Florence Nightingale.1830–1910.In de Meimaand van het jaar 1810 werd in het zonnige Italië een meisje geboren, wier leven eenmaal een gouden zonnestraal zou worden op het pad van duizenden ongelukkigen. In Florence zag zij het eerste levenslicht en kreeg zij den naam van hare geboorteplaats. Zij stamde af van een oud-adellijke Engelsche familie. Haar vader was een aanzienlijk Engelsch edelman, die, zelf kunstenaar en geleerde, aan zijne beide dochters, waarvan Florence de jongste was, eene zorgvuldige opvoeding schonk. Al vroeg moest Florence in zijne studiën deelen, hij liet haar veel reizen, om andere landen en volken te leeren kennen, en hij oefende haar voortdurend in de kennis van de vreemde talen. Al op jeugdigen leeftijd sprak zij behalve haar moedertaal, Fransch, Duitsch en Italiaansch. Door haar ook voortdurend met merkwaardige tijdgenooten te doen verkeeren, wist hij haar geest tot groote ontwikkeling te brengen.Squire Nightingale bezat in Engeland uitgestrekte landgoederen, die hij met de uiterste zorg beheerde, waarbij zijne beide dochters hem de behulpzame hand moesten bieden. Zij moesten hem helpen in zijne zorg voor zijne pachters enhunnegezinnenen toezicht houden op het getrouwe schoolbezoek van de kinderen. Zij bezochten de zieken en armen, waar zij troost en hulp brachten, en gaven les in de Zondagsschool.Reeds als jong meisje gaf zij blijken van hare grootheid van ziel, die haar later eenmaal wereldberoemd zou maken. Toen zij weer eens een zomer op een der landgoederen van haar vader in Derbyshire doorbracht, ontmoette zij een ouden herder, dien zij van haar vroegste jeugd af gekend had, en zag het hem dadelijk aan, dat hij bedroefd was.Onmiddellijk begaf zij zich naar den ouden man, en vroeg, wat hem scheelde.“Ach,” zei hij met tranen in de oogen, “mijn trouwe hond is gekwetst en zal wel sterven.”“Hoe jammer,” zei Florence, die dadelijk diep medelijden met den ouden man kreeg, omdat zij begreep, hoe smartelijk hem het verlies van zijn trouwen hond moest zijn. Al sedert zoo vele jaren was deze immers zijn onafscheidelijke metgezel geweest, als hij met zijn kudde naar buiten trok in den vroegen morgen, om pas bij het dalen van de zon naar de kooi terug te keeren. Hoe graag zou zij den ouden man helpen, als dit in haar vermogen was.“Waar is uw hond?” vroeg zij, vast besloten om te gaan zien, of hare hulp nog baten kon.“Daar, ginds in de schuur,” zei de man.Dadelijk begaf Florence zich naar de aangewezen plaats, en vond daar den hond op eenig stroo uitgestrekt. Zij bukte naast het dier neder, en bemerkte, dat hij zijn poot gebroken had. Het beest, dat kermdevan pijn, keek haar smeekend aan. Met teedere hand, maar toch met groote vastberadenheid zette zij het pootje van het arme dier, en legde er met haar zakdoek een stevig verband om. En zij verzorgde den herdershond zoo lang, tot hij geheel hersteld was en zijn ouden meester weer op zijn lange tochten kon vergezellen als voorheen.’s Winters bracht zij hare dagen in de groote stad door, en leidde daar het leven van alle adellijke jonge dames, hetwelk bestond in bezoeken afleggen, feesten bijwonen en schouwburgen bezoeken. Hare opvoeding was echter te degelijk geweest, dan dat dit leventje van plezierig nietsdoen haar zou kunnen bevredigen. Neen, al spoedig voelde zij al de leegheid daarvan en kwam het verlangen in haar op, zich nuttig te maken voor anderen. Zij wilde haar leven rijker en grooter maken, door zich een levensdoel te scheppen, waaraan zij zich geheel wijden kon. Maar wat zou dat doel zijn?Zij wist het langen tijd zelf niet, tot haar opeens op ongezochte