Door eigen kracht.

Door eigen kracht.In een klein stadje, Port-Huron genaamd, in den staat Michigan, Noord-Amerika, zaten op een winteravond van het jaar 1859 drie menschen bij elkaar: Vader, Moeder en twaalfjarige zoon. De vader was een koopman in oudheden, d. w. z. zijn winkel bevatte een allegaartje van oude meubelen, schilderijen, lijsten, koffers, klokken, lampen, aardewerk, enz. Maar de meubelen waren òf zeer oud, of stuk, de schilderijen gescheurd of zonder eenige waarde, de koffers zonder deksels of met onbruikbare sloten, de klokken zonder slingers, het aardewerk gelijmd, gekramd of gescheurd.’t Was niet veel meer dan een rommelzoodje en alles te zamen niet meer waard dan enkele dollars. Toch moest de eigenaar met den handel in deze en dergelijke waardelooze dingen den kost zien te verdienen voor zijn gezin.Jaren geleden uit Nederland naar het Verre Westen vertrokken, had hij daar nog niet veel weelde gekend. Eerst had hij als kleermaker zijn dagelijksch brood zien te verdienen, daarna had hij zich op de boomkweekerij toegelegd en was hij tegelijk een handeltje in zaden begonnen, maar ’t was hem niet meegeloopen. De Fortuin had hem steeds den rug toegekeerd,hoewel het hem aan ijver noch verstand ontbrak. Eindelijk na van de eene plaats naar de andere getrokken te zijn, had hij zich in Port-Huron gevestigd en was daar zijn handel in oude voorwerpen begonnen. Maar ’t ging hem nog in het geheel niet naar den vleeze, wat duidelijk blijkt uit het karige avondmaal, dat thans door het drietal wordt gebruikt.Er heerscht stilte in de kamer. Vader en moeder zwijgen, en de zoon is, terwijl hij eet, in een boek verdiept. ’t Is een eigenaardigheid van den jongen, dat hij altijd leest. Hij was teruggetrokken van aard en deed niets liever, dan lezen en leeren. Hij had nooit een school bezocht. Wat hij wist, had zijn moeder hem geleerd, die voor haar huwelijk onderwijzeres was geweest. Haar zoon was een dankbaar leerling, vlug van bevatting en ijverig, en al spoedig wist hij evenveel als zijn moeder. Hij liep de halve stad af om boeken te leenen, en als hij er weer een machtig was geworden, zocht hij een eenzaam plekje, om er ongestoord in te kunnen lezen. En hij las van alles, zonder een bepaalde voorkeur. ’t Gevolg was, dat hij over velerlei zaken kon meepraten, maar toch slechts verwarde begrippen daarover had.Toen het avondmaal afgeloopen was, verbrak de vader de stilte, en zei:“Hoor eens, Thomas, ik moet je even spreken.”“Mij, vader?”“Ja, m’n jongen. Je bent nu twaalf jaar oud, en ’t wordt dus tijd, dat je je eigen brood gaat verdienen. We zouden het graag anders hebben gewild en jeliever bij ons gehouden hebben,—maar ’t gaat met de verdiensten slecht...”“Ik begrijp het, vader,—maar wat zal ik doen? In den winkel met al die oude dingen heb ik geen lust...”“We hebben al iets voor je gevonden, jongen. Je zult bagagemeester worden op de treinen van den Canada- en Central Michigan-spoorweg.”“Ah bah!” zei Thomas met een zuur gezicht. “’t Is me nog al een mooie betrekking!”“Och, ’t zal je wel meevallen. Je rijdt steeds van de eene plaats naar de andere, ziet altijd wat nieuws, spreekt honderden menschen, en—de trein houdt om den anderen dag te Port-Huron op, zoodat je dan thuis kunt komen. We zijn elkander dan nog niet geheel en al kwijt.”De moeder keek haar eenig kind met een blik vol liefde aan, en zei: “Neen,—Goddank niet.”“Ik heb alles al met den Stationschef afgesproken, m’n jongen. Je moet de bagage van de reizigers opladen, plaatsen en weer afladen,—maar bovendien draagt de pachter van het buffet je op, taartjes, brood en saucijzen bij de passagiers te gaan venten. Je loopt dus den geheelen trein door. En voor jezelven mag je daarbij een handeltje beginnen in plaatwerken en couranten, wat misschien nog een aardig voordeeltje kan opleveren.”“Dus ’t is alles al afgesproken?” vroeg Thomas.“Ja,—morgenochtend om half acht komt de trein aan, en dan moet je present zijn. Met den buffetpachter en den boekverkooper in het station is alles al geregeld.”Thomas had zijn aanvankelijken weerzin voor zijn aanstaande betrekking spoedig overwonnen en stapte den volgenden morgen om half acht vroolijk en welgemoed den trein in. En weldra was hij druk bezig met den verkoop van taartjes, boterhammetjes, fruit en sigaren, die in de Amerikaansche treinen veel meer gebruikt worden dan in ons land, omdat daar de afstanden veel grooter zijn. En de verkoop van platen en couranten leverde hem een aardig winstje op, waarmede hij niets beters meende te kunnen doen, dan er eenige boeken voor te koopen, die hij meenam naar zijn bagage-wagen. Maar dat pakte al spoedig verkeerd uit, want als Thomas eenmaal aan het lezen was, wist hij van geen ophouden, zoodat de reizigers zoowel van hunne versnaperingen als van hunne couranten verstoken bleven. De buffetpachter was daar zeer ontevreden over en gaf hem te kennen, dat hij beter voor zijn zaken moest zorgen.Nu zat Thomas in zak en asch, want hij wilde veel liever lezen. Onder zijne boeken was er een over scheikunde, dat hem buitengewoon veel belang inboezemde, al begreep hij er niet bijster veel van.Hij wist zich echter te redden. Voor enkele centen daags huurde hij een paar kinderen uit de buurt, om voor hem te venten, en zelf bleef hij in zijn bagage-wagen van zijn lectuur gemeten. En bij lezen bleef het niet. Neen, hij vond die scheikunde zoo mooi, dat hij besloot, ook proeven te gaan nemen. Hij maakte van zijn bagage-wagen langzamerhand een laboratorium in optima-forma, en hield zich bezig methet nemen van proeven, terwijl zijn jonge knechtjes het werk voor hem deden.Dat ging zoolang goed, tot op een dag de trein een hevigen schok kreeg, met het gevolg, dat een flesch met phosphorus aan scherven op den grond terecht kwam. De phosphorus vloog in brand en de wagen begon ook vlam te vatten.Dal gaf bij Thomas een geweldigen schrik. Gelukkig wist een conducteur de vlammen te blusschen, en toen hij dat gedaan had, gaf hij Thomas een geducht pak slaag en wierp zijn heele laboratorium den trein uit.In het stadje Détroit hield de trein telkens eenige uren stil, en Thomas meende dien tijd niet beter kunnen besteden, dan door de geheele stadsbibliotheek te gaan lezen. Hij begaf er zich heen en greep het eerste boek van de plank, dat hij achter elkaar uitlas. Den volgenden keer nam hij het volgende boek, en, zoo ging het geregeld door. De bibliothecaris was over zooveel volharding niet weinig verwonderd, en voelde zich tot den leergierigen jongen zeer aangetrokken. Hij gaf hem goeden raad en wees hem de boeken, die hem voor den knaap het meest geschikt toeschenen. Zoo kwam er althans eenige leiding bij het lezen van Thomas.Ook van zijn oogen maakte hij een goed gebruik. Had hij een oogenblik vrij, dan kon men er zeker van zijn hem daar te vinden, waar iets belangwekkends te zien was. Zoo trok onder anderen het telegrafeeren bijzonder zijn belangstelling, en toen hij eens eenige uren thuis was, maakte hij zelf eenvolledige telegraaf. Zijn batterijen bestonden uit oude potten en overgeschoten metaal uit den winkel van zijn vader.Het station lag twintig minuten van zijne ouderlijke woning verwijderd, en het verdroot Thomas, telkens dat eind te moeten loopen, wat hem veel te veel tijd kostte. Zoo dicht mogelijk bij zijn huis wierp hij daarom langs de spoorlijn een grooten zandhoop op, en toen de trein daar weer langs reed, sprong Thomas den trein uit, op zijn zandheuvel. ’t Liep goed af, en nu was hij veel eerder thuis dan vroeger. Voortaan koos hij altijd dezen korteren weg, en er gebeurde nooit een ongeluk bij. Bij die Amerikaansche treinen gaat het blijkbaar heel anders toe, dan hier.Dat Thomas niet bang was, bewees hij ook, toen hij op een morgen te Port-Clément op den trein stond te wachten, en juist toen deze met volle kracht naderde, op twintig meters afstand van de locomotief een kind tusschen de rails zag spelen. Zonder een oogenblik te weifelen, sprong Thomas tusschen de rails, greep het kind, sleurde het in zijn vaart meê, en was juist over de rails, toen de locomotief rakelings langs hem heen snorde. Twee seconden later zouden beiden verpletterd geweest zijn.’t Geredde kind was van den Chef zelven, die hem zijn grooten dank toonde, door hem te leeren seinen met de telegraaf, waar Thomas zeer blijde meê was.Op een dag was er op de drukkerij van een courant in Détroit eene verkooping van oude drukletters, en Thomas werd er voor eenige dollars eigenaar van. Hij kocht nu ook nog de verschillende benoodigdhedenvoor eene kleine drukkerij, en bracht alles naar zijn bagage-wagen, die voor hem de halve wereld vertegenwoordigde.En nu begon Thomas iets nieuws. Hij schreef eenige artikelen, knipte wat nieuwtjes uit verschillende tijdschriften, zette wat hij geschreven had,—en verscheen in de personenwagens met een nieuwe courant, “The grand Trunk Herald”, die hij zelf geschreven, gezet, gedrukt en gecorrigeerd had. Zoo iets was den reizigers nog nooit overkomen, en iedereen wilde er een exemplaar van hebben. Men vond zijn denkbeeld zoo oorspronkelijk, dat er zelfs in de groote bladen over geschreven werd. Dàt was nog eens iets echt Amerikaansch! ’t Is te begrijpen, dat Thomas er een aardig duitje meê verdiende.Door zijn succes aangemoedigd besloot hij ook in Port-Huron een courant uit te geven. Zij heette de Paul Pry, en iedereen, die lust had, mocht er in schrijven, als men maar geen betaling voor de artikelen eischte. Thomas nam alles op, wat hem ter plaatsing aangeboden werd, maar dat bekwam hem slecht. Zijn courant werd een echt scheldblaadje, waarin menigeen diep beleedigd werd. Alle instellingen, en zaken, ja zelfs personen werden over den hekel gehaald, met het gevolg, dat een zijner stadgenooten zich zoodanig gegriefd en beleedigd gevoelde, dat hij Thomas, den Redacteur, bij den nek pakte en in het water wierp.Thomas was nu geen jongen meer, hij was een jonge man geworden. Hij liet zijn blad en zijn bagagewagen in den steek, en werd telegrafist, maar konalleen geplaatst worden voor den nachtdienst. Nu pas had hij eene betrekking naar zijn zin, want nu was hij prachtig in de gelegenheid, om zijne bekwaamheden te toonen en verder te ontwikkelen. ’t Duurde dan ook maar kort, of hij kende de telegrafie tot in de puntjes. Maar Thomas was veel te afgetrokken, om goed zijne plichten waar te nemen. In de stilte van den nacht hield hij zijn geest voortdurend bezig met het nemen van proeven en het doen van wetenschappelijke onderzoekingen. En daardoor vergat hij te seinen, wat er geseind moest worden. Zijn directeur was daar zeer ontevreden over, en besloot hem tot het vervullen van zijn plichten te dwingen. Hij beval hem namelijk elk half uur een zeker woord naar een naburig station over te seinen, in de meening, dat Thomas daardoor gedwongen zou worden, zijne aandacht bij zijn werk te bepalen. Maar ’t bevel was Thomas in het geheel niet naar den zin, want hij had zich juist voorgenomen, dien nacht eens flink te studeeren. Hoe zich te redden? Hoe zou hij elk half uur een woord naar een naburig station kunnen seinen, zonder zijne geliefkoosde studie in den steek te laten?Weldra hielp zijn vindingrijke geest hem uit de moeilijkheid. Hij bedacht een eenvoudig instrumentje, dat precies elk half uur door den grooten wijzer van het uurwerk werd aangeraakt en waardoor het voorgeschreven woord overgeseind werd. Zoo kreeg men aan het naaste station wel geregeld dat woord geseind, maar overige berichten werden er niet ontvangen.De directeur vond zijn middel wel verbazend vernuftig,maar was er niet bijster mede ingenomen. Hij had liever een goed ambtenaar dan een uitvinder in zijn dienst, en verplaatste hem daarom naar Memphis. Thomas was toen 17 jaar. In zijn nieuwe standplaats vond hij het middel, om twee depeches in tegengestelde richting langs een zelfde lijn te seinen, wat men tot dien tijd toe voor eene onmogelijkheid had gehouden. Men verklaarde hem dan ook gewoon voor gek, maar een der beambten, die de uitlegging van Thomas gehoord had, nam er dadelijk patent op en verdiende er goed geld mede.’t Was niet prettig voor den jongen uitvinder, maar hij trok er eene goede les uit, n.l. om voortaan voorzichtiger in zijne mededeelingen te zijn. Eenigen tijd later vond hij het middel uit, om twee treinen, die in beweging zijn, telegrafisch met elkander te verbinden. Men gaf hem verlof, zijn toestel te beproeven op twee treinen op den spoorweg, waaraan Memphis gelegen is. Hij was nu echter zoo voorzichtig geweest, aan niemand iets van zijn geheim te vertellen, en dat werd nù weer zijn ongeluk. De toestellen werden niet goed geplaatst, zoodat de twee treinen met elkander in botsing kwamen in plaats van elkander te waarschuwen. Er gebeurden geen ongelukken bij, dan alleen, dat Thomas uitgelachen en uit zijne betrekking ontslagen werd.Toch was zijn naam in Amerika door dit voorval vrij algemeen bekend geworden, waaraan hij te danken had, dat hij naar New-York ontboden werd, om eene machine te herstellen, die mechanisch den koers der verschillende effecten op de beurs aanwees.Het gelukte Thomas, de defecte machine te herstellen, maar tevens vond hij een toestel uit, dat veel beter aan de eischen voldeed, en dat hem een grooten naam als werktuigkundige bezorgde.DeWest Telegraph Unionbesloot van den bekwamen jongen man gebruik te maken. Zij bouwde dicht bij New-York een groot laboratorium, de beroemde werkplaats van Menlo-Park, en benoemde Thomas tot ingenieur daarvan. Hij kreeg een leger van bekwame assistenten tot zijne beschikking, ieder uitmuntende in zijn vak, en men liet hem geheel vrij om te werken in de richting, die hij zelf verkoos. Wel een bewijs, dat men overtuigd was van zijne groote bekwaamheden, en van de hooge verwachtingen die men koesterde over de groote uitvindingen, die hij in de toekomst zou doen. En die verwachtingen zijn niet beschaamd, want over de geheele wereld kent men thans den naamThomas Alva Edison, een van de beroemdste uitvinders van het tegenwoordige geslacht.Zoo kon nu Thomas Edison, in den bloei zijner jeugd, volkomen onafhankelijk, zich geheel aan de wetenschap wijden. Hij kon voor zijne proeven en onderzoekingen zooveel geld gebruiken, als hij zelf verkoos,—maar de uitvindingen, die hij deed, waren ten voordeele van deWest Telegraph Union, die hem honderd dollars per week als salaris uitbetaalde.Eens, bij een bezoek aan eene fabriek, werd zijne aandacht getrokken door het lieve uiterlijk van een meisje, dat daar arbeidde. Dadelijk besloot hij haar tot vrouw te vragen, wat hij dan ook deed. MariaStilvelle bedacht zich niet lang, en weldra brak de dag van hun huwelijk aan. Toen het bruidspaar uit de kerk kwam, bracht Thomas Edison zijn jong vrouwtje naar zijne woning, en toonde haar ook zijne werkplaatsen. Daar herinnerde hij zich opeens, dat hij aan een proef bezig was, die nog voltooid moest worden. Hij verzocht haar dus verlof, even naar zijn laboratorium te mogen gaan. Weldra zou hij aan het bruidsmaal komen.Dat gebeurde des middags,—maar ’s avonds was Thomas Edison nog niet teruggekeerd. Het bruidsmaal was al lang afgeloopen, toen hij eindelijk naar huis kwam. De afgetrokken geleerde had zoowel zijn feestmaal als zijne bruid vergeten!Menlo-Park, de werkplaats van Edison, is eene kleine plaats op ongeveer een uur afstands van New-York. Het huis is van één verdieping, vijf en dertig meter lang en tien meter breed. Zijn woonhuis is op korten afstand daarvan verwijderd.Beneden in de werkplaats staat eene stoommachine, die de beweegkracht levert, welke Edison noodig heeft, verder vindt men er een prachtige verzameling werktuigen van allerlei aard, waarmede alle bekende stoffen bewerkt kunnen worden. Een geheel leger uitgezochte werktuigkundigen zijn onder zijne directie voortdurend bezig met allerlei werkzaamheden, waarvan hèm alleen het doel bekend is.Op de eerste verdieping is het laboratorium van Edison, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbrengt. Daar ziet men tallooze flesschen, bekers, glazen, vazen en doozen, men vindt er alle bekendemineralen, metalen, zouten, zuren, de fijnste werktuigen en toestellen.In een hoek van zijn laboratorium staat een fornuis met een grooten rookvang er boven, waar voortdurend een aantal lampen staan te branden, zoo ingericht en geregeld, dat zij zooveel mogelijk roet geven. Dit roet wordt aan sterke drukking blootgesteld, tot plaatjes geperst, en voor de koolplaten van telefonen en mikrofonen gebruikt. Verder ziet men er electrische batterijen, electro-magneten, en allerlei toestellen, zeer verschillend van bestemming en vorm. Er loopen telegraafdraden in alle richtingen langs de zoldering, die verbonden zijn met toestellen, welke onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.In dit reusachtig laboratorium werken vele geleerden onder zijne leiding. Men vindt er scheikundigen, natuurkundigen, werktuigkundigen en zelfs wiskundigen, die hem allen bij zijne onderzoekingen behulpzaam zijn.Sedert Edison zijn intrek in deze grootsche inrichting nam, heeft hij verscheidene ontdekkingen gedaan, die de wereld in verbazing hebben gebracht.Voor het eerst in 1878 hield Edison zich bezig met het vraagstuk der electrische verlichting. De telefoon, mikrofoon en fonograaf hadden toen reeds hun intrede in de wereld gedaan, maar het electrisch licht verkeerde nog in zijn kindsheid. Edison meende echter, dat het mogelijk was het electrisch licht zoo te volmaken, dat het ’t gaslicht verre overtreffen kon. En nu begon hij eene reeks van onderzoekingen, diemet de schitterendste resultaten werden bekroond.’t Ligt niet op onzen weg, hier al die onderzoekingen, hoe belangwekkend ook, te beschrijven. Genoeg zij het te weten, dat het hem gelukte het electrisch licht zoo te volmaken, dat het thans reeds geheele steden verlicht, en dat wij het veilig het licht der toekomst mogen noemen.De beroemde Edison, die zijn loopbaan eenmaal begon als treinjongen, is thans een van de beroemdste mannen der wereld, en met het volste recht kan van hem getuigd worden, dat hij dit werd door eigen kracht.Een nuttige uitvinding.Voor een klein huis in een van de nauwste straten van de stad Boston stond, een 70 jaar geleden, een man met de grootste aandacht door een raam te turen. Blijkbaar gebeurde daar iets, dat hem meer dan gewone belangstelling inboezemde, want hij had oog noch oor voor hetgeen er rondom hem gebeurde, maar hield zijn blik onafgebroken op eenzelfde punt in het eenvoudige huisje gericht. ’t Is den man aan te zien, dat hij een werkman is, die in behoeftige omstandigheden verkeert, want zijne kleeding is armoedig en zijn geheele uiterlijk verraadt kommer.Wat mag er toch wel in dat huisje geschieden, dat zoozeer zijne belangstelling boeit?Och, iets heel eenvoudigs en gewoons. Niets anders, dan een eenvoudige linnenwever, die voor zijn weefstoel gezeten aan den arbeid is, en zijn spoel heen en weder beweegt. En toch is het die eenvoudige arbeid, die zoo bijzonder de aandacht van onzen toeschouwer trekt.Zijn naam is Elias Howe, en hij is werktuigkundige van beroep. Toen hij, jaren geleden, bij een patroon werkzaam was, zei deze eens:“Ha, als het eens iemand gelukken mocht, een naaimachine uit te vinden, een toestel, dat licht, vlugen goed werkt, dan was zijn fortuin gemaakt. Ik durf voorspellen, dat hij in korten tijd millionair werd!”Van dat oogenblik af liet de gedachte hem geen rust, dat hij een naaimachine zou uitvinden, die hem schatrijk zou maken. Maar ’t kwam heel anders uit. Zijn gedachten waren niet meer bij zijn werk, en zijn lust daartoe was verdwenen. Hij werd een slecht arbeider, die overal ontslagen werd en eindelijk nergens meer werk kon vinden. En de menschen hielden hem voor niet-toerekenbaar. Zij vonden hem min of meer krankzinnig, en hielden hem meermalen voor den gek. Zijn buren en kennissen lachten om hem, en zijn vrouw was knorrig en boos en schold hem meermalen uit voor een zot, die zijn tijd wel beter kon gebruiken, dan zulk een hersenschim na te jagen. Zij zou het wijzer van hem vinden, als hij het brood voor zich en zijn gezin verdiende, in plaats van altoos te mijmeren over zijn idée om een naaimachine te maken, wat hem toch wel nooit zou gelukken.Maar hij gaf zijne pogingen niet op. Nacht en dag hielden zijne gedachten zich met dezelfde zaak bezig, en ’t was hem ten slotte onmogelijk over iets anders te denken dan over zijne machine.Zoo ook nu weer voor het raam van den linnenwever. Hij volgde de eentonige beweging van de spoel, en was in diepe gedachten verzonken. Telkens mompelde hij zacht iets voor zich heen. ’t Was hem aan te zien, dat zijn geest in heftige beroering was. Zijne handen beefden en zijne oogen schitterden.“Juist, zoo kan het,—zoo kan het!” mompelde hijsnel. “Wanneer die spoel met een naald zoodanig in wisselwerking kan worden gebracht, dat bij iederen gang—heen en terug,—een knoop wordt gelegd, dan—ha, dan was het gevonden.—Maar, dat mòèt kunnen,—dat mòèt kunnen!”Nog langen tijd bleef hij voor het raam staan turen, tot hij opeens uitriep, zoodat de voorbijgangers het hoorden:“Ik heb het! Ik heb het!”De menschen keken hem lachend na, toen hij met driftige schreden de plaats verliet, waar hij zoo langen tijd in gedachten verzonken had gestaan, en zich huiswaarts spoedde.Maar eerst liep hij een ijzerwinkel binnen, en kocht hij voor zijn laatste geld de grondstoffen, die hij voor het uitwerken van zijn idée meende noodig te hebben.Toen snelde hij naar huis, zonder op of om te zien. Hij draafde meer, dan hij liep, en menige kennis van hem keek hem òf medelijdend, of spottend na, in de overtuiging, dat het met den ongelukkigen droomer hoe langer hoe meer mis ging. Zij twijfelden er niet aan, of hij zou zijn leven nog in een krankzinnigengesticht eindigen.Zoodra hij thuis kwam, riep hij zijn vrouw juichend toe:“Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”“Je bent niet goed!” antwoordde zijn vrouw norsch. “Den heelen dag loop je door de stad te slenteren, je verluiert je tijd, je maakt je laatste geld zoek, en je laat je gezin verhongeren. ’t Is eene schande, eene verregaande schande! Werk, zooals het jebetaamt en verdien den kost voor je vrouw en kind!”“Dat zàl ik, dat zal ik!” juichte de man. “En goed ook. Wacht maar, heb nog maar een poosje geduld, dan worden we schatrijk!”“Doodarm!” viel zijne vrouw in.“Millionair word ik, wat ìk je zeg!” riep hij zijne vrouw toe. “Wacht maar,—de wereld zal verbaasd staan...”“En je opsluiten als een gek!”“Zal verbaasd staan, zeg ik je, en schatrijk worden we,” hield Elias vol. Maar hij gunde zich langer geen tijd om er over te praten. Hij begaf zich naar zijne werkplaats en zette zich dadelijk met moed aan den arbeid. O, hij wìst immers, dat hij het geheim eindelijk had ontdekt, hij wist immers, dat de langgezochte machine thans tot stand zou komen! Wat zouden de spotters, die hem een sukkel, een droomer, een gek hadden genoemd, verstomd staan, als hij hun eindelijk zou kunnen toonen, wat hij had gewrocht. Hoe zou hun spot in bewondering veranderen, hoe zouden zij hem zijne schoone uitvinding benijden, en wat nog het mooiste was,—hoe zou hem het geld van alle kanten toestroomen, zoodat hij in korten tijd een van de rijkste menschen van de Vereenigde Staten zou zijn.Onverdroten arbeidde hij voort, dag aan dag,—maar ’t ging lang niet zoo gemakkelijk, als hij zich nog wel had gedacht. Telkens en telkens weer bleek hem, dat zijn werk niet aan zijne verwachting beantwoordde. Wèl had hij het beginsel, waar zijne machine op moest berusten, goed in zijn hoofd en twijfeldehij niet, of ditmaal zou hij slagen, maar—’t werd een gecompliceerde machinerie, en meermalen scheen het hem een onmogelijkheid toe, om alles goed voor elkaar te krijgen. Dan brak het zweet hem uit en voelde hij stekende pijnen in het hoofd, die hem dwongen, om den arbeid eenigen tijd neer te leggen. Maar—hij rustte niet, voordat hij zijn doel bereikt had. Eindelijk—eindelijk dan toch kwam hij er mede gereed, en stond daar zijne machine kant en klaar.Maar—zou zij werken? Zou zij aan het doel beantwoorden? Zou zij werkelijk een naad tot stand kunnen brengen, die kleine naald, die daar zoo licht en snel op en neder bewoog?Met bevende hand stak hij een draad door het oog, en legde een stuk doek onder de naald. Toen bracht hij de machine in beweging. Rrrrt! vloog de naald door het goed. Prachtig werkte zijne machine!Hij nam de lap in de handen,—en o, hij had wel kunnen schreiën van vreugde. De naad was gestikt,—zijne uitvinding was voltooid!Opgetogen van blijdschap riep hij zijne vrouw bij zich, en toonde haar, wat hij gemaakt had, en toen zij alles had gezien, toen sprongen ook haar de tranen in de oogen, tranen van vreugde niet alleen over de goede dagen, die nu zouden komen, maar ook tranen van berouw over de hardheid, waarmede zij haar man zoo dikwijls had bejegend.Diep ontroerd beschouwden zij de nieuwe machine als een grooten schat, en de vrouw zeide zacht:“Dat had ik nooit gedacht! En wat heb ik je dikwijls onrecht aangedaan. O, Elias, vergeef het mijtoch. Ik—ik meende, dat je alleen een hersenschim najoeg...”Haar man sloot haar in zijn armen, en toen de eerste ontroering voorbij was, beraadslaagden zij, wat hun thans te doen stond, om van de uitvinding de gewenschte vruchten te plukken.