Een doodelijke sprong.’t Was in het jaar 1482.Een kleine bende zwaargewapende ruiters reed in gestrekten draf over de Veluwsche heide, en bewoog zich in de richting van het dorpje Barneveld.’t Was een schoone stoet, die kleine ruiterdrom. Hoe krachtig en forsch waren die gestalten, hoe rinkelden die glinsterende harnassen, hoe blonken die stalen speren, hoe schitterden die helmen in de gouden stralen der zon. Vurig draafden de strijdrossen voort met opgeheven kop en opengesperde neusgaten. ’t Was, of zij trotsch waren op den last, dien zij droegen.Hoe heerlijk scheen de zon, en wat ademde de natuur allerwege rust en vrede.Maar helaas, onder de menschen woedde de oorlog. De Hoeksche en Kabeljauwsche twisten waren in vollen gang en brachten alom moord, brand en plundering.De Bisschop David van Bourgondië, door zijn oproerige onderdanen uit Utrecht verjaagd, trachtte met behulp van hen, die hem trouw gebleven waren, en met gehuurde benden zijn Bisschoppelijken zetel te heroveren. Zijn vijanden, die den Burggraaf van Montfoort tot opperhoofd gekozen hadden, hielden Utrecht bezet en verbonden zich met de HollandscheHoekschen. De Bisschop daarentegen vereenigde zich met de Kabeljauwschen en bracht zelfs den strijd op Hollandschen bodem over.Maar thans waren zijne benden teruggekeerd en woedde de strijd meer in Utrecht en op de Veluwe.Ook de bende ruiters, die zich op weg bevond naar Barneveld, droeg ’s Bisschops kleuren.Voorop rijdt de aanvoerder van den troep. ’t Is een forsch krijgsman. Zijn hooge gestalte steekt ver uit boven die van zijne volgelingen. Het vizier heeft hij opgeslagen en zijn blik is gericht op het dorpje, dat zij weldra genaderd zullen zijn. Hij weet, dat de vijand zich daar genesteld heeft, maar hij weet ook, dat de bezetting niet groot is. Hij heeft het besluit genomen, zich van het dorp meester te maken, en moge zijn bende slechts klein zijn in getal, hij weet, dat zijn mannen moedig zijn en voor niets terugdeinzen.Opeens steekt hij de hand op, houdt zijn ros in en wijst naar het dorp. De troep houdt stand.“Ruiters!” zegt hij. “Vóór ons ligt Barneveld, dat zich in de macht der vijanden bevindt. Wij zullen het veroveren! Op, voor Schaffelaar!”De ruiters heffen de speren omhoog en herhalen den kreet: “Op, voor Schaffelaar!”De rossen steigeren bij dien kreet en spitsen de ooren.“Voorwaarts, in vollen galop!” roept Jan van Schaffelaar. En te viervoet, met de speer in de rechterhand en het schild aan den linkerarm, rennen zij het dorp binnen.De vijand is echter wakende. Men heeft de Bisschoppelijken zien naderen en zich voor den strijd opgesteld. Een bende ruiters wacht hen af en rijdt met gevelde lans op hen in.Er ontstaat een vreeselijk gevecht.De paarden brieschen en hinniken, de zwaarden kletteren op schild en harnas, de ruiters heffen hun strijdleus aan, en ’t gillen en kermen der gewonden en stervenden mengt er zich doorheen.De hooge gestalte van Jan van Schaffelaar is steeds daar te zien, waar het gevecht het heetst is. En zijn moed bezielt de zijnen. De vijanden moeten langzamerhand wijken, de Schaffelaars dringen voorwaarts. Hunne zwaarden flikkeren door de lucht, en wel doen de Hoekschen al het mogelijke om stand te houden, maar ’t is tevergeefs. De aanval der Kabeljauwen is te hevig, en na een korten, maar verwoeden strijd jagen zij de vluchtenden voor zich uit. De Schaffelaars zijn overwinnaar gebleven en Barneveld bevindt zich in hunne macht. De dappere aanvoerder is met een twintigtal volgelingen overgebleven.De paarden worden hier en daar in stallen geborgen, de zware rustingen uitgetrokken, en de ruiters kunnen hun vermaak zoeken.Heer Jan van Schaffelaar had zich een onderdak gekozen in een taveerne, waar hij den nacht wilde doorbrengen. Hij verheugde zich over de behaalde overwinning en gunde zijne ruiters gaarne het genot, dat zij zochten bij teerling en bierkroes.Maar zie, nog was de nacht niet gevallen, of eengroote bende ruiters reed onverwachts Barneveld binnen, om zich te wreken over de geleden nederlaag. En hun komst bracht geweldigen schrik onder de Schaffelaars.“Te wapen! De vijand komt!” klonk het alom.Die kreet wekte Van Schaffelaar uit zijn rust, en deed hem naar de wapenen grijpen. IJlings gespte hij het harnas aan en met het zwaard in de vuist snelde hij naar buiten.“Zadelt de paarden!” gebood hij. “Te wapen!”Zijn bevel kwam te laat. De vijand naderde en liet hem geen tijd om zich verder ten strijde uit te rusten. De paarden moesten in de stallen blijven.Inderhaast verzamelde hij zijne ruiters om zich heen, maar al spoedig begreep hij, dat de strijd vruchteloos zou zijn. De vijand was overmachtig en dwong hem weldra tot wijken.O, dat hij zijne paarden niet bereiken kon!“Op, op, mannen, voor Van Schaffelaar!” riep hij zijn volgelingen toe.Onophoudelijk klonk het gekletter der zwaarden, en de strijdkreten vulden de lucht. Reeds stortten een paar der zijnen ter aarde. Van Schaffelaar moest wijken of sterven. Zoo naderde hij de kerk en den toren.Ha, wellicht kon hij zich daar voorloopig in veiligheid stellen. Zijn besluit was onmiddellijk genomen.“In den toren!” gebood hij.Slechts met moeite gelukte het hem dezen te bereiken, en nauwelijks daar aangekomen liet hij den toegang versperren. Hij en zijne mannenhadden het veege lijf voorloopig gered. Wel beproefden de vijanden zich eveneens een toegang tot den toren te banen, maar Van Schaffelaar wist het hun te beletten. Nog beschouwde hij zich niet als verloren. De Bisschop immers zou het gebeurde spoedig vernemen, en troepen zenden om hem te ontzetten?Neen, nog was hij niet verloren, al was de vijand ook nog zoo overmoedig. Tijd gewonnen is alles gewonnen, zoo dacht hij.Toch ontveinsde hij zich niet, dat zijn toestand hoogst gevaarlijk was, en dat hij den strijd slechts enkele dagen zou kunnen volhouden. Want bij den drom van vijanden, die zich thans om den toren legerden, zouden er zich spoedig nog twee voegen, waartegen moed noch list, zwaard noch speer iets vermocht. Die twee waren de honger en de dorst, de twee gevaarlijkste en wreedste vijanden, die zich in den strijd konden mengen.Zoodra hij zich voorloopig in veiligheid wist, monsterde hij zijne ruiters, en telde er negentien. Dadelijk gaf hij de noodige bevelen, om den toren in staat van tegenweer te stellen. Hij dacht er geen oogenblik over om met zijne vijanden in onderhandeling te treden. Hij toch wist, dat er voor hem geen genade zou zijn, dat zij hem een onoverkomelijken haat toedroegen en dat zij niet zouden rusten, voor zij hem dood of levend in handen hadden.Toen de morgenzon gloorde, spoedde hij zich naar een der kijkgaten, om den toestand te overzien. En nu bemerkte hij tot zijn schrik, dat debelegeraars zelfs stukken geschut met zich hadden medegevoerd, en die verdelgingsmiddelen, destijdsbussengenoemd, reeds hadden opgesteld, om met de beschieting van den toren te beginnen.Weldra brandden zij dan ook los en beukten de eerste kogels tegen den torenmuur. De zware dreun bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de belegerden, maar Van Schaffelaar wist hen spoedig te bemoedigen.“Houdt moed, dappere ruiters, en vreest die kogels niet!” riep hij hun toe. “Eer zij deze muren stuk gebeukt hebben, zal reeds de Bisschop, onze meester, zijne benden hebben gezonden om ons te verlossen. Houdt goeden moed. Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!”“Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” was het antwoord. Maar helaas, zij waren zoo goed als machteloos en slechts tot afwachten gedoemd. Want pijl noch boog hadden zij in hun bezit, zoodat het hun ten eenenmale onmogelijk was, iets tegen den vijand te ondernemen.Dat zou echter anders worden. De vijand had tot eene bestorming besloten. De bussen werden tot zwijgen gebracht, de ladders tegen de muren geplaatst, en nu klommen de belegeraars met het schild boven hun hoofden naar omhoog.Ha, dat gaf althans verandering, en aan het lijdelijk afwachten kwam een einde. Jan van Schaffelaar had op die bestorming gerekend en alles voor de verdediging in orde laten brengen. Zware balken lagen gereed om naar beneden geworpen te worden.Zijn ruiters wachtten slechts op zijn bevel.“Laat vallen!” klonk het eindelijk.Toen werden de zware balken naar beneden geworpen, de ladders verbrijzeld, en de vijanden die zich daarop bevonden, gedood of gewond.“Op voor Schaffelaar! Op voor Schaffelaar!” klonk het zegevierend van den toren.“Dood aan Van Schaffelaar! Op, voor Montfoort!” was het antwoord op dien kreet. Maar de aanval was afgeslagen en de belegerden waren voorloopig gered.Toen openden de bussen hun onheilbrengende monden, en beukten de kogels opnieuw tegen den torenmuur.En Van Schaffelaar stond op den hoogen trans en liet zijn blik dwalen ver, ver over de heide, of er eenige hulp kwam opdagen.Helaas, de dag ging voorbij en de nacht kwam, maar de hulp bleef uit. En de ergste vijanden, de honger en de dorst, waren met hun aanval begonnen. De ruiters versmachtten van dorst en hunkerden naar een stuk brood. Maar niemand kon het hun geven.De nacht ging voorbij en met den nieuwen dag begon ook de strijd opnieuw. De belegeraars hadden iets nieuws bedacht, om de ruiters uit hunne beschermende muren op te jagen. Zij kwamen aandragen met vochtig stroo en hooi, pekslingers en hout, en staken onder den toren een groot vuur aan, dat echter meer rook gaf dan vlammen. De zwarte walm steeg in dikke kolommen omhoog en drong door kijk- en galmgaten naar binnen.Ha,—hoe de dappere gevangenen zich thans zouden voelen! Tot stikkens toe benauwd zouden zij weldra om erbarming smeeken en zich op genade of ongenade overgeven.Doch niets daarvan gebeurde.Toen gaf de aanvoerder last, brandende pijlen naar de torenspits te schieten, opdat het vuur hen van twee kanten bedreigen zou. Opgejaagd zouden zij worden als konijnen uit hun holen.En de bussen schoten hun kogels tegen de muren, zoodat deze kraakten en scheurden.Het gevaar dreigde van alle kanten, maar de Schaffelaars, hoewel ten prooi aan honger en dorst, met niets dan den dood voor oogen, hielden wakker stand en dachten aan geen overgave. De toren was in rook gehuld, en de vlammen lekten de spits.Helaas, nog altoos kwam de hulp niet opdagen.... Zoo ging ook deze bange dag voorbij. De rookwolken waren eindelijk opgetrokken en de vlammen uitgewoed. Er was van den toren niet veel meer overgeschoten dan een klomp steenen, die niet meer branden kon.En Van Schaffelaar liet na dien bangen dag nogmaals zijn oog over de heide dwalen om te zien, of er geen redding naakte.Tevergeefs!Aan slapen was geen denken. De folterende dorst hield de oogen geopend en de knagende honger deed de wangen verbleeken en den moed verflauwen.Zoo kwam de derde dag. De zon verrees verrukkelijk schoon boven den horizon. Ach, waarom?Waarom was de lucht niet bedekt met wolken en gulpte het hemelwater niet bij stroomen neder, opdat de arme gevangenen zich laven konden? Ja, waarom?Opnieuw werden de ladders tegen de muren geplaatst, en nogmaals werd de toren bestormd.“Op ruiters, op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” riep de dappere aanvoerder de zijnen toe.Maar die kreet bracht thans slechts verzet en murmureering.“Waarom op voor den Bisschop?” morden de ruiters. “Zit hij niet veilig en rustig in Wijk bij Duurstede, en laat hij ons niet versmachten van honger en dorst?”“Op, op voor Schaffelaar dan!” riep de aanvoerder. “Ha, daar klimmen de vijanden tegen de ladders op! Wilt ge dan sterven, dappere ruiters? Op, op voor Van Schaffelaar! Werpt die balken naar beneden, opdat zij den vijanden den schedel verpletteren!”“Ja, op voor Schaffelaar!” riepen de ruiters met vernieuwden moed. En zij grepen de zware balken aan en wierpen die over de borstwering. Ha, hoe sleepten zij de vijanden mede in hun val! Weer was de storm afgeslagen. “Op voor Van Schaffelaar!” klonk hun kreet. De holle oogen der ongelukkigen glansden van vernieuwden moed,—maar het was de moed der wanhoop.“De redding zàl komen!” riep Van Schaffelaar hun telkens toe. Maar toen zij uitbleef en de bange dag langzaam voorbij kroop, ontzonk hun de moed geheel en eischten zij, dat Van Schaffelaar zichzou overgeven. Zij eischten dat met zooveel aandrang, dat hij niet langer weigeren mocht. Hij plaatste zich met zijn trompetter op den trans en de laatste liet zijn schelle tonen over den omtrek weerklinken.Spoedig verscheen de aanvoerder der Hoekschen.“Wat wenscht gij, Van Schaffelaar?” vroeg deze met luide stem.“Ik wil den toren overgeven op voorwaarde van vrijen uittocht voor mij en mijne ruiters!” riep Van Schaffelaar hem toe.Een hoongelach was het antwoord.“Honger en dorst, kruit en lood zullen u wel spoedig anders doen spreken, Van Schaffelaar! Gij zijt verloren, en niemand kan u meer redden. Ik eisch uw aller leven!”“Nooit,” zei Van Schaffelaar. “Als wij toch sterven moeten, zullen wij het doen met het zwaard in de vuist. Dan sterven wij althans een eervollen krijgsmansdood.”“Is dat uw laatste woord?” vroeg de vijand.“Mijn laatste!” sprak Van Schaffelaar.“Welnu, dan zal ik u een anderen eisch stellen. Uwe mannen zullen lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits zij U, Jan van Schaffelaar, van den toren werpen!”En lachend keerde de vijandelijke hoofdman naar zijne krijgers terug.“Dappere ruiters, ge hebt het gehoord,” sprak Van Schaffelaar zijne mannen toe. “Gij kunt lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits ge mijvan den toren werpt. Mijn lot is in uwe handen.”Zijn trouwe volgelingen traden echter met afschuw terug. Zouden zij hun dapperen aanvoerder een zoo gruwelijken dood doen sterven?“Nooit! Dat nooit!” riepen zij hem eenparig toe. “Dan liever allen een eerlijken krijgsmansdood sterven met het zwaard in de vuist en het schild aan den arm! Geef bevel, dat wij den toren verlaten. Op, op voor Van Schaffelaar!”“Neen mannen, nog niet! Nog is de nood niet het hoogst geklommen. Nog is er redding mogelijk. Laten wij nog één enkelen nacht honger en dorst verdragen. Elk uur is er een. De Bisschop zal ons niet aan ons lot overlaten. Houdt goeden moed.”Zoo kwam de laatste nacht, en deze werd door den Heer van den Schaffelaar wakende doorgebracht.O, zijn borst zwol van vreugde bij de gedachte aan de trouw van zijne dappere ruiters, die liever den dood wenschten, dan hem op te offeren. Hoe kon hij die trouw tot in den dood beloonen?Ja, hij wist het. Kon hij niet zijn eigen leven opofferen voor dat van zijne dappere volgelingen? Moest hij minder zijn dan zij? Was hij geen edelman? Indien zijne trouwe ruiters weigerden hem naar beneden te werpen, kon hij dan zelf den doodelijken sprong niet doen, om zijne wreede vijanden tevreden te stellen? ’t Was hun immers alleen om zijn leven te doen? Om het leven van den dapperen aanvoerder, die zijne ruiters al zoo menigmaal ter overwinning had gevoerd?O, hij zou niet weifelen, niet dralen. Hij vreesdeden dood niet, en zou zijn leven gewillig offeren, om dat van zijne trouwe ruiters te redden.Toen de zon opkwam en hij de wanhopige blikken der zijnen ontmoette, die hem spraken van onuitsprekelijk lijden en van stervensnood,—toen was zijn besluit genomen. Nog eenmaal beklom hij den trans om uit te zien, of de redding misschien nabij was. Helaas,—het verste verschiet toonde geen naderende bende. Ontmoedigd keerde hij naar de zijnen terug, terwijl opnieuw het vuur der bussen op den toren werd geopend. Zoo gingen weer enkele uren voorbij, en steeds dringender vroegen zijne ruiters hem den toren te verlaten en zich op den vijand te werpen. Zij verlangden naar den dood, liever dan langer ten prooi te blijven aan den honger en den dorst, die hen schier krankzinnig maakte.“Laat mij nog eenmaal met den vijand onderhandelen!” zei hij.En nogmaals begaf hij zich op den trans en klonk het trompetgeschal.“Welnu, zijn uwe mannen bereid, u naar beneden te werpen?” vroeg de aanvoerder sarrend.“Neen,” zei Van Schaffelaar. “Maar als ik mijzelven naar beneden werp, zult gij ook dan uw woord houden en mijne volgelingen de vrijheid geven?”“Ha, ha,—wat pocherij!” riep de aanvoerder, die niet geloofde, dat Van Schaffelaar in ernst sprak. “Zeker, ook in dat geval hebben zij vrijen uittocht, op mijne eer!”“Het zij zoo!” sprak Van Schaffelaar. En metverheffing van stem riep hij zijne trouwe ruiters toe:“Spitsbroeders! Ik wil u in geen last brengen. Ik moet toch eenmaal sterven!”Toen wuifde hij hun zijn laatst vaarwel toe, plaatste zijne handen in de zijden en sprong van den trans naar beneden.Met een dreunenden slag kwam zijn lichaam op den grond terecht,—maar nog was hij niet dood. Met getrokken zwaard vielen zijne vijanden op hem aan en bluschten hem het levenslicht.—“Hij stort, hij valt, hij ledebraakt,En stuiptrekt in den dood,En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,Beschaamt en kleurt ze rood.Het krijgsvuur bluscht, de brand gaat uit,En ’t schriktooneel wendt af,Maar de eerkroon, aan geen zwaard ten buit,Omtuilt het heldengraf!”11Tollens.Een heldenschaar.Xerxes, de machtige koning der Perzen en beheerscher van gansch Azië, rustte zich ten strijde uit, om ook Europa aan zijne macht te onderwerpen. Het eerst moesten de Grieken het ontgelden. Hadden zij niet de Perzische afgezanten beleedigd en gedood? Eischte dat geen wraak?Zijn toerustingen waren reusachtig en vergden niet minder dan twee volle jaren. Alle krachten van Azië moesten daartoe medewerken. Een ontzaglijk leger werd op de been gebracht, en eene talrijke vloot van transportschepen, met levensmiddelen beladen, zou het leger begeleiden, opdat het in elk geval tegen gebrek beveiligd zou zijn.Er werden bruggen opgeslagen, waarop het leger den Hellespont moest overtrekken. De eene brug bestond uit 340, de andere uit 360 schepen. Deze schepen werden aan voor- en achterzijde door sterke ankers vastgehouden, zoodat zij niet door den stroom konden worden meegesleept. Op de lagere schepen werden stellages gebouwd, om ze even hoog als de andere te maken. Over de lange rij vaartuigen liepen dikke touwen van den Aziatischen naar den Europeeschen oever, daarover werden boomstammen gelegd, dan weer sterke touwen, hierop een balkenlaag, en dan volgde de bovenbouw van de brug, welkemet aarde bedekt en van borstweringen voorzien was.Toen de bruggen gereed waren, stak er een hevige storm op, die het grootsche werk totaal vernielde. De woede van Xerxes kende geen grenzen en de ongelukkige bouwmeesters werden op zijn bevel onthoofd. Zelfs de zee werd op last van den koning hevig met geeselslagen gestraft. Daarna liet de booze vorst haar boeien, door zware kettingen in de diepte te werpen.Dadelijk ving men aan met het bouwen van nieuwe bruggen, en eindelijk kon de overtocht van het reusachtige leger beginnen. Die overtocht duurde niet minder dan zeven dagen. Toen moest het leger op last van Xerxes worden geteld, maar dat was heel moeilijk te doen. Eindelijk bedacht men er op, 10000 krijgslieden in dichte gelederen naast elkander te plaatsen en daaromheen eene soort van schutting te bouwen. Het geheele leger, moest nu die schuur doortrekken. Telkens als zij geheel gevuld was, noteerde men weer 10000 man, en zoo kwam men tot een totaal van 1.700.000 man. Bovendien was de geheele Hellespont met oorlogsschepen gevuld. Voorwaar eene oorlogsmacht, die het kleine Griekenland met angst en ontzetting moest vervullen. Hoe zouden de Grieksche staten, die zelfs door geen onderlingen band verbonden waren, zich tegen die groote overmacht verdedigen? Helaas, helaas, gansch Griekenland zou verwoest, de bevolking vermoord worden. In hun angst begaven zij zich naar Delphi, om het beroemde orakel te raadplegen.De voorspellingen van de Pythia Aristonice warenechter verre van bemoedigend. Op haar gouden drievoet gezeten boven den afgrond, waaruit bedwelmende dampen opstegen, verkondigde hare stem, dat Sparta zou worden verwoest.