wijze de weg gewezen werd.In hare naaste omgeving kwamen twee ziektegevallen voor, die haar geheel in beslag namen. Met de uiterste zorg nam zij de verpleging van de zieken op zich, en het bleek al spoedig, dat zij daarvoor een bijzonderen aanleg bezat. En toen de zieken hersteld waren en hare hulp dus niet meer noodig hadden, zie, toen wist zij, wat voortaan haar levensdoel zou zijn. Zij wilde anderen gelukkig trachten te maken door hun lijden te verzachten en troost te brengen, waar de dood onverbiddelijk komen moest.Zij wilde zich aan het werk der ziekenverpleging wijden, dat in die dagen op een zeer laag peil stond. Ziekenhuizen waren er slechts weinig en stonden onder bestuur van lieden, die van verpleging niet het minste verstand hadden. De verpleegsters behoorden tot de laagste standen der maatschappij. Zij waren vuil en slordig, droegen weinig of geen zorg voor de hun toevertrouwde zieken, gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over en leidden een slecht, schandelijk leven. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, hoe treurig het met de verpleging der zieken stond. Florence Nightingale besloot, voor zij de grootsche taak, die zij zich als levensdoel had gesteld, ter hand nam, van de ziekenverpleging een uitgebreide studie te maken. En door de gasthuizen in de verschillende steden te bezoeken, wilde zij zich met eigen oogen van den huidigen toestand een beeld vormen.Wat zij daarbij te zien kreeg, overtrof nog verre hare verwachtingen. In Londen, zoowel als te Edinburg en Dublin vond zij de ziekenzalen vervuild, de verpleegsters ruw, onwetend, onbeschaafd en aan den drank verslaafd. Een schrijfster1, wier levensbeschrijving van Florence Nightingale bij deze schets in hoofdzaak gevolgd wordt, zegt er van: “In hooge, houten bedsteden lagen soms drie tot vier volwassen zieken naast elkander; ongedierte kroop rond in het beddegoed, dat niet verwisseld werd als een nieuwe de vrijgekomen plaats van een genezen of overleden kranke kwam innemen. In een Edinburgsch gasthuisvond Florence Nightingale ten minste nog de bepaling, dat in geval van besmettelijke ziekte de matrassen gelucht en de bedlakens gewasschen moesten worden, maar in ieder ander geval scheen men het ook daar onnoodige weelde te vinden. Vaak moesten de kranken de verpleegsters te vriend houden door omkooperij, zouden dezen hun de allernoodigste hulp bewijzen, de voor hen bestemde verkwikkingen, die meest op de ziekenzaal moesten worden toebereid, niet zelven tot zich nemen, hen niet berooven van wat vriendelijke handen hun hadden gebracht of van het vast rantsoen van brood, dat den patienten dagelijks ééns per etmaal werd uitgedeeld, en dat zij in hun bed of onder hunne matrassen bewaarden met hunne kleederen en kleine bezittingen. Het reinigen der kranken, voor zoover men daaraan deed, en het afleggen der dooden geschiedde ten aanschouwe van al de andere lijders in de ziekenzaal. Overdag hielpen de herstellenden bij de verpleging der allerergsten. Des nachts werd geen hulp verleend en menigeen werd des morgens dood gevonden ten gevolge van uitputting en kracht verlies, die niet tijdig waren opgemerkt.”Florence Nightingale besloot de hand aan den ploeg te slaan, om aan dezen allertreurigsten toestand een einde te maken. Haar hart, zoo rijk aan liefde voor haar evenmensch, bloedde bij het zien van al de ellende, waaraan de bevolking der ziekenhuizen bijna overal in Engeland ten prooi was.Zij stelde zich daarom in verbinding met Mrs. Fry, die op een harer reizen naar het vasteland kennisgemaakt had met Pastor Fliedner’s diaconessen inrichting