“Mijn eerste werk moet thans zijn, aan mijne uitvinding de noodige bekendheid te geven,” zei Howe.“Ja, zeker,—maar hoe moet dat gebeuren?”“Wel, door middel van de dagbladen natuurlijk. De menschen zullen verstomd staan...”“Ongetwijfeld,—maar ’t zal veel geld kosten, en wie zal ons dat verschaffen? Wij zelf bezitten geen cent in de wereld.”Dat was zoo, en Elias begreep, dat het nog niet eens zoo gemakkelijk zou gaan, om zijne uitvinding wereldkundig te maken.“Ja, tot wien zal ik mij wenden?” zei Elias peinzend. “De menschen zien mij toch al voor half gek aan, en niemand zal—-ha, wacht eens,—mijn oude schoolvriend George Fischer vergat ik. Hij heeft mij nooit bespot en is altoos dezelfde voor mij gebleven. Ik ga hem dadelijk vragen, of hij mij helpen wil.”“Ja, ja, doe dat!” zei zijne vrouw. “Fischer is een braaf man,—als hij helpen kan, zal hij het ook doen.”Howe vertrok, en kwam spoedig terug met de blijde tijding, dat Fischer niet alleen helpen wilde aan het noodige geld, maar dat hij zelfs aangeboden had, het geheele gezin van Howe bij zich in zijn huis op te nemen, tot de betere dagen aangebroken zouden zijn,welk aanbod door Howe met de grootste dankbaarheid was aangenomen.“God zegene hem!” riep de vrouw uit, en weldra was de verhuizing achter den rug. De arme menschen hadden trouwens niet veel over te dragen. ’t Eenige stuk van waarde was eigenlijk alleen de nieuwe naaimachine,—maar die zou dan ook volgens de heilige overtuiging van den uitvinder millioenen waard blijken.Fischer, een handelaar in hout en kolen, was van meening, dat Howe zijne uitvinding ’t allereerst aan het oordeel van bekwame kleermakers moest onderwerpen, om van hen de noodige getuigschriften te verwerven.Howe was dat met hem eens. Hij pakte zijne machine in en begaf er zich mede naar den voornaamsten kleedermaker van Boston. Maar deze hoorde hem met ongeduld aan en weigerde zelfs de machine te bekijken.“Laat dat ding maar ingepakt, vriend. Met zulke dwaasheden bemoei ik mij niet,” voegde hij Howe toe, die hem met de grootste verbazing aanhoorde. Wat? Was dàt nu de roem, dien hij gedacht had te zullen inoogsten?Hij begaf zich naar een tweeden kleedermaker, maar daar verging het hem niet beter.Een derde lachte hem in zijn gezicht uit, en een vierde zei, dat hij niet goed bij zijn verstand was.Maar eindelijk was er dan toch een, die van zijne uitvinding de gewenschte notitie nam. Hij liet zelfsde machine werken en bekeek den naad met aandacht. Toen zei hij:“Goede vriend, ik wil met dat ding niets te maken hebben. Wat moet er wel van onze arbeiders komen, als wij zulke machines in gebruik nemen? Zij zouden er door tot den bedelstaf worden gebracht. Ik raad u aan, zelfs het bestaan van deze machine geheim te houden, want zij zouden in staat zijn, u een ongeluk te bezorgen.”Ten slotte belandde hij in een magazijn van gemaakte kleederen, en de eigenaar daarvan stelde hem voor met bekwame vakmannen een wedstrijd te houden, wie het snelst en het best zou kunnen naaien. Howe nam het voorstel aan en de wedstrijd had werkelijk plaats, waarin Howe eene schitterende overwinning behaalde. De vlugste kleedermaker moest voor de snelheid van de machine zwichten. ’t Gevolg er van was, dat de kleermakersgezellen in hevige woede ontstaken en het aan de ergste bedreigingen niet lieten ontbreken. Maar een machine, die wel 700 gulden moest kosten, kocht niemand.Toen raadde zijn vriend Fischer hem aan:“Neem een patent op uwe uitvinding, en tracht dat te verkoopen. Er zal wel iemand gevonden worden, die er veel geld voor geven wil.”Howe volgde dien raad, maar de milde kooper bleef uit.De uitvinder werd er moedeloos onder, wat er niet beter op werd, toen Fischer zich eindelijk genoodzaakt zag, hem zijn woning op te zeggen.“Beste vriend,” zei deze, “ik heb aan de uitvindingnu reeds 5000 dollar opgeofferd,—ik mag mij om uwentwille niet geheel ruïneeren.”Dat was voor Elias Howe en zijn gezin een zware slag. Hij nam, geheel ontmoedigd, zijn intrek bij zijn ouden vader, die dicht bij Boston woonde, en daar stelde Amasa, een jongere broeder, hem voor met de machine naar Engeland te gaan en haar daar te verkoopen.Dat gebeurde. Amasa vertrok en schreef na eenigen tijd een brief met de tijding, dat William Thomas, een fabrikant van koffers, paraplu’s en schoenen in Cheapside, aangeboden had, de machine voor 3000 gulden te koopen, wanneer hem dan tevens het recht gegeven werd een patent op de uitvinding te nemen, geldig voor geheel Engeland. Daarentegen verplichtte hij zich van elke machine, die in Engeland verkocht zou worden, 36 gulden aan den uitvinder te betalen. Elias Howe nam het voorstel aan, met het gevolg, dat William Thomas een zeer rijk man werd, maar dat Elias Howe bijna even arm bleef als vroeger.Op verzoek van Thomas begaf Howe zich in 1847 met vrouw en kind naar Londen, om nog een paar verbeteringen aan zijne machine aan te brengen. De ondankbare Thomas betaalde hem echter slechts 36 gulden per week en behandelde den uitvinder van de hem rijkmakende machine zoo lomp en uit de hoogte, dat de beide mannen hevigen twist kregen en als vijanden scheidden. Howe was zoo arm, dat hij zijn patent en zijn laatste machine verpanden moest, om het noodige geld voor de terugreis te bekomen.Armer dan hij ooit geweest was en geheel ontmoedigd, kwam hij in New-York aan, waar hij als gewoon arbeider in een machine-fabriek in dienst trad, om niet van honger om te komen.Drie jaar later, in 1850, zat Elias Howe ’s avonds eens met zijn gezin aan het karige avondmaal, toen de deur geopend werd en zijn vriend Fischer binnentrad, die hartelijk verwelkomd werd. Nauwelijks had deze aan de tafel plaats genomen, of hij zei:“Ik geloof, Elias, dat je je in ’t geheel niet meer bekommert om de prachtige uitvinding, die je eenmaal gedaan hebt!”“Prachtige uitvinding!” riep Howe schamper uit. “Zeg liever, eene uitvinding, die me de grootste ergernis heeft bezorgd, en me nog armer gemaakt heeft, dan ik al was. Wat bekommer ik mij nog om die ellendige machine!”“Je hebt ongelijk, beste vriend,” sprak Fischer. “Anderen plukken er de vruchten van en worden schatrijk, terwijl jij in armoede je dagen doorbrengt.”“Wat wou je zeggen? Dat anderen er rijk door worden?”“Zeker. Je naaimachine wordt door anderen, die er niet het minste recht op hebben, nagemaakt en verkocht, en er is groote vraag naar. Een hunner, Singer genaamd, een gewezen tooneelspeler, heeft er eenige verbeteringen aan aangebracht, en verkondigt zelfs, dat hij de uitvinder van de machine is. Hij zorgt er wel voor, dat zijn lof door alle dagbladen wordt rondgebazuind, en hij heeft succes. Van alle kantenstroomen hem de bestellingen toe, zoodat hij in korten tijd schatrijk zal zijn.”Howe keek zijn vriend in de grootste verbazing aan.“Zeker, ’t is zoo,” hernam deze. “En nu kom ik je vragen, of je dat alles maar rustig zijn gang zal laten gaan,—of je goedvindt, dat anderen de vruchten plukken van jou schoone uitvinding?”“Neen, waarlijk niet!” barstte Howe uit. “Als ik maar niet zoo arm was, en wist, wat ik doen moest!”“Wel, doodeenvoudig, je moet Singer aanklagen, dat hij zich wederrechtelijk vanjouwuitvinding heeft meester gemaakt, en de rechtbank vragen, hem dat te verbieden. Een andere weg is er niet.”“Ja,—maar het geld? Dat zal veel geld kosten!” zuchtte Howe.“Natuurlijk, maar misschien weet ik er wel raad op. Toevallig ken ik een zekeren heer Blisz, een handig advokaat en tevens een rijk man en een menschlievend man, die geen onrecht kan dulden. Mij dunkt, wij moesten hem eens een bezoek brengen.”Dat geschiedde nog dienzelfden avond, en de heer Blisz ontving de beide mannen bijzonder vriendelijk. Hij stelde dadelijk veel belang in de zaak, en zei tot Howe:“Ik heb indertijd uwe machine gezien en de werking er van bewonderd. Het doet me daarom werkelijk genoegen, dat ge u tot mij wendt om raad, en ik verklaar me bereid, u te helpen. ’t Is eene schande, dat Singer zich voor den uitvinder uitgeeft en u daardoor uwe rechtmatige winsten ontroofd. Wees er zeker van, dat het hem spoedig verboden zalworden, daar zal ik wel voor zorgen. Morgen begin ik een proces tegen hem.”“Maar de kosten?” vroeg Howe.“Die betaal ik!” sprak de menschenvriend. “Heb daarover geen zorgen. Als ik het proces verlies, behoeft ge mij geen cent te betalen, en als ik het win, word ik uw compagnon en zullen wij samen eene fabriek van naaimachines oprichten. Er zullen goede dagen voor u aanbreken!”Tranen van dankbaarheid vloeiden Howe over de wangen, en ontroerd drukte hij den advokaat de hand.“Hoeveel geld zou er in de eerste plaats noodig zijn?” vroeg de heer Blisz.“Honderd dollar, om mijn patent in te lossen, dat ik in Londen heb verpand.”“O, anders niet?” vroeg Blisz lachend. “Niet meer?”Elias keek zijn vriend Fischer aan, en zei toen:“Ja,—deze man heeft uit vriendschap voor mij reeds 5000 dollar opgeofferd, en hij is niet rijk...”“Hij zal ze terugontvangen,” sprak de advokaat.Hij opende eene kast, en betaalde de 5000 dollar aan Fischer terug. Aan Howe gaf hij 100 dollar, om zijn patent in te lossen.Het proces begon, en werd van beide partijen met groote felheid gevoerd. Soms scheen het, of Singer met vlag en wimpel als overwinnaar uit den strijd te voorschijn zou komen, dan weer twijfelde men niet, of Howe zou de zege behalen. Er werd door de rechtbank een uitgebreid onderzoek ingesteld, waarbijonomstootelijk werd bewezen, dat niet Singer, maar Elias Howe de uitvinder der naaimachine was.Het einde van het proces was, dat Howe openlijk als de uitvinder erkend werd en dat zijn in 1846 verkregen patent geldig werd verklaard. Alle fabrikanten van naaimachines werden veroordeeld, aan Howe eene schadevergoeding uit te betalen, en zelfs moest hem voor elke machine, die van elders in de Vereenigde Staten werd ingevoerd, de somma van vijf dollar worden uitgekeerd.Howe werd nu in zeer korten tijd niet alleen een beroemd, maar ook een rijk man. In 1862 stichtte hij te Bridgeport, in Connecticut, een groote fabriek, die nog heden bestaat en dagelijks honderden naaimachines aflevert. Voortdurend wist hij nog verbeteringen aan te brengen, die de bruikbaarheid van zijne uitvinding niet weinig verhoogden. In 1867 verkreeg hij zelfs, bij gelegenheid van eene wereldtentoonstelling te Parijs, het grootkruis van het Legioen van eer. Kort daarop, den 8enOctober van hetzelfde jaar, overleed hij. Hij heeft dus van zijn roem en van zijn rijkdom maar korten tijd kunnen genieten, doch zijne schoone uitvinding is thans nog duizenden menschen ten zegen. Zijn naam zal ongetwijfeld tot in verre nageslachten met eere worden genoemd.Een buitengewoon vorst.Den 9enSeptember 1689 hield Czaar Peter zijn intocht binnen Moskou. Hij monsterde 18000 Strelitzen en geleidde onder de toejuichingen van het volk zijne moeder en zijne gemalin naar het Kremlin. Jaren van eindeloozen strijd en binnenlandsche twisten waren voorbijgegaan, maar van bovengenoemden datum af was Peter de alleenheerscher der Russen en brak voor Rusland een nieuw tijdperk van ontwikkeling aan.Czaar Peter.Czaar Peter was, hoe jong ook, begaafd met groote geestkracht en onvermoeide werkzaamheid. In zijne jeugd had hij ver van het Russische hof, op het schoone landgoed Preobraschenskoi gewoond. Hij was buitengewoon leerzaam van aard. Hij wilde niet alleen alles leeren, alles weten, maar ook alles kunnen. Zijn leermeester Lefort werd later zijn gunsteling en onafscheidelijke metgezel. Hij onderwees Peter in de Nederlandsche taal en in de Duitsche krijgskunst, maar op zijne karaktervorming had hij een ongunstigen invloed. Peter was een echt zoon van het Russische volk, ruw en wreed van aard. De Russen verkeerden toen nog in een staat van barbaarschheid, zooals wij ons dien bijna niet kunnen voorstellen. Zij waren verregaand ruw en wreed,gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over, waren zoo goed als onbekend met kunsten en wetenschappen en zeer achterlijk in handenarbeid en industrie. Wel had Peter’s vader, Czaar Alexeï, bekwame handwerkslieden uit andere landen, ook uit Nederland, tot zich geroepen, om zijn volk tot voorbeeld te strekken, maar de gevolgen daarvan waren nog niet schitterend geweest.Lefort had den blik van den jongen Czarenzoon verruimd, door hem veel te vertellen van het leven der beschaafde natiën, hunne burgerlijke en huiselijke instellingen, hunne wijze van oorlogvoeren, hun handel, hun scheepvaart en hunne bekwaamheid in handenarbeid.En dat alles maakte op Peter een diepen indruk en riep de begeerte in hem wakker om die vreemde volken na te volgen. Hij vormde uit zijne speelmakkers de poteschnie, een compagnie van 50 kleine soldaten, die door Lefort op Duitsche wijze in den wapenhandel geoefend werden. Peter zelf marcheerde als trommelslager aan de spits. Weldra verzochten de bojarenzonen uit eigen beweging, om in de compagnie te worden ingelijfd, wat hun werd toegestaan, maar zij moesten het zich getroosten naast valkenjongens en stalknechts te marcheeren, want Peter maakte geen verschil tusschen edelen en gewone burgers. Allen, die goed hun plicht deden, waren hem welkom. Zij werden op Duitsche wijze gekleed en geoefend,—en weldra werd de poteschnie zoo groot, dat zij in twee compagniën moest worden verdeeld, en later zelfs tot twee regimenten aangroeide.Dat soldaatje-spelen had voor Peter groote gevolgen, want zijne poteschnie werd later de steun van zijn troon.Door een luitenant uit Straatsburg, Timmerman genaamd, werd hij onderwezen in de artillerie, de vestingbouwkunst en de wiskunde.Toen hij nu als Czaar den troon beklom, was het zijn eerste werk, het leger te hervormen. Lefort en generaal Gordon waren daarbij zijne voornaamste helpers. Het aantal der poteschnie werd zeer uitgebreid, de knapste Strelitzen werden in hunne gelederen opgenomen en vele buitenlanders tot officieren benoemd. Lefort werd luitenant-generaal.Meer en meer begon Peter den wensch te koesteren, dat Rusland ook een zeemogendheid zou worden. Bij het bezoeken van een magazijn vond hij toevallig een boot, die geheel van het gewone Russische model afweek. Op zijn vraag, wat dat voor een boot was, gaf men hem ten antwoord, dat zij van Hollandsch maaksel was en bijzonder goed tegen den wind kon opzeilen. Zij was gebouwd door een zekeren Brandt, Hollander van afkomst, maar nog in Rusland woonachtig. Op Peter’s bevel werd de boot door den ouden Brandt weer in orde gebracht.Door dit geval was de aandacht van den jongen Czaar op de scheepsbouwkunst gevestigd en legde hij zich daarop met ijver toe. Tegen hoog loon liet hij uit Holland bekwame scheepstimmerlieden komen; nieuwe werven werden aangelegd, en Peter zelf werkte om het hardst met de Hollanders mede. Hij liet zich door hen ’t liefst “Piet de timmerman”noemen, sprak steeds Hollandsch met hen en overlaadde hen met gunstbewijzen.Het scheppen van eene groote zeemacht was thans het ideaal, dat hem voor den geest zweefde. Op een reisje naar Archangel zag hij voor het eerst de groote zeeschepen der vreemde natiën, voornamelijk van de Hollanders, en die groote vaartuigen vervulden hem met bewondering. Naar alles, wat hij zag, deed hij onderzoek, alles wilde hij er van weten, en zelfs speelde hij voor matroos en scheepsjongen, en klom op bevel van den kapitein in den mast, om daar de gevaarlijkste bezigheden te verrichten.Meer en meer werd het hem echter duidelijk, hoe verregaand achterlijk het Russische volk was, bij andere natiën vergeleken. Hij nam dan ook het vaste besluit, Rusland op de hoogte der Europeesche beschaving te brengen. Om daartoe te geraken, wilde hij eerst met eigen oogen gaan zien, hoe het in vreemde landen gesteld was, en daarvoor eene reis ondernemen naar Duitschland, Nederland, Frankrijk en Engeland.Zijne onderdanen waren echter lang niet gesticht over al de nieuwigheden, die hun vorst invoerde, en zij haatten de vreemdelingen, die door hem in het land geroepen waren en met weldaden werden overladen. Met leede oogen zagen zij het aan, hoe die vreemde mannen tot de hoogste waardigheden klommen. In hun oog waren die vreemdelingen immers verre hunne minderen? Waren zij, de Russen, dan niet, volgens de leeringen hunner priesters, het uitverkoren volk Gods en moesten zij nu die indringersboven zich gesteld zien? Dat was niet om te dulden, en een geest van ontevredenheid en verzet maakte zich van hen meester. Vooral de Strelitzen, die tot dusver de meening hadden gekoesterd, dat de heerschappij van den Czaar alleen afhankelijk was van hun trouw, waren ontevreden over de oprichting der poteschnie. Door deze nieuwe regimenten was de Czaar van hen geheel onafhankelijk geworden.Ook de edelen waren ontevreden. Zij toch waren het voornamelijk, die de kosten moesten dragen voor het bouwen van de nieuwe oorlogsvloot, en dat beviel hun in het geheel niet. ’t Werd nog erger, toen de Czaar hun meêdeelde, dat het zijn voornemen was, eene reis naar het buitenland te doen, en dat hunne zonen hem op dien tocht moesten volgen, om met de Europeesche beschaving kennis te maken. Zij moesten daar den scheepsbouw leeren, en de zeden dier volken, hunne wetten en instellingen bestudeeren.Eindelijk besloten eenige ontevredenen, den Czaar te vermoorden. Zij kenden zijne gewoonte, om als er brand in Moskou ontstond, dadelijk naar de plaats des onheils te snellen, en zelf bij het blusschingswerk de behulpzame hand te bieden. Zij spraken daarom af, in den nacht van den 2enFebruari 1907 twee huizen in brand te steken, en van de verwarring gebruik te maken, om den Czaar te dooden.Om de laatste afspraken te maken, kwamen zij op den bepaalden dag bij den staatsraad Sokownin ter maaltijd bijeen, waar zij den nacht zouden afwachten. Volgens Russische gewoonte lieten zij de flesch weinig met rust.Zoo werd het acht uur. Maar toen werd het twee der samenzweerders te benauwd. Een hevige angst overviel hen, en hun geweten klaagde hen luide aan. In het geheim deelden zij elkander mede, wat hun bezwaarde, en zij besloten zich, onder een of ander voorwendsel, te verwijderen en den Czaar te waarschuwen. Zij stelden daarom voor het drinken te staken en naar huis te gaan. Tegen middernacht zouden zij dan allen terugkomen en den beraamden aanslag uitvoeren. De anderen hadden geen lust om te vertrekken, maar zij gaven hun verlof heen te gaan, mits zij de stellige belofte aflegden, op den vastgestelden tijd terug te komen.IJlings begaven zich de twee officieren naar den Czaar, die zich in een vroolijk gezelschap van dames en officieren bevond ten huize van Lefort, waar hij den avondmaaltijd zou gebruiken.Hij had eerst in het geheel geen lust, de beide officieren te ontvangen, die hem om een geheim onderhoud lieten verzoeken. Maar op hun aanhouden gaf hij toe. Zoo vernam hij tot in bijzonderheden, wat er gebeuren zou. Hij liet de beide officieren gevangen houden, en gaf den hoofdman zijner garde, Lapuchin, schriftelijk bevel, om in alle stilte tegen elf uur het huis van den staatsraad Sokownin met zijne soldaten te omsingelen, precies op klokslag het gebouw te bezetten en allen gevangen te nemen, die daar aanwezig zouden zijn.De Czaar begaf zich onder de gasten, zonder iets te zeggen van hetgeen er gaande was. Hij had zich voorgenomen, bij de gevangenneming aanwezig tezijn, maar hij vergiste zich in het uur. In plaats van om elf, ging hij om tien uur per rijtuig naar het huis van den staatsraad en trad binnen. Het verwonderde hem niet weinig, daar nog geen enkelen soldaat aan te treffen, en hij was zeer verbolgen op den hoofdman, die zijne bevelen, naar hij meende, zoo slecht nakwam.Wie beschrijft de verwondering der samenzweerders, toen de Czaar daar plotseling in hun gezelschap verscheen. Verschrikt en ontsteld stonden zij op en brachten hem eerbiedig hun groet.“Goeden avond, heeren,” riep de Czaar hun toe. “Gaat zitten. Ik kwam hier toevallig langs, en daar ik nog licht binnen zag, dacht ik, dat hier wellicht gasten zouden zijn. Daarom besloot ik, ook even een bezoek te brengen.”Deze woorden stelden de samenzweerders gerust, en zij dronken op de gezondheid van den Czaar.Eindelijk begaf zich een der officieren naar den staatsraad, en fluisterde hem in het oor:“Het is tijd!”Maar de staatsraad antwoordde: “Nog niet.”Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:“Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt elkander de handen!”De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar bewegen.“Bindt elkander!” bulderde de Czaar hun nogmaals toe.En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd, maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was, die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed gestraft en eindelijk onthoofd.Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst, maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. ’t Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars, soldaten en bedienden,—ja zelfs potsenmakers en dwergen.Het voornaamste doel van de reis was, een bezoekte brengen aan Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.In den vroegen morgen van den 18enAugustus 1697 voer een schip van eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid in dienst van den Czaar had gewerkt.’t Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der opvarenden hoorde toeroepen:“Smid!—Smid!—Kom bij ons!”En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep, den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:“Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen.”Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te zijn voor een Czaar....Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:“Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer ben ik tevreden.”Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning te verhuizen.Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den weg stonden.Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters,en stapte, door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het publiek verdrong zich voor de ramen van “De drie Zwanen”, zoo heette de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:“Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis, er is hier niets bijzonders voor u te zien.”Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg, om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en een handwerk leeren.Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden, die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede, wat zij graag weten wilden.Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het middagmaal.Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-, houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen, veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen “de Kok”, waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hemhad kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar, want hij was zuinig van aard.Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar, en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde ’t liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht doorgaan.Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. ’t Werd al spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte, dat het verboden was “sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid, op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande.”Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van nieuwsgierigen werdzoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn geheele vertrouwen.Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag, dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen, en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter hand en—werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, “de Czaar van Moscoviën” genoemd,—en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu “de Grootvorst”.Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel, dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den Czaarzou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd, daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien, moesten ongetroost naar huis gaan.Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, van St. Petersburg, welkestad, aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden.Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt, maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij ’s avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de loods geweest was.Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:“Niets was den grooten man te klein.”