“Ongelukkigen, wat toeft gij?” klonk het den Grieken toe. “Vlucht naar de einden der aarde. Want noch het hoofd, noch het lijf, noch de voeten, noch de handen, zelfs geen stuk in het midden van den romp blijft ongeschonden, maar alles is weg! Want het vuur en de toorn van Ares, die de strijdwagens der Syriërs voortstuwt, werpt alles in het stof. Niet alleen uw burcht, neen, nog vele andere sterkten en vele tempels der onsterfelijke goden legt hij in den asch. Voort dan uit mijn heiligdom en bereidt uwe zielen op het naderend onheil voor!”Deze uitspraak, die zelfs geen sprankje hoop overliet, durfde men het Grieksche volk niet bekend maken, en men waagde het nogmaals de uitspraak der Pythia in te roepen. De gezanten der Atheners traden den tempel van Apollo binnen met olijftakken, die met wol omwonden waren, ten teeken, dat men de bescherming der godheid kwam inroepen, en verklaarden, dat zij het heiligdom niet zouden verlaten, maar er tot hun dood toe blijven, indien de godheid zich van hen afkeerde.Toen sprak de Pythia:“Pallas beproeft tevergeefs den Olympischen Zeus te verzoenen, ofschoon zij onophoudelijk en met het meeste overleg hare beden tot hem richt. Nog eenmaal doe ik u een woord vernemen, dat onverzettelijk is als staal. Ziet, wanneer alles wat hetgebied van Cecrops en de bocht van den heiligen berg Cithaeron in zich bevat, den vijand in handen valt, dan beschermt de opperbestuurder Zeus toch den houten burcht van Athene, uwe toevlucht en die uwer kinderen, tegen de verwoesting. Toeft niet, totdat de ruiters en de golvende drommen voetvolk naderen, rustig op het vasteland. Neen, wijkt en keert den vijand den rug toe: later komt de tijd om hem het hoofd te bieden. Goddelijk eiland Salamis, voorwaar, gij verdelgt de zonen der vrouwen, hetzij Demeter zich verstrooit of verzamelt.”Deze geheimzinnige woorden, veel op een raadsel gelijkende, werden natuurlijk op verschillende wijzen uitgelegd, maar het gevolg ervan was toch, dat de Atheners besloten zich tot het uiterste te verdedigen en afgezanten naar de andere staten te zenden, om hen uit te noodigen, zich met hen te vereenigen en zich krachtig tot den strijd uit te rusten. De Atheners rustten in den tijd van vier weken eene vloot uit van niet minder dan 147 schepen en waren niet van plan, zich met een minder getal dan 200 tevreden te stellen.Jammer, dat in de andere Grieksche staten niet dezelfde geestdrift heerschte. Men vreesde de overmacht van den Perzischen koning en durfde zich niet verdedigen. Sommige staten zelfs namen het droevige besluit, den vijand zout en aarde aan te bieden, ten teeken van hunne onderwerping.Ook in den machtigen staat Sparta was men lauw en laksch. Eerst twistten zij met de Atheners, wie leger en vloot zouden aanvoeren, en toen deAtheners grootmoedig de eer daarvan aan Sparta hadden gelaten, verscholen zij zich achter het voorwendsel, dat de nadering van de Olympische spelen hun belette, eene krijgsmacht van eenige beteekenis naar de grenzen te zenden. Slechts 300 Spartanen, onder bevel van hun koning (aanvoerder) Leonidas, werden aangewezen, om ten strijde te trekken.Dapperder man dan Leonidas had men in gansch Griekenland niet kunnen vinden. Hij schaamde zich voor zijne landgenooten over hunne nalatigheid en vertelde op zijn tocht door Midden-Griekenland aan ieder, die het hooren wilde, dat zijn mannen slechts de voorhoede vormden van het groote leger, dat uit Sparta aanrukte. Zijne kleine schare werd dientengevolge nog door hopliten uit andere staten versterkt, zoodat hij eindelijk 8000 man onder zijne bevelen had.Doch wat konden 8000 man beginnen tegen een leger van bijna twee millioen?Xerxes met zijn ontzaglijk leger naderde. Wel was zijn marsch moeilijk geweest, wel had de Olympus met zijn met sneeuw bedekten kruin, zijne nauwe passen en zijne dichte wouden hem in zijn voortgang belemmerd, maar eindelijk had hij toch de noordelijke helling van het Oetagebergte bereikt.Nu voerde zijn tocht echter door een zeer smallen doorgang, den pas van Thermopylae. Het hooge gebergte met zijn steile rotswanden strekte zich tot bijna aan de zee uit. Eerst wanneer men vlak voor den pas stond, zag men den ingang naar den weg tusschen de zee aan de eene en de hooge rotsenaan de andere zijde. En die weg was zoo smal, dat er slechts één wagen over kon gaan. Door die nauwe poort kwam men in den eigenlijken pas, waar twee waterrijke heete zwavelbronnen ontsprongen, waaraan de pas zijn naam ontleende. Op korten afstand van die bronnen naderden de rotsen ten tweeden male bijna de zee, zoo dat de doortocht ook daar slechts door weinigen tegelijk kon geschieden, en bovendien vormde de zee bijna langs de geheele lengte van den pas een onpeilbaar moeras, waaruit niemand levend wederkeerde.Koning Leonidas was besloten, dezen smallen dam, den eenigen weg, die toegang gaf tot Midden-Griekenland, met zijne mannen te verdedigen. Hier baatte Xerxes zijn ontzaglijk leger niet, want Leonidas zou immers nooit meer dan slechts enkele vijanden tegelijk te bekampen hebben?Zeker, hij wist, dat hij in dezen strijd geen overwinnaar kon blijven, want elk gevecht zou hem eenige zijner dapperen kosten, maar hier zou het hem toch mogelijk zijn, het machtige leger in zijn voortgang te stuiten. Daardoor konden zijne landgenooten in de gelegenheid worden gesteld, zoo mogelijk hunne maatregelen ter verdediging te nemen.Hij wist ook, dat hij en zijne dappere strijders sterven gingen. Want een Spartaan keerde immers nooit, dan als overwinnaar, uit den strijd terug?Men berichtte hem, dat er nog een tweede weg was, die toegang tot Midden-Griekenland gaf. Die weg bestond uit een smal voetpad over een berg. Natuurlijk moest ook deze weg verdedigd worden.Leonidas droeg die taak op aan 1000 Phocensers, die zich hiertoe vrijwillig aanboden. De verdediging van dit smalle voetpad kon hun niet moeilijk vallen.Zoo stonden de twee legers, als een ontzaglijke reus en de kleinste der dwergen tegenover elkander.Een overlooper, die in het Spartaansche kamp kwam, vertelde dat hij het Perzische leger gezien had, en zei:“Het is zoo talrijk, dat de zon door de pijlen der boogschutters verduisterd zal worden.”“Wat zou dat?” antwoordde een van de Spartanen. “Zooveel te beter. Dan zullen wij in de schaduw vechten.”Leonidas was gereed, om den vijand af te wachten. En deze zou ook komen, doch eerst zond koning Xerxes zijn gezantschap, om de wapens der Grieken op te eischen.“Kom ze halen!” gaf Leonidas lakonisch ten antwoord.Toen beval Xerxes zijne Meden, om met den aanval te beginnen. Hij twijfelde niet, of dezen zouden spoedig een schitterende overwinning op het kleine hoopje vijanden hebben behaald, maar—hoe onstuimig hun aanval ook was, zij konden geen duimbreed gronds op de dappere Grieken veroveren.Met woede zag hij van zijn hoogen zetel, dien hij had laten oprichten om het gevecht te kunnen zien, hoe zijne krijgers teruggeworpen werden, zich weer verzamelden en opnieuw aanvielen, doch nogmaals en nogmaals teruggeworpen werden.Nieuwe troepen moesten hen vervangen. Bendengeduchte boogschutters werden op den vijand afgezonden, maar ook zij moesten met groote verliezen terugdeinzen. Toen zond Xerxes zijne keurbende. Deze onsterfelijken werden eveneens teruggejaagd en in hun vlucht zelfs door de Grieken achtervolgd. Toen de Grieken eindelijk terugkeerden, wat op last van Leonidas den schijn van een vlucht moest hebben, vielen de Perzen hen onder luid gejuich aan, tot de Grieken zich plotseling omkeerden en hen door een onstuimigen aanval in het moeras joegen, waar zij den dood vonden.Toen de avond daalde, telde Xerxes 6000 krijgers minder en was hij zijn doel nog geen stap naderbij gekomen.Doch ook de Grieken telden duizend dooden.Den volgenden dag werd de strijd hervat. Weer volgde Xerxes van zijn hoogen zetel den gang van het gevecht en tot zijn groote woede zag hij, dat ook nu weer zijn krijgers herhaalde malen teruggeworpen werden en dat de Grieken niet tot wijken gedwongen konden worden. Reeds was den geheelen morgen gestreden, maar door de zijnen nog geen enkel voordeel behaald.In matelooze woede stond hij van zijn zetel op en strekte hij de gebalde vuisten in de richting van de strijdenden uit.Ha, was dan zelfs zijn machtwoord niet in staat zijne soldaten de overwinning te bezorgen?Op dit oogenblik trad een dienaar eerbiedig nader, en zeide:“Machtige koning, een Griek wenscht u te spreken.”“Een Griek?” vroeg de koning.“Ja, Heer, een Griek,—een slaaf.”“Laat hem komen.”De slaaf wierp zich voor den koning ter aarde.“Wie zijt gij?”“Ephialtes, o koning, een slaaf.”“En wat wilt ge?”“U een anderen weg wijzen, machtige koning. Een smal voetpad over den berg brengt u veilig aan den overkant.”De koning bedacht zich een oogenblik. Zou hij dezen slaaf, die zijn eigen vaderland kwam verraden, gelooven? Wachtte hem misschien geen valstrik?De koning besloot hem te vertrouwen.Hij gebood zijne keurbende, den verrader te volgen, en zijn bevel werd den volgenden morgen vroeg uitgevoerd.De verrader Euphialtes wist niet, dat Leonidas de bewaking van dit smalle voetpad aan 1000 Phocensers had opgedragen, in de stellige meening, dat niemand beter dan zij daartoe geschikt waren, omdat hun woonplaats het eerst in de handen der Perzen zou vallen, indien de vijand langs dezen weg binnenrukte.Helaas, de Phocensers sliepen, toen de vijand naakte. Het geluid der voetstappen en het ritselen der bladeren wekte hen uit hun slaap. In hun verregaande zorgeloosheid hadden zij zelfs verzuimd schildwachten uit te zetten.Thans, nu het te laat was, sprongen zij ijlings op en grepen naar de wapenen. Maar zij werden meteen pijlenregen begroet en waren geheel verward en ontsteld. Zij waagden het niet, den strijd te beginnen en gaven met een schandelijke laaghartigheid het voetpad prijs. Op een naburige hoogte brachten zij zich in veiligheid.De Perzen vervolgden hen niet eens, maar daalden zoo snel mogelijk den berg af.Een bode bracht de jobstijding aan koning Leonidas, die dadelijk begreep, dat hij thans verloren was. Immers, de vijanden zouden hem nu van twee kanten tegelijk aanvallen en zijn geheele leger vernietigen?Maar nòg was de gelegenheid tot een terugtocht niet afgesneden. Nog was hij in de gelegenheid, het gros van zijn leger te redden, maar dan moest hij zich haasten. Hij gaf dan ook onmiddellijk bevel tot den terugtocht. Maar om te verhoeden, dat de krijgers door de vijanden zouden worden ingehaald en gedood, beval hij zijne dappere Spartanen te blijven. Hij was besloten, den pas zoo lang mogelijk te verdedigen, om het gros van zijn leger gelegenheid te geven, zich in veiligheid te stellen.De uitslag kon niet twijfelachtig zijn: hij en zijne trouwe Spartanen zouden sterven, maar ’t zou een schoone dood zijn.Zijn bevel om af te trekken werd uitgevoerd,—doch niet door allen. Demophilus, de aanvoerder der dappere Thespiërs, verklaarde, onder levendige toejuiching van zijn landgenooten, dat hij bij den koning wilde blijven en met hem sterven, omdat zijn vaderland toch verloren was, als de Perzen den pasbinnenrukten. Ook zijne krijgers bleven, zoodat Leonidas met ruim 1200 hopliten den laatsten strijd zou strijden. Het overige leger, nog slechts uit 3000 man bestaande, trok terug, om zoo mogelijk het leven te redden.De krijgers, die achterbleven, tooiden zich met kransen van bloemen en bladen, alsof zij gereed stonden om feest te vieren ter eere van een of andere godheid.Leonidas besloot den aanval van de vijanden niet af te wachten. Hij plaatste zich aan de spits van zijn dappere schare en drong den pas binnen, de Perzen tegemoet. Nuontstonder een vreeselijk gevecht. De Spartanen wisten van geen wijken. Zij zochten slechts een eervollen krijgsmansdood op het veld van eer. Zij wedijverden onderling in onverschrokken dapperheid en in verachting van elk doodsgevaar.Leonidas, de dappere, viel al spoedig doodelijk gewond ter aarde, waar hij weldra stierf. Zijn val vuurde de woede der Grieken nog aan, en er ontstond een vreeselijk gevecht om het bezit van zijn lijk. De lansen vlogen aan splinters, de zwaarden flikkerden in het heldere zonnelicht. De aanval der Grieken was zoo hevig, dat de Perzen tot viermaal toe tot wijken werden gedwongen.Toen drongen de Perzen, die den omweg over het smalle bergpad hadden volbracht, den pas van de andere zijde binnen, en werden de Grieken dus van twee kanten aangevallen. En de dapperen konden zich niet meer verdedigen, want niemand hunnerbezat meer eene lans, velen geen zwaard, anderen slechts een gedeelte daarvan.Meer en meer versmolt de kleine schare. De laatst overgeblevenen verzamelden zich op eene kleine hoogte en wachtten daar rustig de komst der vijanden af. Tot op den laatsten man werden zij neergehouwen.Zoo stierf de dappere Leonidas met zijne getrouwe Spartanen den heldendood, zich opofferende om 3000 spitsbroeders het leven te redden. De Perzen telden niet minder dan 20000 dooden.George Stephenson1781–1848.In het plaatsje Wyclam, op ongeveer twee mijlen afstands van Newcastle on Tyne, woonde een goede honderd jaar geleden een arm jongetje, dat hoewel reeds 8 à 9 jaren oud, nog niet eens lezen of schrijven kon. Van den morgen tot den avond speelde hij bij de armelijke hut zijner ouders, of zwierf hij buiten de plaats rond om vogelnesten te zoeken in de boomen en boschjes, of zich te baden in de rivier.Zijn vader was een eenvoudige arbeider, die als machinist het karige loon voor zich en de zijnen verdiende. Hij was algemeen geacht, en ’s avonds in den winter verzamelden zich meermalen de jongens, waaronder ook de kleine George, rondom het vuur van zijne machine, om te luisteren naar de verhalen, die Robert Stephenson hun deed. En hij kon voor een eenvoudig arbeider mooi vertellen. De jongens hingen hem aan de lippen, als hij hun de lotgevallen van Robinson Crusoë beschreef, of als hij van de ontdekking van Amerika door Columbus vertelde. Dan duurde het verhaal den kleinen George nooit lang genoeg. Maar ’t liefst van alles ving hij vogels, vooral lijsters, om ze op te voeden en te verzorgen. Ook van andere dieren hield hij veel, eneen mooien hond te bezitten, scheen hem de grootste rijkdom toe.Zijn vader miste de middelen om zijne kinderen naar school te laten gaan, en al jong moesten zij hun eigen brood geheel of gedeeltelijk zien te verdienen. Zoo ook de kleine George, die reeds als als negenjarig kind in dienst trad als herdersknaap.Nu dwaalde hij dag-in, dag-uit met zijne kudde en den herdershond over de heide, en niemand zou toen hebben kunnen droomen, dat de arme jongen, die daar rustig zijne schapen hoedde en lezen noch schrijven kon, eenmaal een van de beroemdste mannen van Engeland zou worden.De kleine George, die in zijn eentonig leven al spoedig door de verveling werd aangegrepen, zocht zich afleiding te verschaffen door allerlei dingen te knutselen. Zoo maakte hij b.v. molentjes, en zijne vreugde kende geen grenzen, wanneer de wind de wieken lustig deed draaien. Ook vervaardigde hij schepraderen, die hij door het stroomende water van de beek in beweging liet brengen,—en eindelijk fabriceerde hij van leem, hout, touw enz. eene geheele machine, zooals die van zijn vader in de fabriek. Dergelijk werk nam zijn geest geheel in beslag, bracht hem aan het peinzen en wekte zijne scheppingskracht, die later wonderen zou doen.Eenigen tijd later werd hij van herdersknaap landarbeider, waardoor zijn weekloon grooter werd. Hij toonde zich toen een ijverig werker, wien geen moeite te veel was. Kwam hij ’s avonds thuis, dan hielp hij nog zijn oudere broeders bij het uitzoeken van dekolen, en vermeerderde daardoor zijne verdiensten. Want hij woonde in het gebied van de kolenmijnen, die zich zelfs tot ver onder de zee uitstrekten. De arbeiders, die daar hun zwaar werk verrichtten, hadden de zee boven zich,—en de schepelingen, die het zilte nat doorploegden, konden allerminst vermoeden, dat beneden hen de mijnwerkers in het hart der aarde en omringd van de grootste gevaren, hun dagelijksch werk deden.Maar ook landarbeider zou hij niet blijven. Toen hij veertien jaar oud was, kwam hij bij zijn vader in de fabriek als stoker. Hij verdiende daarmede 60 cent per dag.Dit werk beviel hem buitengewoon, want hij was van lieverlede groote belangstelling gaan koesteren voor de samenstelling van machines en voor de onderdeelen daarvan. En nu het zijne taak geworden was, de machine schoon te houden, verminderde die belangstelling er natuurlijk niet op. Hij was nu mooi in de gelegenheid, de verschillende deelen uit elkander te nemen en te bestudeeren, en ’t kostte hem weldra geen moeite meer, de machine geheel te ontleden en weer in elkaar te zetten. Op dezen leeftijd werd hij zich ook zijne geringe kennis bewust, en betreurde hij het niet weinig, dat hij niet lezen en schrijven kon. En zijn spijt werd er niet minder op, toen hij begon te begrijpen, welke wijsheid er in de boeken schuilde en hoe hij daaruit zou kunnen leeren, hoe machines gebouwd werden en hoe de ideeën van beroemde werktuigkundigen daarover waren.Hij besloot dus, den verloren tijd nog in te halen. Driemaal in de week bezocht hij de avondschool, en zijne onderwijzers kwamen al spoedig in de gelegenheid om zijn leerlust en volharding daarbij op te merken. Al zijn vrijen tijd besteedde hij om zijn geest te bekwamen, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht te studeeren. Zijn dagelijksch werk leed daaronder echter in het geheel niet, want zijn plichtsgevoel was sterk ontwikkeld.De herbergen bezocht hij nooit. Ja, wel gingen zijne makkers daar den langen winteravond doorbrengen, om verstrooiïng te zoeken na hun zwaren dagarbeid, maar George was dan nooit in hun gezelschap. Hij las, of hij knutselde eene of andere machine, maar naar de herberg ging hij niet. ’t Gevolg daarvan was, dat hij al spoedig een kleinen spaarpot kreeg, die gestadig grooter werd. Zoo kreeg hij eindelijk zelfs genoeg, om een klein huisje te koopen. Hij was toen twintig jaar oud. En nu hij eenmaal een huisje had, koos hij zich ook eene vrouw, die haar leven met het zijne wilde verbinden. Hij deed eene gelukkige keuze in Fanny Henderson, een eenvoudig meisje uit den omtrek.Zijn huwelijk bracht in zijn levenswijze niet de minste verandering, of het moest deze wezen, dat hij velerlei werk bij de hand nam om zijne inkomsten te vermeerderen. Hij nam zelfs het schoenmakersvak ter hand, en lapte in zijne vrije uren de schoenen en laarzen van zijne stadgenooten. Ook legde hij zich toe op het snijden van leesten.Op een avond brak er een brand uit in zijn schoorsteen.De rookwolken stegen hoog in de lucht en de vlammen sloegen boven den rand van den schoorsteen uit. Stephenson plaatste een ladder tegen zijn huis en stopte het schoorsteengat toe, zoodat de vlammen door gebrek aan lucht smoorden. Maar de hitte in zijne kamer was groot genoeg geweest, om het raderwerk van zijne hangklok duchtig in de war te brengen, zoodat deze niet meer gaan kon.George Stephenson nam haar van den wand, bestudeerde de samenstelling van het uurwerk zorgvuldig, totdat hij de beteekenis van elk radertje goed begreep, en nam toen het uurwerk uit elkaar. Weldra ontdekte hij de oorzaak van het stilstaan, en met bekwame hand bracht hij de zaak weer geheel in orde. Zijne buren en kennissen, die hem aan den arbeid hadden gezien, stonden verbaasd over zijn vernuft en zijne handigheid, en bazuinden zijn lof uit. Het gevolg daarvan was, dat hem tal van klokken ter reparatie werden toevertrouwd, van welke opdrachten hij zich schitterend kweet. Zijne bijverdiensten werden er aanmerkelijk grooter door.Zoo leefde hij een drietal gelukkige jaren, toen hem een slag trof, die hem levenslang verdriet zou doen. Zijn lieve vrouw namelijk werd ziek en stierf. Langen tijd had Stephenson noodig, om zijne smart te overwinnen. De dood van zijne vrouw had hem allen levenslust ontnomen, en verdrietig zat hij in zijn eenzame woning bij zijn eenig zoontje, zonder dat hij lust of kracht voelde, om iets ter hand te nemen.Eindelijk evenwel vermande hij zich en besloot hij voortaan te leven voor het kind, dat zijne geliefdeFanny hem had nagelaten. En hij nam zich voor hem eene zorgvuldige opvoeding te laten geven. Hij zou trachten zelfs zooveel te verdienen, dat hij hem later aan de akademie te Newcastle kon laten studeeren. Hijzelf wist bij ondervinding, hoe diep treurig het is, als men in de kinderjaren geen goed onderwijs heeft ontvangen.Toen hij na eenigen tijd eene uitnoodiging ontving, om ergens in Schotland eene nieuwe machine te stellen, besloot hij daaraan te voldoen. Hij vertrouwde zijn zoontje toe aan de goede zorgen van een braaf echtpaar, dat bij hem in de buurt woonde, en begaf zich te voet naar de plaats zijner bestemming.Na een jaar keerde hij terug met een sommetje van 360 gulden overgespaard geld, maar trof zijne bejaarde ouders in een allerongelukkigsten toestand aan. Zijn vader had geen werk, en was diep in schulden geraakt. George bedacht zich geen oogenblik, maar gebruikte zijn zuur verdiend geld om die schulden te delgen en zoo goed mogelijk voor zijne ouders te zorgen, wel een bewijs, dat hij zijn hart op de rechte plaats droeg.Hij had zich intusschen reeds een grooten naam gemaakt als uiterst bekwaam werkman. Daaraan had hij het te danken, dat men hem opdroeg een pompmachine te herstellen, die niet meer werken wilde, en waaraan verscheidene werktuigkundigen reeds tevergeefs hunne krachten hadden beproefd.Stephenson was zoo gelukkig, de oorzaak van het kwaad spoedig te ontdekken, en in zeer korten