te Kaiserswerth, en de daar gevolgde wijze van verpleging ook in Engeland wenschte in te voeren. Zij raadde haar aan zich naar Kaiserswerth te begeven, en daar van de ziekenverpleging eene grondige studie te maken. Deze raad werd door Florence opgevolgd. Zij maakte een flinken leertijd te Kaiserswerth door, en bezocht ook verscheidene ziekenhuizen in Frankrijk en Italië.Vervolgens keerde zij naar haar vaderland terug, om haar verkregenkennisdienstbaar te maken ten bate der lijdende menschheid. Zij schreef een werkje over hare onderzoekingen en ondervindingen op het gebied der ziekenverpleging, en riep de jonge vrouwen en de meisjes op om zich aan deze edele taak te wijden.Daarna begaf zij zich naar Frankrijk, om zich in de practijk van de ziekenverpleging verder te bekwamen en de chirurgie te bestudeeren. Zij werd in dien arbeid gestoord door een zware ziekte, die haar dwong naar huis terug te keeren. Zoodra zij hersteld was, wijdde zij zich aan de opvoeding van havelooze kinderen, en verbond zich aan een tehuis voor verarmde bejaarde dames uit den deftigen stand, waarvan zij het bestuur op zich nam. Dit tehuis was vervallen en verwaarloosd. De bewoonsters leden er gebrek aan het allernoodzakelijkste. Maar Florence bracht er in korten tijd orde en gezelligheid. Daar bleef zij, tot in 1851 de geweldige oorlog uitbarstte in het Oosten, die haar opriep tot de edele taak, welke haar naam eenmaal zou brengen op aller lippen.’t Was de oorlog van Engeland, Frankrijk en Turkije tegen Rusland. Juichend had men in Engeland de oorlogsverklaring begroet, maar helaas, die juichkreten zouden weldra jammerkreten worden. Immers, het bleek maar al te spoedig, hoe lichtzinnig men de duizenden Engelsche jongelingen naar het tooneel van den strijd had gezonden, zonder ook maar op eenigszins behoorlijke wijze voor hunne uitrusting en verpleging te zorgen.Vreeselijke berichten drongen tot het vaderland door over de gewonden, die niet werden verzorgd, de stervenden, die niet werden getroost. De hevigste ziekten verspreidden zich in de kampen en brachten dood, angst en vertwijfeling onder de troepen. In juli waren er 6937 zieken, in September steeg dat getal reeds tot 11.693, in November tot 16.846 en in Januari 1855 werd zelfs het ontzettende cijfer 23.076 bereikt. Er stierven 390 officieren en 20.707 manschappen. 1407 officieren en 14901 manschappen werden invalide naar huis gezonden. Van een totaal verlies van 35.598 krijgslieden stierven er op het slagveld slechts 2755 en overleden er 1619 aan bekomen wonden. Al die anderen stierven tengevolge van ontberingen, slechte verzorging en gebrek aan hulp.De toestand van het leger was “ellendig, deerniswekkend, hartbrekend,” schreef een hooggeplaatst officier. “Het had geen schoenen en geen kapotjassen. Officieren gingen in vodden en konijnenvellen, manschappen in broodzakken en lompen. Er waren geen medicijnen, nergens vond men beschutting. Dagin dag uit moesten de ongelukkigen zwoegen door sneeuw en modder. Zij sliepen in gescheurde tenten, ten prooi aan de meedoogenlooze stormen van een Russischen winter. In open loopgraven waren de uitgeputte krijgslieden blootgesteld aan het vuur van de Russische kanonnen en stonden voortdurend bloot aan de overvallen van de gevreesde Kozakken. Zij waren gekampeerd op een doorweekten grond, die bedekt was met sneeuw of bezaaid met plassen vuil water, verontreinigd door lijken van paarden.Pest en cholera sleepten de ongelukkigen ten grave, en er waren veel te weinig officieren van gezondheid, om de zieken te helpen. De meest gewone hulpmiddelen ontbraken. Er werd geen