Door eigen kracht.In een klein stadje, Port-Huron genaamd, in den staat Michigan, Noord-Amerika, zaten op een winteravond van het jaar 1859 drie menschen bij elkaar: Vader, Moeder en twaalfjarige zoon. De vader was een koopman in oudheden, d. w. z. zijn winkel bevatte een allegaartje van oude meubelen, schilderijen, lijsten, koffers, klokken, lampen, aardewerk, enz. Maar de meubelen waren òf zeer oud, of stuk, de schilderijen gescheurd of zonder eenige waarde, de koffers zonder deksels of met onbruikbare sloten, de klokken zonder slingers, het aardewerk gelijmd, gekramd of gescheurd.’t Was niet veel meer dan een rommelzoodje en alles te zamen niet meer waard dan enkele dollars. Toch moest de eigenaar met den handel in deze en dergelijke waardelooze dingen den kost zien te verdienen voor zijn gezin.Jaren geleden uit Nederland naar het Verre Westen vertrokken, had hij daar nog niet veel weelde gekend. Eerst had hij als kleermaker zijn dagelijksch brood zien te verdienen, daarna had hij zich op de boomkweekerij toegelegd en was hij tegelijk een handeltje in zaden begonnen, maar ’t was hem niet meegeloopen. De Fortuin had hem steeds den rug toegekeerd,hoewel het hem aan ijver noch verstand ontbrak. Eindelijk na van de eene plaats naar de andere getrokken te zijn, had hij zich in Port-Huron gevestigd en was daar zijn handel in oude voorwerpen begonnen. Maar ’t ging hem nog in het geheel niet naar den vleeze, wat duidelijk blijkt uit het karige avondmaal, dat thans door het drietal wordt gebruikt.Er heerscht stilte in de kamer. Vader en moeder zwijgen, en de zoon is, terwijl hij eet, in een boek verdiept. ’t Is een eigenaardigheid van den jongen, dat hij altijd leest. Hij was teruggetrokken van aard en deed niets liever, dan lezen en leeren. Hij had nooit een school bezocht. Wat hij wist, had zijn moeder hem geleerd, die voor haar huwelijk onderwijzeres was geweest. Haar zoon was een dankbaar leerling, vlug van bevatting en ijverig, en al spoedig wist hij evenveel als zijn moeder. Hij liep de halve stad af om boeken te leenen, en als hij er weer een machtig was geworden, zocht hij een eenzaam plekje, om er ongestoord in te kunnen lezen. En hij las van alles, zonder een bepaalde voorkeur. ’t Gevolg was, dat hij over velerlei zaken kon meepraten, maar toch slechts verwarde begrippen daarover had.Toen het avondmaal afgeloopen was, verbrak de vader de stilte, en zei:“Hoor eens, Thomas, ik moet je even spreken.”“Mij, vader?”“Ja, m’n jongen. Je bent nu twaalf jaar oud, en ’t wordt dus tijd, dat je je eigen brood gaat verdienen. We zouden het graag anders hebben gewild en jeliever bij ons gehouden hebben,—maar ’t gaat met de verdiensten slecht...”“Ik begrijp het, vader,—maar wat zal ik doen? In den winkel met al die oude dingen heb ik geen lust...”“We hebben al iets voor je gevonden, jongen. Je zult bagagemeester worden op de treinen van den Canada- en Central Michigan-spoorweg.”“Ah bah!” zei Thomas met een zuur gezicht. “’t Is me nog al een mooie betrekking!”“Och, ’t zal je wel meevallen. Je rijdt steeds van de eene plaats naar de andere, ziet altijd wat nieuws, spreekt honderden menschen, en—de trein houdt om den anderen dag te Port-Huron op, zoodat je dan thuis kunt komen. We zijn elkander dan nog niet geheel en al kwijt.”De moeder keek haar eenig kind met een blik vol liefde aan, en zei: “Neen,—Goddank niet.”“Ik heb alles al met den Stationschef afgesproken, m’n jongen. Je moet de bagage van de reizigers opladen, plaatsen en weer afladen,—maar bovendien draagt de pachter van het buffet je op, taartjes, brood en saucijzen bij de passagiers te gaan venten. Je loopt dus den geheelen trein door. En voor jezelven mag je daarbij een handeltje beginnen in plaatwerken en couranten, wat misschien nog een aardig voordeeltje kan opleveren.”“Dus ’t is alles al afgesproken?” vroeg Thomas.“Ja,—morgenochtend om half acht komt de trein aan, en dan moet je present zijn. Met den buffetpachter en den boekverkooper in het station is alles al geregeld.”Thomas had zijn aanvankelijken weerzin voor zijn aanstaande betrekking spoedig overwonnen en stapte den volgenden morgen om half acht vroolijk en welgemoed den trein in. En weldra was hij druk bezig met den verkoop van taartjes, boterhammetjes, fruit en sigaren, die in de Amerikaansche treinen veel meer gebruikt worden dan in ons land, omdat daar de afstanden veel grooter zijn. En de verkoop van platen en couranten leverde hem een aardig winstje op, waarmede hij niets beters meende te kunnen doen, dan er eenige boeken voor te koopen, die hij meenam naar zijn bagage-wagen. Maar dat pakte al spoedig verkeerd uit, want als Thomas eenmaal aan het lezen was, wist hij van geen ophouden, zoodat de reizigers zoowel van hunne versnaperingen als van hunne couranten verstoken bleven. De buffetpachter was daar zeer ontevreden over en gaf hem te kennen, dat hij beter voor zijn zaken moest zorgen.Nu zat Thomas in zak en asch, want hij wilde veel liever lezen. Onder zijne boeken was er een over scheikunde, dat hem buitengewoon veel belang inboezemde, al begreep hij er niet bijster veel van.Hij wist zich echter te redden. Voor enkele centen daags huurde hij een paar kinderen uit de buurt, om voor hem te venten, en zelf bleef hij in zijn bagage-wagen van zijn lectuur gemeten. En bij lezen bleef het niet. Neen, hij vond die scheikunde zoo mooi, dat hij besloot, ook proeven te gaan nemen. Hij maakte van zijn bagage-wagen langzamerhand een laboratorium in optima-forma, en hield zich bezig methet nemen van proeven, terwijl zijn jonge knechtjes het werk voor hem deden.Dat ging zoolang goed, tot op een dag de trein een hevigen schok kreeg, met het gevolg, dat een flesch met phosphorus aan scherven op den grond terecht kwam. De phosphorus vloog in brand en de wagen begon ook vlam te vatten.Dal gaf bij Thomas een geweldigen schrik. Gelukkig wist een conducteur de vlammen te blusschen, en toen hij dat gedaan had, gaf hij Thomas een geducht pak slaag en wierp zijn heele laboratorium den trein uit.In het stadje Détroit hield de trein telkens eenige uren stil, en Thomas meende dien tijd niet beter kunnen besteden, dan door de geheele stadsbibliotheek te gaan lezen. Hij begaf er zich heen en greep het eerste boek van de plank, dat hij achter elkaar uitlas. Den volgenden keer nam hij het volgende boek, en, zoo ging het geregeld door. De bibliothecaris was over zooveel volharding niet weinig verwonderd, en voelde zich tot den leergierigen jongen zeer aangetrokken. Hij gaf hem goeden raad en wees hem de boeken, die hem voor den knaap het meest geschikt toeschenen. Zoo kwam er althans eenige leiding bij het lezen van Thomas.Ook van zijn oogen maakte hij een goed gebruik. Had hij een oogenblik vrij, dan kon men er zeker van zijn hem daar te vinden, waar iets belangwekkends te zien was. Zoo trok onder anderen het telegrafeeren bijzonder zijn belangstelling, en toen hij eens eenige uren thuis was, maakte hij zelf eenvolledige telegraaf. Zijn batterijen bestonden uit oude potten en overgeschoten metaal uit den winkel van zijn vader.Het station lag twintig minuten van zijne ouderlijke woning verwijderd, en het verdroot Thomas, telkens dat eind te moeten loopen, wat hem veel te veel tijd kostte. Zoo dicht mogelijk bij zijn huis wierp hij daarom langs de spoorlijn een grooten zandhoop op, en toen de trein daar weer langs reed, sprong Thomas den trein uit, op zijn zandheuvel. ’t Liep goed af, en nu was hij veel eerder thuis dan vroeger. Voortaan koos hij altijd dezen korteren weg, en er gebeurde nooit een ongeluk bij. Bij die Amerikaansche treinen gaat het blijkbaar heel anders toe, dan hier.Dat Thomas niet bang was, bewees hij ook, toen hij op een morgen te Port-Clément op den trein stond te wachten, en juist toen deze met volle kracht naderde, op twintig meters afstand van de locomotief een kind tusschen de rails zag spelen. Zonder een oogenblik te weifelen, sprong Thomas tusschen de rails, greep het kind, sleurde het in zijn vaart meê, en was juist over de rails, toen de locomotief rakelings langs hem heen snorde. Twee seconden later zouden beiden verpletterd geweest zijn.’t Geredde kind was van den Chef zelven, die hem zijn grooten dank toonde, door hem te leeren seinen met de telegraaf, waar Thomas zeer blijde meê was.Op een dag was er op de drukkerij van een courant in Détroit eene verkooping van oude drukletters, en Thomas werd er voor eenige dollars eigenaar van. Hij kocht nu ook nog de verschillende benoodigdhedenvoor eene kleine drukkerij, en bracht alles naar zijn bagage-wagen, die voor hem de halve wereld vertegenwoordigde.En nu begon Thomas iets nieuws. Hij schreef eenige artikelen, knipte wat nieuwtjes uit verschillende tijdschriften, zette wat hij geschreven had,—en verscheen in de personenwagens met een nieuwe courant, “The grand Trunk Herald”, die hij zelf geschreven, gezet, gedrukt en gecorrigeerd had. Zoo iets was den reizigers nog nooit overkomen, en iedereen wilde er een exemplaar van hebben. Men vond zijn denkbeeld zoo oorspronkelijk, dat er zelfs in de groote bladen over geschreven werd. Dàt was nog eens iets echt Amerikaansch! ’t Is te begrijpen, dat Thomas er een aardig duitje meê verdiende.Door zijn succes aangemoedigd besloot hij ook in Port-Huron een courant uit te geven. Zij heette de Paul Pry, en iedereen, die lust had, mocht er in schrijven, als men maar geen betaling voor de artikelen eischte. Thomas nam alles op, wat hem ter plaatsing aangeboden werd, maar dat bekwam hem slecht. Zijn courant werd een echt scheldblaadje, waarin menigeen diep beleedigd werd. Alle instellingen, en zaken, ja zelfs personen werden over den hekel gehaald, met het gevolg, dat een zijner stadgenooten zich zoodanig gegriefd en beleedigd gevoelde, dat hij Thomas, den Redacteur, bij den nek pakte en in het water wierp.Thomas was nu geen jongen meer, hij was een jonge man geworden. Hij liet zijn blad en zijn bagagewagen in den steek, en werd telegrafist, maar konalleen geplaatst worden voor den nachtdienst. Nu pas had hij eene betrekking naar zijn zin, want nu was hij prachtig in de gelegenheid, om zijne bekwaamheden te toonen en verder te ontwikkelen. ’t Duurde dan ook maar kort, of hij kende de telegrafie tot in de puntjes. Maar Thomas was veel te afgetrokken, om goed zijne plichten waar te nemen. In de stilte van den nacht hield hij zijn geest voortdurend bezig met het nemen van proeven en het doen van wetenschappelijke onderzoekingen. En daardoor vergat hij te seinen, wat er geseind moest worden. Zijn directeur was daar zeer ontevreden over, en besloot hem tot het vervullen van zijn plichten te dwingen. Hij beval hem namelijk elk half uur een zeker woord naar een naburig station over te seinen, in de meening, dat Thomas daardoor gedwongen zou worden, zijne aandacht bij zijn werk te bepalen. Maar ’t bevel was Thomas in het geheel niet naar den zin, want hij had zich juist voorgenomen, dien nacht eens flink te studeeren. Hoe zich te redden? Hoe zou hij elk half uur een woord naar een naburig station kunnen seinen, zonder zijne geliefkoosde studie in den steek te laten?Weldra hielp zijn vindingrijke geest hem uit de moeilijkheid. Hij bedacht een eenvoudig instrumentje, dat precies elk half uur door den grooten wijzer van het uurwerk werd aangeraakt en waardoor het voorgeschreven woord overgeseind werd. Zoo kreeg men aan het naaste station wel geregeld dat woord geseind, maar overige berichten werden er niet ontvangen.De directeur vond zijn middel wel verbazend vernuftig,maar was er niet bijster mede ingenomen. Hij had liever een goed ambtenaar dan een uitvinder in zijn dienst, en verplaatste hem daarom naar Memphis. Thomas was toen 17 jaar. In zijn nieuwe standplaats vond hij het middel, om twee depeches in tegengestelde richting langs een zelfde lijn te seinen, wat men tot dien tijd toe voor eene onmogelijkheid had gehouden. Men verklaarde hem dan ook gewoon voor gek, maar een der beambten, die de uitlegging van Thomas gehoord had, nam er dadelijk patent op en verdiende er goed geld mede.’t Was niet prettig voor den jongen uitvinder, maar hij trok er eene goede les uit, n.l. om voortaan voorzichtiger in zijne mededeelingen te zijn. Eenigen tijd later vond hij het middel uit, om twee treinen, die in beweging zijn, telegrafisch met elkander te verbinden. Men gaf hem verlof, zijn toestel te beproeven op twee treinen op den spoorweg, waaraan Memphis gelegen is. Hij was nu echter zoo voorzichtig geweest, aan niemand iets van zijn geheim te vertellen, en dat werd nù weer zijn ongeluk. De toestellen werden niet goed geplaatst, zoodat de twee treinen met elkander in botsing kwamen in plaats van elkander te waarschuwen. Er gebeurden geen ongelukken bij, dan alleen, dat Thomas uitgelachen en uit zijne betrekking ontslagen werd.Toch was zijn naam in Amerika door dit voorval vrij algemeen bekend geworden, waaraan hij te danken had, dat hij naar New-York ontboden werd, om eene machine te herstellen, die mechanisch den koers der verschillende effecten op de beurs aanwees.Het gelukte Thomas, de defecte machine te herstellen, maar tevens vond hij een toestel uit, dat veel beter aan de eischen voldeed, en dat hem een grooten naam als werktuigkundige bezorgde.DeWest Telegraph Unionbesloot van den bekwamen jongen man gebruik te maken. Zij bouwde dicht bij New-York een groot laboratorium, de beroemde werkplaats van Menlo-Park, en benoemde Thomas tot ingenieur daarvan. Hij kreeg een leger van bekwame assistenten tot zijne beschikking, ieder uitmuntende in zijn vak, en men liet hem geheel vrij om te werken in de richting, die hij zelf verkoos. Wel een bewijs, dat men overtuigd was van zijne groote bekwaamheden, en van de hooge verwachtingen die men koesterde over de groote uitvindingen, die hij in de toekomst zou doen. En die verwachtingen zijn niet beschaamd, want over de geheele wereld kent men thans den naamThomas Alva Edison, een van de beroemdste uitvinders van het tegenwoordige geslacht.Zoo kon nu Thomas Edison, in den bloei zijner jeugd, volkomen onafhankelijk, zich geheel aan de wetenschap wijden. Hij kon voor zijne proeven en onderzoekingen zooveel geld gebruiken, als hij zelf verkoos,—maar de uitvindingen, die hij deed, waren ten voordeele van deWest Telegraph Union, die hem honderd dollars per week als salaris uitbetaalde.Eens, bij een bezoek aan eene fabriek, werd zijne aandacht getrokken door het lieve uiterlijk van een meisje, dat daar arbeidde. Dadelijk besloot hij haar tot vrouw te vragen, wat hij dan ook deed. MariaStilvelle bedacht zich niet lang, en weldra brak de dag van hun huwelijk aan. Toen het bruidspaar uit de kerk kwam, bracht Thomas Edison zijn jong vrouwtje naar zijne woning, en toonde haar ook zijne werkplaatsen. Daar herinnerde hij zich opeens, dat hij aan een proef bezig was, die nog voltooid moest worden. Hij verzocht haar dus verlof, even naar zijn laboratorium te mogen gaan. Weldra zou hij aan het bruidsmaal komen.Dat gebeurde des middags,—maar ’s avonds was Thomas Edison nog niet teruggekeerd. Het bruidsmaal was al lang afgeloopen, toen hij eindelijk naar huis kwam. De afgetrokken geleerde had zoowel zijn feestmaal als zijne bruid vergeten!Menlo-Park, de werkplaats van Edison, is eene kleine plaats op ongeveer een uur afstands van New-York. Het huis is van één verdieping, vijf en dertig meter lang en tien meter breed. Zijn woonhuis is op korten afstand daarvan verwijderd.Beneden in de werkplaats staat eene stoommachine, die de beweegkracht levert, welke Edison noodig heeft, verder vindt men er een prachtige verzameling werktuigen van allerlei aard, waarmede alle bekende stoffen bewerkt kunnen worden. Een geheel leger uitgezochte werktuigkundigen zijn onder zijne directie voortdurend bezig met allerlei werkzaamheden, waarvan hèm alleen het doel bekend is.Op de eerste verdieping is het laboratorium van Edison, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbrengt. Daar ziet men tallooze flesschen, bekers, glazen, vazen en doozen, men vindt er alle bekendemineralen, metalen, zouten, zuren, de fijnste werktuigen en toestellen.In een hoek van zijn laboratorium staat een fornuis met een grooten rookvang er boven, waar voortdurend een aantal lampen staan te branden, zoo ingericht en geregeld, dat zij zooveel mogelijk roet geven. Dit roet wordt aan sterke drukking blootgesteld, tot plaatjes geperst, en voor de koolplaten van telefonen en mikrofonen gebruikt. Verder ziet men er electrische batterijen, electro-magneten, en allerlei toestellen, zeer verschillend van bestemming en vorm. Er loopen telegraafdraden in alle richtingen langs de zoldering, die verbonden zijn met toestellen, welke onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.In dit reusachtig laboratorium werken vele geleerden onder zijne leiding. Men vindt er scheikundigen, natuurkundigen, werktuigkundigen en zelfs wiskundigen, die hem allen bij zijne onderzoekingen behulpzaam zijn.Sedert Edison zijn intrek in deze grootsche inrichting nam, heeft hij verscheidene ontdekkingen gedaan, die de wereld in verbazing hebben gebracht.Voor het eerst in 1878 hield Edison zich bezig met het vraagstuk der electrische verlichting. De telefoon, mikrofoon en fonograaf hadden toen reeds hun intrede in de wereld gedaan, maar het electrisch licht verkeerde nog in zijn kindsheid. Edison meende echter, dat het mogelijk was het electrisch licht zoo te volmaken, dat het ’t gaslicht verre overtreffen kon. En nu begon hij eene reeks van onderzoekingen, diemet de schitterendste resultaten werden bekroond.’t Ligt niet op onzen weg, hier al die onderzoekingen, hoe belangwekkend ook, te beschrijven. Genoeg zij het te weten, dat het hem gelukte het electrisch licht zoo te volmaken, dat het thans reeds geheele steden verlicht, en dat wij het veilig het licht der toekomst mogen noemen.De beroemde Edison, die zijn loopbaan eenmaal begon als treinjongen, is thans een van de beroemdste mannen der wereld, en met het volste recht kan van hem getuigd worden, dat hij dit werd door eigen kracht.