tijdwerkte de pomp weer even goed als vroeger. Ja, beter nog, want hij had eene paar kleine wijzigingen in de samenstelling aangebracht, die groote verbeteringen bleken te zijn. Als belooning ontving hij van de Directie 10 pond sterling ten geschenke.Van dit oogenblik af bereikten hem van alle kanten uitnoodigingen, om slecht- of in ’t geheel niet werkende stoommachines in orde te komen brengen, zoodat hij veel geld verdiende. Hij nam nu geregeld les in werktuigkunde en leerde zelfs nog machineteekenen, wat hem in zijn vak dikwijls te pas kwam. Ook beschouwde men hem niet meer als een gewoon werkman, maar kende men hem den titel van werktuigkundige toe. Eene kleine machine, die hij zelf geheel ontworpen en gebouwd had, wekte de bewondering van allen, die haar zagen.Toch hield hij zich niet alleen met zijne machineriën bezig. Neen, hij was nog evenals vroeger een groot dierenvriend, en menig uurtje wijdde hij aan het tammaken van vogels, vooral lijsters. Een van deze dieren bracht zelfs den nacht door aan het hoofdeinde van zijn bed, en wat eigenaardig was: in het voorjaar vertrok deze lijster naar de bosschen om daar te nestelen, maar in het najaar kwam hij trouw weer terug, om den winter bij zijn vriend door te brengen.Stephenson, die nog altoos een zeer eenvoudig man gebleven was, gunde zich menigmaal in het middaguur den tijd niet, om thuis te gaan middagmalen. Hij had echter zijn Schotschen herdershond Spot afgericht, om tegen het middaguur naar huiste gaan. Die hond was verbazend verstandig en leerzaam. Hij wist dan ook zeer goed, dat zijn meester hem naar huis zond, om diens middagmaal te halen. Men hing hem thuis namelijk een blikken bus, die het warme middagmaal voor Stephenson bevatte, om den nek, en dan keerde Spot welgemoed naar de mijn terug, waar zijn heer op hem wachtte.Die trouwe Spot! De heerlijke geur van het lekkere middagmaal drong hem tergend in den neus, zoodat het water hem tusschen de tanden doorliep, maar hij taalde er niet naar, er zich ook maar het kleinste hapje van toe te eigenen. Neen, met opgeheven kop draafde hij voort, om zoo spoedig mogelijk bij zijn meester te komen. De menschen, die hem dan zagen gaan, keken hem lachend na, want iedereen kende den hond van George Stephenson.Dat ging langen tijd goed, tot eindelijk een groote bulldog van een slager besloot, hem het lekkere hapje afhandig te maken. ’s Middags, toen Spot passeeren zou, had hij zich midden op de straat neergelegd, om zijn snoode plan ten uitvoer te brengen.Ha, daar kwam Spot den hoek om.De groote slagershond stond op en gaf door een dof gebrom zijn booze plannen te kennen.Spot bromde terug. Maar opeens vloog de dog op hem aan en greep hem bij de keel, met het vaste plan, hem het geurige middagmaal te ontrooven.Spot was over deze brutale aanranding diep verontwaardigd, en hoewel de blikken ketel hem niet weinig in zijne bewegingen belemmerde, weerde hijzich zoo dapper, dat de dog jankte van pijn! ’t Werd een woedend gevecht, en de honden rolden grommende over de straat, totdat eindelijk de bulldog jankende en met den staart tusschen de beenen het hazenpad koos. Spot was overwinnaar gebleven. Hij schudde zich het stof uit de haren en vervolgde met spoed zijn weg naar de mijn, waar Stephenson op hem wachtte.Kwispelstaartend legde hij de blikken bus aan diens voeten, en hij keek zijn meester aan, of hij vragen wilde: “Heb ik me niet goed gehouden?”’t Was voor Stephenson in ’t geheel geen aangename verrassing, toen hij den ketel ledig vond. Het lekkere middagmaal was onder de vechtpartij op de straat terecht gekomen, maar daar had Spot niets van gemerkt.Toen Stephenson later vernam, wat er gebeurd was, zei hij:“Nu, het bezitten van zoo’n trouwen hond is waarlijk wel een middagmaal waard!”Het aangeboren scheppingsvermogen deed hem telkens iets nieuws bedenken, waardoor zijn naam steeds grootere vermaardheid kreeg. Zoo bedacht hij o.a. ook een lamp, die onder water brandende bleef. Maar daarmede was hij niet tevreden. In de kolenmijnen hoopt zich dikwijls het steenkolengas op, en levert dan de grootste gevaren op voor de mijnwerkers, die onder den grond zonder licht natuurlijk niet werken kunnen. Als dat gas dan in aanraking met het licht kwam, hadden er menigmaal hevige ontploffingen plaats, die voor de mijnwerkers de noodlottigste gevolgen hadden.Eens, ’t was in ’t jaar 1814, had er weer zulk eene ontploffing plaats gehad en stond een gedeelte van een mijn in brand. IJlings boodschapte men dat aan Stephenson, die zich dadelijk naar de plaats des onheils begaf en in de mijn afdaalde. Op grooten afstand van de brandende gang stonden vele mijnwerkers bijeen.“Komt mannen, wie moed heeft, volge mij, dan zullen wij den brand stuiten!” riep Stephenson hun onvervaard toe.De mijnwerkers stelden een bijna onbegrensd vertrouwen in Stephenson, maar nu weifelden zij toch een oogenblik. Doch weldra vatten zij moed, en onder zijne leiding stopten zij den ingang tot het brandende deel geheel toe, zoodat de toevoer van versche lucht afgesloten werd en het vuur uitdoofde.Stephenson keerde naar huis terug met het vaste voornemen eene lamp te bedenken, die de mijnwerkers zonder gevaar voor hun leven zouden kunnen gebruiken. En korten tijd daarna kwam hij met eene lamp te voorschijn, die volgens zijne vaste overtuiging aan het doel moest beantwoorden.In gezelschap van eenige bekenden begaf hij zich den 21 October 1815 ’s avonds om elf uur in eene mijn, die zooveel steenkolengas bevatte, dat eene gewone lamp ongetwijfeld een geweldige ontploffing zou veroorzaken.Onverschrokken trad Stephenson met zijn brandend licht de mijn binnen en liep door tot te midden van de opgehoopte gassen. En zie—de proef gelukte volkomen. De vlam groeide eerst een weinig,begon toen te flikkeren en ging daarna uit. Maar er kwam geen ontploffing.Verheugd keerde Stephenson van de gevaarlijke plaats terug, stak zijne lamp opnieuw aan, en trad nogmaals de mijn binnen. En weer doofden de anders zoo verraderlijke gassen de vlam uit. De eenvoudige Stephenson had weer eene ontdekking gedaan, die voor duizenden mijnwerkers eene groote weldaad zou blijken.Toch bracht zijne ontdekking hem den roem niet, dien hij verdiende, want na enkele dagen bleek het, dat ook Sir Humphrey Davy eene lamp had uitgevonden, die volkomen aan het doel beantwoordde.Stephenson kreeg eene belooning van 1200 gulden, maar Sir Humphrey Davy ontving een wel tienmaal grooter geschenk. Ook werd aan deze de eer van de uitvinding toegeschreven. Twee jaar later werd Stephenson echter recht gedaan. Hij werd toen openlijk als de uitvinder der veiligheidslamp erkend en men vereerde hem een zilveren bokaal en een geschenk van niet minder dan twaalf duizend gulden.Intusschen hield zijn geest zich al geruimen tijd bezig met het plan, eene locomotief te ontwerpen, die in staat zou zijn, als beweegkracht voor verscheidene wagens te dienen. Er waren wel al enkele locomotieven gebouwd, maar die voldeden allerminst aan de verwachtingen. Toch meende Stephenson, dat zulk eene machine kon worden gevonden, en zonder ophouden zocht hij naar de oplossing van dit moeilijke vraagstuk. Zijne vrienden en kennissen meenden, dat zijn zucht naar uitvindingen hem inhet hoofd geslagen was en dat hij dus krankzinnige denkbeelden koesterde. En lachend hoorden zij hem aan, wanneer hij over zijne locomotief sprak en voorspelde, hoe eenmaal de menschen met groote snelheid van de eene stad naar de andere zouden worden vervoerd, alleen voortgetrokken door een locomotief.Ondanks hun twijfel en dikwijls bitteren spot bracht hij het zoover, dat hij in een nieuwe mijn de steenkolen in wagens liet vervoeren, die door locomotieven in beweging werden gebracht. Metterdaad leverde hij daarmede het bewijs, dat zijne ideeën geen hersenschimmen waren, maar wel degelijk practische waarde hadden. Onophoudelijk ging hij voort in vereeniging met den ingenieur Dodd, verbeteringen aan zijne locomotieven aan te brengen. Stephenson bedacht het stelsel van gekoppelde raderen, en samen vonden zij het middel, om den ketel aanhoudend van water te voorzien. Deze locomotieven werden van 1814–1825 op den mijnspoorweg van Killingworth gebruikt, en dienden later om de kolentreinen te slepen langs den spoorweg van Darlington naar Stockton.Die spoorweg had eene lengte van 61 kilometers en was over twee derden van zijne lengte van een dubbel spoor voorzien. De aanleg had niet minder dan 2 ton gouds per kilometer gekost. Maar de treinen liepen zeer langzaam, niet meer dan dertig mijlen in den tijd van vier uren. Het stelsel was dus nog slechts in zijne kindsheid. Spoedig zou er echter in den bouw van den stoomketel eene wijzigingworden aangebracht, die eene algeheele verandering in het spoorwegwezen ten gevolge had en de locomotieven in staat stelde de treinen voort te trekken tot eene snelheid van vijftig mijl in het uur. De kracht van een stoomwerktuig hangt af van de hoeveelheid stoom, die het in een bepaalden tijd voortbrengt. Bij de eerste locomotieven van Stephenson was die hoeveelheid zeer beperkt. Op raad van zijn landgenoot Booth voorzag hij zijne ketels van een groot aantal buizen, die gevuld werden met de warme lucht en den rook, die van den vuurhaard komen. De aldus aan de werking van het vuur blootgestelde oppervlakte werd daardoor zeer groot, zoodat men in een ketel van gewone afmeting eene oppervlakte van 150 M2. aan de werking van het vuur kon blootstellen.In Mei van ’t jaar 1826 werd eindelijk tot de oprichting van een maatschappij tot aanleg van een spoorweg tusschen Liverpool en Manchester besloten, en aan George Stephenson viel de eer te beurt, tot hoofd-ingenieur van dit werk te worden benoemd. Hij had bij den aanleg van dezen spoorweg met ontzaglijke bezwaren te kampen, maar hij wist ze alle te overwinnen. Zijn jaarlijksch salaris bedroeg toen ruim twaalf duizend gulden.Toen eindelijk deze eerste spoorweg gereed was, besloot men een wedstrijd te houden voor locomotieven, ten einde uit de verschillende systemen, welke toen bestonden, eene keuze te doen. Ook Stephenson nam aan dien wedstrijd deel met eene locomotief, die vervaardigd was in zijne machinefabriek te Newcastle.Die fabriek stond onder leiding van George Stephenson en diens zoon.Vijf locomotieven namen aan den wedstrijd deel. DeFire-dartvan Stephenson, deNoveltyvan Braithwaite en Erickson, deNon-pareilvan Timothy Backworth, dePerseverancevan Burstal en deCyclopèdevan Brandreth. Deze laatste locomotief moest getrokken worden door paarden, wel een bewijs, dat de fabrikant zelf weinig vertrouwen stelde in de kracht en toekomst van locomotieven. Over ’t algemeen had men er zeer weinig vertrouwen in. Sommigen vreesden, dat de wielen wel zouden draaien, maarnietin staat zouden zijn een aantal wagens voort te trekken. Anderen meenden, dat zóó zij al eenige kracht konden uitoefenen, de snelheid toch ver zou achterblijven bij die van een paard. Weer anderen geloofden, dat de locomotieven op den vlakken grond wel enkele wagens met eene kleine snelheid zouden kunnen voorttrekken, maar dat zelfs eene geringe verheffing van den grond reeds voldoende zou zijn, om den trein achteruit te doen rollen.De wedstrijd zou gehouden worden op de vlakte van Rainhill, die volmaakt horizontaal lag over eene lengte van 3218 Ned. ellen.Den 6en October 1829 had de wedstrijd plaats. ’t Eerst verscheen deFire-dartvan George en Robert Stephenson. Duizenden menschen waren uit alle oorden des lands samengestroomd, om van den wedstrijd getuige te zijn.DeFire-dartbleef overwinnaar. Zij trok met gemakde vastgestelde vracht voort met eene snelheid van 24 mijlen in het uur, en toen men haar geheel onbezwaard liet rijden, bracht zij het zelfs tot 40 mijlen per uur. Bij het oprijden van een hellend vlak deed zij 16 mijlen.DeNon-pareilvoldeed niet aan de gestelde voorwaarden en werd dientengevolge niet toegelaten.DeNoveltywas niet tijdig genoeg gereed, om beproefd te kunnen worden, en toen zij eindelijk aankwam, zaten de wielen niet goed. Eenige dagen later echter bracht zij het tot eene snelheid van 30 mijlen per uur, en onbezwaard van 38 tot 52 mijlen. Toen werd de ketel lek, zoodat de eigenaars zich vrijwillig uit den strijd terugtrokken.Ook dePerseverancevoldeed niet aan de gestelde eischen, en bleef dus buiten mededinging.DeCyclopèdemoest door paarden getrokken worden, en kwam dus niet eens in aanmerking.Aan Stephenson’s locomotief werd dus de overwinning toegekend en aan zijne fabriek de levering van het noodige aantal opgedragen.En deze eerste spoorweg werd al spoedig met vele andere vermeerderd. Stephenson’s fabriek nam snel in groei en bloei toe en werd een van de grootste machine-fabrieken van Engeland. De lijn Londen–Birmingham volgde in 1832. De vrees, om van een spoorwagen gebruik te maken, bleef echter nog langen tijd bestaan. Eerst in 1843 durfde Koningin Victoria het wagen, van dat vervoermiddel gebruik te maken, maar in 1858 nog kwam de groote minister Cavour in een reiswagen van Turijn naarParijs, omdat hij niet in een spoortrein durfde zitten.Den 20en September 1839 werd de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem voor het eerst bereden, den 6en December 1843 werd de lijn Amsterdam–den Haag geopend en den 2en Juli 1847 was de lijn Amsterdam–Rotterdam voltooid. Tien van de locomotieven, daarbij gebruikt, waren door de firma Stephenson geleverd.Zoo was dan van den eenvoudigen herdersknaap de beroemde ingenieur gegroeid, die aan het hoofd stond van eene fabriek, welke een wereldvermaardheid bezat.In 1860 trok hij zich uit de zaken terug, om zijne laatste levensjaren in rust en kalmte door te brengen.Hij stierf den 12en Augustus 1849.
Een doodelijke sprong.’t Was in het jaar 1482.Een kleine bende zwaargewapende ruiters reed in gestrekten draf over de Veluwsche heide, en bewoog zich in de richting van het dorpje Barneveld.’t Was een schoone stoet, die kleine ruiterdrom. Hoe krachtig en forsch waren die gestalten, hoe rinkelden die glinsterende harnassen, hoe blonken die stalen speren, hoe schitterden die helmen in de gouden stralen der zon. Vurig draafden de strijdrossen voort met opgeheven kop en opengesperde neusgaten. ’t Was, of zij trotsch waren op den last, dien zij droegen.Hoe heerlijk scheen de zon, en wat ademde de natuur allerwege rust en vrede.Maar helaas, onder de menschen woedde de oorlog. De Hoeksche en Kabeljauwsche twisten waren in vollen gang en brachten alom moord, brand en plundering.De Bisschop David van Bourgondië, door zijn oproerige onderdanen uit Utrecht verjaagd, trachtte met behulp van hen, die hem trouw gebleven waren, en met gehuurde benden zijn Bisschoppelijken zetel te heroveren. Zijn vijanden, die den Burggraaf van Montfoort tot opperhoofd gekozen hadden, hielden Utrecht bezet en verbonden zich met de HollandscheHoekschen. De Bisschop daarentegen vereenigde zich met de Kabeljauwschen en bracht zelfs den strijd op Hollandschen bodem over.Maar thans waren zijne benden teruggekeerd en woedde de strijd meer in Utrecht en op de Veluwe.Ook de bende ruiters, die zich op weg bevond naar Barneveld, droeg ’s Bisschops kleuren.Voorop rijdt de aanvoerder van den troep. ’t Is een forsch krijgsman. Zijn hooge gestalte steekt ver uit boven die van zijne volgelingen. Het vizier heeft hij opgeslagen en zijn blik is gericht op het dorpje, dat zij weldra genaderd zullen zijn. Hij weet, dat de vijand zich daar genesteld heeft, maar hij weet ook, dat de bezetting niet groot is. Hij heeft het besluit genomen, zich van het dorp meester te maken, en moge zijn bende slechts klein zijn in getal, hij weet, dat zijn mannen moedig zijn en voor niets terugdeinzen.Opeens steekt hij de hand op, houdt zijn ros in en wijst naar het dorp. De troep houdt stand.“Ruiters!” zegt hij. “Vóór ons ligt Barneveld, dat zich in de macht der vijanden bevindt. Wij zullen het veroveren! Op, voor Schaffelaar!”De ruiters heffen de speren omhoog en herhalen den kreet: “Op, voor Schaffelaar!”De rossen steigeren bij dien kreet en spitsen de ooren.“Voorwaarts, in vollen galop!” roept Jan van Schaffelaar. En te viervoet, met de speer in de rechterhand en het schild aan den linkerarm, rennen zij het dorp binnen.De vijand is echter wakende. Men heeft de Bisschoppelijken zien naderen en zich voor den strijd opgesteld. Een bende ruiters wacht hen af en rijdt met gevelde lans op hen in.Er ontstaat een vreeselijk gevecht.De paarden brieschen en hinniken, de zwaarden kletteren op schild en harnas, de ruiters heffen hun strijdleus aan, en ’t gillen en kermen der gewonden en stervenden mengt er zich doorheen.De hooge gestalte van Jan van Schaffelaar is steeds daar te zien, waar het gevecht het heetst is. En zijn moed bezielt de zijnen. De vijanden moeten langzamerhand wijken, de Schaffelaars dringen voorwaarts. Hunne zwaarden flikkeren door de lucht, en wel doen de Hoekschen al het mogelijke om stand te houden, maar ’t is tevergeefs. De aanval der Kabeljauwen is te hevig, en na een korten, maar verwoeden strijd jagen zij de vluchtenden voor zich uit. De Schaffelaars zijn overwinnaar gebleven en Barneveld bevindt zich in hunne macht. De dappere aanvoerder is met een twintigtal volgelingen overgebleven.De paarden worden hier en daar in stallen geborgen, de zware rustingen uitgetrokken, en de ruiters kunnen hun vermaak zoeken.Heer Jan van Schaffelaar had zich een onderdak gekozen in een taveerne, waar hij den nacht wilde doorbrengen. Hij verheugde zich over de behaalde overwinning en gunde zijne ruiters gaarne het genot, dat zij zochten bij teerling en bierkroes.Maar zie, nog was de nacht niet gevallen, of eengroote bende ruiters reed onverwachts Barneveld binnen, om zich te wreken over de geleden nederlaag. En hun komst bracht geweldigen schrik onder de Schaffelaars.“Te wapen! De vijand komt!” klonk het alom.Die kreet wekte Van Schaffelaar uit zijn rust, en deed hem naar de wapenen grijpen. IJlings gespte hij het harnas aan en met het zwaard in de vuist snelde hij naar buiten.“Zadelt de paarden!” gebood hij. “Te wapen!”Zijn bevel kwam te laat. De vijand naderde en liet hem geen tijd om zich verder ten strijde uit te rusten. De paarden moesten in de stallen blijven.Inderhaast verzamelde hij zijne ruiters om zich heen, maar al spoedig begreep hij, dat de strijd vruchteloos zou zijn. De vijand was overmachtig en dwong hem weldra tot wijken.O, dat hij zijne paarden niet bereiken kon!“Op, op, mannen, voor Van Schaffelaar!” riep hij zijn volgelingen toe.Onophoudelijk klonk het gekletter der zwaarden, en de strijdkreten vulden de lucht. Reeds stortten een paar der zijnen ter aarde. Van Schaffelaar moest wijken of sterven. Zoo naderde hij de kerk en den toren.Ha, wellicht kon hij zich daar voorloopig in veiligheid stellen. Zijn besluit was onmiddellijk genomen.“In den toren!” gebood hij.Slechts met moeite gelukte het hem dezen te bereiken, en nauwelijks daar aangekomen liet hij den toegang versperren. Hij en zijne mannenhadden het veege lijf voorloopig gered. Wel beproefden de vijanden zich eveneens een toegang tot den toren te banen, maar Van Schaffelaar wist het hun te beletten. Nog beschouwde hij zich niet als verloren. De Bisschop immers zou het gebeurde spoedig vernemen, en troepen zenden om hem te ontzetten?Neen, nog was hij niet verloren, al was de vijand ook nog zoo overmoedig. Tijd gewonnen is alles gewonnen, zoo dacht hij.Toch ontveinsde hij zich niet, dat zijn toestand hoogst gevaarlijk was, en dat hij den strijd slechts enkele dagen zou kunnen volhouden. Want bij den drom van vijanden, die zich thans om den toren legerden, zouden er zich spoedig nog twee voegen, waartegen moed noch list, zwaard noch speer iets vermocht. Die twee waren de honger en de dorst, de twee gevaarlijkste en wreedste vijanden, die zich in den strijd konden mengen.Zoodra hij zich voorloopig in veiligheid wist, monsterde hij zijne ruiters, en telde er negentien. Dadelijk gaf hij de noodige bevelen, om den toren in staat van tegenweer te stellen. Hij dacht er geen oogenblik over om met zijne vijanden in onderhandeling te treden. Hij toch wist, dat er voor hem geen genade zou zijn, dat zij hem een onoverkomelijken haat toedroegen en dat zij niet zouden rusten, voor zij hem dood of levend in handen hadden.Toen de morgenzon gloorde, spoedde hij zich naar een der kijkgaten, om den toestand te overzien. En nu bemerkte hij tot zijn schrik, dat debelegeraars zelfs stukken geschut met zich hadden medegevoerd, en die verdelgingsmiddelen, destijdsbussengenoemd, reeds hadden opgesteld, om met de beschieting van den toren te beginnen.Weldra brandden zij dan ook los en beukten de eerste kogels tegen den torenmuur. De zware dreun bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de belegerden, maar Van Schaffelaar wist hen spoedig te bemoedigen.