ik ooit bevredigd mij op het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga ik aan met u!”De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de weddenschap met Mefistofeles aan.
1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is deoneindige drang. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen zijner menschelijkheid.Hiermede is Faust niet “Uebermensch” maarmensch. Hij is, zoo ge wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap naar het allerhoogste.In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal boeit slechts kinderen; de geschiedenis vaniemands worstelingen zonder meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen ook onzer menschlijkheid.Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar degrondenonzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen door aan het optreden van zijn figuur een “proloog in den hemel” te doen voorafgaan.Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het zachte wandelen van den dag.Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken de schoonstester van den hemel vordert en de hoogste lust van de aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande hoogere natuur.Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles’ weg: eindelijk zal de verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet in gestadige werking.In dezen “proloog in den hemel” wordt dus Faust genoemd in een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hijmensch. In iederen mensch is hetbovenpersoonlijke, algemeene en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd,zooals de val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.
De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is deoneindige drang. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen zijner menschelijkheid.
Hiermede is Faust niet “Uebermensch” maarmensch. Hij is, zoo ge wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap naar het allerhoogste.
In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal boeit slechts kinderen; de geschiedenis vaniemands worstelingen zonder meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen ook onzer menschlijkheid.
Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar degrondenonzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen door aan het optreden van zijn figuur een “proloog in den hemel” te doen voorafgaan.
Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het zachte wandelen van den dag.
Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken de schoonstester van den hemel vordert en de hoogste lust van de aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande hoogere natuur.
Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles’ weg: eindelijk zal de verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.
En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet in gestadige werking.
In dezen “proloog in den hemel” wordt dus Faust genoemd in een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hijmensch. In iederen mensch is hetbovenpersoonlijke, algemeene en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd,zooals de val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.
2. De verstorende macht.Faust dan is vergezeld doorMefistofeles. Reeds in den proloog is deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij met zijn geleider pleegt.De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte bijsmaak was.Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig wezen, maar een faktor van Faust’s menschelijkheid zelf, een elementinden menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het menschelijkwezenzelf is in zijn hoogereAlgemeenheid) eene belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wijzijn. De majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijntegendeelte stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde plaats. Faust’s titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw metons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust’s wezen.Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie—de eeuwigheidsmensch heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder dan het volstrekte zou voor hem eenontkenningvan de waarheid zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke voldaanheid, maar streven.De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs de famulus Wagner zuchtteeens: ach God, de kunst is lang en kort is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het ware een onderwerping aan Mefistofeles.Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en het doel, waarheen hij streeft isverstoring. Hij wil verderven, te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.“Ik ben de geest die steeds ontkent” roept hij tot Faust. Wel is waar is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst van een erkenning (nl.de erkenning van het tegenovergestelde)—maar dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid bedoeld is, maar als een deel van Faust’s persoonlijkheid. Van zijn standpunt uit “is alles wat bestaat waard om te gronde te gaan”. Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet omhet kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester verwachten zou, redeneert hij tot Faust: “Ik ben een deel des deels, dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht den ouden rang en plaats misgunt.” Ja,Mefistofeles is het tegendeel der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des lichts zal zijn vergaan.
Faust dan is vergezeld doorMefistofeles. Reeds in den proloog is deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij met zijn geleider pleegt.
De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.
Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte bijsmaak was.
Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig wezen, maar een faktor van Faust’s menschelijkheid zelf, een elementinden menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.
In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het menschelijkwezenzelf is in zijn hoogereAlgemeenheid) eene belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wijzijn. De majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.
Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijntegendeelte stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde plaats. Faust’s titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw metons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust’s wezen.
Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.
De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie—de eeuwigheidsmensch heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder dan het volstrekte zou voor hem eenontkenningvan de waarheid zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke voldaanheid, maar streven.
De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs de famulus Wagner zuchtteeens: ach God, de kunst is lang en kort is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het ware een onderwerping aan Mefistofeles.
Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en het doel, waarheen hij streeft isverstoring. Hij wil verderven, te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.
“Ik ben de geest die steeds ontkent” roept hij tot Faust. Wel is waar is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst van een erkenning (nl.de erkenning van het tegenovergestelde)—maar dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid bedoeld is, maar als een deel van Faust’s persoonlijkheid. Van zijn standpunt uit “is alles wat bestaat waard om te gronde te gaan”. Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet omhet kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.
Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester verwachten zou, redeneert hij tot Faust: “Ik ben een deel des deels, dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht den ouden rang en plaats misgunt.” Ja,Mefistofeles is het tegendeel der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des lichts zal zijn vergaan.
3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keertzich tegen hem en al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld tegen ons hooger ik.Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; het christelijke ascetisme, dat alle zingenotverwerpt; de mystische versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid der ervaarbare wereld bevrijdt—zij alle zijn de poging van den oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit alle wereldelementen het leven ontspringt: “had ik mij niet de vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven.” Dat echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche werk van zijn tegenstander: “Zoo heft gijtegen de eeuwig werkzame heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig balt, doch vergeefs”.
Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.
Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keertzich tegen hem en al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.
Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld tegen ons hooger ik.
Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.
Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; het christelijke ascetisme, dat alle zingenotverwerpt; de mystische versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid der ervaarbare wereld bevrijdt—zij alle zijn de poging van den oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.
Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit alle wereldelementen het leven ontspringt: “had ik mij niet de vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven.” Dat echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche werk van zijn tegenstander: “Zoo heft gijtegen de eeuwig werkzame heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig balt, doch vergeefs”.
4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is,verwijlen. Nooit zal hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat ontstaat is waard om te gronde te gaan.Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit Mefisto’s oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien maar Faust’s geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigendrang te binden. “Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en zet uw voet op hakken van meters hoog.”Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling de weddenschap met Mefisto aan: “wanneer ik ooit bevredigd mij op het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga ik aan met u!”De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de weddenschap met Mefistofeles aan.
Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is,verwijlen. Nooit zal hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat ontstaat is waard om te gronde te gaan.
Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit Mefisto’s oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien maar Faust’s geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigendrang te binden. “Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en zet uw voet op hakken van meters hoog.”
Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling de weddenschap met Mefisto aan: “wanneer ik ooit bevredigd mij op het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga ik aan met u!”
De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de weddenschap met Mefistofeles aan.