In een klein stadje, Port-Huron genaamd, in den staat Michigan, Noord-Amerika, zaten op een winteravond van het jaar 1859 drie menschen bij elkaar: Vader, Moeder en twaalfjarige zoon. De vader was een koopman in oudheden, d. w. z. zijn winkel bevatte een allegaartje van oude meubelen, schilderijen, lijsten, koffers, klokken, lampen, aardewerk, enz. Maar de meubelen waren òf zeer oud, of stuk, de schilderijen gescheurd of zonder eenige waarde, de koffers zonder deksels of met onbruikbare sloten, de klokken zonder slingers, het aardewerk gelijmd, gekramd of gescheurd.

’t Was niet veel meer dan een rommelzoodje en alles te zamen niet meer waard dan enkele dollars. Toch moest de eigenaar met den handel in deze en dergelijke waardelooze dingen den kost zien te verdienen voor zijn gezin.

Jaren geleden uit Nederland naar het Verre Westen vertrokken, had hij daar nog niet veel weelde gekend. Eerst had hij als kleermaker zijn dagelijksch brood zien te verdienen, daarna had hij zich op de boomkweekerij toegelegd en was hij tegelijk een handeltje in zaden begonnen, maar ’t was hem niet meegeloopen. De Fortuin had hem steeds den rug toegekeerd,hoewel het hem aan ijver noch verstand ontbrak. Eindelijk na van de eene plaats naar de andere getrokken te zijn, had hij zich in Port-Huron gevestigd en was daar zijn handel in oude voorwerpen begonnen. Maar ’t ging hem nog in het geheel niet naar den vleeze, wat duidelijk blijkt uit het karige avondmaal, dat thans door het drietal wordt gebruikt.

Er heerscht stilte in de kamer. Vader en moeder zwijgen, en de zoon is, terwijl hij eet, in een boek verdiept. ’t Is een eigenaardigheid van den jongen, dat hij altijd leest. Hij was teruggetrokken van aard en deed niets liever, dan lezen en leeren. Hij had nooit een school bezocht. Wat hij wist, had zijn moeder hem geleerd, die voor haar huwelijk onderwijzeres was geweest. Haar zoon was een dankbaar leerling, vlug van bevatting en ijverig, en al spoedig wist hij evenveel als zijn moeder. Hij liep de halve stad af om boeken te leenen, en als hij er weer een machtig was geworden, zocht hij een eenzaam plekje, om er ongestoord in te kunnen lezen. En hij las van alles, zonder een bepaalde voorkeur. ’t Gevolg was, dat hij over velerlei zaken kon meepraten, maar toch slechts verwarde begrippen daarover had.

Toen het avondmaal afgeloopen was, verbrak de vader de stilte, en zei:

“Hoor eens, Thomas, ik moet je even spreken.”

“Mij, vader?”

“Ja, m’n jongen. Je bent nu twaalf jaar oud, en ’t wordt dus tijd, dat je je eigen brood gaat verdienen. We zouden het graag anders hebben gewild en jeliever bij ons gehouden hebben,—maar ’t gaat met de verdiensten slecht...”

“Ik begrijp het, vader,—maar wat zal ik doen? In den winkel met al die oude dingen heb ik geen lust...”

“We hebben al iets voor je gevonden, jongen. Je zult bagagemeester worden op de treinen van den Canada- en Central Michigan-spoorweg.”

“Ah bah!” zei Thomas met een zuur gezicht. “’t Is me nog al een mooie betrekking!”

“Och, ’t zal je wel meevallen. Je rijdt steeds van de eene plaats naar de andere, ziet altijd wat nieuws, spreekt honderden menschen, en—de trein houdt om den anderen dag te Port-Huron op, zoodat je dan thuis kunt komen. We zijn elkander dan nog niet geheel en al kwijt.”

De moeder keek haar eenig kind met een blik vol liefde aan, en zei: “Neen,—Goddank niet.”

“Ik heb alles al met den Stationschef afgesproken, m’n jongen. Je moet de bagage van de reizigers opladen, plaatsen en weer afladen,—maar bovendien draagt de pachter van het buffet je op, taartjes, brood en saucijzen bij de passagiers te gaan venten. Je loopt dus den geheelen trein door. En voor jezelven mag je daarbij een handeltje beginnen in plaatwerken en couranten, wat misschien nog een aardig voordeeltje kan opleveren.”

“Dus ’t is alles al afgesproken?” vroeg Thomas.

“Ja,—morgenochtend om half acht komt de trein aan, en dan moet je present zijn. Met den buffetpachter en den boekverkooper in het station is alles al geregeld.”

Thomas had zijn aanvankelijken weerzin voor zijn aanstaande betrekking spoedig overwonnen en stapte den volgenden morgen om half acht vroolijk en welgemoed den trein in. En weldra was hij druk bezig met den verkoop van taartjes, boterhammetjes, fruit en sigaren, die in de Amerikaansche treinen veel meer gebruikt worden dan in ons land, omdat daar de afstanden veel grooter zijn. En de verkoop van platen en couranten leverde hem een aardig winstje op, waarmede hij niets beters meende te kunnen doen, dan er eenige boeken voor te koopen, die hij meenam naar zijn bagage-wagen. Maar dat pakte al spoedig verkeerd uit, want als Thomas eenmaal aan het lezen was, wist hij van geen ophouden, zoodat de reizigers zoowel van hunne versnaperingen als van hunne couranten verstoken bleven. De buffetpachter was daar zeer ontevreden over en gaf hem te kennen, dat hij beter voor zijn zaken moest zorgen.

Nu zat Thomas in zak en asch, want hij wilde veel liever lezen. Onder zijne boeken was er een over scheikunde, dat hem buitengewoon veel belang inboezemde, al begreep hij er niet bijster veel van.

Hij wist zich echter te redden. Voor enkele centen daags huurde hij een paar kinderen uit de buurt, om voor hem te venten, en zelf bleef hij in zijn bagage-wagen van zijn lectuur gemeten. En bij lezen bleef het niet. Neen, hij vond die scheikunde zoo mooi, dat hij besloot, ook proeven te gaan nemen. Hij maakte van zijn bagage-wagen langzamerhand een laboratorium in optima-forma, en hield zich bezig methet nemen van proeven, terwijl zijn jonge knechtjes het werk voor hem deden.

Dat ging zoolang goed, tot op een dag de trein een hevigen schok kreeg, met het gevolg, dat een flesch met phosphorus aan scherven op den grond terecht kwam. De phosphorus vloog in brand en de wagen begon ook vlam te vatten.

Dal gaf bij Thomas een geweldigen schrik. Gelukkig wist een conducteur de vlammen te blusschen, en toen hij dat gedaan had, gaf hij Thomas een geducht pak slaag en wierp zijn heele laboratorium den trein uit.