“Houdt moed, dappere ruiters, en vreest die kogels niet!” riep hij hun toe. “Eer zij deze muren stuk gebeukt hebben, zal reeds de Bisschop, onze meester, zijne benden hebben gezonden om ons te verlossen. Houdt goeden moed. Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!”“Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” was het antwoord. Maar helaas, zij waren zoo goed als machteloos en slechts tot afwachten gedoemd. Want pijl noch boog hadden zij in hun bezit, zoodat het hun ten eenenmale onmogelijk was, iets tegen den vijand te ondernemen.Dat zou echter anders worden. De vijand had tot eene bestorming besloten. De bussen werden tot zwijgen gebracht, de ladders tegen de muren geplaatst, en nu klommen de belegeraars met het schild boven hun hoofden naar omhoog.Ha, dat gaf althans verandering, en aan het lijdelijk afwachten kwam een einde. Jan van Schaffelaar had op die bestorming gerekend en alles voor de verdediging in orde laten brengen. Zware balken lagen gereed om naar beneden geworpen te worden.Zijn ruiters wachtten slechts op zijn bevel.“Laat vallen!” klonk het eindelijk.Toen werden de zware balken naar beneden geworpen, de ladders verbrijzeld, en de vijanden die zich daarop bevonden, gedood of gewond.“Op voor Schaffelaar! Op voor Schaffelaar!” klonk het zegevierend van den toren.“Dood aan Van Schaffelaar! Op, voor Montfoort!” was het antwoord op dien kreet. Maar de aanval was afgeslagen en de belegerden waren voorloopig gered.Toen openden de bussen hun onheilbrengende monden, en beukten de kogels opnieuw tegen den torenmuur.En Van Schaffelaar stond op den hoogen trans en liet zijn blik dwalen ver, ver over de heide, of er eenige hulp kwam opdagen.Helaas, de dag ging voorbij en de nacht kwam, maar de hulp bleef uit. En de ergste vijanden, de honger en de dorst, waren met hun aanval begonnen. De ruiters versmachtten van dorst en hunkerden naar een stuk brood. Maar niemand kon het hun geven.De nacht ging voorbij en met den nieuwen dag begon ook de strijd opnieuw. De belegeraars hadden iets nieuws bedacht, om de ruiters uit hunne beschermende muren op te jagen. Zij kwamen aandragen met vochtig stroo en hooi, pekslingers en hout, en staken onder den toren een groot vuur aan, dat echter meer rook gaf dan vlammen. De zwarte walm steeg in dikke kolommen omhoog en drong door kijk- en galmgaten naar binnen.Ha,—hoe de dappere gevangenen zich thans zouden voelen! Tot stikkens toe benauwd zouden zij weldra om erbarming smeeken en zich op genade of ongenade overgeven.Doch niets daarvan gebeurde.Toen gaf de aanvoerder last, brandende pijlen naar de torenspits te schieten, opdat het vuur hen van twee kanten bedreigen zou. Opgejaagd zouden zij worden als konijnen uit hun holen.En de bussen schoten hun kogels tegen de muren, zoodat deze kraakten en scheurden.Het gevaar dreigde van alle kanten, maar de Schaffelaars, hoewel ten prooi aan honger en dorst, met niets dan den dood voor oogen, hielden wakker stand en dachten aan geen overgave. De toren was in rook gehuld, en de vlammen lekten de spits.Helaas, nog altoos kwam de hulp niet opdagen.... Zoo ging ook deze bange dag voorbij. De rookwolken waren eindelijk opgetrokken en de vlammen uitgewoed. Er was van den toren niet veel meer overgeschoten dan een klomp steenen, die niet meer branden kon.En Van Schaffelaar liet na dien bangen dag nogmaals zijn oog over de heide dwalen om te zien, of er geen redding naakte.Tevergeefs!Aan slapen was geen denken. De folterende dorst hield de oogen geopend en de knagende honger deed de wangen verbleeken en den moed verflauwen.Zoo kwam de derde dag. De zon verrees verrukkelijk schoon boven den horizon. Ach, waarom?Waarom was de lucht niet bedekt met wolken en gulpte het hemelwater niet bij stroomen neder, opdat de arme gevangenen zich laven konden? Ja, waarom?Opnieuw werden de ladders tegen de muren geplaatst, en nogmaals werd de toren bestormd.“Op ruiters, op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” riep de dappere aanvoerder de zijnen toe.Maar die kreet bracht thans slechts verzet en murmureering.“Waarom op voor den Bisschop?” morden de ruiters. “Zit hij niet veilig en rustig in Wijk bij Duurstede, en laat hij ons niet versmachten van honger en dorst?”“Op, op voor Schaffelaar dan!” riep de aanvoerder. “Ha, daar klimmen de vijanden tegen de ladders op! Wilt ge dan sterven, dappere ruiters? Op, op voor Van Schaffelaar! Werpt die balken naar beneden, opdat zij den vijanden den schedel verpletteren!”“Ja, op voor Schaffelaar!” riepen de ruiters met vernieuwden moed. En zij grepen de zware balken aan en wierpen die over de borstwering. Ha, hoe sleepten zij de vijanden mede in hun val! Weer was de storm afgeslagen. “Op voor Van Schaffelaar!” klonk hun kreet. De holle oogen der ongelukkigen glansden van vernieuwden moed,—maar het was de moed der wanhoop.“De redding zàl komen!” riep Van Schaffelaar hun telkens toe. Maar toen zij uitbleef en de bange dag langzaam voorbij kroop, ontzonk hun de moed geheel en eischten zij, dat Van Schaffelaar zichzou overgeven. Zij eischten dat met zooveel aandrang, dat hij niet langer weigeren mocht. Hij plaatste zich met zijn trompetter op den trans en de laatste liet zijn schelle tonen over den omtrek weerklinken.Spoedig verscheen de aanvoerder der Hoekschen.“Wat wenscht gij, Van Schaffelaar?” vroeg deze met luide stem.“Ik wil den toren overgeven op voorwaarde van vrijen uittocht voor mij en mijne ruiters!” riep Van Schaffelaar hem toe.Een hoongelach was het antwoord.“Honger en dorst, kruit en lood zullen u wel spoedig anders doen spreken, Van Schaffelaar! Gij zijt verloren, en niemand kan u meer redden. Ik eisch uw aller leven!”“Nooit,” zei Van Schaffelaar. “Als wij toch sterven moeten, zullen wij het doen met het zwaard in de vuist. Dan sterven wij althans een eervollen krijgsmansdood.”“Is dat uw laatste woord?” vroeg de vijand.“Mijn laatste!” sprak Van Schaffelaar.“Welnu, dan zal ik u een anderen eisch stellen. Uwe mannen zullen lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits zij U, Jan van Schaffelaar, van den toren werpen!”En lachend keerde de vijandelijke hoofdman naar zijne krijgers terug.“Dappere ruiters, ge hebt het gehoord,” sprak Van Schaffelaar zijne mannen toe. “Gij kunt lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits ge mijvan den toren werpt. Mijn lot is in uwe handen.”Zijn trouwe volgelingen traden echter met afschuw terug. Zouden zij hun dapperen aanvoerder een zoo gruwelijken dood doen sterven?“Nooit! Dat nooit!” riepen zij hem eenparig toe. “Dan liever allen een eerlijken krijgsmansdood sterven met het zwaard in de vuist en het schild aan den arm! Geef bevel, dat wij den toren verlaten. Op, op voor Van Schaffelaar!”“Neen mannen, nog niet! Nog is de nood niet het hoogst geklommen. Nog is er redding mogelijk. Laten wij nog één enkelen nacht honger en dorst verdragen. Elk uur is er een. De Bisschop zal ons niet aan ons lot overlaten. Houdt goeden moed.”Zoo kwam de laatste nacht, en deze werd door den Heer van den Schaffelaar wakende doorgebracht.O, zijn borst zwol van vreugde bij de gedachte aan de trouw van zijne dappere ruiters, die liever den dood wenschten, dan hem op te offeren. Hoe kon hij die trouw tot in den dood beloonen?Ja, hij wist het. Kon hij niet zijn eigen leven opofferen voor dat van zijne dappere volgelingen? Moest hij minder zijn dan zij? Was hij geen edelman? Indien zijne trouwe ruiters weigerden hem naar beneden te werpen, kon hij dan zelf den doodelijken sprong niet doen, om zijne wreede vijanden tevreden te stellen? ’t Was hun immers alleen om zijn leven te doen? Om het leven van den dapperen aanvoerder, die zijne ruiters al zoo menigmaal ter overwinning had gevoerd?O, hij zou niet weifelen, niet dralen. Hij vreesdeden dood niet, en zou zijn leven gewillig offeren, om dat van zijne trouwe ruiters te redden.Toen de zon opkwam en hij de wanhopige blikken der zijnen ontmoette, die hem spraken van onuitsprekelijk lijden en van stervensnood,—toen was zijn besluit genomen. Nog eenmaal beklom hij den trans om uit te zien, of de redding misschien nabij was. Helaas,—het verste verschiet toonde geen naderende bende. Ontmoedigd keerde hij naar de zijnen terug, terwijl opnieuw het vuur der bussen op den toren werd geopend. Zoo gingen weer enkele uren voorbij, en steeds dringender vroegen zijne ruiters hem den toren te verlaten en zich op den vijand te werpen. Zij verlangden naar den dood, liever dan langer ten prooi te blijven aan den honger en den dorst, die hen schier krankzinnig maakte.“Laat mij nog eenmaal met den vijand onderhandelen!” zei hij.En nogmaals begaf hij zich op den trans en klonk het trompetgeschal.“Welnu, zijn uwe mannen bereid, u naar beneden te werpen?” vroeg de aanvoerder sarrend.“Neen,” zei Van Schaffelaar. “Maar als ik mijzelven naar beneden werp, zult gij ook dan uw woord houden en mijne volgelingen de vrijheid geven?”“Ha, ha,—wat pocherij!” riep de aanvoerder, die niet geloofde, dat Van Schaffelaar in ernst sprak. “Zeker, ook in dat geval hebben zij vrijen uittocht, op mijne eer!”“Het zij zoo!” sprak Van Schaffelaar. En metverheffing van stem riep hij zijne trouwe ruiters toe:“Spitsbroeders! Ik wil u in geen last brengen. Ik moet toch eenmaal sterven!”Toen wuifde hij hun zijn laatst vaarwel toe, plaatste zijne handen in de zijden en sprong van den trans naar beneden.Met een dreunenden slag kwam zijn lichaam op den grond terecht,—maar nog was hij niet dood. Met getrokken zwaard vielen zijne vijanden op hem aan en bluschten hem het levenslicht.—“Hij stort, hij valt, hij ledebraakt,En stuiptrekt in den dood,En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,Beschaamt en kleurt ze rood.Het krijgsvuur bluscht, de brand gaat uit,En ’t schriktooneel wendt af,Maar de eerkroon, aan geen zwaard ten buit,Omtuilt het heldengraf!”11Tollens.
’t Was in het jaar 1482.
Een kleine bende zwaargewapende ruiters reed in gestrekten draf over de Veluwsche heide, en bewoog zich in de richting van het dorpje Barneveld.
’t Was een schoone stoet, die kleine ruiterdrom. Hoe krachtig en forsch waren die gestalten, hoe rinkelden die glinsterende harnassen, hoe blonken die stalen speren, hoe schitterden die helmen in de gouden stralen der zon. Vurig draafden de strijdrossen voort met opgeheven kop en opengesperde neusgaten. ’t Was, of zij trotsch waren op den last, dien zij droegen.
Hoe heerlijk scheen de zon, en wat ademde de natuur allerwege rust en vrede.
Maar helaas, onder de menschen woedde de oorlog. De Hoeksche en Kabeljauwsche twisten waren in vollen gang en brachten alom moord, brand en plundering.
De Bisschop David van Bourgondië, door zijn oproerige onderdanen uit Utrecht verjaagd, trachtte met behulp van hen, die hem trouw gebleven waren, en met gehuurde benden zijn Bisschoppelijken zetel te heroveren. Zijn vijanden, die den Burggraaf van Montfoort tot opperhoofd gekozen hadden, hielden Utrecht bezet en verbonden zich met de HollandscheHoekschen. De Bisschop daarentegen vereenigde zich met de Kabeljauwschen en bracht zelfs den strijd op Hollandschen bodem over.
Maar thans waren zijne benden teruggekeerd en woedde de strijd meer in Utrecht en op de Veluwe.
Ook de bende ruiters, die zich op weg bevond naar Barneveld, droeg ’s Bisschops kleuren.
Voorop rijdt de aanvoerder van den troep. ’t Is een forsch krijgsman. Zijn hooge gestalte steekt ver uit boven die van zijne volgelingen. Het vizier heeft hij opgeslagen en zijn blik is gericht op het dorpje, dat zij weldra genaderd zullen zijn. Hij weet, dat de vijand zich daar genesteld heeft, maar hij weet ook, dat de bezetting niet groot is. Hij heeft het besluit genomen, zich van het dorp meester te maken, en moge zijn bende slechts klein zijn in getal, hij weet, dat zijn mannen moedig zijn en voor niets terugdeinzen.
Opeens steekt hij de hand op, houdt zijn ros in en wijst naar het dorp. De troep houdt stand.
“Ruiters!” zegt hij. “Vóór ons ligt Barneveld, dat zich in de macht der vijanden bevindt. Wij zullen het veroveren! Op, voor Schaffelaar!”
De ruiters heffen de speren omhoog en herhalen den kreet: “Op, voor Schaffelaar!”
De rossen steigeren bij dien kreet en spitsen de ooren.
“Voorwaarts, in vollen galop!” roept Jan van Schaffelaar. En te viervoet, met de speer in de rechterhand en het schild aan den linkerarm, rennen zij het dorp binnen.
De vijand is echter wakende. Men heeft de Bisschoppelijken zien naderen en zich voor den strijd opgesteld. Een bende ruiters wacht hen af en rijdt met gevelde lans op hen in.
Er ontstaat een vreeselijk gevecht.
De paarden brieschen en hinniken, de zwaarden kletteren op schild en harnas, de ruiters heffen hun strijdleus aan, en ’t gillen en kermen der gewonden en stervenden mengt er zich doorheen.
De hooge gestalte van Jan van Schaffelaar is steeds daar te zien, waar het gevecht het heetst is. En zijn moed bezielt de zijnen. De vijanden moeten langzamerhand wijken, de Schaffelaars dringen voorwaarts. Hunne zwaarden flikkeren door de lucht, en wel doen de Hoekschen al het mogelijke om stand te houden, maar ’t is tevergeefs. De aanval der Kabeljauwen is te hevig, en na een korten, maar verwoeden strijd jagen zij de vluchtenden voor zich uit. De Schaffelaars zijn overwinnaar gebleven en Barneveld bevindt zich in hunne macht. De dappere aanvoerder is met een twintigtal volgelingen overgebleven.
De paarden worden hier en daar in stallen geborgen, de zware rustingen uitgetrokken, en de ruiters kunnen hun vermaak zoeken.
Heer Jan van Schaffelaar had zich een onderdak gekozen in een taveerne, waar hij den nacht wilde doorbrengen. Hij verheugde zich over de behaalde overwinning en gunde zijne ruiters gaarne het genot, dat zij zochten bij teerling en bierkroes.
Maar zie, nog was de nacht niet gevallen, of eengroote bende ruiters reed onverwachts Barneveld binnen, om zich te wreken over de geleden nederlaag. En hun komst bracht geweldigen schrik onder de Schaffelaars.
“Te wapen! De vijand komt!” klonk het alom.
Die kreet wekte Van Schaffelaar uit zijn rust, en deed hem naar de wapenen grijpen. IJlings gespte hij het harnas aan en met het zwaard in de vuist snelde hij naar buiten.
“Zadelt de paarden!” gebood hij. “Te wapen!”
Zijn bevel kwam te laat. De vijand naderde en liet hem geen tijd om zich verder ten strijde uit te rusten. De paarden moesten in de stallen blijven.
Inderhaast verzamelde hij zijne ruiters om zich heen, maar al spoedig begreep hij, dat de strijd vruchteloos zou zijn. De vijand was overmachtig en dwong hem weldra tot wijken.
O, dat hij zijne paarden niet bereiken kon!
“Op, op, mannen, voor Van Schaffelaar!” riep hij zijn volgelingen toe.
Onophoudelijk klonk het gekletter der zwaarden, en de strijdkreten vulden de lucht. Reeds stortten een paar der zijnen ter aarde. Van Schaffelaar moest wijken of sterven. Zoo naderde hij de kerk en den toren.
Ha, wellicht kon hij zich daar voorloopig in veiligheid stellen. Zijn besluit was onmiddellijk genomen.
“In den toren!” gebood hij.
Slechts met moeite gelukte het hem dezen te bereiken, en nauwelijks daar aangekomen liet hij den toegang versperren. Hij en zijne mannenhadden het veege lijf voorloopig gered. Wel beproefden de vijanden zich eveneens een toegang tot den toren te banen, maar Van Schaffelaar wist het hun te beletten. Nog beschouwde hij zich niet als verloren. De Bisschop immers zou het gebeurde spoedig vernemen, en troepen zenden om hem te ontzetten?
Neen, nog was hij niet verloren, al was de vijand ook nog zoo overmoedig. Tijd gewonnen is alles gewonnen, zoo dacht hij.
Toch ontveinsde hij zich niet, dat zijn toestand hoogst gevaarlijk was, en dat hij den strijd slechts enkele dagen zou kunnen volhouden. Want bij den drom van vijanden, die zich thans om den toren legerden, zouden er zich spoedig nog twee voegen, waartegen moed noch list, zwaard noch speer iets vermocht. Die twee waren de honger en de dorst, de twee gevaarlijkste en wreedste vijanden, die zich in den strijd konden mengen.
Zoodra hij zich voorloopig in veiligheid wist, monsterde hij zijne ruiters, en telde er negentien. Dadelijk gaf hij de noodige bevelen, om den toren in staat van tegenweer te stellen. Hij dacht er geen oogenblik over om met zijne vijanden in onderhandeling te treden. Hij toch wist, dat er voor hem geen genade zou zijn, dat zij hem een onoverkomelijken haat toedroegen en dat zij niet zouden rusten, voor zij hem dood of levend in handen hadden.
Toen de morgenzon gloorde, spoedde hij zich naar een der kijkgaten, om den toestand te overzien. En nu bemerkte hij tot zijn schrik, dat debelegeraars zelfs stukken geschut met zich hadden medegevoerd, en die verdelgingsmiddelen, destijdsbussengenoemd, reeds hadden opgesteld, om met de beschieting van den toren te beginnen.
Weldra brandden zij dan ook los en beukten de eerste kogels tegen den torenmuur. De zware dreun bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de belegerden, maar Van Schaffelaar wist hen spoedig te bemoedigen.
“Houdt moed, dappere ruiters, en vreest die kogels niet!” riep hij hun toe. “Eer zij deze muren stuk gebeukt hebben, zal reeds de Bisschop, onze meester, zijne benden hebben gezonden om ons te verlossen. Houdt goeden moed. Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!”
“Op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” was het antwoord. Maar helaas, zij waren zoo goed als machteloos en slechts tot afwachten gedoemd. Want pijl noch boog hadden zij in hun bezit, zoodat het hun ten eenenmale onmogelijk was, iets tegen den vijand te ondernemen.
Dat zou echter anders worden. De vijand had tot eene bestorming besloten. De bussen werden tot zwijgen gebracht, de ladders tegen de muren geplaatst, en nu klommen de belegeraars met het schild boven hun hoofden naar omhoog.
Ha, dat gaf althans verandering, en aan het lijdelijk afwachten kwam een einde. Jan van Schaffelaar had op die bestorming gerekend en alles voor de verdediging in orde laten brengen. Zware balken lagen gereed om naar beneden geworpen te worden.
Zijn ruiters wachtten slechts op zijn bevel.
“Laat vallen!” klonk het eindelijk.
Toen werden de zware balken naar beneden geworpen, de ladders verbrijzeld, en de vijanden die zich daarop bevonden, gedood of gewond.
“Op voor Schaffelaar! Op voor Schaffelaar!” klonk het zegevierend van den toren.
“Dood aan Van Schaffelaar! Op, voor Montfoort!” was het antwoord op dien kreet. Maar de aanval was afgeslagen en de belegerden waren voorloopig gered.
Toen openden de bussen hun onheilbrengende monden, en beukten de kogels opnieuw tegen den torenmuur.
En Van Schaffelaar stond op den hoogen trans en liet zijn blik dwalen ver, ver over de heide, of er eenige hulp kwam opdagen.
Helaas, de dag ging voorbij en de nacht kwam, maar de hulp bleef uit. En de ergste vijanden, de honger en de dorst, waren met hun aanval begonnen. De ruiters versmachtten van dorst en hunkerden naar een stuk brood. Maar niemand kon het hun geven.
De nacht ging voorbij en met den nieuwen dag begon ook de strijd opnieuw. De belegeraars hadden iets nieuws bedacht, om de ruiters uit hunne beschermende muren op te jagen. Zij kwamen aandragen met vochtig stroo en hooi, pekslingers en hout, en staken onder den toren een groot vuur aan, dat echter meer rook gaf dan vlammen. De zwarte walm steeg in dikke kolommen omhoog en drong door kijk- en galmgaten naar binnen.
Ha,—hoe de dappere gevangenen zich thans zouden voelen! Tot stikkens toe benauwd zouden zij weldra om erbarming smeeken en zich op genade of ongenade overgeven.
Doch niets daarvan gebeurde.
Toen gaf de aanvoerder last, brandende pijlen naar de torenspits te schieten, opdat het vuur hen van twee kanten bedreigen zou. Opgejaagd zouden zij worden als konijnen uit hun holen.
En de bussen schoten hun kogels tegen de muren, zoodat deze kraakten en scheurden.
Het gevaar dreigde van alle kanten, maar de Schaffelaars, hoewel ten prooi aan honger en dorst, met niets dan den dood voor oogen, hielden wakker stand en dachten aan geen overgave. De toren was in rook gehuld, en de vlammen lekten de spits.
Helaas, nog altoos kwam de hulp niet opdagen.... Zoo ging ook deze bange dag voorbij. De rookwolken waren eindelijk opgetrokken en de vlammen uitgewoed. Er was van den toren niet veel meer overgeschoten dan een klomp steenen, die niet meer branden kon.
En Van Schaffelaar liet na dien bangen dag nogmaals zijn oog over de heide dwalen om te zien, of er geen redding naakte.
Tevergeefs!
Aan slapen was geen denken. De folterende dorst hield de oogen geopend en de knagende honger deed de wangen verbleeken en den moed verflauwen.