rekening gehouden met de reinheid. De sterfte was ontzettend. Vele mannen stierven zelfs, zonder dat ook maar eene enkele poging in het werk werd gesteld, om hen redden. Er waren veel te weinig verplegers om te kunnen helpen, waar dat noodig was. De zieken en gewonden bleven liggen, zooals zij waren neergelegd door kameraden, die hen op hun rug voorzichtig van het slagveld naar het hospitaal hadden gedragen, maar niet bij hen konden blijven.Den 20enSeptember 1854 werd de slag van Alma geleverd, het eerste bloedige samentreffen van beteekenis. Na den strijd was het slagveld bezaaid met dooden en gewonden. De laatsten lagen, zonder hulp, te kreunen van de pijn. De Engelsche dokters konden het verbinden en verzorgen niet af. ’t Was hartverscheurend, die arme slachtoffers daar te zien liggen in de brandende zon, zonder iemand om hente helpen, of zelfs maar een dronk waters te brengen.”De berichten in de Engelsche dagbladen deden de harten der lezers trillen van deernis en verontwaardiging.“Zijn er onder ons dan geen vrouwen vol toewijding,” schreef dezelfde hooggeplaatste officier tot het Engelsche volk, “geneigd en bekwaam om uit te gaan tot de zorg voor de lijdende soldaten in de hospitalen te Scutari? Is geen enkele der dochters van het Engelsche volk, nu de nood dringt, gereed tot dit werk van barmhartigheid? Frankrijk heeft zijne liefdezusters bij scharen uitgezonden, en aan het leger van gewonden en stervenden schenken dezen verlichting en vertroosting, zooals alleen de hand der vrouw die kan schenken. Staan wij, Engelschen, dan zoo ver beneden de Franschen in zelfverloochening en in toewijding tot een arbeid, dien Christus zoo bijzonder heeft gezegend als een werk aan Hem zelven verricht, zeggende: “Ik ben ziek geweest, en gij hebt Mij niet bezocht.”De treurige berichten in de dagbladen maakten een diepen indruk op het hart van Florence Nightingale, en dadelijk greep zij naar de pen om aan Mr. Sidney Herbert, hoofd van het Departement van Oorlog, hare diensten aan te bieden. Zij verklaarde zich bereid, persoonlijk naar de hospitalen te Scutari te gaan, om daar alles te doen, wat hare hand vinden zou om te doen. En wel toevallig: nog voor haar brief het Departement van Oorlog kon hebben bereikt, ontving zij een schrijven van de Regeering, waarin haar dringend werd verzocht, de leiding van de ziekenverplegingin de hospitalen op zich te nemen. Mr. Sidney Herbert schreef haar, dat zij in de nieuwsbladen zeker wel zou hebben gelezen, dat er in de hospitalen groot gebrek aan verpleegsters heerschte. Dat er ook gebrek zou zijn aan medische hulp en verbandmiddelen kon hij zich niet voorstellen, daar er een voldoend aantal officieren van gezondheid in het leger aanwezig was en de geneesmiddelen in groote hoeveelheid afgezonden waren. ’t Moest alles ongetwijfeld op een verkeerde plaats zijn ontscheept, of niet doorgezonden zijn naar de hospitalen te Scutari. Maar dat er gebrek was aan vrouwelijke hulp, erkende hij. Hij drong er in zijn schrijven op aan, dat Florence Nightingale de leiding van de verpleging op zich zou nemen, omdat zij de eenige vrouw was in Engeland, die hij er toe in staat achtte aan de tegenkanting, die zij voorzeker van vele zijden zou ontmoeten, het hoofd te bieden.Onverwijld begon Florence aan de uitvoering van de haar opgedragen taak. Zij koos zich een aantal geschikte verpleegsters, om haar naar Scutari te vergezellen, en stoorde zich niet aan den spot van vele menschen en zelfs van groote bladen, die het een dwaas denkbeeld vonden, dat vrouwen op een oorlogsterrein tot iets goeds bekwaam zouden zijn. Spottend werd er