In het stadje Détroit hield de trein telkens eenige uren stil, en Thomas meende dien tijd niet beter kunnen besteden, dan door de geheele stadsbibliotheek te gaan lezen. Hij begaf er zich heen en greep het eerste boek van de plank, dat hij achter elkaar uitlas. Den volgenden keer nam hij het volgende boek, en, zoo ging het geregeld door. De bibliothecaris was over zooveel volharding niet weinig verwonderd, en voelde zich tot den leergierigen jongen zeer aangetrokken. Hij gaf hem goeden raad en wees hem de boeken, die hem voor den knaap het meest geschikt toeschenen. Zoo kwam er althans eenige leiding bij het lezen van Thomas.

Ook van zijn oogen maakte hij een goed gebruik. Had hij een oogenblik vrij, dan kon men er zeker van zijn hem daar te vinden, waar iets belangwekkends te zien was. Zoo trok onder anderen het telegrafeeren bijzonder zijn belangstelling, en toen hij eens eenige uren thuis was, maakte hij zelf eenvolledige telegraaf. Zijn batterijen bestonden uit oude potten en overgeschoten metaal uit den winkel van zijn vader.

Het station lag twintig minuten van zijne ouderlijke woning verwijderd, en het verdroot Thomas, telkens dat eind te moeten loopen, wat hem veel te veel tijd kostte. Zoo dicht mogelijk bij zijn huis wierp hij daarom langs de spoorlijn een grooten zandhoop op, en toen de trein daar weer langs reed, sprong Thomas den trein uit, op zijn zandheuvel. ’t Liep goed af, en nu was hij veel eerder thuis dan vroeger. Voortaan koos hij altijd dezen korteren weg, en er gebeurde nooit een ongeluk bij. Bij die Amerikaansche treinen gaat het blijkbaar heel anders toe, dan hier.

Dat Thomas niet bang was, bewees hij ook, toen hij op een morgen te Port-Clément op den trein stond te wachten, en juist toen deze met volle kracht naderde, op twintig meters afstand van de locomotief een kind tusschen de rails zag spelen. Zonder een oogenblik te weifelen, sprong Thomas tusschen de rails, greep het kind, sleurde het in zijn vaart meê, en was juist over de rails, toen de locomotief rakelings langs hem heen snorde. Twee seconden later zouden beiden verpletterd geweest zijn.

’t Geredde kind was van den Chef zelven, die hem zijn grooten dank toonde, door hem te leeren seinen met de telegraaf, waar Thomas zeer blijde meê was.

Op een dag was er op de drukkerij van een courant in Détroit eene verkooping van oude drukletters, en Thomas werd er voor eenige dollars eigenaar van. Hij kocht nu ook nog de verschillende benoodigdhedenvoor eene kleine drukkerij, en bracht alles naar zijn bagage-wagen, die voor hem de halve wereld vertegenwoordigde.

En nu begon Thomas iets nieuws. Hij schreef eenige artikelen, knipte wat nieuwtjes uit verschillende tijdschriften, zette wat hij geschreven had,—en verscheen in de personenwagens met een nieuwe courant, “The grand Trunk Herald”, die hij zelf geschreven, gezet, gedrukt en gecorrigeerd had. Zoo iets was den reizigers nog nooit overkomen, en iedereen wilde er een exemplaar van hebben. Men vond zijn denkbeeld zoo oorspronkelijk, dat er zelfs in de groote bladen over geschreven werd. Dàt was nog eens iets echt Amerikaansch! ’t Is te begrijpen, dat Thomas er een aardig duitje meê verdiende.

Door zijn succes aangemoedigd besloot hij ook in Port-Huron een courant uit te geven. Zij heette de Paul Pry, en iedereen, die lust had, mocht er in schrijven, als men maar geen betaling voor de artikelen eischte. Thomas nam alles op, wat hem ter plaatsing aangeboden werd, maar dat bekwam hem slecht. Zijn courant werd een echt scheldblaadje, waarin menigeen diep beleedigd werd. Alle instellingen, en zaken, ja zelfs personen werden over den hekel gehaald, met het gevolg, dat een zijner stadgenooten zich zoodanig gegriefd en beleedigd gevoelde, dat hij Thomas, den Redacteur, bij den nek pakte en in het water wierp.

Thomas was nu geen jongen meer, hij was een jonge man geworden. Hij liet zijn blad en zijn bagagewagen in den steek, en werd telegrafist, maar konalleen geplaatst worden voor den nachtdienst. Nu pas had hij eene betrekking naar zijn zin, want nu was hij prachtig in de gelegenheid, om zijne bekwaamheden te toonen en verder te ontwikkelen. ’t Duurde dan ook maar kort, of hij kende de telegrafie tot in de puntjes. Maar Thomas was veel te afgetrokken, om goed zijne plichten waar te nemen. In de stilte van den nacht hield hij zijn geest voortdurend bezig met het nemen van proeven en het doen van wetenschappelijke onderzoekingen. En daardoor vergat hij te seinen, wat er geseind moest worden. Zijn directeur was daar zeer ontevreden over, en besloot hem tot het vervullen van zijn plichten te dwingen. Hij beval hem namelijk elk half uur een zeker woord naar een naburig station over te seinen, in de meening, dat Thomas daardoor gedwongen zou worden, zijne aandacht bij zijn werk te bepalen. Maar ’t bevel was Thomas in het geheel niet naar den zin, want hij had zich juist voorgenomen, dien nacht eens flink te studeeren. Hoe zich te redden? Hoe zou hij elk half uur een woord naar een naburig station kunnen seinen, zonder zijne geliefkoosde studie in den steek te laten?

Weldra hielp zijn vindingrijke geest hem uit de moeilijkheid. Hij bedacht een eenvoudig instrumentje, dat precies elk half uur door den grooten wijzer van het uurwerk werd aangeraakt en waardoor het voorgeschreven woord overgeseind werd. Zoo kreeg men aan het naaste station wel geregeld dat woord geseind, maar overige berichten werden er niet ontvangen.

De directeur vond zijn middel wel verbazend vernuftig,maar was er niet bijster mede ingenomen. Hij had liever een goed ambtenaar dan een uitvinder in zijn dienst, en verplaatste hem daarom naar Memphis. Thomas was toen 17 jaar. In zijn nieuwe standplaats vond hij het middel, om twee depeches in tegengestelde richting langs een zelfde lijn te seinen, wat men tot dien tijd toe voor eene onmogelijkheid had gehouden. Men verklaarde hem dan ook gewoon voor gek, maar een der beambten, die de uitlegging van Thomas gehoord had, nam er dadelijk patent op en verdiende er goed geld mede.

’t Was niet prettig voor den jongen uitvinder, maar hij trok er eene goede les uit, n.l. om voortaan voorzichtiger in zijne mededeelingen te zijn. Eenigen tijd later vond hij het middel uit, om twee treinen, die in beweging zijn, telegrafisch met elkander te verbinden. Men gaf hem verlof, zijn toestel te beproeven op twee treinen op den spoorweg, waaraan Memphis gelegen is. Hij was nu echter zoo voorzichtig geweest, aan niemand iets van zijn geheim te vertellen, en dat werd nù weer zijn ongeluk. De toestellen werden niet goed geplaatst, zoodat de twee treinen met elkander in botsing kwamen in plaats van elkander te waarschuwen. Er gebeurden geen ongelukken bij, dan alleen, dat Thomas uitgelachen en uit zijne betrekking ontslagen werd.

Toch was zijn naam in Amerika door dit voorval vrij algemeen bekend geworden, waaraan hij te danken had, dat hij naar New-York ontboden werd, om eene machine te herstellen, die mechanisch den koers der verschillende effecten op de beurs aanwees.

Het gelukte Thomas, de defecte machine te herstellen, maar tevens vond hij een toestel uit, dat veel beter aan de eischen voldeed, en dat hem een grooten naam als werktuigkundige bezorgde.

DeWest Telegraph Unionbesloot van den bekwamen jongen man gebruik te maken. Zij bouwde dicht bij New-York een groot laboratorium, de beroemde werkplaats van Menlo-Park, en benoemde Thomas tot ingenieur daarvan. Hij kreeg een leger van bekwame assistenten tot zijne beschikking, ieder uitmuntende in zijn vak, en men liet hem geheel vrij om te werken in de richting, die hij zelf verkoos. Wel een bewijs, dat men overtuigd was van zijne groote bekwaamheden, en van de hooge verwachtingen die men koesterde over de groote uitvindingen, die hij in de toekomst zou doen. En die verwachtingen zijn niet beschaamd, want over de geheele wereld kent men thans den naamThomas Alva Edison, een van de beroemdste uitvinders van het tegenwoordige geslacht.

Zoo kon nu Thomas Edison, in den bloei zijner jeugd, volkomen onafhankelijk, zich geheel aan de wetenschap wijden. Hij kon voor zijne proeven en onderzoekingen zooveel geld gebruiken, als hij zelf verkoos,—maar de uitvindingen, die hij deed, waren ten voordeele van deWest Telegraph Union, die hem honderd dollars per week als salaris uitbetaalde.

Eens, bij een bezoek aan eene fabriek, werd zijne aandacht getrokken door het lieve uiterlijk van een meisje, dat daar arbeidde. Dadelijk besloot hij haar tot vrouw te vragen, wat hij dan ook deed. MariaStilvelle bedacht zich niet lang, en weldra brak de dag van hun huwelijk aan. Toen het bruidspaar uit de kerk kwam, bracht Thomas Edison zijn jong vrouwtje naar zijne woning, en toonde haar ook zijne werkplaatsen. Daar herinnerde hij zich opeens, dat hij aan een proef bezig was, die nog voltooid moest worden. Hij verzocht haar dus verlof, even naar zijn laboratorium te mogen gaan. Weldra zou hij aan het bruidsmaal komen.

Dat gebeurde des middags,—maar ’s avonds was Thomas Edison nog niet teruggekeerd. Het bruidsmaal was al lang afgeloopen, toen hij eindelijk naar huis kwam. De afgetrokken geleerde had zoowel zijn feestmaal als zijne bruid vergeten!

Menlo-Park, de werkplaats van Edison, is eene kleine plaats op ongeveer een uur afstands van New-York. Het huis is van één verdieping, vijf en dertig meter lang en tien meter breed. Zijn woonhuis is op korten afstand daarvan verwijderd.

Beneden in de werkplaats staat eene stoommachine, die de beweegkracht levert, welke Edison noodig heeft, verder vindt men er een prachtige verzameling werktuigen van allerlei aard, waarmede alle bekende stoffen bewerkt kunnen worden. Een geheel leger uitgezochte werktuigkundigen zijn onder zijne directie voortdurend bezig met allerlei werkzaamheden, waarvan hèm alleen het doel bekend is.

Op de eerste verdieping is het laboratorium van Edison, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbrengt. Daar ziet men tallooze flesschen, bekers, glazen, vazen en doozen, men vindt er alle bekendemineralen, metalen, zouten, zuren, de fijnste werktuigen en toestellen.

In een hoek van zijn laboratorium staat een fornuis met een grooten rookvang er boven, waar voortdurend een aantal lampen staan te branden, zoo ingericht en geregeld, dat zij zooveel mogelijk roet geven. Dit roet wordt aan sterke drukking blootgesteld, tot plaatjes geperst, en voor de koolplaten van telefonen en mikrofonen gebruikt. Verder ziet men er electrische batterijen, electro-magneten, en allerlei toestellen, zeer verschillend van bestemming en vorm. Er loopen telegraafdraden in alle richtingen langs de zoldering, die verbonden zijn met toestellen, welke onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.

In dit reusachtig laboratorium werken vele geleerden onder zijne leiding. Men vindt er scheikundigen, natuurkundigen, werktuigkundigen en zelfs wiskundigen, die hem allen bij zijne onderzoekingen behulpzaam zijn.

Sedert Edison zijn intrek in deze grootsche inrichting nam, heeft hij verscheidene ontdekkingen gedaan, die de wereld in verbazing hebben gebracht.

Voor het eerst in 1878 hield Edison zich bezig met het vraagstuk der electrische verlichting. De telefoon, mikrofoon en fonograaf hadden toen reeds hun intrede in de wereld gedaan, maar het electrisch licht verkeerde nog in zijn kindsheid. Edison meende echter, dat het mogelijk was het electrisch licht zoo te volmaken, dat het ’t gaslicht verre overtreffen kon. En nu begon hij eene reeks van onderzoekingen, diemet de schitterendste resultaten werden bekroond.

’t Ligt niet op onzen weg, hier al die onderzoekingen, hoe belangwekkend ook, te beschrijven. Genoeg zij het te weten, dat het hem gelukte het electrisch licht zoo te volmaken, dat het thans reeds geheele steden verlicht, en dat wij het veilig het licht der toekomst mogen noemen.

De beroemde Edison, die zijn loopbaan eenmaal begon als treinjongen, is thans een van de beroemdste mannen der wereld, en met het volste recht kan van hem getuigd worden, dat hij dit werd door eigen kracht.