Zoo kwam de derde dag. De zon verrees verrukkelijk schoon boven den horizon. Ach, waarom?Waarom was de lucht niet bedekt met wolken en gulpte het hemelwater niet bij stroomen neder, opdat de arme gevangenen zich laven konden? Ja, waarom?
Opnieuw werden de ladders tegen de muren geplaatst, en nogmaals werd de toren bestormd.
“Op ruiters, op, voor Schaffelaar en den Bisschop!” riep de dappere aanvoerder de zijnen toe.
Maar die kreet bracht thans slechts verzet en murmureering.
“Waarom op voor den Bisschop?” morden de ruiters. “Zit hij niet veilig en rustig in Wijk bij Duurstede, en laat hij ons niet versmachten van honger en dorst?”
“Op, op voor Schaffelaar dan!” riep de aanvoerder. “Ha, daar klimmen de vijanden tegen de ladders op! Wilt ge dan sterven, dappere ruiters? Op, op voor Van Schaffelaar! Werpt die balken naar beneden, opdat zij den vijanden den schedel verpletteren!”
“Ja, op voor Schaffelaar!” riepen de ruiters met vernieuwden moed. En zij grepen de zware balken aan en wierpen die over de borstwering. Ha, hoe sleepten zij de vijanden mede in hun val! Weer was de storm afgeslagen. “Op voor Van Schaffelaar!” klonk hun kreet. De holle oogen der ongelukkigen glansden van vernieuwden moed,—maar het was de moed der wanhoop.
“De redding zàl komen!” riep Van Schaffelaar hun telkens toe. Maar toen zij uitbleef en de bange dag langzaam voorbij kroop, ontzonk hun de moed geheel en eischten zij, dat Van Schaffelaar zichzou overgeven. Zij eischten dat met zooveel aandrang, dat hij niet langer weigeren mocht. Hij plaatste zich met zijn trompetter op den trans en de laatste liet zijn schelle tonen over den omtrek weerklinken.
Spoedig verscheen de aanvoerder der Hoekschen.
“Wat wenscht gij, Van Schaffelaar?” vroeg deze met luide stem.
“Ik wil den toren overgeven op voorwaarde van vrijen uittocht voor mij en mijne ruiters!” riep Van Schaffelaar hem toe.
Een hoongelach was het antwoord.
“Honger en dorst, kruit en lood zullen u wel spoedig anders doen spreken, Van Schaffelaar! Gij zijt verloren, en niemand kan u meer redden. Ik eisch uw aller leven!”
“Nooit,” zei Van Schaffelaar. “Als wij toch sterven moeten, zullen wij het doen met het zwaard in de vuist. Dan sterven wij althans een eervollen krijgsmansdood.”
“Is dat uw laatste woord?” vroeg de vijand.
“Mijn laatste!” sprak Van Schaffelaar.
“Welnu, dan zal ik u een anderen eisch stellen. Uwe mannen zullen lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits zij U, Jan van Schaffelaar, van den toren werpen!”
En lachend keerde de vijandelijke hoofdman naar zijne krijgers terug.
“Dappere ruiters, ge hebt het gehoord,” sprak Van Schaffelaar zijne mannen toe. “Gij kunt lijfsbehoud verwerven en vrij uittrekken, mits ge mijvan den toren werpt. Mijn lot is in uwe handen.”
Zijn trouwe volgelingen traden echter met afschuw terug. Zouden zij hun dapperen aanvoerder een zoo gruwelijken dood doen sterven?
“Nooit! Dat nooit!” riepen zij hem eenparig toe. “Dan liever allen een eerlijken krijgsmansdood sterven met het zwaard in de vuist en het schild aan den arm! Geef bevel, dat wij den toren verlaten. Op, op voor Van Schaffelaar!”
“Neen mannen, nog niet! Nog is de nood niet het hoogst geklommen. Nog is er redding mogelijk. Laten wij nog één enkelen nacht honger en dorst verdragen. Elk uur is er een. De Bisschop zal ons niet aan ons lot overlaten. Houdt goeden moed.”
Zoo kwam de laatste nacht, en deze werd door den Heer van den Schaffelaar wakende doorgebracht.
O, zijn borst zwol van vreugde bij de gedachte aan de trouw van zijne dappere ruiters, die liever den dood wenschten, dan hem op te offeren. Hoe kon hij die trouw tot in den dood beloonen?
Ja, hij wist het. Kon hij niet zijn eigen leven opofferen voor dat van zijne dappere volgelingen? Moest hij minder zijn dan zij? Was hij geen edelman? Indien zijne trouwe ruiters weigerden hem naar beneden te werpen, kon hij dan zelf den doodelijken sprong niet doen, om zijne wreede vijanden tevreden te stellen? ’t Was hun immers alleen om zijn leven te doen? Om het leven van den dapperen aanvoerder, die zijne ruiters al zoo menigmaal ter overwinning had gevoerd?
O, hij zou niet weifelen, niet dralen. Hij vreesdeden dood niet, en zou zijn leven gewillig offeren, om dat van zijne trouwe ruiters te redden.
Toen de zon opkwam en hij de wanhopige blikken der zijnen ontmoette, die hem spraken van onuitsprekelijk lijden en van stervensnood,—toen was zijn besluit genomen. Nog eenmaal beklom hij den trans om uit te zien, of de redding misschien nabij was. Helaas,—het verste verschiet toonde geen naderende bende. Ontmoedigd keerde hij naar de zijnen terug, terwijl opnieuw het vuur der bussen op den toren werd geopend. Zoo gingen weer enkele uren voorbij, en steeds dringender vroegen zijne ruiters hem den toren te verlaten en zich op den vijand te werpen. Zij verlangden naar den dood, liever dan langer ten prooi te blijven aan den honger en den dorst, die hen schier krankzinnig maakte.
“Laat mij nog eenmaal met den vijand onderhandelen!” zei hij.
En nogmaals begaf hij zich op den trans en klonk het trompetgeschal.
“Welnu, zijn uwe mannen bereid, u naar beneden te werpen?” vroeg de aanvoerder sarrend.
“Neen,” zei Van Schaffelaar. “Maar als ik mijzelven naar beneden werp, zult gij ook dan uw woord houden en mijne volgelingen de vrijheid geven?”
“Ha, ha,—wat pocherij!” riep de aanvoerder, die niet geloofde, dat Van Schaffelaar in ernst sprak. “Zeker, ook in dat geval hebben zij vrijen uittocht, op mijne eer!”
“Het zij zoo!” sprak Van Schaffelaar. En metverheffing van stem riep hij zijne trouwe ruiters toe:
“Spitsbroeders! Ik wil u in geen last brengen. Ik moet toch eenmaal sterven!”
Toen wuifde hij hun zijn laatst vaarwel toe, plaatste zijne handen in de zijden en sprong van den trans naar beneden.
Met een dreunenden slag kwam zijn lichaam op den grond terecht,—maar nog was hij niet dood. Met getrokken zwaard vielen zijne vijanden op hem aan en bluschten hem het levenslicht.—
“Hij stort, hij valt, hij ledebraakt,En stuiptrekt in den dood,En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,Beschaamt en kleurt ze rood.Het krijgsvuur bluscht, de brand gaat uit,En ’t schriktooneel wendt af,Maar de eerkroon, aan geen zwaard ten buit,Omtuilt het heldengraf!”1
“Hij stort, hij valt, hij ledebraakt,
En stuiptrekt in den dood,
En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,
Beschaamt en kleurt ze rood.
Het krijgsvuur bluscht, de brand gaat uit,
En ’t schriktooneel wendt af,
Maar de eerkroon, aan geen zwaard ten buit,
Omtuilt het heldengraf!”1
1Tollens.
1Tollens.
Een heldenschaar.Xerxes, de machtige koning der Perzen en beheerscher van gansch Azië, rustte zich ten strijde uit, om ook Europa aan zijne macht te onderwerpen. Het eerst moesten de Grieken het ontgelden. Hadden zij niet de Perzische afgezanten beleedigd en gedood? Eischte dat geen wraak?Zijn toerustingen waren reusachtig en vergden niet minder dan twee volle jaren. Alle krachten van Azië moesten daartoe medewerken. Een ontzaglijk leger werd op de been gebracht, en eene talrijke vloot van transportschepen, met levensmiddelen beladen, zou het leger begeleiden, opdat het in elk geval tegen gebrek beveiligd zou zijn.Er werden bruggen opgeslagen, waarop het leger den Hellespont moest overtrekken. De eene brug bestond uit 340, de andere uit 360 schepen. Deze schepen werden aan voor- en achterzijde door sterke ankers vastgehouden, zoodat zij niet door den stroom konden worden meegesleept. Op de lagere schepen werden stellages gebouwd, om ze even hoog als de andere te maken. Over de lange rij vaartuigen liepen dikke touwen van den Aziatischen naar den Europeeschen oever, daarover werden boomstammen gelegd, dan weer sterke touwen, hierop een balkenlaag, en dan volgde de bovenbouw van de brug, welkemet aarde bedekt en van borstweringen voorzien was.Toen de bruggen gereed waren, stak er een hevige storm op, die het grootsche werk totaal vernielde. De woede van Xerxes kende geen grenzen en de ongelukkige bouwmeesters werden op zijn bevel onthoofd. Zelfs de zee werd op last van den koning hevig met geeselslagen gestraft. Daarna liet de booze vorst haar boeien, door zware kettingen in de diepte te werpen.Dadelijk ving men aan met het bouwen van nieuwe bruggen, en eindelijk kon de overtocht van het reusachtige leger beginnen. Die overtocht duurde niet minder dan zeven dagen. Toen moest het leger op last van Xerxes worden geteld, maar dat was heel moeilijk te doen. Eindelijk bedacht men er op, 10000 krijgslieden in dichte gelederen naast elkander te plaatsen en daaromheen eene soort van schutting te bouwen. Het geheele leger, moest nu die schuur doortrekken. Telkens als zij geheel gevuld was, noteerde men weer 10000 man, en zoo kwam men tot een totaal van 1.700.000 man. Bovendien was de geheele Hellespont met oorlogsschepen gevuld. Voorwaar eene oorlogsmacht, die het kleine Griekenland met angst en ontzetting moest vervullen. Hoe zouden de Grieksche staten, die zelfs door geen onderlingen band verbonden waren, zich tegen die groote overmacht verdedigen? Helaas, helaas, gansch Griekenland zou verwoest, de bevolking vermoord worden. In hun angst begaven zij zich naar Delphi, om het beroemde orakel te raadplegen.De voorspellingen van de Pythia Aristonice warenechter verre van bemoedigend. Op haar gouden drievoet gezeten boven den afgrond, waaruit bedwelmende dampen opstegen, verkondigde hare stem, dat Sparta zou worden verwoest.“Ongelukkigen, wat toeft gij?” klonk het den Grieken toe. “Vlucht naar de einden der aarde. Want noch het hoofd, noch het lijf, noch de voeten, noch de handen, zelfs geen stuk in het midden van den romp blijft ongeschonden, maar alles is weg! Want het vuur en de toorn van Ares, die de strijdwagens der Syriërs voortstuwt, werpt alles in het stof. Niet alleen uw burcht, neen, nog vele andere sterkten en vele tempels der onsterfelijke goden legt hij in den asch. Voort dan uit mijn heiligdom en bereidt uwe zielen op het naderend onheil voor!”Deze uitspraak, die zelfs geen sprankje hoop overliet, durfde men het Grieksche volk niet bekend maken, en men waagde het nogmaals de uitspraak der Pythia in te roepen. De gezanten der Atheners traden den tempel van Apollo binnen met olijftakken, die met wol omwonden waren, ten teeken, dat men de bescherming der godheid kwam inroepen, en verklaarden, dat zij het heiligdom niet zouden verlaten, maar er tot hun dood toe blijven, indien de godheid zich van hen afkeerde.Toen sprak de Pythia:“Pallas beproeft tevergeefs den Olympischen Zeus te verzoenen, ofschoon zij onophoudelijk en met het meeste overleg hare beden tot hem richt. Nog eenmaal doe ik u een woord vernemen, dat onverzettelijk is als staal. Ziet, wanneer alles wat hetgebied van Cecrops en de bocht van den heiligen berg Cithaeron in zich bevat, den vijand in handen valt, dan beschermt de opperbestuurder Zeus toch den houten burcht van Athene, uwe toevlucht en die uwer kinderen, tegen de verwoesting. Toeft niet, totdat de ruiters en de golvende drommen voetvolk naderen, rustig op het vasteland. Neen, wijkt en keert den vijand den rug toe: later komt de tijd om hem het hoofd te bieden. Goddelijk eiland Salamis, voorwaar, gij verdelgt de zonen der vrouwen, hetzij Demeter zich verstrooit of verzamelt.”Deze geheimzinnige woorden, veel op een raadsel gelijkende, werden natuurlijk op verschillende wijzen uitgelegd, maar het gevolg ervan was toch, dat de Atheners besloten zich tot het uiterste te verdedigen en afgezanten naar de andere staten te zenden, om hen uit te noodigen, zich met hen te vereenigen en zich krachtig tot den strijd uit te rusten. De Atheners rustten in den tijd van vier weken eene vloot uit van niet minder dan 147 schepen en waren niet van plan, zich met een minder getal dan 200 tevreden te stellen.Jammer, dat in de andere Grieksche staten niet dezelfde geestdrift heerschte. Men vreesde de overmacht van den Perzischen koning en durfde zich niet verdedigen. Sommige staten zelfs namen het droevige besluit, den vijand zout en aarde aan te bieden, ten teeken van hunne onderwerping.Ook in den machtigen staat Sparta was men lauw en laksch. Eerst twistten zij met de Atheners, wie leger en vloot zouden aanvoeren, en toen deAtheners grootmoedig de eer daarvan aan Sparta hadden gelaten, verscholen zij zich achter het voorwendsel, dat de nadering van de Olympische spelen hun belette, eene krijgsmacht van eenige beteekenis naar de grenzen te zenden. Slechts 300 Spartanen, onder bevel van hun koning (aanvoerder) Leonidas, werden aangewezen, om ten strijde te trekken.Dapperder man dan Leonidas had men in gansch Griekenland niet kunnen vinden. Hij schaamde zich voor zijne landgenooten over hunne nalatigheid en vertelde op zijn tocht door Midden-Griekenland aan ieder, die het hooren wilde, dat zijn mannen slechts de voorhoede vormden van het groote leger, dat uit Sparta aanrukte. Zijne kleine schare werd dientengevolge nog door hopliten uit andere staten versterkt, zoodat hij eindelijk 8000 man onder zijne bevelen had.Doch wat konden 8000 man beginnen tegen een leger van bijna twee millioen?Xerxes met zijn ontzaglijk leger naderde. Wel was zijn marsch moeilijk geweest, wel had de Olympus met zijn met sneeuw bedekten kruin, zijne nauwe passen en zijne dichte wouden hem in zijn voortgang belemmerd, maar eindelijk had hij toch de noordelijke helling van het Oetagebergte bereikt.Nu voerde zijn tocht echter door een zeer smallen doorgang, den pas van Thermopylae. Het hooge gebergte met zijn steile rotswanden strekte zich tot bijna aan de zee uit. Eerst wanneer men vlak voor den pas stond, zag men den ingang naar den weg tusschen de zee aan de eene en de hooge rotsenaan de andere zijde. En die weg was zoo smal, dat er slechts één wagen over kon gaan. Door die nauwe poort kwam men in den eigenlijken pas, waar twee waterrijke heete zwavelbronnen ontsprongen, waaraan de pas zijn naam ontleende. Op korten afstand van die bronnen naderden de rotsen ten tweeden male bijna de zee, zoo dat de doortocht ook daar slechts door weinigen tegelijk kon geschieden, en bovendien vormde de zee bijna langs de geheele lengte van den pas een onpeilbaar moeras, waaruit niemand levend wederkeerde.Koning Leonidas was besloten, dezen smallen dam, den eenigen weg, die toegang gaf tot Midden-Griekenland, met zijne mannen te verdedigen. Hier baatte Xerxes zijn ontzaglijk leger niet, want Leonidas zou immers nooit meer dan slechts enkele vijanden tegelijk te bekampen hebben?Zeker, hij wist, dat hij in dezen strijd geen overwinnaar kon blijven, want elk gevecht zou hem eenige zijner dapperen kosten, maar hier zou het hem toch mogelijk zijn, het machtige leger in zijn voortgang te stuiten. Daardoor konden zijne landgenooten in de gelegenheid worden gesteld, zoo mogelijk hunne maatregelen ter verdediging te nemen.Hij wist ook, dat hij en zijne dappere strijders sterven gingen. Want een Spartaan keerde immers nooit, dan als overwinnaar, uit den strijd terug?Men berichtte hem, dat er nog een tweede weg was, die toegang tot Midden-Griekenland gaf. Die weg bestond uit een smal voetpad over een berg. Natuurlijk moest ook deze weg verdedigd worden.Leonidas droeg die taak op aan 1000 Phocensers, die zich hiertoe vrijwillig aanboden. De verdediging van dit smalle voetpad kon hun niet moeilijk vallen.Zoo stonden de twee legers, als een ontzaglijke reus en de kleinste der dwergen tegenover elkander.Een overlooper, die in het Spartaansche kamp kwam, vertelde dat hij het Perzische leger gezien had, en zei:“Het is zoo talrijk, dat de zon door de pijlen der boogschutters verduisterd zal worden.”“Wat zou dat?” antwoordde een van de Spartanen. “Zooveel te beter. Dan zullen wij in de schaduw vechten.”Leonidas was gereed, om den vijand af te wachten. En deze zou ook komen, doch eerst zond koning Xerxes zijn gezantschap, om de wapens der Grieken op te eischen.“Kom ze halen!” gaf Leonidas lakonisch ten antwoord.Toen beval Xerxes zijne Meden, om met den aanval te beginnen. Hij twijfelde niet, of dezen zouden spoedig een schitterende overwinning op het kleine hoopje vijanden hebben behaald, maar—hoe onstuimig hun aanval ook was, zij konden geen duimbreed gronds op de dappere Grieken veroveren.Met woede zag hij van zijn hoogen zetel, dien hij had laten oprichten om het gevecht te kunnen zien, hoe zijne krijgers teruggeworpen werden, zich weer verzamelden en opnieuw aanvielen, doch nogmaals en nogmaals teruggeworpen werden.Nieuwe troepen moesten hen vervangen. Bendengeduchte boogschutters werden op den vijand afgezonden, maar ook zij moesten met groote verliezen terugdeinzen. Toen zond Xerxes zijne keurbende. Deze onsterfelijken werden eveneens teruggejaagd en in hun vlucht zelfs door de Grieken achtervolgd. Toen de Grieken eindelijk terugkeerden, wat op last van Leonidas den schijn van een vlucht moest hebben, vielen de Perzen hen onder luid gejuich aan, tot de Grieken zich plotseling omkeerden en hen door een onstuimigen aanval in het moeras joegen, waar zij den dood vonden.Toen de avond daalde, telde Xerxes 6000 krijgers minder en was hij zijn doel nog geen stap naderbij gekomen.Doch ook de Grieken telden duizend dooden.Den volgenden dag werd de strijd hervat. Weer volgde Xerxes van zijn hoogen zetel den gang van het gevecht en tot zijn groote woede zag hij, dat ook nu weer zijn krijgers herhaalde malen teruggeworpen werden en dat de Grieken niet tot wijken gedwongen konden worden. Reeds was den geheelen morgen gestreden, maar door de zijnen nog geen enkel voordeel behaald.In matelooze woede stond hij van zijn zetel op en strekte hij de gebalde vuisten in de richting van de strijdenden uit.Ha, was dan zelfs zijn machtwoord niet in staat zijne soldaten de overwinning te bezorgen?Op dit oogenblik trad een dienaar eerbiedig nader, en zeide:“Machtige koning, een Griek wenscht u te spreken.”“Een Griek?” vroeg de koning.“Ja, Heer, een Griek,—een slaaf.”“Laat hem komen.”De slaaf wierp zich voor den koning ter aarde.“Wie zijt gij?”“Ephialtes, o koning, een slaaf.”“En wat wilt ge?”“U een anderen weg wijzen, machtige koning. Een smal voetpad over den berg brengt u veilig aan den overkant.”De koning bedacht zich een oogenblik. Zou hij dezen slaaf, die zijn eigen vaderland kwam verraden, gelooven? Wachtte hem misschien geen valstrik?De koning besloot hem te vertrouwen.Hij gebood zijne keurbende, den verrader te volgen, en zijn bevel werd den volgenden morgen vroeg uitgevoerd.De verrader Euphialtes wist niet, dat Leonidas de bewaking van dit smalle voetpad aan 1000 Phocensers had opgedragen, in de stellige meening, dat niemand beter dan zij daartoe geschikt waren, omdat hun woonplaats het eerst in de handen der Perzen zou vallen, indien de vijand langs dezen weg binnenrukte.Helaas, de Phocensers sliepen, toen de vijand naakte. Het geluid der voetstappen en het ritselen der bladeren wekte hen uit hun slaap. In hun verregaande zorgeloosheid hadden zij zelfs verzuimd schildwachten uit te zetten.Thans, nu het te laat was, sprongen zij ijlings op en grepen naar de wapenen. Maar zij werden meteen pijlenregen begroet en waren geheel verward en ontsteld. Zij waagden het niet, den strijd te beginnen en gaven met een schandelijke laaghartigheid het voetpad prijs. Op een naburige hoogte brachten zij zich in veiligheid.De Perzen vervolgden hen niet eens, maar daalden zoo snel mogelijk den berg af.Een bode bracht de jobstijding aan koning Leonidas, die dadelijk begreep, dat hij thans verloren was. Immers, de vijanden zouden hem nu van twee kanten tegelijk aanvallen en zijn geheele leger vernietigen?Maar nòg was de gelegenheid tot een terugtocht niet afgesneden. Nog was hij in de gelegenheid, het gros van zijn leger te redden, maar dan moest hij zich haasten. Hij gaf dan ook onmiddellijk bevel tot den terugtocht. Maar om te verhoeden, dat de krijgers door de vijanden zouden worden ingehaald en gedood, beval hij zijne dappere Spartanen te blijven. Hij was besloten, den pas zoo lang mogelijk te verdedigen, om het gros van zijn leger gelegenheid te geven, zich in veiligheid te stellen.De uitslag kon niet twijfelachtig zijn: hij en zijne trouwe Spartanen zouden sterven, maar ’t zou een schoone dood zijn.Zijn bevel om af te trekken werd uitgevoerd,—doch niet door allen. Demophilus, de aanvoerder der dappere Thespiërs, verklaarde, onder levendige toejuiching van zijn landgenooten, dat hij bij den koning wilde blijven en met hem sterven, omdat zijn vaderland toch verloren was, als de Perzen den pasbinnenrukten. Ook zijne krijgers bleven, zoodat Leonidas met ruim 1200 hopliten den laatsten strijd zou strijden. Het overige leger, nog slechts uit 3000 man bestaande, trok terug, om zoo mogelijk het leven te redden.De krijgers, die achterbleven, tooiden zich met kransen van bloemen en bladen, alsof zij gereed stonden om feest te vieren ter eere van een of andere godheid.Leonidas besloot den aanval van de vijanden niet af te wachten. Hij plaatste zich aan de spits van zijn dappere schare en drong den pas binnen, de Perzen tegemoet. Nuontstonder een vreeselijk gevecht. De Spartanen wisten van geen wijken. Zij zochten slechts een eervollen krijgsmansdood op het veld van eer. Zij wedijverden onderling in onverschrokken dapperheid en in verachting van elk doodsgevaar.Leonidas, de dappere, viel al spoedig doodelijk gewond ter aarde, waar hij weldra stierf. Zijn val vuurde de woede der Grieken nog aan, en er ontstond een vreeselijk gevecht om het bezit van zijn lijk. De lansen vlogen aan splinters, de zwaarden flikkerden in het heldere zonnelicht. De aanval der Grieken was zoo hevig, dat de Perzen tot viermaal toe tot wijken werden gedwongen.Toen drongen de Perzen, die den omweg over het smalle bergpad hadden volbracht, den pas van de andere zijde binnen, en werden de Grieken dus van twee kanten aangevallen. En de dapperen konden zich niet meer verdedigen, want niemand hunnerbezat meer eene lans, velen geen zwaard, anderen slechts een gedeelte daarvan.Meer en meer versmolt de kleine schare. De laatst overgeblevenen verzamelden zich op eene kleine hoogte en wachtten daar rustig de komst der vijanden af. Tot op den laatsten man werden zij neergehouwen.Zoo stierf de dappere Leonidas met zijne getrouwe Spartanen den heldendood, zich opofferende om 3000 spitsbroeders het leven te redden. De Perzen telden niet minder dan 20000 dooden.