geschreven over de “Nachtegaaltjes,” die voor zieke soldaten zouden gaan zingen, maar niet de minste kennis hadden van het verplegen van gewonden en zieken.Anderen daarentegen juichten het plan van de regeering uitbundig toe. Iemand schreef van Florence:“Zij is iemand, die God heeft voorbestemd tot groote dingen. Men behoeft haar maar te hooren spreken, zelfs nog zonder tot haar te hebben opgezien, om te gevoelen, dat zij een buitengewone persoonlijkheid is. Zij is eenvoudig, verstandig, vriendelijk en welwillend. Zij is rijzig van gestalte en mat van tint. Haar gelaat is uiterst aantrekkelijk, en het beste daarin is het stralende zieleleven, dat hare wezenstrekken zoo heerlijk verlicht. Er is niets liefelijker denkbaar dan haar glimlach, die is als een zonnige zomerdag.”Florence trok zich van het een noch het ander iets aan en ging voort, met zich voor haar taak voor te bereiden. Veel tijd, om hare verpleegsters in de kunst van het verplegen te onderrichten, had zij niet, want zij moest zich zoo spoedig mogelijk aan boord van het schip begeven, dat haar naar het oorlogsterrein zou overbrengen. Reeds zes dagen na het ontvangen van den brief van Sidney Herbert, zeilde zij uit met 38 verpleegsters, en bereikte zonder tegenspoed het groote hospitaal te Scutari. Daar deed zij hare intrede als Superintendante van den verplegingsdienst in het Oosten, met den titel van Lady in Chief. Zij was belast met het oppertoezicht in alle acht hospitalen aan de Zwarte Zee, waarvan Scutari het middelpunt was. ’t Lag op den top van een hoogen heuvel, en had een prachtig uitzicht op den Bosporus en op Constantinopel. Het hospitaal was een gewezen kazerne, heerlijk schoon gelegen in een landschap, dat was, volgens een schrijfster, als een Hof van Eden,—maar verkeerde in een onbeschrijfelijkenstaat van vervuiling en ellende. Met de grootste zorgeloosheid had men gewonden naast choleralijders gelegd, en de zieken lagen er als het ware opgepropt. In de eerste maanden van den veldtocht was er aan alles gebrek geweest. Er was geen huisraad, geen vaatwerk, geen zeep, geen handdoeken, geen zakdoeken, geen lijflinnen. De gewonden lagen er in hun van geronnen bloed verstijfde kleeren, zonder zelfs maar onderzocht, veel minder verbonden te zijn. Zij lagen te sterven in lokalen, verpeste holen, vol ratten en ongedierte.En hoe waren die ongelukkigen in dit verblijf der ellende aangeland? Ontscheept aan den voet van den heuvel, waren zij door hunne kameraden tegen de hoogte opgesjouwd, of zelfs zonder hulp naar boven gekropen. En de ongelukkigen kwamen daar om hulp te zoeken,—die er niet was.Zelve schreef Florence Nightingale, na haar eerste ronde door de verontreinigde lokalen te hebben gedaan: “De ligplaatsen der mannen stonken, en de dekking was van zaklinnen, zoo ruig, dat de zieken smeekten hun enkel hunne velddekens te laten; en voor mannen, die in zulk een staat van uitputting verkeerden, was het ook niet om uit te houden onder die harde lakens. Er was geen enkel stuk huisraad van welken aard ook. Ledige wijn- en bierflesschen dienden voor kandelaars, en dat was alles.”Nergens was er gelegenheid, om de kleeren der mannen te wasschen, en ook rondom het gebouw heerschte de grootste vuilheid. Uit een raam ziende, ontdekte Florence niet minder dan zes doodehonden in een staat van verregaande ontbinding.Alles in één woord ontbrak. De gewonden hadden niets dan lompen aan hun lichaam, en er was geen linnengoed, om ze te vervangen. Zelfs waren er geen keukens. Er werd slechts gekookt in groote ketels, op open wachtvuren. ’t Eten was òf half gaar, òf bijna rauw. De