Een nuttige uitvinding.Voor een klein huis in een van de nauwste straten van de stad Boston stond, een 70 jaar geleden, een man met de grootste aandacht door een raam te turen. Blijkbaar gebeurde daar iets, dat hem meer dan gewone belangstelling inboezemde, want hij had oog noch oor voor hetgeen er rondom hem gebeurde, maar hield zijn blik onafgebroken op eenzelfde punt in het eenvoudige huisje gericht. ’t Is den man aan te zien, dat hij een werkman is, die in behoeftige omstandigheden verkeert, want zijne kleeding is armoedig en zijn geheele uiterlijk verraadt kommer.Wat mag er toch wel in dat huisje geschieden, dat zoozeer zijne belangstelling boeit?Och, iets heel eenvoudigs en gewoons. Niets anders, dan een eenvoudige linnenwever, die voor zijn weefstoel gezeten aan den arbeid is, en zijn spoel heen en weder beweegt. En toch is het die eenvoudige arbeid, die zoo bijzonder de aandacht van onzen toeschouwer trekt.Zijn naam is Elias Howe, en hij is werktuigkundige van beroep. Toen hij, jaren geleden, bij een patroon werkzaam was, zei deze eens:“Ha, als het eens iemand gelukken mocht, een naaimachine uit te vinden, een toestel, dat licht, vlugen goed werkt, dan was zijn fortuin gemaakt. Ik durf voorspellen, dat hij in korten tijd millionair werd!”Van dat oogenblik af liet de gedachte hem geen rust, dat hij een naaimachine zou uitvinden, die hem schatrijk zou maken. Maar ’t kwam heel anders uit. Zijn gedachten waren niet meer bij zijn werk, en zijn lust daartoe was verdwenen. Hij werd een slecht arbeider, die overal ontslagen werd en eindelijk nergens meer werk kon vinden. En de menschen hielden hem voor niet-toerekenbaar. Zij vonden hem min of meer krankzinnig, en hielden hem meermalen voor den gek. Zijn buren en kennissen lachten om hem, en zijn vrouw was knorrig en boos en schold hem meermalen uit voor een zot, die zijn tijd wel beter kon gebruiken, dan zulk een hersenschim na te jagen. Zij zou het wijzer van hem vinden, als hij het brood voor zich en zijn gezin verdiende, in plaats van altoos te mijmeren over zijn idée om een naaimachine te maken, wat hem toch wel nooit zou gelukken.Maar hij gaf zijne pogingen niet op. Nacht en dag hielden zijne gedachten zich met dezelfde zaak bezig, en ’t was hem ten slotte onmogelijk over iets anders te denken dan over zijne machine.Zoo ook nu weer voor het raam van den linnenwever. Hij volgde de eentonige beweging van de spoel, en was in diepe gedachten verzonken. Telkens mompelde hij zacht iets voor zich heen. ’t Was hem aan te zien, dat zijn geest in heftige beroering was. Zijne handen beefden en zijne oogen schitterden.“Juist, zoo kan het,—zoo kan het!” mompelde hijsnel. “Wanneer die spoel met een naald zoodanig in wisselwerking kan worden gebracht, dat bij iederen gang—heen en terug,—een knoop wordt gelegd, dan—ha, dan was het gevonden.—Maar, dat mòèt kunnen,—dat mòèt kunnen!”Nog langen tijd bleef hij voor het raam staan turen, tot hij opeens uitriep, zoodat de voorbijgangers het hoorden:“Ik heb het! Ik heb het!”De menschen keken hem lachend na, toen hij met driftige schreden de plaats verliet, waar hij zoo langen tijd in gedachten verzonken had gestaan, en zich huiswaarts spoedde.Maar eerst liep hij een ijzerwinkel binnen, en kocht hij voor zijn laatste geld de grondstoffen, die hij voor het uitwerken van zijn idée meende noodig te hebben.Toen snelde hij naar huis, zonder op of om te zien. Hij draafde meer, dan hij liep, en menige kennis van hem keek hem òf medelijdend, of spottend na, in de overtuiging, dat het met den ongelukkigen droomer hoe langer hoe meer mis ging. Zij twijfelden er niet aan, of hij zou zijn leven nog in een krankzinnigengesticht eindigen.Zoodra hij thuis kwam, riep hij zijn vrouw juichend toe:“Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”“Je bent niet goed!” antwoordde zijn vrouw norsch. “Den heelen dag loop je door de stad te slenteren, je verluiert je tijd, je maakt je laatste geld zoek, en je laat je gezin verhongeren. ’t Is eene schande, eene verregaande schande! Werk, zooals het jebetaamt en verdien den kost voor je vrouw en kind!”“Dat zàl ik, dat zal ik!” juichte de man. “En goed ook. Wacht maar, heb nog maar een poosje geduld, dan worden we schatrijk!”“Doodarm!” viel zijne vrouw in.“Millionair word ik, wat ìk je zeg!” riep hij zijne vrouw toe. “Wacht maar,—de wereld zal verbaasd staan...”“En je opsluiten als een gek!”“Zal verbaasd staan, zeg ik je, en schatrijk worden we,” hield Elias vol. Maar hij gunde zich langer geen tijd om er over te praten. Hij begaf zich naar zijne werkplaats en zette zich dadelijk met moed aan den arbeid. O, hij wìst immers, dat hij het geheim eindelijk had ontdekt, hij wist immers, dat de langgezochte machine thans tot stand zou komen! Wat zouden de spotters, die hem een sukkel, een droomer, een gek hadden genoemd, verstomd staan, als hij hun eindelijk zou kunnen toonen, wat hij had gewrocht. Hoe zou hun spot in bewondering veranderen, hoe zouden zij hem zijne schoone uitvinding benijden, en wat nog het mooiste was,—hoe zou hem het geld van alle kanten toestroomen, zoodat hij in korten tijd een van de rijkste menschen van de Vereenigde Staten zou zijn.Onverdroten arbeidde hij voort, dag aan dag,—maar ’t ging lang niet zoo gemakkelijk, als hij zich nog wel had gedacht. Telkens en telkens weer bleek hem, dat zijn werk niet aan zijne verwachting beantwoordde. Wèl had hij het beginsel, waar zijne machine op moest berusten, goed in zijn hoofd en twijfeldehij niet, of ditmaal zou hij slagen, maar—’t werd een gecompliceerde machinerie, en meermalen scheen het hem een onmogelijkheid toe, om alles goed voor elkaar te krijgen. Dan brak het zweet hem uit en voelde hij stekende pijnen in het hoofd, die hem dwongen, om den arbeid eenigen tijd neer te leggen. Maar—hij rustte niet, voordat hij zijn doel bereikt had. Eindelijk—eindelijk dan toch kwam hij er mede gereed, en stond daar zijne machine kant en klaar.Maar—zou zij werken? Zou zij aan het doel beantwoorden? Zou zij werkelijk een naad tot stand kunnen brengen, die kleine naald, die daar zoo licht en snel op en neder bewoog?Met bevende hand stak hij een draad door het oog, en legde een stuk doek onder de naald. Toen bracht hij de machine in beweging. Rrrrt! vloog de naald door het goed. Prachtig werkte zijne machine!Hij nam de lap in de handen,—en o, hij had wel kunnen schreiën van vreugde. De naad was gestikt,—zijne uitvinding was voltooid!Opgetogen van blijdschap riep hij zijne vrouw bij zich, en toonde haar, wat hij gemaakt had, en toen zij alles had gezien, toen sprongen ook haar de tranen in de oogen, tranen van vreugde niet alleen over de goede dagen, die nu zouden komen, maar ook tranen van berouw over de hardheid, waarmede zij haar man zoo dikwijls had bejegend.Diep ontroerd beschouwden zij de nieuwe machine als een grooten schat, en de vrouw zeide zacht:“Dat had ik nooit gedacht! En wat heb ik je dikwijls onrecht aangedaan. O, Elias, vergeef het mijtoch. Ik—ik meende, dat je alleen een hersenschim najoeg...”Haar man sloot haar in zijn armen, en toen de eerste ontroering voorbij was, beraadslaagden zij, wat hun thans te doen stond, om van de uitvinding de gewenschte vruchten te plukken.“Mijn eerste werk moet thans zijn, aan mijne uitvinding de noodige bekendheid te geven,” zei Howe.“Ja, zeker,—maar hoe moet dat gebeuren?”“Wel, door middel van de dagbladen natuurlijk. De menschen zullen verstomd staan...”“Ongetwijfeld,—maar ’t zal veel geld kosten, en wie zal ons dat verschaffen? Wij zelf bezitten geen cent in de wereld.”Dat was zoo, en Elias begreep, dat het nog niet eens zoo gemakkelijk zou gaan, om zijne uitvinding wereldkundig te maken.“Ja, tot wien zal ik mij wenden?” zei Elias peinzend. “De menschen zien mij toch al voor half gek aan, en niemand zal—-ha, wacht eens,—mijn oude schoolvriend George Fischer vergat ik. Hij heeft mij nooit bespot en is altoos dezelfde voor mij gebleven. Ik ga hem dadelijk vragen, of hij mij helpen wil.”“Ja, ja, doe dat!” zei zijne vrouw. “Fischer is een braaf man,—als hij helpen kan, zal hij het ook doen.”Howe vertrok, en kwam spoedig terug met de blijde tijding, dat Fischer niet alleen helpen wilde aan het noodige geld, maar dat hij zelfs aangeboden had, het geheele gezin van Howe bij zich in zijn huis op te nemen, tot de betere dagen aangebroken zouden zijn,welk aanbod door Howe met de grootste dankbaarheid was aangenomen.“God zegene hem!” riep de vrouw uit, en weldra was de verhuizing achter den rug. De arme menschen hadden trouwens niet veel over te dragen. ’t Eenige stuk van waarde was eigenlijk alleen de nieuwe naaimachine,—maar die zou dan ook volgens de heilige overtuiging van den uitvinder millioenen waard blijken.Fischer, een handelaar in hout en kolen, was van meening, dat Howe zijne uitvinding ’t allereerst aan het oordeel van bekwame kleermakers moest onderwerpen, om van hen de noodige getuigschriften te verwerven.Howe was dat met hem eens. Hij pakte zijne machine in en begaf er zich mede naar den voornaamsten kleedermaker van Boston. Maar deze hoorde hem met ongeduld aan en weigerde zelfs de machine te bekijken.“Laat dat ding maar ingepakt, vriend. Met zulke dwaasheden bemoei ik mij niet,” voegde hij Howe toe, die hem met de grootste verbazing aanhoorde. Wat? Was dàt nu de roem, dien hij gedacht had te zullen inoogsten?Hij begaf zich naar een tweeden kleedermaker, maar daar verging het hem niet beter.Een derde lachte hem in zijn gezicht uit, en een vierde zei, dat hij niet goed bij zijn verstand was.Maar eindelijk was er dan toch een, die van zijne uitvinding de gewenschte notitie nam. Hij liet zelfsde machine werken en bekeek den naad met aandacht. Toen zei hij:“Goede vriend, ik wil met dat ding niets te maken hebben. Wat moet er wel van onze arbeiders komen, als wij zulke machines in gebruik nemen? Zij zouden er door tot den bedelstaf worden gebracht. Ik raad u aan, zelfs het bestaan van deze machine geheim te houden, want zij zouden in staat zijn, u een ongeluk te bezorgen.”Ten slotte belandde hij in een magazijn van gemaakte kleederen, en de eigenaar daarvan stelde hem voor met bekwame vakmannen een wedstrijd te houden, wie het snelst en het best zou kunnen naaien. Howe nam het voorstel aan en de wedstrijd had werkelijk plaats, waarin Howe eene schitterende overwinning behaalde. De vlugste kleedermaker moest voor de snelheid van de machine zwichten. ’t Gevolg er van was, dat de kleermakersgezellen in hevige woede ontstaken en het aan de ergste bedreigingen niet lieten ontbreken. Maar een machine, die wel 700 gulden moest kosten, kocht niemand.Toen raadde zijn vriend Fischer hem aan:“Neem een patent op uwe uitvinding, en tracht dat te verkoopen. Er zal wel iemand gevonden worden, die er veel geld voor geven wil.”Howe volgde dien raad, maar de milde kooper bleef uit.De uitvinder werd er moedeloos onder, wat er niet beter op werd, toen Fischer zich eindelijk genoodzaakt zag, hem zijn woning op te zeggen.“Beste vriend,” zei deze, “ik heb aan de uitvindingnu reeds 5000 dollar opgeofferd,—ik mag mij om uwentwille niet geheel ruïneeren.”Dat was voor Elias Howe en zijn gezin een zware slag. Hij nam, geheel ontmoedigd, zijn intrek bij zijn ouden vader, die dicht bij Boston woonde, en daar stelde Amasa, een jongere broeder, hem voor met de machine naar Engeland te gaan en haar daar te verkoopen.Dat gebeurde. Amasa vertrok en schreef na eenigen tijd een brief met de tijding, dat William Thomas, een fabrikant van koffers, paraplu’s en schoenen in Cheapside, aangeboden had, de machine voor 3000 gulden te koopen, wanneer hem dan tevens het recht gegeven werd een patent op de uitvinding te nemen, geldig voor geheel Engeland. Daarentegen verplichtte hij zich van elke machine, die in Engeland verkocht zou worden, 36 gulden aan den uitvinder te betalen. Elias Howe nam het voorstel aan, met het gevolg, dat William Thomas een zeer rijk man werd, maar dat Elias Howe bijna even arm bleef als vroeger.Op verzoek van Thomas begaf Howe zich in 1847 met vrouw en kind naar Londen, om nog een paar verbeteringen aan zijne machine aan te brengen. De ondankbare Thomas betaalde hem echter slechts 36 gulden per week en behandelde den uitvinder van de hem rijkmakende machine zoo lomp en uit de hoogte, dat de beide mannen hevigen twist kregen en als vijanden scheidden. Howe was zoo arm, dat hij zijn patent en zijn laatste machine verpanden moest, om het noodige geld voor de terugreis te bekomen.Armer dan hij ooit geweest was en geheel ontmoedigd, kwam hij in New-York aan, waar hij als gewoon arbeider in een machine-fabriek in dienst trad, om niet van honger om te komen.Drie jaar later, in 1850, zat Elias Howe ’s avonds eens met zijn gezin aan het karige avondmaal, toen de deur geopend werd en zijn vriend Fischer binnentrad, die hartelijk verwelkomd werd. Nauwelijks had deze aan de tafel plaats genomen, of hij zei:“Ik geloof, Elias, dat je je in ’t geheel niet meer bekommert om de prachtige uitvinding, die je eenmaal gedaan hebt!”“Prachtige uitvinding!” riep Howe schamper uit. “Zeg liever, eene uitvinding, die me de grootste ergernis heeft bezorgd, en me nog armer gemaakt heeft, dan ik al was. Wat bekommer ik mij nog om die ellendige machine!”“Je hebt ongelijk, beste vriend,” sprak Fischer. “Anderen plukken er de vruchten van en worden schatrijk, terwijl jij in armoede je dagen doorbrengt.”“Wat wou je zeggen? Dat anderen er rijk door worden?”“Zeker. Je naaimachine wordt door anderen, die er niet het minste recht op hebben, nagemaakt en verkocht, en er is groote vraag naar. Een hunner, Singer genaamd, een gewezen tooneelspeler, heeft er eenige verbeteringen aan aangebracht, en verkondigt zelfs, dat hij de uitvinder van de machine is. Hij zorgt er wel voor, dat zijn lof door alle dagbladen wordt rondgebazuind, en hij heeft succes. Van alle kantenstroomen hem de bestellingen toe, zoodat hij in korten tijd schatrijk zal zijn.”Howe keek zijn vriend in de grootste verbazing aan.“Zeker, ’t is zoo,” hernam deze. “En nu kom ik je vragen, of je dat alles maar rustig zijn gang zal laten gaan,—of je goedvindt, dat anderen de vruchten plukken van jou schoone uitvinding?”“Neen, waarlijk niet!” barstte Howe uit. “Als ik maar niet zoo arm was, en wist, wat ik doen moest!”“Wel, doodeenvoudig, je moet Singer aanklagen, dat hij zich wederrechtelijk vanjouwuitvinding heeft meester gemaakt, en de rechtbank vragen, hem dat te verbieden. Een andere weg is er niet.”“Ja,—maar het geld? Dat zal veel geld kosten!” zuchtte Howe.“Natuurlijk, maar misschien weet ik er wel raad op. Toevallig ken ik een zekeren heer Blisz, een handig advokaat en tevens een rijk man en een menschlievend man, die geen onrecht kan dulden. Mij dunkt, wij moesten hem eens een bezoek brengen.”Dat geschiedde nog dienzelfden avond, en de heer Blisz ontving de beide mannen bijzonder vriendelijk. Hij stelde dadelijk veel belang in de zaak, en zei tot Howe:“Ik heb indertijd uwe machine gezien en de werking er van bewonderd. Het doet me daarom werkelijk genoegen, dat ge u tot mij wendt om raad, en ik verklaar me bereid, u te helpen. ’t Is eene schande, dat Singer zich voor den uitvinder uitgeeft en u daardoor uwe rechtmatige winsten ontroofd. Wees er zeker van, dat het hem spoedig verboden zalworden, daar zal ik wel voor zorgen. Morgen begin ik een proces tegen hem.”“Maar de kosten?” vroeg Howe.“Die betaal ik!” sprak de menschenvriend. “Heb daarover geen zorgen. Als ik het proces verlies, behoeft ge mij geen cent te betalen, en als ik het win, word ik uw compagnon en zullen wij samen eene fabriek van naaimachines oprichten. Er zullen goede dagen voor u aanbreken!”Tranen van dankbaarheid vloeiden Howe over de wangen, en ontroerd drukte hij den advokaat de hand.“Hoeveel geld zou er in de eerste plaats noodig zijn?” vroeg de heer Blisz.“Honderd dollar, om mijn patent in te lossen, dat ik in Londen heb verpand.”“O, anders niet?” vroeg Blisz lachend. “Niet meer?”Elias keek zijn vriend Fischer aan, en zei toen:“Ja,—deze man heeft uit vriendschap voor mij reeds 5000 dollar opgeofferd, en hij is niet rijk...”“Hij zal ze terugontvangen,” sprak de advokaat.Hij opende eene kast, en betaalde de 5000 dollar aan Fischer terug. Aan Howe gaf hij 100 dollar, om zijn patent in te lossen.Het proces begon, en werd van beide partijen met groote felheid gevoerd. Soms scheen het, of Singer met vlag en wimpel als overwinnaar uit den strijd te voorschijn zou komen, dan weer twijfelde men niet, of Howe zou de zege behalen. Er werd door de rechtbank een uitgebreid onderzoek ingesteld, waarbijonomstootelijk werd bewezen, dat niet Singer, maar Elias Howe de uitvinder der naaimachine was.Het einde van het proces was, dat Howe openlijk als de uitvinder erkend werd en dat zijn in 1846 verkregen patent geldig werd verklaard. Alle fabrikanten van naaimachines werden veroordeeld, aan Howe eene schadevergoeding uit te betalen, en zelfs moest hem voor elke machine, die van elders in de Vereenigde Staten werd ingevoerd, de somma van vijf dollar worden uitgekeerd.Howe werd nu in zeer korten tijd niet alleen een beroemd, maar ook een rijk man. In 1862 stichtte hij te Bridgeport, in Connecticut, een groote fabriek, die nog heden bestaat en dagelijks honderden naaimachines aflevert. Voortdurend wist hij nog verbeteringen aan te brengen, die de bruikbaarheid van zijne uitvinding niet weinig verhoogden. In 1867 verkreeg hij zelfs, bij gelegenheid van eene wereldtentoonstelling te Parijs, het grootkruis van het Legioen van eer. Kort daarop, den 8enOctober van hetzelfde jaar, overleed hij. Hij heeft dus van zijn roem en van zijn rijkdom maar korten tijd kunnen genieten, doch zijne schoone uitvinding is thans nog duizenden menschen ten zegen. Zijn naam zal ongetwijfeld tot in verre nageslachten met eere worden genoemd.

Voor een klein huis in een van de nauwste straten van de stad Boston stond, een 70 jaar geleden, een man met de grootste aandacht door een raam te turen. Blijkbaar gebeurde daar iets, dat hem meer dan gewone belangstelling inboezemde, want hij had oog noch oor voor hetgeen er rondom hem gebeurde, maar hield zijn blik onafgebroken op eenzelfde punt in het eenvoudige huisje gericht. ’t Is den man aan te zien, dat hij een werkman is, die in behoeftige omstandigheden verkeert, want zijne kleeding is armoedig en zijn geheele uiterlijk verraadt kommer.

Wat mag er toch wel in dat huisje geschieden, dat zoozeer zijne belangstelling boeit?

Och, iets heel eenvoudigs en gewoons. Niets anders, dan een eenvoudige linnenwever, die voor zijn weefstoel gezeten aan den arbeid is, en zijn spoel heen en weder beweegt. En toch is het die eenvoudige arbeid, die zoo bijzonder de aandacht van onzen toeschouwer trekt.

Zijn naam is Elias Howe, en hij is werktuigkundige van beroep. Toen hij, jaren geleden, bij een patroon werkzaam was, zei deze eens:

“Ha, als het eens iemand gelukken mocht, een naaimachine uit te vinden, een toestel, dat licht, vlugen goed werkt, dan was zijn fortuin gemaakt. Ik durf voorspellen, dat hij in korten tijd millionair werd!”

Van dat oogenblik af liet de gedachte hem geen rust, dat hij een naaimachine zou uitvinden, die hem schatrijk zou maken. Maar ’t kwam heel anders uit. Zijn gedachten waren niet meer bij zijn werk, en zijn lust daartoe was verdwenen. Hij werd een slecht arbeider, die overal ontslagen werd en eindelijk nergens meer werk kon vinden. En de menschen hielden hem voor niet-toerekenbaar. Zij vonden hem min of meer krankzinnig, en hielden hem meermalen voor den gek. Zijn buren en kennissen lachten om hem, en zijn vrouw was knorrig en boos en schold hem meermalen uit voor een zot, die zijn tijd wel beter kon gebruiken, dan zulk een hersenschim na te jagen. Zij zou het wijzer van hem vinden, als hij het brood voor zich en zijn gezin verdiende, in plaats van altoos te mijmeren over zijn idée om een naaimachine te maken, wat hem toch wel nooit zou gelukken.

Maar hij gaf zijne pogingen niet op. Nacht en dag hielden zijne gedachten zich met dezelfde zaak bezig, en ’t was hem ten slotte onmogelijk over iets anders te denken dan over zijne machine.

Zoo ook nu weer voor het raam van den linnenwever. Hij volgde de eentonige beweging van de spoel, en was in diepe gedachten verzonken. Telkens mompelde hij zacht iets voor zich heen. ’t Was hem aan te zien, dat zijn geest in heftige beroering was. Zijne handen beefden en zijne oogen schitterden.

“Juist, zoo kan het,—zoo kan het!” mompelde hijsnel. “Wanneer die spoel met een naald zoodanig in wisselwerking kan worden gebracht, dat bij iederen gang—heen en terug,—een knoop wordt gelegd, dan—ha, dan was het gevonden.—Maar, dat mòèt kunnen,—dat mòèt kunnen!”

Nog langen tijd bleef hij voor het raam staan turen, tot hij opeens uitriep, zoodat de voorbijgangers het hoorden:

“Ik heb het! Ik heb het!”

De menschen keken hem lachend na, toen hij met driftige schreden de plaats verliet, waar hij zoo langen tijd in gedachten verzonken had gestaan, en zich huiswaarts spoedde.

Maar eerst liep hij een ijzerwinkel binnen, en kocht hij voor zijn laatste geld de grondstoffen, die hij voor het uitwerken van zijn idée meende noodig te hebben.

Toen snelde hij naar huis, zonder op of om te zien. Hij draafde meer, dan hij liep, en menige kennis van hem keek hem òf medelijdend, of spottend na, in de overtuiging, dat het met den ongelukkigen droomer hoe langer hoe meer mis ging. Zij twijfelden er niet aan, of hij zou zijn leven nog in een krankzinnigengesticht eindigen.

Zoodra hij thuis kwam, riep hij zijn vrouw juichend toe:

“Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”

“Je bent niet goed!” antwoordde zijn vrouw norsch. “Den heelen dag loop je door de stad te slenteren, je verluiert je tijd, je maakt je laatste geld zoek, en je laat je gezin verhongeren. ’t Is eene schande, eene verregaande schande! Werk, zooals het jebetaamt en verdien den kost voor je vrouw en kind!”

“Dat zàl ik, dat zal ik!” juichte de man. “En goed ook. Wacht maar, heb nog maar een poosje geduld, dan worden we schatrijk!”

“Doodarm!” viel zijne vrouw in.

“Millionair word ik, wat ìk je zeg!” riep hij zijne vrouw toe. “Wacht maar,—de wereld zal verbaasd staan...”

“En je opsluiten als een gek!”

“Zal verbaasd staan, zeg ik je, en schatrijk worden we,” hield Elias vol. Maar hij gunde zich langer geen tijd om er over te praten. Hij begaf zich naar zijne werkplaats en zette zich dadelijk met moed aan den arbeid. O, hij wìst immers, dat hij het geheim eindelijk had ontdekt, hij wist immers, dat de langgezochte machine thans tot stand zou komen! Wat zouden de spotters, die hem een sukkel, een droomer, een gek hadden genoemd, verstomd staan, als hij hun eindelijk zou kunnen toonen, wat hij had gewrocht. Hoe zou hun spot in bewondering veranderen, hoe zouden zij hem zijne schoone uitvinding benijden, en wat nog het mooiste was,—hoe zou hem het geld van alle kanten toestroomen, zoodat hij in korten tijd een van de rijkste menschen van de Vereenigde Staten zou zijn.