Xerxes, de machtige koning der Perzen en beheerscher van gansch Azië, rustte zich ten strijde uit, om ook Europa aan zijne macht te onderwerpen. Het eerst moesten de Grieken het ontgelden. Hadden zij niet de Perzische afgezanten beleedigd en gedood? Eischte dat geen wraak?
Zijn toerustingen waren reusachtig en vergden niet minder dan twee volle jaren. Alle krachten van Azië moesten daartoe medewerken. Een ontzaglijk leger werd op de been gebracht, en eene talrijke vloot van transportschepen, met levensmiddelen beladen, zou het leger begeleiden, opdat het in elk geval tegen gebrek beveiligd zou zijn.
Er werden bruggen opgeslagen, waarop het leger den Hellespont moest overtrekken. De eene brug bestond uit 340, de andere uit 360 schepen. Deze schepen werden aan voor- en achterzijde door sterke ankers vastgehouden, zoodat zij niet door den stroom konden worden meegesleept. Op de lagere schepen werden stellages gebouwd, om ze even hoog als de andere te maken. Over de lange rij vaartuigen liepen dikke touwen van den Aziatischen naar den Europeeschen oever, daarover werden boomstammen gelegd, dan weer sterke touwen, hierop een balkenlaag, en dan volgde de bovenbouw van de brug, welkemet aarde bedekt en van borstweringen voorzien was.
Toen de bruggen gereed waren, stak er een hevige storm op, die het grootsche werk totaal vernielde. De woede van Xerxes kende geen grenzen en de ongelukkige bouwmeesters werden op zijn bevel onthoofd. Zelfs de zee werd op last van den koning hevig met geeselslagen gestraft. Daarna liet de booze vorst haar boeien, door zware kettingen in de diepte te werpen.
Dadelijk ving men aan met het bouwen van nieuwe bruggen, en eindelijk kon de overtocht van het reusachtige leger beginnen. Die overtocht duurde niet minder dan zeven dagen. Toen moest het leger op last van Xerxes worden geteld, maar dat was heel moeilijk te doen. Eindelijk bedacht men er op, 10000 krijgslieden in dichte gelederen naast elkander te plaatsen en daaromheen eene soort van schutting te bouwen. Het geheele leger, moest nu die schuur doortrekken. Telkens als zij geheel gevuld was, noteerde men weer 10000 man, en zoo kwam men tot een totaal van 1.700.000 man. Bovendien was de geheele Hellespont met oorlogsschepen gevuld. Voorwaar eene oorlogsmacht, die het kleine Griekenland met angst en ontzetting moest vervullen. Hoe zouden de Grieksche staten, die zelfs door geen onderlingen band verbonden waren, zich tegen die groote overmacht verdedigen? Helaas, helaas, gansch Griekenland zou verwoest, de bevolking vermoord worden. In hun angst begaven zij zich naar Delphi, om het beroemde orakel te raadplegen.
De voorspellingen van de Pythia Aristonice warenechter verre van bemoedigend. Op haar gouden drievoet gezeten boven den afgrond, waaruit bedwelmende dampen opstegen, verkondigde hare stem, dat Sparta zou worden verwoest.
“Ongelukkigen, wat toeft gij?” klonk het den Grieken toe. “Vlucht naar de einden der aarde. Want noch het hoofd, noch het lijf, noch de voeten, noch de handen, zelfs geen stuk in het midden van den romp blijft ongeschonden, maar alles is weg! Want het vuur en de toorn van Ares, die de strijdwagens der Syriërs voortstuwt, werpt alles in het stof. Niet alleen uw burcht, neen, nog vele andere sterkten en vele tempels der onsterfelijke goden legt hij in den asch. Voort dan uit mijn heiligdom en bereidt uwe zielen op het naderend onheil voor!”
Deze uitspraak, die zelfs geen sprankje hoop overliet, durfde men het Grieksche volk niet bekend maken, en men waagde het nogmaals de uitspraak der Pythia in te roepen. De gezanten der Atheners traden den tempel van Apollo binnen met olijftakken, die met wol omwonden waren, ten teeken, dat men de bescherming der godheid kwam inroepen, en verklaarden, dat zij het heiligdom niet zouden verlaten, maar er tot hun dood toe blijven, indien de godheid zich van hen afkeerde.
Toen sprak de Pythia:
“Pallas beproeft tevergeefs den Olympischen Zeus te verzoenen, ofschoon zij onophoudelijk en met het meeste overleg hare beden tot hem richt. Nog eenmaal doe ik u een woord vernemen, dat onverzettelijk is als staal. Ziet, wanneer alles wat hetgebied van Cecrops en de bocht van den heiligen berg Cithaeron in zich bevat, den vijand in handen valt, dan beschermt de opperbestuurder Zeus toch den houten burcht van Athene, uwe toevlucht en die uwer kinderen, tegen de verwoesting. Toeft niet, totdat de ruiters en de golvende drommen voetvolk naderen, rustig op het vasteland. Neen, wijkt en keert den vijand den rug toe: later komt de tijd om hem het hoofd te bieden. Goddelijk eiland Salamis, voorwaar, gij verdelgt de zonen der vrouwen, hetzij Demeter zich verstrooit of verzamelt.”
Deze geheimzinnige woorden, veel op een raadsel gelijkende, werden natuurlijk op verschillende wijzen uitgelegd, maar het gevolg ervan was toch, dat de Atheners besloten zich tot het uiterste te verdedigen en afgezanten naar de andere staten te zenden, om hen uit te noodigen, zich met hen te vereenigen en zich krachtig tot den strijd uit te rusten. De Atheners rustten in den tijd van vier weken eene vloot uit van niet minder dan 147 schepen en waren niet van plan, zich met een minder getal dan 200 tevreden te stellen.
Jammer, dat in de andere Grieksche staten niet dezelfde geestdrift heerschte. Men vreesde de overmacht van den Perzischen koning en durfde zich niet verdedigen. Sommige staten zelfs namen het droevige besluit, den vijand zout en aarde aan te bieden, ten teeken van hunne onderwerping.
Ook in den machtigen staat Sparta was men lauw en laksch. Eerst twistten zij met de Atheners, wie leger en vloot zouden aanvoeren, en toen deAtheners grootmoedig de eer daarvan aan Sparta hadden gelaten, verscholen zij zich achter het voorwendsel, dat de nadering van de Olympische spelen hun belette, eene krijgsmacht van eenige beteekenis naar de grenzen te zenden. Slechts 300 Spartanen, onder bevel van hun koning (aanvoerder) Leonidas, werden aangewezen, om ten strijde te trekken.
Dapperder man dan Leonidas had men in gansch Griekenland niet kunnen vinden. Hij schaamde zich voor zijne landgenooten over hunne nalatigheid en vertelde op zijn tocht door Midden-Griekenland aan ieder, die het hooren wilde, dat zijn mannen slechts de voorhoede vormden van het groote leger, dat uit Sparta aanrukte. Zijne kleine schare werd dientengevolge nog door hopliten uit andere staten versterkt, zoodat hij eindelijk 8000 man onder zijne bevelen had.
Doch wat konden 8000 man beginnen tegen een leger van bijna twee millioen?
Xerxes met zijn ontzaglijk leger naderde. Wel was zijn marsch moeilijk geweest, wel had de Olympus met zijn met sneeuw bedekten kruin, zijne nauwe passen en zijne dichte wouden hem in zijn voortgang belemmerd, maar eindelijk had hij toch de noordelijke helling van het Oetagebergte bereikt.
Nu voerde zijn tocht echter door een zeer smallen doorgang, den pas van Thermopylae. Het hooge gebergte met zijn steile rotswanden strekte zich tot bijna aan de zee uit. Eerst wanneer men vlak voor den pas stond, zag men den ingang naar den weg tusschen de zee aan de eene en de hooge rotsenaan de andere zijde. En die weg was zoo smal, dat er slechts één wagen over kon gaan. Door die nauwe poort kwam men in den eigenlijken pas, waar twee waterrijke heete zwavelbronnen ontsprongen, waaraan de pas zijn naam ontleende. Op korten afstand van die bronnen naderden de rotsen ten tweeden male bijna de zee, zoo dat de doortocht ook daar slechts door weinigen tegelijk kon geschieden, en bovendien vormde de zee bijna langs de geheele lengte van den pas een onpeilbaar moeras, waaruit niemand levend wederkeerde.
Koning Leonidas was besloten, dezen smallen dam, den eenigen weg, die toegang gaf tot Midden-Griekenland, met zijne mannen te verdedigen. Hier baatte Xerxes zijn ontzaglijk leger niet, want Leonidas zou immers nooit meer dan slechts enkele vijanden tegelijk te bekampen hebben?
Zeker, hij wist, dat hij in dezen strijd geen overwinnaar kon blijven, want elk gevecht zou hem eenige zijner dapperen kosten, maar hier zou het hem toch mogelijk zijn, het machtige leger in zijn voortgang te stuiten. Daardoor konden zijne landgenooten in de gelegenheid worden gesteld, zoo mogelijk hunne maatregelen ter verdediging te nemen.
Hij wist ook, dat hij en zijne dappere strijders sterven gingen. Want een Spartaan keerde immers nooit, dan als overwinnaar, uit den strijd terug?
Men berichtte hem, dat er nog een tweede weg was, die toegang tot Midden-Griekenland gaf. Die weg bestond uit een smal voetpad over een berg. Natuurlijk moest ook deze weg verdedigd worden.Leonidas droeg die taak op aan 1000 Phocensers, die zich hiertoe vrijwillig aanboden. De verdediging van dit smalle voetpad kon hun niet moeilijk vallen.
Zoo stonden de twee legers, als een ontzaglijke reus en de kleinste der dwergen tegenover elkander.
Een overlooper, die in het Spartaansche kamp kwam, vertelde dat hij het Perzische leger gezien had, en zei:
“Het is zoo talrijk, dat de zon door de pijlen der boogschutters verduisterd zal worden.”
“Wat zou dat?” antwoordde een van de Spartanen. “Zooveel te beter. Dan zullen wij in de schaduw vechten.”
Leonidas was gereed, om den vijand af te wachten. En deze zou ook komen, doch eerst zond koning Xerxes zijn gezantschap, om de wapens der Grieken op te eischen.
“Kom ze halen!” gaf Leonidas lakonisch ten antwoord.
Toen beval Xerxes zijne Meden, om met den aanval te beginnen. Hij twijfelde niet, of dezen zouden spoedig een schitterende overwinning op het kleine hoopje vijanden hebben behaald, maar—hoe onstuimig hun aanval ook was, zij konden geen duimbreed gronds op de dappere Grieken veroveren.
Met woede zag hij van zijn hoogen zetel, dien hij had laten oprichten om het gevecht te kunnen zien, hoe zijne krijgers teruggeworpen werden, zich weer verzamelden en opnieuw aanvielen, doch nogmaals en nogmaals teruggeworpen werden.
Nieuwe troepen moesten hen vervangen. Bendengeduchte boogschutters werden op den vijand afgezonden, maar ook zij moesten met groote verliezen terugdeinzen. Toen zond Xerxes zijne keurbende. Deze onsterfelijken werden eveneens teruggejaagd en in hun vlucht zelfs door de Grieken achtervolgd. Toen de Grieken eindelijk terugkeerden, wat op last van Leonidas den schijn van een vlucht moest hebben, vielen de Perzen hen onder luid gejuich aan, tot de Grieken zich plotseling omkeerden en hen door een onstuimigen aanval in het moeras joegen, waar zij den dood vonden.
Toen de avond daalde, telde Xerxes 6000 krijgers minder en was hij zijn doel nog geen stap naderbij gekomen.
Doch ook de Grieken telden duizend dooden.
Den volgenden dag werd de strijd hervat. Weer volgde Xerxes van zijn hoogen zetel den gang van het gevecht en tot zijn groote woede zag hij, dat ook nu weer zijn krijgers herhaalde malen teruggeworpen werden en dat de Grieken niet tot wijken gedwongen konden worden. Reeds was den geheelen morgen gestreden, maar door de zijnen nog geen enkel voordeel behaald.
In matelooze woede stond hij van zijn zetel op en strekte hij de gebalde vuisten in de richting van de strijdenden uit.
Ha, was dan zelfs zijn machtwoord niet in staat zijne soldaten de overwinning te bezorgen?
Op dit oogenblik trad een dienaar eerbiedig nader, en zeide:
“Machtige koning, een Griek wenscht u te spreken.”
“Een Griek?” vroeg de koning.
“Ja, Heer, een Griek,—een slaaf.”
“Laat hem komen.”
De slaaf wierp zich voor den koning ter aarde.
“Wie zijt gij?”
“Ephialtes, o koning, een slaaf.”
“En wat wilt ge?”
“U een anderen weg wijzen, machtige koning. Een smal voetpad over den berg brengt u veilig aan den overkant.”
De koning bedacht zich een oogenblik. Zou hij dezen slaaf, die zijn eigen vaderland kwam verraden, gelooven? Wachtte hem misschien geen valstrik?
De koning besloot hem te vertrouwen.
Hij gebood zijne keurbende, den verrader te volgen, en zijn bevel werd den volgenden morgen vroeg uitgevoerd.
De verrader Euphialtes wist niet, dat Leonidas de bewaking van dit smalle voetpad aan 1000 Phocensers had opgedragen, in de stellige meening, dat niemand beter dan zij daartoe geschikt waren, omdat hun woonplaats het eerst in de handen der Perzen zou vallen, indien de vijand langs dezen weg binnenrukte.
Helaas, de Phocensers sliepen, toen de vijand naakte. Het geluid der voetstappen en het ritselen der bladeren wekte hen uit hun slaap. In hun verregaande zorgeloosheid hadden zij zelfs verzuimd schildwachten uit te zetten.
Thans, nu het te laat was, sprongen zij ijlings op en grepen naar de wapenen. Maar zij werden meteen pijlenregen begroet en waren geheel verward en ontsteld. Zij waagden het niet, den strijd te beginnen en gaven met een schandelijke laaghartigheid het voetpad prijs. Op een naburige hoogte brachten zij zich in veiligheid.
De Perzen vervolgden hen niet eens, maar daalden zoo snel mogelijk den berg af.
Een bode bracht de jobstijding aan koning Leonidas, die dadelijk begreep, dat hij thans verloren was. Immers, de vijanden zouden hem nu van twee kanten tegelijk aanvallen en zijn geheele leger vernietigen?
Maar nòg was de gelegenheid tot een terugtocht niet afgesneden. Nog was hij in de gelegenheid, het gros van zijn leger te redden, maar dan moest hij zich haasten. Hij gaf dan ook onmiddellijk bevel tot den terugtocht. Maar om te verhoeden, dat de krijgers door de vijanden zouden worden ingehaald en gedood, beval hij zijne dappere Spartanen te blijven. Hij was besloten, den pas zoo lang mogelijk te verdedigen, om het gros van zijn leger gelegenheid te geven, zich in veiligheid te stellen.
De uitslag kon niet twijfelachtig zijn: hij en zijne trouwe Spartanen zouden sterven, maar ’t zou een schoone dood zijn.
Zijn bevel om af te trekken werd uitgevoerd,—doch niet door allen. Demophilus, de aanvoerder der dappere Thespiërs, verklaarde, onder levendige toejuiching van zijn landgenooten, dat hij bij den koning wilde blijven en met hem sterven, omdat zijn vaderland toch verloren was, als de Perzen den pasbinnenrukten. Ook zijne krijgers bleven, zoodat Leonidas met ruim 1200 hopliten den laatsten strijd zou strijden. Het overige leger, nog slechts uit 3000 man bestaande, trok terug, om zoo mogelijk het leven te redden.
De krijgers, die achterbleven, tooiden zich met kransen van bloemen en bladen, alsof zij gereed stonden om feest te vieren ter eere van een of andere godheid.
Leonidas besloot den aanval van de vijanden niet af te wachten. Hij plaatste zich aan de spits van zijn dappere schare en drong den pas binnen, de Perzen tegemoet. Nuontstonder een vreeselijk gevecht. De Spartanen wisten van geen wijken. Zij zochten slechts een eervollen krijgsmansdood op het veld van eer. Zij wedijverden onderling in onverschrokken dapperheid en in verachting van elk doodsgevaar.
Leonidas, de dappere, viel al spoedig doodelijk gewond ter aarde, waar hij weldra stierf. Zijn val vuurde de woede der Grieken nog aan, en er ontstond een vreeselijk gevecht om het bezit van zijn lijk. De lansen vlogen aan splinters, de zwaarden flikkerden in het heldere zonnelicht. De aanval der Grieken was zoo hevig, dat de Perzen tot viermaal toe tot wijken werden gedwongen.
Toen drongen de Perzen, die den omweg over het smalle bergpad hadden volbracht, den pas van de andere zijde binnen, en werden de Grieken dus van twee kanten aangevallen. En de dapperen konden zich niet meer verdedigen, want niemand hunnerbezat meer eene lans, velen geen zwaard, anderen slechts een gedeelte daarvan.
Meer en meer versmolt de kleine schare. De laatst overgeblevenen verzamelden zich op eene kleine hoogte en wachtten daar rustig de komst der vijanden af. Tot op den laatsten man werden zij neergehouwen.
Zoo stierf de dappere Leonidas met zijne getrouwe Spartanen den heldendood, zich opofferende om 3000 spitsbroeders het leven te redden. De Perzen telden niet minder dan 20000 dooden.
George Stephenson1781–1848.In het plaatsje Wyclam, op ongeveer twee mijlen afstands van Newcastle on Tyne, woonde een goede honderd jaar geleden een arm jongetje, dat hoewel reeds 8 à 9 jaren oud, nog niet eens lezen of schrijven kon. Van den morgen tot den avond speelde hij bij de armelijke hut zijner ouders, of zwierf hij buiten de plaats rond om vogelnesten te zoeken in de boomen en boschjes, of zich te baden in de rivier.Zijn vader was een eenvoudige arbeider, die als machinist het karige loon voor zich en de zijnen verdiende. Hij was algemeen geacht, en ’s avonds in den winter verzamelden zich meermalen de jongens, waaronder ook de kleine George, rondom het vuur van zijne machine, om te luisteren naar de verhalen, die Robert Stephenson hun deed. En hij kon voor een eenvoudig arbeider mooi vertellen. De jongens hingen hem aan de lippen, als hij hun de lotgevallen van Robinson Crusoë beschreef, of als hij van de ontdekking van Amerika door Columbus vertelde. Dan duurde het verhaal den kleinen George nooit lang genoeg. Maar ’t liefst van alles ving hij vogels, vooral lijsters, om ze op te voeden en te verzorgen. Ook van andere dieren hield hij veel, eneen mooien hond te bezitten, scheen hem de grootste rijkdom toe.Zijn vader miste de middelen om zijne kinderen naar school te laten gaan, en al jong moesten zij hun eigen brood geheel of gedeeltelijk zien te verdienen. Zoo ook de kleine George, die reeds als als negenjarig kind in dienst trad als herdersknaap.Nu dwaalde hij dag-in, dag-uit met zijne kudde en den herdershond over de heide, en niemand zou toen hebben kunnen droomen, dat de arme jongen, die daar rustig zijne schapen hoedde en lezen noch schrijven kon, eenmaal een van de beroemdste mannen van Engeland zou worden.De kleine George, die in zijn eentonig leven al spoedig door de verveling werd aangegrepen, zocht zich afleiding te verschaffen door allerlei dingen te knutselen. Zoo maakte hij b.v. molentjes, en zijne vreugde kende geen grenzen, wanneer de wind de wieken lustig deed draaien. Ook vervaardigde hij schepraderen, die hij door het stroomende water van de beek in beweging liet brengen,—en eindelijk fabriceerde hij van leem, hout, touw enz. eene geheele machine, zooals die van zijn vader in de fabriek. Dergelijk werk nam zijn geest geheel in beslag, bracht hem aan het peinzen en wekte zijne scheppingskracht, die later wonderen zou doen.Eenigen tijd later werd hij van herdersknaap landarbeider, waardoor zijn weekloon grooter werd. Hij toonde zich toen een ijverig werker, wien geen moeite te veel was. Kwam hij ’s avonds thuis, dan hielp hij nog zijn oudere broeders bij het uitzoeken van dekolen, en vermeerderde daardoor zijne verdiensten. Want hij woonde in het gebied van de kolenmijnen, die zich zelfs tot ver onder de zee uitstrekten. De arbeiders, die daar hun zwaar werk verrichtten, hadden de zee boven zich,—en de schepelingen, die het zilte nat doorploegden, konden allerminst vermoeden, dat beneden hen de mijnwerkers in het hart der aarde en omringd van de grootste gevaren, hun dagelijksch werk deden.Maar ook landarbeider zou hij niet blijven. Toen hij veertien jaar oud was, kwam hij bij zijn vader in de fabriek als stoker. Hij verdiende daarmede 60 cent per dag.Dit werk beviel hem buitengewoon, want hij was van lieverlede groote belangstelling gaan koesteren voor de samenstelling van machines en voor de onderdeelen daarvan. En nu het zijne taak geworden was, de machine schoon te houden, verminderde die belangstelling er natuurlijk niet op. Hij was nu mooi in de gelegenheid, de verschillende deelen uit elkander te nemen en te bestudeeren, en ’t kostte hem weldra geen moeite meer, de machine geheel te ontleden en weer in elkaar te zetten. Op dezen leeftijd werd hij zich ook zijne geringe kennis bewust, en betreurde hij het niet weinig, dat hij niet lezen en schrijven kon. En zijn spijt werd er niet minder op, toen hij begon te begrijpen, welke wijsheid er in de boeken schuilde en hoe hij daaruit zou kunnen leeren, hoe machines gebouwd werden en hoe de ideeën van beroemde werktuigkundigen daarover waren.Hij besloot dus, den verloren tijd nog in te halen. Driemaal in de week bezocht hij de avondschool, en zijne onderwijzers kwamen al spoedig in de gelegenheid om zijn leerlust en volharding daarbij op te merken. Al zijn vrijen tijd besteedde hij om zijn geest te bekwamen, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht te studeeren. Zijn dagelijksch werk leed daaronder echter in het geheel niet, want zijn plichtsgevoel was sterk ontwikkeld.De herbergen bezocht hij nooit. Ja, wel gingen zijne makkers daar den langen winteravond doorbrengen, om verstrooiïng te zoeken na hun zwaren dagarbeid, maar George was dan nooit in hun gezelschap. Hij las, of hij knutselde eene of andere machine, maar naar de herberg ging hij niet. ’t Gevolg daarvan was, dat hij al spoedig een kleinen spaarpot kreeg, die gestadig grooter werd. Zoo kreeg hij eindelijk zelfs genoeg, om een klein huisje te koopen. Hij was toen twintig jaar oud. En nu hij eenmaal een huisje had, koos hij zich ook eene vrouw, die haar leven met het zijne wilde verbinden. Hij deed eene gelukkige keuze in Fanny Henderson, een eenvoudig meisje uit den omtrek.Zijn huwelijk bracht in zijn levenswijze niet de minste verandering, of het moest deze wezen, dat hij velerlei werk bij de hand nam om zijne inkomsten te vermeerderen. Hij nam zelfs het schoenmakersvak ter hand, en lapte in zijne vrije uren de schoenen en laarzen van zijne stadgenooten. Ook legde hij zich toe op het snijden van leesten.Op een avond brak er een brand uit in zijn schoorsteen.De rookwolken stegen hoog in de lucht en de vlammen sloegen boven den rand van den schoorsteen uit. Stephenson plaatste een ladder tegen zijn huis en stopte het schoorsteengat toe, zoodat de vlammen door gebrek aan lucht smoorden. Maar de hitte in zijne kamer was groot genoeg geweest, om het raderwerk van zijne hangklok duchtig in de war te brengen, zoodat deze niet meer gaan kon.George Stephenson nam haar van den wand, bestudeerde de samenstelling van het uurwerk zorgvuldig, totdat hij de beteekenis van elk radertje goed begreep, en nam toen het uurwerk uit elkaar. Weldra ontdekte hij de oorzaak van het stilstaan, en met bekwame hand bracht hij de zaak weer geheel in orde. Zijne buren en kennissen, die hem aan den arbeid hadden gezien, stonden verbaasd over zijn vernuft en zijne handigheid, en bazuinden zijn lof uit. Het gevolg daarvan was, dat hem tal van klokken ter reparatie werden toevertrouwd, van welke opdrachten hij zich schitterend kweet. Zijne bijverdiensten werden er aanmerkelijk grooter door.Zoo leefde hij een drietal gelukkige jaren, toen hem een slag trof, die hem levenslang verdriet zou doen. Zijn lieve vrouw namelijk werd ziek en stierf. Langen tijd had Stephenson noodig, om zijne smart te overwinnen. De dood van zijne vrouw had hem allen levenslust ontnomen, en verdrietig zat hij in zijn eenzame woning bij zijn eenig zoontje, zonder dat hij lust of kracht voelde, om iets ter hand te nemen.Eindelijk evenwel vermande hij zich en besloot hij voortaan te leven voor het kind, dat zijne geliefdeFanny hem had nagelaten. En hij nam zich voor hem eene zorgvuldige opvoeding te laten geven. Hij zou trachten zelfs zooveel te verdienen, dat hij hem later aan de akademie te Newcastle kon laten studeeren. Hijzelf wist bij ondervinding, hoe diep treurig het is, als men in de kinderjaren geen goed onderwijs heeft ontvangen.Toen hij na eenigen tijd eene uitnoodiging ontving, om ergens in Schotland eene nieuwe machine te stellen, besloot hij daaraan te voldoen. Hij vertrouwde zijn zoontje toe aan de goede zorgen van een braaf echtpaar, dat bij hem in de buurt woonde, en begaf zich te voet naar de plaats zijner bestemming.Na een jaar keerde hij terug met een sommetje van 360 gulden overgespaard geld, maar trof zijne bejaarde ouders in een allerongelukkigsten toestand aan. Zijn vader had geen werk, en was diep in schulden geraakt. George bedacht zich geen oogenblik, maar gebruikte zijn zuur verdiend geld om die schulden te delgen en zoo goed mogelijk voor zijne ouders te zorgen, wel een bewijs, dat hij zijn hart op de rechte plaats droeg.Hij had zich intusschen reeds een grooten naam gemaakt als uiterst bekwaam werkman. Daaraan had hij het te danken, dat men hem opdroeg een pompmachine te herstellen, die niet meer werken wilde, en waaraan verscheidene werktuigkundigen reeds tevergeefs hunne krachten hadden beproefd.Stephenson was zoo gelukkig, de oorzaak van het kwaad spoedig te ontdekken, en in zeer korten tijdwerkte de pomp weer even goed als vroeger. Ja, beter nog, want hij had eene paar kleine wijzigingen in de samenstelling aangebracht, die groote verbeteringen bleken te zijn. Als belooning ontving hij van de Directie 10 pond sterling ten geschenke.Van dit oogenblik af bereikten hem van alle kanten uitnoodigingen, om slecht- of in ’t geheel niet werkende stoommachines in orde te komen brengen, zoodat hij veel geld verdiende. Hij nam nu geregeld les in werktuigkunde en leerde zelfs nog machineteekenen, wat hem in zijn vak dikwijls te pas kwam. Ook beschouwde men hem niet meer als een gewoon werkman, maar kende men hem den titel van werktuigkundige toe. Eene kleine machine, die hij zelf geheel ontworpen en gebouwd had, wekte de bewondering van allen, die haar zagen.Toch hield hij zich niet alleen met zijne machineriën bezig. Neen, hij was nog evenals vroeger een groot dierenvriend, en menig uurtje wijdde hij aan het tammaken van vogels, vooral lijsters. Een van deze dieren bracht zelfs den nacht door aan het hoofdeinde van zijn bed, en wat eigenaardig was: in het voorjaar vertrok deze lijster naar de bosschen om daar te nestelen, maar in het najaar kwam hij trouw weer terug, om den winter bij zijn vriend door te brengen.Stephenson, die nog altoos een zeer eenvoudig man gebleven was, gunde zich menigmaal in het middaguur den tijd niet, om thuis te gaan middagmalen. Hij had echter zijn Schotschen herdershond Spot afgericht, om tegen het middaguur naar huiste gaan. Die hond was verbazend verstandig en leerzaam. Hij wist dan ook zeer goed, dat zijn meester hem naar huis zond, om diens middagmaal te halen. Men hing hem thuis namelijk een blikken bus, die het warme middagmaal voor Stephenson bevatte, om den nek, en dan keerde Spot welgemoed naar de mijn terug, waar zijn heer op hem wachtte.Die trouwe Spot! De heerlijke geur van het lekkere middagmaal drong hem tergend in den neus, zoodat het water hem tusschen de tanden doorliep, maar hij taalde er niet naar, er zich ook maar het kleinste hapje van toe te eigenen. Neen, met opgeheven kop draafde hij voort, om zoo spoedig mogelijk bij zijn meester te komen. De menschen, die hem dan zagen gaan, keken hem lachend na, want iedereen kende den hond van George Stephenson.Dat ging langen tijd goed, tot eindelijk een groote bulldog van een slager besloot, hem het lekkere hapje afhandig te maken. ’s Middags, toen Spot passeeren zou, had hij zich midden op de straat neergelegd, om zijn snoode plan ten uitvoer te brengen.Ha, daar kwam Spot den hoek om.De groote slagershond stond op en gaf door een dof gebrom zijn booze plannen te kennen.Spot bromde terug. Maar opeens vloog de dog op hem aan en greep hem bij de keel, met het vaste plan, hem het geurige middagmaal te ontrooven.Spot was over deze brutale aanranding diep verontwaardigd, en hoewel de blikken ketel hem niet weinig in zijne bewegingen belemmerde, weerde hijzich zoo dapper, dat de dog jankte van pijn! ’t Werd een woedend gevecht, en de honden rolden grommende over de straat, totdat eindelijk de bulldog jankende en met den staart tusschen de beenen het hazenpad koos. Spot was overwinnaar gebleven. Hij schudde zich het stof uit de haren en vervolgde met spoed zijn weg naar de mijn, waar Stephenson op hem wachtte.Kwispelstaartend legde hij de blikken bus aan diens voeten, en hij keek zijn meester aan, of hij vragen wilde: “Heb ik me niet goed gehouden?”’t Was voor Stephenson in ’t geheel geen aangename verrassing, toen hij den ketel ledig vond. Het lekkere middagmaal was onder de vechtpartij op de straat terecht gekomen, maar daar had Spot niets van gemerkt.Toen Stephenson later vernam, wat er gebeurd was, zei hij:“Nu, het bezitten van zoo’n trouwen hond is waarlijk wel een middagmaal waard!”Het aangeboren scheppingsvermogen deed hem telkens iets nieuws bedenken, waardoor zijn naam steeds grootere vermaardheid kreeg. Zoo bedacht hij o.a. ook een lamp, die onder water brandende bleef. Maar daarmede was hij niet tevreden. In de kolenmijnen hoopt zich dikwijls het steenkolengas op, en levert dan de grootste gevaren op voor de mijnwerkers, die onder den grond zonder licht natuurlijk niet werken kunnen. Als dat gas dan in aanraking met het licht kwam, hadden er menigmaal hevige ontploffingen plaats, die voor de mijnwerkers de noodlottigste gevolgen hadden.Eens, ’t was in ’t jaar 1814, had er weer zulk eene ontploffing plaats gehad en stond een gedeelte van een mijn in brand. IJlings boodschapte men dat aan Stephenson, die zich dadelijk naar de plaats des onheils begaf en in de mijn afdaalde. Op grooten afstand van de brandende gang stonden vele mijnwerkers bijeen.“Komt mannen, wie moed heeft, volge mij, dan zullen wij den brand stuiten!” riep Stephenson hun onvervaard toe.De mijnwerkers stelden een bijna onbegrensd vertrouwen in Stephenson, maar nu weifelden zij toch een oogenblik. Doch weldra vatten zij moed, en onder zijne leiding stopten zij den ingang tot het brandende deel geheel toe, zoodat de toevoer van versche lucht afgesloten werd en het vuur uitdoofde.Stephenson keerde naar huis terug met het vaste voornemen eene lamp te bedenken, die de mijnwerkers zonder gevaar voor hun leven zouden kunnen gebruiken. En korten tijd daarna kwam hij met eene lamp te voorschijn, die volgens zijne vaste overtuiging aan het doel moest beantwoorden.In gezelschap van eenige bekenden begaf hij zich den 21 October 1815 ’s avonds om elf uur in eene mijn, die zooveel steenkolengas bevatte, dat eene gewone lamp ongetwijfeld een geweldige ontploffing zou veroorzaken.Onverschrokken trad Stephenson met zijn brandend licht de mijn binnen en liep door tot te midden van de opgehoopte gassen. En zie—de proef gelukte volkomen. De vlam groeide eerst een weinig,begon toen te flikkeren en ging daarna uit. Maar er kwam geen ontploffing.Verheugd keerde Stephenson van de gevaarlijke plaats terug, stak zijne lamp opnieuw aan, en trad nogmaals de mijn binnen. En weer doofden de anders zoo verraderlijke gassen de vlam uit. De eenvoudige Stephenson had weer eene ontdekking gedaan, die voor duizenden mijnwerkers eene groote weldaad zou blijken.Toch bracht zijne ontdekking hem den roem niet, dien hij verdiende, want na enkele dagen bleek het, dat ook Sir Humphrey Davy eene lamp had uitgevonden, die volkomen aan het doel beantwoordde.Stephenson kreeg eene belooning van 1200 gulden, maar Sir Humphrey Davy ontving een wel tienmaal grooter geschenk. Ook werd aan deze de eer van de uitvinding toegeschreven. Twee jaar later werd Stephenson echter recht gedaan. Hij werd toen openlijk als de uitvinder der veiligheidslamp erkend en men vereerde hem een zilveren bokaal en een geschenk van niet minder dan twaalf duizend gulden.Intusschen hield zijn geest zich al geruimen tijd bezig met het plan, eene locomotief te ontwerpen, die in staat zou zijn, als beweegkracht voor verscheidene wagens te dienen. Er waren wel al enkele locomotieven gebouwd, maar die voldeden allerminst aan de verwachtingen. Toch meende Stephenson, dat zulk eene machine kon worden gevonden, en zonder ophouden zocht hij naar de oplossing van dit moeilijke vraagstuk. Zijne vrienden en kennissen meenden, dat zijn zucht naar uitvindingen hem inhet hoofd geslagen was en dat hij dus krankzinnige denkbeelden koesterde. En lachend hoorden zij hem aan, wanneer hij over zijne locomotief sprak en voorspelde, hoe eenmaal de menschen met groote snelheid van de eene stad naar de andere zouden worden vervoerd, alleen voortgetrokken door een locomotief.Ondanks hun twijfel en dikwijls bitteren spot bracht hij het zoover, dat hij in een nieuwe mijn de steenkolen in wagens liet vervoeren, die door locomotieven in beweging werden gebracht. Metterdaad leverde hij daarmede het bewijs, dat zijne ideeën geen hersenschimmen waren, maar wel degelijk practische waarde hadden. Onophoudelijk ging hij voort in vereeniging met den ingenieur Dodd, verbeteringen aan zijne locomotieven aan te brengen. Stephenson bedacht het stelsel van gekoppelde raderen, en samen vonden zij het middel, om den ketel aanhoudend van water te voorzien. Deze locomotieven werden van 1814–1825 op den mijnspoorweg van Killingworth gebruikt, en dienden later om de kolentreinen te slepen langs den spoorweg van Darlington naar Stockton.Die spoorweg had eene lengte van 61 kilometers en was over twee derden van zijne lengte van een dubbel spoor voorzien. De aanleg had niet minder dan 2 ton gouds per kilometer gekost. Maar de treinen liepen zeer langzaam, niet meer dan dertig mijlen in den tijd van vier uren. Het stelsel was dus nog slechts in zijne kindsheid. Spoedig zou er echter in den bouw van den stoomketel eene wijzigingworden aangebracht, die eene algeheele verandering in het spoorwegwezen ten gevolge had en de locomotieven in staat stelde de treinen voort te trekken tot eene snelheid van vijftig mijl in het uur. De kracht van een stoomwerktuig hangt af van de hoeveelheid stoom, die het in een bepaalden tijd voortbrengt. Bij de eerste locomotieven van Stephenson was die hoeveelheid zeer beperkt. Op raad van zijn landgenoot Booth voorzag hij zijne ketels van een groot aantal buizen, die gevuld werden met de warme lucht en den rook, die van den vuurhaard komen. De aldus aan de werking van het vuur blootgestelde oppervlakte werd daardoor zeer groot, zoodat men in een ketel van gewone afmeting eene oppervlakte van 150 M2. aan de werking van het vuur kon blootstellen.In Mei van ’t jaar 1826 werd eindelijk tot de oprichting van een maatschappij tot aanleg van een spoorweg tusschen Liverpool en Manchester besloten, en aan George Stephenson viel de eer te beurt, tot hoofd-ingenieur van dit werk te worden benoemd. Hij had bij den aanleg van dezen spoorweg met ontzaglijke bezwaren te kampen, maar hij wist ze alle te overwinnen. Zijn jaarlijksch salaris bedroeg toen ruim twaalf duizend gulden.Toen eindelijk deze eerste spoorweg gereed was, besloot men een wedstrijd te houden voor locomotieven, ten einde uit de verschillende systemen, welke toen bestonden, eene keuze te doen. Ook Stephenson nam aan dien wedstrijd deel met eene locomotief, die vervaardigd was in zijne machinefabriek te Newcastle.Die fabriek stond onder leiding van George Stephenson en diens zoon.Vijf locomotieven namen aan den wedstrijd deel. DeFire-dartvan Stephenson, deNoveltyvan Braithwaite en Erickson, deNon-pareilvan Timothy Backworth, dePerseverancevan Burstal en deCyclopèdevan Brandreth. Deze laatste locomotief moest getrokken worden door paarden, wel een bewijs, dat de fabrikant zelf weinig vertrouwen stelde in de kracht en toekomst van locomotieven. Over ’t algemeen had men er zeer weinig vertrouwen in. Sommigen vreesden, dat de wielen wel zouden draaien, maarnietin staat zouden zijn een aantal wagens voort te trekken. Anderen meenden, dat zóó zij al eenige kracht konden uitoefenen, de snelheid toch ver zou achterblijven bij die van een paard. Weer anderen geloofden, dat de locomotieven op den vlakken grond wel enkele wagens met eene kleine snelheid zouden kunnen voorttrekken, maar dat zelfs eene geringe verheffing van den grond reeds voldoende zou zijn, om den trein achteruit te doen rollen.De wedstrijd zou gehouden worden op de vlakte van Rainhill, die volmaakt horizontaal lag over eene lengte van 3218 Ned. ellen.Den 6en October 1829 had de wedstrijd plaats. ’t Eerst verscheen deFire-dartvan George en Robert Stephenson. Duizenden menschen waren uit alle oorden des lands samengestroomd, om van den wedstrijd getuige te zijn.DeFire-dartbleef overwinnaar. Zij trok met gemakde vastgestelde vracht voort met eene snelheid van 24 mijlen in het uur, en toen men haar geheel onbezwaard liet rijden, bracht zij het zelfs tot 40 mijlen per uur. Bij het oprijden van een hellend vlak deed zij 16 mijlen.DeNon-pareilvoldeed niet aan de gestelde voorwaarden en werd dientengevolge niet toegelaten.DeNoveltywas niet tijdig genoeg gereed, om beproefd te kunnen worden, en toen zij eindelijk aankwam, zaten de wielen niet goed. Eenige dagen later echter bracht zij het tot eene snelheid van 30 mijlen per uur, en onbezwaard van 38 tot 52 mijlen. Toen werd de ketel lek, zoodat de eigenaars zich vrijwillig uit den strijd terugtrokken.Ook dePerseverancevoldeed niet aan de gestelde eischen, en bleef dus buiten mededinging.DeCyclopèdemoest door paarden getrokken worden, en kwam dus niet eens in aanmerking.Aan Stephenson’s locomotief werd dus de overwinning toegekend en aan zijne fabriek de levering van het noodige aantal opgedragen.En deze eerste spoorweg werd al spoedig met vele andere vermeerderd. Stephenson’s fabriek nam snel in groei en bloei toe en werd een van de grootste machine-fabrieken van Engeland. De lijn Londen–Birmingham volgde in 1832. De vrees, om van een spoorwagen gebruik te maken, bleef echter nog langen tijd bestaan. Eerst in 1843 durfde Koningin Victoria het wagen, van dat vervoermiddel gebruik te maken, maar in 1858 nog kwam de groote minister Cavour in een reiswagen van Turijn naarParijs, omdat hij niet in een spoortrein durfde zitten.Den 20en September 1839 werd de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem voor het eerst bereden, den 6en December 1843 werd de lijn Amsterdam–den Haag geopend en den 2en Juli 1847 was de lijn Amsterdam–Rotterdam voltooid. Tien van de locomotieven, daarbij gebruikt, waren door de firma Stephenson geleverd.Zoo was dan van den eenvoudigen herdersknaap de beroemde ingenieur gegroeid, die aan het hoofd stond van eene fabriek, welke een wereldvermaardheid bezat.In 1860 trok hij zich uit de zaken terug, om zijne laatste levensjaren in rust en kalmte door te brengen.Hij stierf den 12en Augustus 1849.
In het plaatsje Wyclam, op ongeveer twee mijlen afstands van Newcastle on Tyne, woonde een goede honderd jaar geleden een arm jongetje, dat hoewel reeds 8 à 9 jaren oud, nog niet eens lezen of schrijven kon. Van den morgen tot den avond speelde hij bij de armelijke hut zijner ouders, of zwierf hij buiten de plaats rond om vogelnesten te zoeken in de boomen en boschjes, of zich te baden in de rivier.
Zijn vader was een eenvoudige arbeider, die als machinist het karige loon voor zich en de zijnen verdiende. Hij was algemeen geacht, en ’s avonds in den winter verzamelden zich meermalen de jongens, waaronder ook de kleine George, rondom het vuur van zijne machine, om te luisteren naar de verhalen, die Robert Stephenson hun deed. En hij kon voor een eenvoudig arbeider mooi vertellen. De jongens hingen hem aan de lippen, als hij hun de lotgevallen van Robinson Crusoë beschreef, of als hij van de ontdekking van Amerika door Columbus vertelde. Dan duurde het verhaal den kleinen George nooit lang genoeg. Maar ’t liefst van alles ving hij vogels, vooral lijsters, om ze op te voeden en te verzorgen. Ook van andere dieren hield hij veel, eneen mooien hond te bezitten, scheen hem de grootste rijkdom toe.
Zijn vader miste de middelen om zijne kinderen naar school te laten gaan, en al jong moesten zij hun eigen brood geheel of gedeeltelijk zien te verdienen. Zoo ook de kleine George, die reeds als als negenjarig kind in dienst trad als herdersknaap.