Onverdroten arbeidde hij voort, dag aan dag,—maar ’t ging lang niet zoo gemakkelijk, als hij zich nog wel had gedacht. Telkens en telkens weer bleek hem, dat zijn werk niet aan zijne verwachting beantwoordde. Wèl had hij het beginsel, waar zijne machine op moest berusten, goed in zijn hoofd en twijfeldehij niet, of ditmaal zou hij slagen, maar—’t werd een gecompliceerde machinerie, en meermalen scheen het hem een onmogelijkheid toe, om alles goed voor elkaar te krijgen. Dan brak het zweet hem uit en voelde hij stekende pijnen in het hoofd, die hem dwongen, om den arbeid eenigen tijd neer te leggen. Maar—hij rustte niet, voordat hij zijn doel bereikt had. Eindelijk—eindelijk dan toch kwam hij er mede gereed, en stond daar zijne machine kant en klaar.

Maar—zou zij werken? Zou zij aan het doel beantwoorden? Zou zij werkelijk een naad tot stand kunnen brengen, die kleine naald, die daar zoo licht en snel op en neder bewoog?

Met bevende hand stak hij een draad door het oog, en legde een stuk doek onder de naald. Toen bracht hij de machine in beweging. Rrrrt! vloog de naald door het goed. Prachtig werkte zijne machine!

Hij nam de lap in de handen,—en o, hij had wel kunnen schreiën van vreugde. De naad was gestikt,—zijne uitvinding was voltooid!

Opgetogen van blijdschap riep hij zijne vrouw bij zich, en toonde haar, wat hij gemaakt had, en toen zij alles had gezien, toen sprongen ook haar de tranen in de oogen, tranen van vreugde niet alleen over de goede dagen, die nu zouden komen, maar ook tranen van berouw over de hardheid, waarmede zij haar man zoo dikwijls had bejegend.

Diep ontroerd beschouwden zij de nieuwe machine als een grooten schat, en de vrouw zeide zacht:

“Dat had ik nooit gedacht! En wat heb ik je dikwijls onrecht aangedaan. O, Elias, vergeef het mijtoch. Ik—ik meende, dat je alleen een hersenschim najoeg...”

Haar man sloot haar in zijn armen, en toen de eerste ontroering voorbij was, beraadslaagden zij, wat hun thans te doen stond, om van de uitvinding de gewenschte vruchten te plukken.

“Mijn eerste werk moet thans zijn, aan mijne uitvinding de noodige bekendheid te geven,” zei Howe.

“Ja, zeker,—maar hoe moet dat gebeuren?”

“Wel, door middel van de dagbladen natuurlijk. De menschen zullen verstomd staan...”

“Ongetwijfeld,—maar ’t zal veel geld kosten, en wie zal ons dat verschaffen? Wij zelf bezitten geen cent in de wereld.”

Dat was zoo, en Elias begreep, dat het nog niet eens zoo gemakkelijk zou gaan, om zijne uitvinding wereldkundig te maken.

“Ja, tot wien zal ik mij wenden?” zei Elias peinzend. “De menschen zien mij toch al voor half gek aan, en niemand zal—-ha, wacht eens,—mijn oude schoolvriend George Fischer vergat ik. Hij heeft mij nooit bespot en is altoos dezelfde voor mij gebleven. Ik ga hem dadelijk vragen, of hij mij helpen wil.”

“Ja, ja, doe dat!” zei zijne vrouw. “Fischer is een braaf man,—als hij helpen kan, zal hij het ook doen.”

Howe vertrok, en kwam spoedig terug met de blijde tijding, dat Fischer niet alleen helpen wilde aan het noodige geld, maar dat hij zelfs aangeboden had, het geheele gezin van Howe bij zich in zijn huis op te nemen, tot de betere dagen aangebroken zouden zijn,welk aanbod door Howe met de grootste dankbaarheid was aangenomen.

“God zegene hem!” riep de vrouw uit, en weldra was de verhuizing achter den rug. De arme menschen hadden trouwens niet veel over te dragen. ’t Eenige stuk van waarde was eigenlijk alleen de nieuwe naaimachine,—maar die zou dan ook volgens de heilige overtuiging van den uitvinder millioenen waard blijken.

Fischer, een handelaar in hout en kolen, was van meening, dat Howe zijne uitvinding ’t allereerst aan het oordeel van bekwame kleermakers moest onderwerpen, om van hen de noodige getuigschriften te verwerven.

Howe was dat met hem eens. Hij pakte zijne machine in en begaf er zich mede naar den voornaamsten kleedermaker van Boston. Maar deze hoorde hem met ongeduld aan en weigerde zelfs de machine te bekijken.

“Laat dat ding maar ingepakt, vriend. Met zulke dwaasheden bemoei ik mij niet,” voegde hij Howe toe, die hem met de grootste verbazing aanhoorde. Wat? Was dàt nu de roem, dien hij gedacht had te zullen inoogsten?

Hij begaf zich naar een tweeden kleedermaker, maar daar verging het hem niet beter.

Een derde lachte hem in zijn gezicht uit, en een vierde zei, dat hij niet goed bij zijn verstand was.

Maar eindelijk was er dan toch een, die van zijne uitvinding de gewenschte notitie nam. Hij liet zelfsde machine werken en bekeek den naad met aandacht. Toen zei hij:

“Goede vriend, ik wil met dat ding niets te maken hebben. Wat moet er wel van onze arbeiders komen, als wij zulke machines in gebruik nemen? Zij zouden er door tot den bedelstaf worden gebracht. Ik raad u aan, zelfs het bestaan van deze machine geheim te houden, want zij zouden in staat zijn, u een ongeluk te bezorgen.”

Ten slotte belandde hij in een magazijn van gemaakte kleederen, en de eigenaar daarvan stelde hem voor met bekwame vakmannen een wedstrijd te houden, wie het snelst en het best zou kunnen naaien. Howe nam het voorstel aan en de wedstrijd had werkelijk plaats, waarin Howe eene schitterende overwinning behaalde. De vlugste kleedermaker moest voor de snelheid van de machine zwichten. ’t Gevolg er van was, dat de kleermakersgezellen in hevige woede ontstaken en het aan de ergste bedreigingen niet lieten ontbreken. Maar een machine, die wel 700 gulden moest kosten, kocht niemand.

Toen raadde zijn vriend Fischer hem aan:

“Neem een patent op uwe uitvinding, en tracht dat te verkoopen. Er zal wel iemand gevonden worden, die er veel geld voor geven wil.”

Howe volgde dien raad, maar de milde kooper bleef uit.

De uitvinder werd er moedeloos onder, wat er niet beter op werd, toen Fischer zich eindelijk genoodzaakt zag, hem zijn woning op te zeggen.

“Beste vriend,” zei deze, “ik heb aan de uitvindingnu reeds 5000 dollar opgeofferd,—ik mag mij om uwentwille niet geheel ruïneeren.”

Dat was voor Elias Howe en zijn gezin een zware slag. Hij nam, geheel ontmoedigd, zijn intrek bij zijn ouden vader, die dicht bij Boston woonde, en daar stelde Amasa, een jongere broeder, hem voor met de machine naar Engeland te gaan en haar daar te verkoopen.

Dat gebeurde. Amasa vertrok en schreef na eenigen tijd een brief met de tijding, dat William Thomas, een fabrikant van koffers, paraplu’s en schoenen in Cheapside, aangeboden had, de machine voor 3000 gulden te koopen, wanneer hem dan tevens het recht gegeven werd een patent op de uitvinding te nemen, geldig voor geheel Engeland. Daarentegen verplichtte hij zich van elke machine, die in Engeland verkocht zou worden, 36 gulden aan den uitvinder te betalen. Elias Howe nam het voorstel aan, met het gevolg, dat William Thomas een zeer rijk man werd, maar dat Elias Howe bijna even arm bleef als vroeger.

Op verzoek van Thomas begaf Howe zich in 1847 met vrouw en kind naar Londen, om nog een paar verbeteringen aan zijne machine aan te brengen. De ondankbare Thomas betaalde hem echter slechts 36 gulden per week en behandelde den uitvinder van de hem rijkmakende machine zoo lomp en uit de hoogte, dat de beide mannen hevigen twist kregen en als vijanden scheidden. Howe was zoo arm, dat hij zijn patent en zijn laatste machine verpanden moest, om het noodige geld voor de terugreis te bekomen.

Armer dan hij ooit geweest was en geheel ontmoedigd, kwam hij in New-York aan, waar hij als gewoon arbeider in een machine-fabriek in dienst trad, om niet van honger om te komen.

Drie jaar later, in 1850, zat Elias Howe ’s avonds eens met zijn gezin aan het karige avondmaal, toen de deur geopend werd en zijn vriend Fischer binnentrad, die hartelijk verwelkomd werd. Nauwelijks had deze aan de tafel plaats genomen, of hij zei:

“Ik geloof, Elias, dat je je in ’t geheel niet meer bekommert om de prachtige uitvinding, die je eenmaal gedaan hebt!”

“Prachtige uitvinding!” riep Howe schamper uit. “Zeg liever, eene uitvinding, die me de grootste ergernis heeft bezorgd, en me nog armer gemaakt heeft, dan ik al was. Wat bekommer ik mij nog om die ellendige machine!”

“Je hebt ongelijk, beste vriend,” sprak Fischer. “Anderen plukken er de vruchten van en worden schatrijk, terwijl jij in armoede je dagen doorbrengt.”

“Wat wou je zeggen? Dat anderen er rijk door worden?”

“Zeker. Je naaimachine wordt door anderen, die er niet het minste recht op hebben, nagemaakt en verkocht, en er is groote vraag naar. Een hunner, Singer genaamd, een gewezen tooneelspeler, heeft er eenige verbeteringen aan aangebracht, en verkondigt zelfs, dat hij de uitvinder van de machine is. Hij zorgt er wel voor, dat zijn lof door alle dagbladen wordt rondgebazuind, en hij heeft succes. Van alle kantenstroomen hem de bestellingen toe, zoodat hij in korten tijd schatrijk zal zijn.”

Howe keek zijn vriend in de grootste verbazing aan.

“Zeker, ’t is zoo,” hernam deze. “En nu kom ik je vragen, of je dat alles maar rustig zijn gang zal laten gaan,—of je goedvindt, dat anderen de vruchten plukken van jou schoone uitvinding?”

“Neen, waarlijk niet!” barstte Howe uit. “Als ik maar niet zoo arm was, en wist, wat ik doen moest!”

“Wel, doodeenvoudig, je moet Singer aanklagen, dat hij zich wederrechtelijk vanjouwuitvinding heeft meester gemaakt, en de rechtbank vragen, hem dat te verbieden. Een andere weg is er niet.”

“Ja,—maar het geld? Dat zal veel geld kosten!” zuchtte Howe.

“Natuurlijk, maar misschien weet ik er wel raad op. Toevallig ken ik een zekeren heer Blisz, een handig advokaat en tevens een rijk man en een menschlievend man, die geen onrecht kan dulden. Mij dunkt, wij moesten hem eens een bezoek brengen.”

Dat geschiedde nog dienzelfden avond, en de heer Blisz ontving de beide mannen bijzonder vriendelijk. Hij stelde dadelijk veel belang in de zaak, en zei tot Howe:

“Ik heb indertijd uwe machine gezien en de werking er van bewonderd. Het doet me daarom werkelijk genoegen, dat ge u tot mij wendt om raad, en ik verklaar me bereid, u te helpen. ’t Is eene schande, dat Singer zich voor den uitvinder uitgeeft en u daardoor uwe rechtmatige winsten ontroofd. Wees er zeker van, dat het hem spoedig verboden zalworden, daar zal ik wel voor zorgen. Morgen begin ik een proces tegen hem.”

“Maar de kosten?” vroeg Howe.

“Die betaal ik!” sprak de menschenvriend. “Heb daarover geen zorgen. Als ik het proces verlies, behoeft ge mij geen cent te betalen, en als ik het win, word ik uw compagnon en zullen wij samen eene fabriek van naaimachines oprichten. Er zullen goede dagen voor u aanbreken!”

Tranen van dankbaarheid vloeiden Howe over de wangen, en ontroerd drukte hij den advokaat de hand.

“Hoeveel geld zou er in de eerste plaats noodig zijn?” vroeg de heer Blisz.

“Honderd dollar, om mijn patent in te lossen, dat ik in Londen heb verpand.”

“O, anders niet?” vroeg Blisz lachend. “Niet meer?”

Elias keek zijn vriend Fischer aan, en zei toen:

“Ja,—deze man heeft uit vriendschap voor mij reeds 5000 dollar opgeofferd, en hij is niet rijk...”

“Hij zal ze terugontvangen,” sprak de advokaat.

Hij opende eene kast, en betaalde de 5000 dollar aan Fischer terug. Aan Howe gaf hij 100 dollar, om zijn patent in te lossen.

Het proces begon, en werd van beide partijen met groote felheid gevoerd. Soms scheen het, of Singer met vlag en wimpel als overwinnaar uit den strijd te voorschijn zou komen, dan weer twijfelde men niet, of Howe zou de zege behalen. Er werd door de rechtbank een uitgebreid onderzoek ingesteld, waarbijonomstootelijk werd bewezen, dat niet Singer, maar Elias Howe de uitvinder der naaimachine was.

Het einde van het proces was, dat Howe openlijk als de uitvinder erkend werd en dat zijn in 1846 verkregen patent geldig werd verklaard. Alle fabrikanten van naaimachines werden veroordeeld, aan Howe eene schadevergoeding uit te betalen, en zelfs moest hem voor elke machine, die van elders in de Vereenigde Staten werd ingevoerd, de somma van vijf dollar worden uitgekeerd.

Howe werd nu in zeer korten tijd niet alleen een beroemd, maar ook een rijk man. In 1862 stichtte hij te Bridgeport, in Connecticut, een groote fabriek, die nog heden bestaat en dagelijks honderden naaimachines aflevert. Voortdurend wist hij nog verbeteringen aan te brengen, die de bruikbaarheid van zijne uitvinding niet weinig verhoogden. In 1867 verkreeg hij zelfs, bij gelegenheid van eene wereldtentoonstelling te Parijs, het grootkruis van het Legioen van eer. Kort daarop, den 8enOctober van hetzelfde jaar, overleed hij. Hij heeft dus van zijn roem en van zijn rijkdom maar korten tijd kunnen genieten, doch zijne schoone uitvinding is thans nog duizenden menschen ten zegen. Zijn naam zal ongetwijfeld tot in verre nageslachten met eere worden genoemd.