Nu dwaalde hij dag-in, dag-uit met zijne kudde en den herdershond over de heide, en niemand zou toen hebben kunnen droomen, dat de arme jongen, die daar rustig zijne schapen hoedde en lezen noch schrijven kon, eenmaal een van de beroemdste mannen van Engeland zou worden.
De kleine George, die in zijn eentonig leven al spoedig door de verveling werd aangegrepen, zocht zich afleiding te verschaffen door allerlei dingen te knutselen. Zoo maakte hij b.v. molentjes, en zijne vreugde kende geen grenzen, wanneer de wind de wieken lustig deed draaien. Ook vervaardigde hij schepraderen, die hij door het stroomende water van de beek in beweging liet brengen,—en eindelijk fabriceerde hij van leem, hout, touw enz. eene geheele machine, zooals die van zijn vader in de fabriek. Dergelijk werk nam zijn geest geheel in beslag, bracht hem aan het peinzen en wekte zijne scheppingskracht, die later wonderen zou doen.
Eenigen tijd later werd hij van herdersknaap landarbeider, waardoor zijn weekloon grooter werd. Hij toonde zich toen een ijverig werker, wien geen moeite te veel was. Kwam hij ’s avonds thuis, dan hielp hij nog zijn oudere broeders bij het uitzoeken van dekolen, en vermeerderde daardoor zijne verdiensten. Want hij woonde in het gebied van de kolenmijnen, die zich zelfs tot ver onder de zee uitstrekten. De arbeiders, die daar hun zwaar werk verrichtten, hadden de zee boven zich,—en de schepelingen, die het zilte nat doorploegden, konden allerminst vermoeden, dat beneden hen de mijnwerkers in het hart der aarde en omringd van de grootste gevaren, hun dagelijksch werk deden.
Maar ook landarbeider zou hij niet blijven. Toen hij veertien jaar oud was, kwam hij bij zijn vader in de fabriek als stoker. Hij verdiende daarmede 60 cent per dag.
Dit werk beviel hem buitengewoon, want hij was van lieverlede groote belangstelling gaan koesteren voor de samenstelling van machines en voor de onderdeelen daarvan. En nu het zijne taak geworden was, de machine schoon te houden, verminderde die belangstelling er natuurlijk niet op. Hij was nu mooi in de gelegenheid, de verschillende deelen uit elkander te nemen en te bestudeeren, en ’t kostte hem weldra geen moeite meer, de machine geheel te ontleden en weer in elkaar te zetten. Op dezen leeftijd werd hij zich ook zijne geringe kennis bewust, en betreurde hij het niet weinig, dat hij niet lezen en schrijven kon. En zijn spijt werd er niet minder op, toen hij begon te begrijpen, welke wijsheid er in de boeken schuilde en hoe hij daaruit zou kunnen leeren, hoe machines gebouwd werden en hoe de ideeën van beroemde werktuigkundigen daarover waren.
Hij besloot dus, den verloren tijd nog in te halen. Driemaal in de week bezocht hij de avondschool, en zijne onderwijzers kwamen al spoedig in de gelegenheid om zijn leerlust en volharding daarbij op te merken. Al zijn vrijen tijd besteedde hij om zijn geest te bekwamen, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht te studeeren. Zijn dagelijksch werk leed daaronder echter in het geheel niet, want zijn plichtsgevoel was sterk ontwikkeld.
De herbergen bezocht hij nooit. Ja, wel gingen zijne makkers daar den langen winteravond doorbrengen, om verstrooiïng te zoeken na hun zwaren dagarbeid, maar George was dan nooit in hun gezelschap. Hij las, of hij knutselde eene of andere machine, maar naar de herberg ging hij niet. ’t Gevolg daarvan was, dat hij al spoedig een kleinen spaarpot kreeg, die gestadig grooter werd. Zoo kreeg hij eindelijk zelfs genoeg, om een klein huisje te koopen. Hij was toen twintig jaar oud. En nu hij eenmaal een huisje had, koos hij zich ook eene vrouw, die haar leven met het zijne wilde verbinden. Hij deed eene gelukkige keuze in Fanny Henderson, een eenvoudig meisje uit den omtrek.
Zijn huwelijk bracht in zijn levenswijze niet de minste verandering, of het moest deze wezen, dat hij velerlei werk bij de hand nam om zijne inkomsten te vermeerderen. Hij nam zelfs het schoenmakersvak ter hand, en lapte in zijne vrije uren de schoenen en laarzen van zijne stadgenooten. Ook legde hij zich toe op het snijden van leesten.
Op een avond brak er een brand uit in zijn schoorsteen.De rookwolken stegen hoog in de lucht en de vlammen sloegen boven den rand van den schoorsteen uit. Stephenson plaatste een ladder tegen zijn huis en stopte het schoorsteengat toe, zoodat de vlammen door gebrek aan lucht smoorden. Maar de hitte in zijne kamer was groot genoeg geweest, om het raderwerk van zijne hangklok duchtig in de war te brengen, zoodat deze niet meer gaan kon.
George Stephenson nam haar van den wand, bestudeerde de samenstelling van het uurwerk zorgvuldig, totdat hij de beteekenis van elk radertje goed begreep, en nam toen het uurwerk uit elkaar. Weldra ontdekte hij de oorzaak van het stilstaan, en met bekwame hand bracht hij de zaak weer geheel in orde. Zijne buren en kennissen, die hem aan den arbeid hadden gezien, stonden verbaasd over zijn vernuft en zijne handigheid, en bazuinden zijn lof uit. Het gevolg daarvan was, dat hem tal van klokken ter reparatie werden toevertrouwd, van welke opdrachten hij zich schitterend kweet. Zijne bijverdiensten werden er aanmerkelijk grooter door.
Zoo leefde hij een drietal gelukkige jaren, toen hem een slag trof, die hem levenslang verdriet zou doen. Zijn lieve vrouw namelijk werd ziek en stierf. Langen tijd had Stephenson noodig, om zijne smart te overwinnen. De dood van zijne vrouw had hem allen levenslust ontnomen, en verdrietig zat hij in zijn eenzame woning bij zijn eenig zoontje, zonder dat hij lust of kracht voelde, om iets ter hand te nemen.
Eindelijk evenwel vermande hij zich en besloot hij voortaan te leven voor het kind, dat zijne geliefdeFanny hem had nagelaten. En hij nam zich voor hem eene zorgvuldige opvoeding te laten geven. Hij zou trachten zelfs zooveel te verdienen, dat hij hem later aan de akademie te Newcastle kon laten studeeren. Hijzelf wist bij ondervinding, hoe diep treurig het is, als men in de kinderjaren geen goed onderwijs heeft ontvangen.
Toen hij na eenigen tijd eene uitnoodiging ontving, om ergens in Schotland eene nieuwe machine te stellen, besloot hij daaraan te voldoen. Hij vertrouwde zijn zoontje toe aan de goede zorgen van een braaf echtpaar, dat bij hem in de buurt woonde, en begaf zich te voet naar de plaats zijner bestemming.
Na een jaar keerde hij terug met een sommetje van 360 gulden overgespaard geld, maar trof zijne bejaarde ouders in een allerongelukkigsten toestand aan. Zijn vader had geen werk, en was diep in schulden geraakt. George bedacht zich geen oogenblik, maar gebruikte zijn zuur verdiend geld om die schulden te delgen en zoo goed mogelijk voor zijne ouders te zorgen, wel een bewijs, dat hij zijn hart op de rechte plaats droeg.
Hij had zich intusschen reeds een grooten naam gemaakt als uiterst bekwaam werkman. Daaraan had hij het te danken, dat men hem opdroeg een pompmachine te herstellen, die niet meer werken wilde, en waaraan verscheidene werktuigkundigen reeds tevergeefs hunne krachten hadden beproefd.
Stephenson was zoo gelukkig, de oorzaak van het kwaad spoedig te ontdekken, en in zeer korten tijdwerkte de pomp weer even goed als vroeger. Ja, beter nog, want hij had eene paar kleine wijzigingen in de samenstelling aangebracht, die groote verbeteringen bleken te zijn. Als belooning ontving hij van de Directie 10 pond sterling ten geschenke.
Van dit oogenblik af bereikten hem van alle kanten uitnoodigingen, om slecht- of in ’t geheel niet werkende stoommachines in orde te komen brengen, zoodat hij veel geld verdiende. Hij nam nu geregeld les in werktuigkunde en leerde zelfs nog machineteekenen, wat hem in zijn vak dikwijls te pas kwam. Ook beschouwde men hem niet meer als een gewoon werkman, maar kende men hem den titel van werktuigkundige toe. Eene kleine machine, die hij zelf geheel ontworpen en gebouwd had, wekte de bewondering van allen, die haar zagen.
Toch hield hij zich niet alleen met zijne machineriën bezig. Neen, hij was nog evenals vroeger een groot dierenvriend, en menig uurtje wijdde hij aan het tammaken van vogels, vooral lijsters. Een van deze dieren bracht zelfs den nacht door aan het hoofdeinde van zijn bed, en wat eigenaardig was: in het voorjaar vertrok deze lijster naar de bosschen om daar te nestelen, maar in het najaar kwam hij trouw weer terug, om den winter bij zijn vriend door te brengen.
Stephenson, die nog altoos een zeer eenvoudig man gebleven was, gunde zich menigmaal in het middaguur den tijd niet, om thuis te gaan middagmalen. Hij had echter zijn Schotschen herdershond Spot afgericht, om tegen het middaguur naar huiste gaan. Die hond was verbazend verstandig en leerzaam. Hij wist dan ook zeer goed, dat zijn meester hem naar huis zond, om diens middagmaal te halen. Men hing hem thuis namelijk een blikken bus, die het warme middagmaal voor Stephenson bevatte, om den nek, en dan keerde Spot welgemoed naar de mijn terug, waar zijn heer op hem wachtte.
Die trouwe Spot! De heerlijke geur van het lekkere middagmaal drong hem tergend in den neus, zoodat het water hem tusschen de tanden doorliep, maar hij taalde er niet naar, er zich ook maar het kleinste hapje van toe te eigenen. Neen, met opgeheven kop draafde hij voort, om zoo spoedig mogelijk bij zijn meester te komen. De menschen, die hem dan zagen gaan, keken hem lachend na, want iedereen kende den hond van George Stephenson.
Dat ging langen tijd goed, tot eindelijk een groote bulldog van een slager besloot, hem het lekkere hapje afhandig te maken. ’s Middags, toen Spot passeeren zou, had hij zich midden op de straat neergelegd, om zijn snoode plan ten uitvoer te brengen.
Ha, daar kwam Spot den hoek om.
De groote slagershond stond op en gaf door een dof gebrom zijn booze plannen te kennen.
Spot bromde terug. Maar opeens vloog de dog op hem aan en greep hem bij de keel, met het vaste plan, hem het geurige middagmaal te ontrooven.
Spot was over deze brutale aanranding diep verontwaardigd, en hoewel de blikken ketel hem niet weinig in zijne bewegingen belemmerde, weerde hijzich zoo dapper, dat de dog jankte van pijn! ’t Werd een woedend gevecht, en de honden rolden grommende over de straat, totdat eindelijk de bulldog jankende en met den staart tusschen de beenen het hazenpad koos. Spot was overwinnaar gebleven. Hij schudde zich het stof uit de haren en vervolgde met spoed zijn weg naar de mijn, waar Stephenson op hem wachtte.
Kwispelstaartend legde hij de blikken bus aan diens voeten, en hij keek zijn meester aan, of hij vragen wilde: “Heb ik me niet goed gehouden?”
’t Was voor Stephenson in ’t geheel geen aangename verrassing, toen hij den ketel ledig vond. Het lekkere middagmaal was onder de vechtpartij op de straat terecht gekomen, maar daar had Spot niets van gemerkt.
Toen Stephenson later vernam, wat er gebeurd was, zei hij:
“Nu, het bezitten van zoo’n trouwen hond is waarlijk wel een middagmaal waard!”
Het aangeboren scheppingsvermogen deed hem telkens iets nieuws bedenken, waardoor zijn naam steeds grootere vermaardheid kreeg. Zoo bedacht hij o.a. ook een lamp, die onder water brandende bleef. Maar daarmede was hij niet tevreden. In de kolenmijnen hoopt zich dikwijls het steenkolengas op, en levert dan de grootste gevaren op voor de mijnwerkers, die onder den grond zonder licht natuurlijk niet werken kunnen. Als dat gas dan in aanraking met het licht kwam, hadden er menigmaal hevige ontploffingen plaats, die voor de mijnwerkers de noodlottigste gevolgen hadden.
Eens, ’t was in ’t jaar 1814, had er weer zulk eene ontploffing plaats gehad en stond een gedeelte van een mijn in brand. IJlings boodschapte men dat aan Stephenson, die zich dadelijk naar de plaats des onheils begaf en in de mijn afdaalde. Op grooten afstand van de brandende gang stonden vele mijnwerkers bijeen.
“Komt mannen, wie moed heeft, volge mij, dan zullen wij den brand stuiten!” riep Stephenson hun onvervaard toe.
De mijnwerkers stelden een bijna onbegrensd vertrouwen in Stephenson, maar nu weifelden zij toch een oogenblik. Doch weldra vatten zij moed, en onder zijne leiding stopten zij den ingang tot het brandende deel geheel toe, zoodat de toevoer van versche lucht afgesloten werd en het vuur uitdoofde.
Stephenson keerde naar huis terug met het vaste voornemen eene lamp te bedenken, die de mijnwerkers zonder gevaar voor hun leven zouden kunnen gebruiken. En korten tijd daarna kwam hij met eene lamp te voorschijn, die volgens zijne vaste overtuiging aan het doel moest beantwoorden.
In gezelschap van eenige bekenden begaf hij zich den 21 October 1815 ’s avonds om elf uur in eene mijn, die zooveel steenkolengas bevatte, dat eene gewone lamp ongetwijfeld een geweldige ontploffing zou veroorzaken.
Onverschrokken trad Stephenson met zijn brandend licht de mijn binnen en liep door tot te midden van de opgehoopte gassen. En zie—de proef gelukte volkomen. De vlam groeide eerst een weinig,begon toen te flikkeren en ging daarna uit. Maar er kwam geen ontploffing.
Verheugd keerde Stephenson van de gevaarlijke plaats terug, stak zijne lamp opnieuw aan, en trad nogmaals de mijn binnen. En weer doofden de anders zoo verraderlijke gassen de vlam uit. De eenvoudige Stephenson had weer eene ontdekking gedaan, die voor duizenden mijnwerkers eene groote weldaad zou blijken.
Toch bracht zijne ontdekking hem den roem niet, dien hij verdiende, want na enkele dagen bleek het, dat ook Sir Humphrey Davy eene lamp had uitgevonden, die volkomen aan het doel beantwoordde.
Stephenson kreeg eene belooning van 1200 gulden, maar Sir Humphrey Davy ontving een wel tienmaal grooter geschenk. Ook werd aan deze de eer van de uitvinding toegeschreven. Twee jaar later werd Stephenson echter recht gedaan. Hij werd toen openlijk als de uitvinder der veiligheidslamp erkend en men vereerde hem een zilveren bokaal en een geschenk van niet minder dan twaalf duizend gulden.
Intusschen hield zijn geest zich al geruimen tijd bezig met het plan, eene locomotief te ontwerpen, die in staat zou zijn, als beweegkracht voor verscheidene wagens te dienen. Er waren wel al enkele locomotieven gebouwd, maar die voldeden allerminst aan de verwachtingen. Toch meende Stephenson, dat zulk eene machine kon worden gevonden, en zonder ophouden zocht hij naar de oplossing van dit moeilijke vraagstuk. Zijne vrienden en kennissen meenden, dat zijn zucht naar uitvindingen hem inhet hoofd geslagen was en dat hij dus krankzinnige denkbeelden koesterde. En lachend hoorden zij hem aan, wanneer hij over zijne locomotief sprak en voorspelde, hoe eenmaal de menschen met groote snelheid van de eene stad naar de andere zouden worden vervoerd, alleen voortgetrokken door een locomotief.
Ondanks hun twijfel en dikwijls bitteren spot bracht hij het zoover, dat hij in een nieuwe mijn de steenkolen in wagens liet vervoeren, die door locomotieven in beweging werden gebracht. Metterdaad leverde hij daarmede het bewijs, dat zijne ideeën geen hersenschimmen waren, maar wel degelijk practische waarde hadden. Onophoudelijk ging hij voort in vereeniging met den ingenieur Dodd, verbeteringen aan zijne locomotieven aan te brengen. Stephenson bedacht het stelsel van gekoppelde raderen, en samen vonden zij het middel, om den ketel aanhoudend van water te voorzien. Deze locomotieven werden van 1814–1825 op den mijnspoorweg van Killingworth gebruikt, en dienden later om de kolentreinen te slepen langs den spoorweg van Darlington naar Stockton.
Die spoorweg had eene lengte van 61 kilometers en was over twee derden van zijne lengte van een dubbel spoor voorzien. De aanleg had niet minder dan 2 ton gouds per kilometer gekost. Maar de treinen liepen zeer langzaam, niet meer dan dertig mijlen in den tijd van vier uren. Het stelsel was dus nog slechts in zijne kindsheid. Spoedig zou er echter in den bouw van den stoomketel eene wijzigingworden aangebracht, die eene algeheele verandering in het spoorwegwezen ten gevolge had en de locomotieven in staat stelde de treinen voort te trekken tot eene snelheid van vijftig mijl in het uur. De kracht van een stoomwerktuig hangt af van de hoeveelheid stoom, die het in een bepaalden tijd voortbrengt. Bij de eerste locomotieven van Stephenson was die hoeveelheid zeer beperkt. Op raad van zijn landgenoot Booth voorzag hij zijne ketels van een groot aantal buizen, die gevuld werden met de warme lucht en den rook, die van den vuurhaard komen. De aldus aan de werking van het vuur blootgestelde oppervlakte werd daardoor zeer groot, zoodat men in een ketel van gewone afmeting eene oppervlakte van 150 M2. aan de werking van het vuur kon blootstellen.
In Mei van ’t jaar 1826 werd eindelijk tot de oprichting van een maatschappij tot aanleg van een spoorweg tusschen Liverpool en Manchester besloten, en aan George Stephenson viel de eer te beurt, tot hoofd-ingenieur van dit werk te worden benoemd. Hij had bij den aanleg van dezen spoorweg met ontzaglijke bezwaren te kampen, maar hij wist ze alle te overwinnen. Zijn jaarlijksch salaris bedroeg toen ruim twaalf duizend gulden.
Toen eindelijk deze eerste spoorweg gereed was, besloot men een wedstrijd te houden voor locomotieven, ten einde uit de verschillende systemen, welke toen bestonden, eene keuze te doen. Ook Stephenson nam aan dien wedstrijd deel met eene locomotief, die vervaardigd was in zijne machinefabriek te Newcastle.Die fabriek stond onder leiding van George Stephenson en diens zoon.
Vijf locomotieven namen aan den wedstrijd deel. DeFire-dartvan Stephenson, deNoveltyvan Braithwaite en Erickson, deNon-pareilvan Timothy Backworth, dePerseverancevan Burstal en deCyclopèdevan Brandreth. Deze laatste locomotief moest getrokken worden door paarden, wel een bewijs, dat de fabrikant zelf weinig vertrouwen stelde in de kracht en toekomst van locomotieven. Over ’t algemeen had men er zeer weinig vertrouwen in. Sommigen vreesden, dat de wielen wel zouden draaien, maarnietin staat zouden zijn een aantal wagens voort te trekken. Anderen meenden, dat zóó zij al eenige kracht konden uitoefenen, de snelheid toch ver zou achterblijven bij die van een paard. Weer anderen geloofden, dat de locomotieven op den vlakken grond wel enkele wagens met eene kleine snelheid zouden kunnen voorttrekken, maar dat zelfs eene geringe verheffing van den grond reeds voldoende zou zijn, om den trein achteruit te doen rollen.
De wedstrijd zou gehouden worden op de vlakte van Rainhill, die volmaakt horizontaal lag over eene lengte van 3218 Ned. ellen.
Den 6en October 1829 had de wedstrijd plaats. ’t Eerst verscheen deFire-dartvan George en Robert Stephenson. Duizenden menschen waren uit alle oorden des lands samengestroomd, om van den wedstrijd getuige te zijn.
DeFire-dartbleef overwinnaar. Zij trok met gemakde vastgestelde vracht voort met eene snelheid van 24 mijlen in het uur, en toen men haar geheel onbezwaard liet rijden, bracht zij het zelfs tot 40 mijlen per uur. Bij het oprijden van een hellend vlak deed zij 16 mijlen.
DeNon-pareilvoldeed niet aan de gestelde voorwaarden en werd dientengevolge niet toegelaten.
DeNoveltywas niet tijdig genoeg gereed, om beproefd te kunnen worden, en toen zij eindelijk aankwam, zaten de wielen niet goed. Eenige dagen later echter bracht zij het tot eene snelheid van 30 mijlen per uur, en onbezwaard van 38 tot 52 mijlen. Toen werd de ketel lek, zoodat de eigenaars zich vrijwillig uit den strijd terugtrokken.
Ook dePerseverancevoldeed niet aan de gestelde eischen, en bleef dus buiten mededinging.
DeCyclopèdemoest door paarden getrokken worden, en kwam dus niet eens in aanmerking.
Aan Stephenson’s locomotief werd dus de overwinning toegekend en aan zijne fabriek de levering van het noodige aantal opgedragen.
En deze eerste spoorweg werd al spoedig met vele andere vermeerderd. Stephenson’s fabriek nam snel in groei en bloei toe en werd een van de grootste machine-fabrieken van Engeland. De lijn Londen–Birmingham volgde in 1832. De vrees, om van een spoorwagen gebruik te maken, bleef echter nog langen tijd bestaan. Eerst in 1843 durfde Koningin Victoria het wagen, van dat vervoermiddel gebruik te maken, maar in 1858 nog kwam de groote minister Cavour in een reiswagen van Turijn naarParijs, omdat hij niet in een spoortrein durfde zitten.
Den 20en September 1839 werd de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem voor het eerst bereden, den 6en December 1843 werd de lijn Amsterdam–den Haag geopend en den 2en Juli 1847 was de lijn Amsterdam–Rotterdam voltooid. Tien van de locomotieven, daarbij gebruikt, waren door de firma Stephenson geleverd.
Zoo was dan van den eenvoudigen herdersknaap de beroemde ingenieur gegroeid, die aan het hoofd stond van eene fabriek, welke een wereldvermaardheid bezat.
In 1860 trok hij zich uit de zaken terug, om zijne laatste levensjaren in rust en kalmte door te brengen.
Hij stierf den 12en Augustus 1849.