Een buitengewoon vorst.Den 9enSeptember 1689 hield Czaar Peter zijn intocht binnen Moskou. Hij monsterde 18000 Strelitzen en geleidde onder de toejuichingen van het volk zijne moeder en zijne gemalin naar het Kremlin. Jaren van eindeloozen strijd en binnenlandsche twisten waren voorbijgegaan, maar van bovengenoemden datum af was Peter de alleenheerscher der Russen en brak voor Rusland een nieuw tijdperk van ontwikkeling aan.Czaar Peter.Czaar Peter was, hoe jong ook, begaafd met groote geestkracht en onvermoeide werkzaamheid. In zijne jeugd had hij ver van het Russische hof, op het schoone landgoed Preobraschenskoi gewoond. Hij was buitengewoon leerzaam van aard. Hij wilde niet alleen alles leeren, alles weten, maar ook alles kunnen. Zijn leermeester Lefort werd later zijn gunsteling en onafscheidelijke metgezel. Hij onderwees Peter in de Nederlandsche taal en in de Duitsche krijgskunst, maar op zijne karaktervorming had hij een ongunstigen invloed. Peter was een echt zoon van het Russische volk, ruw en wreed van aard. De Russen verkeerden toen nog in een staat van barbaarschheid, zooals wij ons dien bijna niet kunnen voorstellen. Zij waren verregaand ruw en wreed,gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over, waren zoo goed als onbekend met kunsten en wetenschappen en zeer achterlijk in handenarbeid en industrie. Wel had Peter’s vader, Czaar Alexeï, bekwame handwerkslieden uit andere landen, ook uit Nederland, tot zich geroepen, om zijn volk tot voorbeeld te strekken, maar de gevolgen daarvan waren nog niet schitterend geweest.Lefort had den blik van den jongen Czarenzoon verruimd, door hem veel te vertellen van het leven der beschaafde natiën, hunne burgerlijke en huiselijke instellingen, hunne wijze van oorlogvoeren, hun handel, hun scheepvaart en hunne bekwaamheid in handenarbeid.En dat alles maakte op Peter een diepen indruk en riep de begeerte in hem wakker om die vreemde volken na te volgen. Hij vormde uit zijne speelmakkers de poteschnie, een compagnie van 50 kleine soldaten, die door Lefort op Duitsche wijze in den wapenhandel geoefend werden. Peter zelf marcheerde als trommelslager aan de spits. Weldra verzochten de bojarenzonen uit eigen beweging, om in de compagnie te worden ingelijfd, wat hun werd toegestaan, maar zij moesten het zich getroosten naast valkenjongens en stalknechts te marcheeren, want Peter maakte geen verschil tusschen edelen en gewone burgers. Allen, die goed hun plicht deden, waren hem welkom. Zij werden op Duitsche wijze gekleed en geoefend,—en weldra werd de poteschnie zoo groot, dat zij in twee compagniën moest worden verdeeld, en later zelfs tot twee regimenten aangroeide.Dat soldaatje-spelen had voor Peter groote gevolgen, want zijne poteschnie werd later de steun van zijn troon.Door een luitenant uit Straatsburg, Timmerman genaamd, werd hij onderwezen in de artillerie, de vestingbouwkunst en de wiskunde.Toen hij nu als Czaar den troon beklom, was het zijn eerste werk, het leger te hervormen. Lefort en generaal Gordon waren daarbij zijne voornaamste helpers. Het aantal der poteschnie werd zeer uitgebreid, de knapste Strelitzen werden in hunne gelederen opgenomen en vele buitenlanders tot officieren benoemd. Lefort werd luitenant-generaal.Meer en meer begon Peter den wensch te koesteren, dat Rusland ook een zeemogendheid zou worden. Bij het bezoeken van een magazijn vond hij toevallig een boot, die geheel van het gewone Russische model afweek. Op zijn vraag, wat dat voor een boot was, gaf men hem ten antwoord, dat zij van Hollandsch maaksel was en bijzonder goed tegen den wind kon opzeilen. Zij was gebouwd door een zekeren Brandt, Hollander van afkomst, maar nog in Rusland woonachtig. Op Peter’s bevel werd de boot door den ouden Brandt weer in orde gebracht.Door dit geval was de aandacht van den jongen Czaar op de scheepsbouwkunst gevestigd en legde hij zich daarop met ijver toe. Tegen hoog loon liet hij uit Holland bekwame scheepstimmerlieden komen; nieuwe werven werden aangelegd, en Peter zelf werkte om het hardst met de Hollanders mede. Hij liet zich door hen ’t liefst “Piet de timmerman”noemen, sprak steeds Hollandsch met hen en overlaadde hen met gunstbewijzen.Het scheppen van eene groote zeemacht was thans het ideaal, dat hem voor den geest zweefde. Op een reisje naar Archangel zag hij voor het eerst de groote zeeschepen der vreemde natiën, voornamelijk van de Hollanders, en die groote vaartuigen vervulden hem met bewondering. Naar alles, wat hij zag, deed hij onderzoek, alles wilde hij er van weten, en zelfs speelde hij voor matroos en scheepsjongen, en klom op bevel van den kapitein in den mast, om daar de gevaarlijkste bezigheden te verrichten.Meer en meer werd het hem echter duidelijk, hoe verregaand achterlijk het Russische volk was, bij andere natiën vergeleken. Hij nam dan ook het vaste besluit, Rusland op de hoogte der Europeesche beschaving te brengen. Om daartoe te geraken, wilde hij eerst met eigen oogen gaan zien, hoe het in vreemde landen gesteld was, en daarvoor eene reis ondernemen naar Duitschland, Nederland, Frankrijk en Engeland.Zijne onderdanen waren echter lang niet gesticht over al de nieuwigheden, die hun vorst invoerde, en zij haatten de vreemdelingen, die door hem in het land geroepen waren en met weldaden werden overladen. Met leede oogen zagen zij het aan, hoe die vreemde mannen tot de hoogste waardigheden klommen. In hun oog waren die vreemdelingen immers verre hunne minderen? Waren zij, de Russen, dan niet, volgens de leeringen hunner priesters, het uitverkoren volk Gods en moesten zij nu die indringersboven zich gesteld zien? Dat was niet om te dulden, en een geest van ontevredenheid en verzet maakte zich van hen meester. Vooral de Strelitzen, die tot dusver de meening hadden gekoesterd, dat de heerschappij van den Czaar alleen afhankelijk was van hun trouw, waren ontevreden over de oprichting der poteschnie. Door deze nieuwe regimenten was de Czaar van hen geheel onafhankelijk geworden.Ook de edelen waren ontevreden. Zij toch waren het voornamelijk, die de kosten moesten dragen voor het bouwen van de nieuwe oorlogsvloot, en dat beviel hun in het geheel niet. ’t Werd nog erger, toen de Czaar hun meêdeelde, dat het zijn voornemen was, eene reis naar het buitenland te doen, en dat hunne zonen hem op dien tocht moesten volgen, om met de Europeesche beschaving kennis te maken. Zij moesten daar den scheepsbouw leeren, en de zeden dier volken, hunne wetten en instellingen bestudeeren.Eindelijk besloten eenige ontevredenen, den Czaar te vermoorden. Zij kenden zijne gewoonte, om als er brand in Moskou ontstond, dadelijk naar de plaats des onheils te snellen, en zelf bij het blusschingswerk de behulpzame hand te bieden. Zij spraken daarom af, in den nacht van den 2enFebruari 1907 twee huizen in brand te steken, en van de verwarring gebruik te maken, om den Czaar te dooden.Om de laatste afspraken te maken, kwamen zij op den bepaalden dag bij den staatsraad Sokownin ter maaltijd bijeen, waar zij den nacht zouden afwachten. Volgens Russische gewoonte lieten zij de flesch weinig met rust.Zoo werd het acht uur. Maar toen werd het twee der samenzweerders te benauwd. Een hevige angst overviel hen, en hun geweten klaagde hen luide aan. In het geheim deelden zij elkander mede, wat hun bezwaarde, en zij besloten zich, onder een of ander voorwendsel, te verwijderen en den Czaar te waarschuwen. Zij stelden daarom voor het drinken te staken en naar huis te gaan. Tegen middernacht zouden zij dan allen terugkomen en den beraamden aanslag uitvoeren. De anderen hadden geen lust om te vertrekken, maar zij gaven hun verlof heen te gaan, mits zij de stellige belofte aflegden, op den vastgestelden tijd terug te komen.IJlings begaven zich de twee officieren naar den Czaar, die zich in een vroolijk gezelschap van dames en officieren bevond ten huize van Lefort, waar hij den avondmaaltijd zou gebruiken.Hij had eerst in het geheel geen lust, de beide officieren te ontvangen, die hem om een geheim onderhoud lieten verzoeken. Maar op hun aanhouden gaf hij toe. Zoo vernam hij tot in bijzonderheden, wat er gebeuren zou. Hij liet de beide officieren gevangen houden, en gaf den hoofdman zijner garde, Lapuchin, schriftelijk bevel, om in alle stilte tegen elf uur het huis van den staatsraad Sokownin met zijne soldaten te omsingelen, precies op klokslag het gebouw te bezetten en allen gevangen te nemen, die daar aanwezig zouden zijn.De Czaar begaf zich onder de gasten, zonder iets te zeggen van hetgeen er gaande was. Hij had zich voorgenomen, bij de gevangenneming aanwezig tezijn, maar hij vergiste zich in het uur. In plaats van om elf, ging hij om tien uur per rijtuig naar het huis van den staatsraad en trad binnen. Het verwonderde hem niet weinig, daar nog geen enkelen soldaat aan te treffen, en hij was zeer verbolgen op den hoofdman, die zijne bevelen, naar hij meende, zoo slecht nakwam.Wie beschrijft de verwondering der samenzweerders, toen de Czaar daar plotseling in hun gezelschap verscheen. Verschrikt en ontsteld stonden zij op en brachten hem eerbiedig hun groet.“Goeden avond, heeren,” riep de Czaar hun toe. “Gaat zitten. Ik kwam hier toevallig langs, en daar ik nog licht binnen zag, dacht ik, dat hier wellicht gasten zouden zijn. Daarom besloot ik, ook even een bezoek te brengen.”Deze woorden stelden de samenzweerders gerust, en zij dronken op de gezondheid van den Czaar.Eindelijk begaf zich een der officieren naar den staatsraad, en fluisterde hem in het oor:“Het is tijd!”Maar de staatsraad antwoordde: “Nog niet.”Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:“Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt elkander de handen!”De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar bewegen.“Bindt elkander!” bulderde de Czaar hun nogmaals toe.En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd, maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was, die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed gestraft en eindelijk onthoofd.Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst, maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. ’t Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars, soldaten en bedienden,—ja zelfs potsenmakers en dwergen.Het voornaamste doel van de reis was, een bezoekte brengen aan Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.In den vroegen morgen van den 18enAugustus 1697 voer een schip van eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid in dienst van den Czaar had gewerkt.’t Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der opvarenden hoorde toeroepen:“Smid!—Smid!—Kom bij ons!”En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep, den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:“Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen.”Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te zijn voor een Czaar....Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:“Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer ben ik tevreden.”Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning te verhuizen.Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den weg stonden.Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters,en stapte, door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het publiek verdrong zich voor de ramen van “De drie Zwanen”, zoo heette de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:“Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis, er is hier niets bijzonders voor u te zien.”Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg, om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en een handwerk leeren.Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden, die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede, wat zij graag weten wilden.Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het middagmaal.Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-, houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen, veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen “de Kok”, waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hemhad kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar, want hij was zuinig van aard.Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar, en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde ’t liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht doorgaan.Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. ’t Werd al spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte, dat het verboden was “sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid, op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande.”Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van nieuwsgierigen werdzoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn geheele vertrouwen.Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag, dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen, en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter hand en—werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, “de Czaar van Moscoviën” genoemd,—en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu “de Grootvorst”.Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel, dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den Czaarzou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd, daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien, moesten ongetroost naar huis gaan.Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, van St. Petersburg, welkestad, aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden.Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt, maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij ’s avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de loods geweest was.Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:“Niets was den grooten man te klein.”

Den 9enSeptember 1689 hield Czaar Peter zijn intocht binnen Moskou. Hij monsterde 18000 Strelitzen en geleidde onder de toejuichingen van het volk zijne moeder en zijne gemalin naar het Kremlin. Jaren van eindeloozen strijd en binnenlandsche twisten waren voorbijgegaan, maar van bovengenoemden datum af was Peter de alleenheerscher der Russen en brak voor Rusland een nieuw tijdperk van ontwikkeling aan.

Czaar Peter.

Czaar Peter was, hoe jong ook, begaafd met groote geestkracht en onvermoeide werkzaamheid. In zijne jeugd had hij ver van het Russische hof, op het schoone landgoed Preobraschenskoi gewoond. Hij was buitengewoon leerzaam van aard. Hij wilde niet alleen alles leeren, alles weten, maar ook alles kunnen. Zijn leermeester Lefort werd later zijn gunsteling en onafscheidelijke metgezel. Hij onderwees Peter in de Nederlandsche taal en in de Duitsche krijgskunst, maar op zijne karaktervorming had hij een ongunstigen invloed. Peter was een echt zoon van het Russische volk, ruw en wreed van aard. De Russen verkeerden toen nog in een staat van barbaarschheid, zooals wij ons dien bijna niet kunnen voorstellen. Zij waren verregaand ruw en wreed,gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over, waren zoo goed als onbekend met kunsten en wetenschappen en zeer achterlijk in handenarbeid en industrie. Wel had Peter’s vader, Czaar Alexeï, bekwame handwerkslieden uit andere landen, ook uit Nederland, tot zich geroepen, om zijn volk tot voorbeeld te strekken, maar de gevolgen daarvan waren nog niet schitterend geweest.

Lefort had den blik van den jongen Czarenzoon verruimd, door hem veel te vertellen van het leven der beschaafde natiën, hunne burgerlijke en huiselijke instellingen, hunne wijze van oorlogvoeren, hun handel, hun scheepvaart en hunne bekwaamheid in handenarbeid.

En dat alles maakte op Peter een diepen indruk en riep de begeerte in hem wakker om die vreemde volken na te volgen. Hij vormde uit zijne speelmakkers de poteschnie, een compagnie van 50 kleine soldaten, die door Lefort op Duitsche wijze in den wapenhandel geoefend werden. Peter zelf marcheerde als trommelslager aan de spits. Weldra verzochten de bojarenzonen uit eigen beweging, om in de compagnie te worden ingelijfd, wat hun werd toegestaan, maar zij moesten het zich getroosten naast valkenjongens en stalknechts te marcheeren, want Peter maakte geen verschil tusschen edelen en gewone burgers. Allen, die goed hun plicht deden, waren hem welkom. Zij werden op Duitsche wijze gekleed en geoefend,—en weldra werd de poteschnie zoo groot, dat zij in twee compagniën moest worden verdeeld, en later zelfs tot twee regimenten aangroeide.

Dat soldaatje-spelen had voor Peter groote gevolgen, want zijne poteschnie werd later de steun van zijn troon.

Door een luitenant uit Straatsburg, Timmerman genaamd, werd hij onderwezen in de artillerie, de vestingbouwkunst en de wiskunde.

Toen hij nu als Czaar den troon beklom, was het zijn eerste werk, het leger te hervormen. Lefort en generaal Gordon waren daarbij zijne voornaamste helpers. Het aantal der poteschnie werd zeer uitgebreid, de knapste Strelitzen werden in hunne gelederen opgenomen en vele buitenlanders tot officieren benoemd. Lefort werd luitenant-generaal.

Meer en meer begon Peter den wensch te koesteren, dat Rusland ook een zeemogendheid zou worden. Bij het bezoeken van een magazijn vond hij toevallig een boot, die geheel van het gewone Russische model afweek. Op zijn vraag, wat dat voor een boot was, gaf men hem ten antwoord, dat zij van Hollandsch maaksel was en bijzonder goed tegen den wind kon opzeilen. Zij was gebouwd door een zekeren Brandt, Hollander van afkomst, maar nog in Rusland woonachtig. Op Peter’s bevel werd de boot door den ouden Brandt weer in orde gebracht.

Door dit geval was de aandacht van den jongen Czaar op de scheepsbouwkunst gevestigd en legde hij zich daarop met ijver toe. Tegen hoog loon liet hij uit Holland bekwame scheepstimmerlieden komen; nieuwe werven werden aangelegd, en Peter zelf werkte om het hardst met de Hollanders mede. Hij liet zich door hen ’t liefst “Piet de timmerman”noemen, sprak steeds Hollandsch met hen en overlaadde hen met gunstbewijzen.

Het scheppen van eene groote zeemacht was thans het ideaal, dat hem voor den geest zweefde. Op een reisje naar Archangel zag hij voor het eerst de groote zeeschepen der vreemde natiën, voornamelijk van de Hollanders, en die groote vaartuigen vervulden hem met bewondering. Naar alles, wat hij zag, deed hij onderzoek, alles wilde hij er van weten, en zelfs speelde hij voor matroos en scheepsjongen, en klom op bevel van den kapitein in den mast, om daar de gevaarlijkste bezigheden te verrichten.

Meer en meer werd het hem echter duidelijk, hoe verregaand achterlijk het Russische volk was, bij andere natiën vergeleken. Hij nam dan ook het vaste besluit, Rusland op de hoogte der Europeesche beschaving te brengen. Om daartoe te geraken, wilde hij eerst met eigen oogen gaan zien, hoe het in vreemde landen gesteld was, en daarvoor eene reis ondernemen naar Duitschland, Nederland, Frankrijk en Engeland.

Zijne onderdanen waren echter lang niet gesticht over al de nieuwigheden, die hun vorst invoerde, en zij haatten de vreemdelingen, die door hem in het land geroepen waren en met weldaden werden overladen. Met leede oogen zagen zij het aan, hoe die vreemde mannen tot de hoogste waardigheden klommen. In hun oog waren die vreemdelingen immers verre hunne minderen? Waren zij, de Russen, dan niet, volgens de leeringen hunner priesters, het uitverkoren volk Gods en moesten zij nu die indringersboven zich gesteld zien? Dat was niet om te dulden, en een geest van ontevredenheid en verzet maakte zich van hen meester. Vooral de Strelitzen, die tot dusver de meening hadden gekoesterd, dat de heerschappij van den Czaar alleen afhankelijk was van hun trouw, waren ontevreden over de oprichting der poteschnie. Door deze nieuwe regimenten was de Czaar van hen geheel onafhankelijk geworden.

Ook de edelen waren ontevreden. Zij toch waren het voornamelijk, die de kosten moesten dragen voor het bouwen van de nieuwe oorlogsvloot, en dat beviel hun in het geheel niet. ’t Werd nog erger, toen de Czaar hun meêdeelde, dat het zijn voornemen was, eene reis naar het buitenland te doen, en dat hunne zonen hem op dien tocht moesten volgen, om met de Europeesche beschaving kennis te maken. Zij moesten daar den scheepsbouw leeren, en de zeden dier volken, hunne wetten en instellingen bestudeeren.

Eindelijk besloten eenige ontevredenen, den Czaar te vermoorden. Zij kenden zijne gewoonte, om als er brand in Moskou ontstond, dadelijk naar de plaats des onheils te snellen, en zelf bij het blusschingswerk de behulpzame hand te bieden. Zij spraken daarom af, in den nacht van den 2enFebruari 1907 twee huizen in brand te steken, en van de verwarring gebruik te maken, om den Czaar te dooden.

Om de laatste afspraken te maken, kwamen zij op den bepaalden dag bij den staatsraad Sokownin ter maaltijd bijeen, waar zij den nacht zouden afwachten. Volgens Russische gewoonte lieten zij de flesch weinig met rust.

Zoo werd het acht uur. Maar toen werd het twee der samenzweerders te benauwd. Een hevige angst overviel hen, en hun geweten klaagde hen luide aan. In het geheim deelden zij elkander mede, wat hun bezwaarde, en zij besloten zich, onder een of ander voorwendsel, te verwijderen en den Czaar te waarschuwen. Zij stelden daarom voor het drinken te staken en naar huis te gaan. Tegen middernacht zouden zij dan allen terugkomen en den beraamden aanslag uitvoeren. De anderen hadden geen lust om te vertrekken, maar zij gaven hun verlof heen te gaan, mits zij de stellige belofte aflegden, op den vastgestelden tijd terug te komen.

IJlings begaven zich de twee officieren naar den Czaar, die zich in een vroolijk gezelschap van dames en officieren bevond ten huize van Lefort, waar hij den avondmaaltijd zou gebruiken.

Hij had eerst in het geheel geen lust, de beide officieren te ontvangen, die hem om een geheim onderhoud lieten verzoeken. Maar op hun aanhouden gaf hij toe. Zoo vernam hij tot in bijzonderheden, wat er gebeuren zou. Hij liet de beide officieren gevangen houden, en gaf den hoofdman zijner garde, Lapuchin, schriftelijk bevel, om in alle stilte tegen elf uur het huis van den staatsraad Sokownin met zijne soldaten te omsingelen, precies op klokslag het gebouw te bezetten en allen gevangen te nemen, die daar aanwezig zouden zijn.

De Czaar begaf zich onder de gasten, zonder iets te zeggen van hetgeen er gaande was. Hij had zich voorgenomen, bij de gevangenneming aanwezig tezijn, maar hij vergiste zich in het uur. In plaats van om elf, ging hij om tien uur per rijtuig naar het huis van den staatsraad en trad binnen. Het verwonderde hem niet weinig, daar nog geen enkelen soldaat aan te treffen, en hij was zeer verbolgen op den hoofdman, die zijne bevelen, naar hij meende, zoo slecht nakwam.

Wie beschrijft de verwondering der samenzweerders, toen de Czaar daar plotseling in hun gezelschap verscheen. Verschrikt en ontsteld stonden zij op en brachten hem eerbiedig hun groet.

“Goeden avond, heeren,” riep de Czaar hun toe. “Gaat zitten. Ik kwam hier toevallig langs, en daar ik nog licht binnen zag, dacht ik, dat hier wellicht gasten zouden zijn. Daarom besloot ik, ook even een bezoek te brengen.”

Deze woorden stelden de samenzweerders gerust, en zij dronken op de gezondheid van den Czaar.

Eindelijk begaf zich een der officieren naar den staatsraad, en fluisterde hem in het oor:

“Het is tijd!”

Maar de staatsraad antwoordde: “Nog niet.”

Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:

“Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt elkander de handen!”

De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar bewegen.

“Bindt elkander!” bulderde de Czaar hun nogmaals toe.

En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.

Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.

De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd, maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was, die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed gestraft en eindelijk onthoofd.

Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst, maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.

Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. ’t Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars, soldaten en bedienden,—ja zelfs potsenmakers en dwergen.

Het voornaamste doel van de reis was, een bezoekte brengen aan Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.

In den vroegen morgen van den 18enAugustus 1697 voer een schip van eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid in dienst van den Czaar had gewerkt.

’t Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.

Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der opvarenden hoorde toeroepen:

“Smid!—Smid!—Kom bij ons!”

En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep, den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:

“Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen.”

Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te zijn voor een Czaar....

Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:

“Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer ben ik tevreden.”

Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning te verhuizen.

Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den weg stonden.

Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.

De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters,en stapte, door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het publiek verdrong zich voor de ramen van “De drie Zwanen”, zoo heette de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.

Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:

“Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis, er is hier niets bijzonders voor u te zien.”

Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.

Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.

De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg, om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.

Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en een handwerk leeren.

Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden, die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede, wat zij graag weten wilden.

Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het middagmaal.

Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-, houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen, veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen “de Kok”, waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hemhad kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar, want hij was zuinig van aard.

Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar, en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde ’t liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht doorgaan.

Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. ’t Werd al spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte, dat het verboden was “sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid, op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande.”

Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van nieuwsgierigen werdzoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.

De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn geheele vertrouwen.

Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag, dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen, en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter hand en—werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, “de Czaar van Moscoviën” genoemd,—en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu “de Grootvorst”.

Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.

De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel, dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den Czaarzou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd, daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien, moesten ongetroost naar huis gaan.

Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.

Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, van St. Petersburg, welkestad, aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden.

Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt, maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij ’s avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de loods geweest was.

Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:

“Niets was den grooten man te klein.”


Back to IndexNext