hospitaal-dokters waren òp van vermoeidheid en konden haast niet meer voort. De komst van Florence Nightingale beschouwden zij als een nieuwen last bij hun toch al zoo zware taak. Immers, wat zou deze vrouw, die boven hen gesteld was en wie zij dus moesten gehoorzamen, anders geven dan de meest dwaze bevelen?De toestand werd nog donkerder, toen enkele uren na de aankomst van Florence Nightingale de gewonden in den slag bij Inkerman in schrikbarenden getale werden aangebracht. De zalen waren reeds overvol, zoodat de ongelukkigen in de gangen op den grond moesten worden neergelegd. Sommige moesten zelfs tevreden wezen met een ligplaats op den vervuilden grond buiten het gebouw. Vijf dagen hadden zij aan boord van het schip doorgebracht, en nòg waren hunne wonden niet gereinigd, nog veel minder verbonden. Bij dozijnen stierven zij weg tengevolge van uitputting en ellende.’t Was hartverscheurend.Florence Nightingale, wier hart bloedde bij het aanschouwen van al deze ellende, begreep, dat hier krachtig moest worden gehandeld. Zij liet met milde hand groote hoeveelheden versterkende middelen uitdeelen, die zij op eigen kosten had medegebracht.Overal en in alles bracht zij orde en verbetering. De gebouwen werden gereinigd, de gewonden afgezonderd van de lijders aan cholera en andere besmettelijke ziekten. Zij gaf de noodige bevelen, opdat het hospitaallinnen en de geneesmiddelen, die wel van uit Engeland gezonden maar nog niet aangevoerd waren, omdat alles nog in de schepen opgeladen lag, ten spoedigste naar de verschillende hospitalen werden afgezonden. Zonder aarzelen, zonder zich te storen aan tegenkanting en bezwaren van anderen, bracht zij den hospitaaldienst op geregelden voet, zoodat zij binnen tien dagen reeds eene keuken in werking had, waar dagelijks voor 800 man versterkende levensmiddelen werden bereid. Zij richtte eene wasscherij in voor de kleeding van de zieke soldaten en zorgde er voor, dat het vervuilde beddegoed werd ontsmet. Op eigen kosten liet zij duizend hemden uit Constantinopel komen, en zij wist in den vreeselijken warboel in korten tijd orde en regel te scheppen. Haar arbeid werd een zegen voor duizenden. Waar zij aan de bedden der zieken verscheen, overal riep hare tegenwoordigheid een glimlach van dankbaarheid op de van pijn verwrongen gelaatstrekken der arme gewonden en zieken. Hare verschijning was als van een engel, en zij waarde door de groote zalen rond als de fee van het geluk. Zelfs voor de vrouwen, die hare mannen op het oorlogsveld waren gevolgd, zorgde zij met de meeste toewijding. Zij gaf haar werk in de keuken en de wasscherij, en richtte zelfs voor de kinderen een school en een kinderbewaarplaats op.In korten tijd had zij allen onwil en tegenkanting overwonnen, en stormenderhand had zij de harten veroverd van allen, die met haar in aanraking kwamen.Zij gunde zichzelve geen oogenblik rust. En ’t zou nog erger worden, het uiterste zou van de toewijding van deze edele vrouw worden gevergd. De troepen hadden het beleg geslagen om Sebastopol, waar zij dikwijls 36 uren aan een stuk dienst moesten doen, met alleen wat pekelvleesch met suiker, een slok rum en een paar beschuiten tot voedsel. De dienst in de loopgraven gedurende, de koudste wintermaanden deed den ongelukkigen de ledematen bevriezen, terwijl bovendien nog cholera en dysenterie met vernieuwde felheid hunne slachtoffers kozen. De hospitalen lagen overvol. Meer dan 5000 zieken waren over de verschillende inrichtingen verdeeld. In de gangen gingen steeds twee reeksen van draagbaren in tegengestelde richting elkander voorbij, een, die de gewonden aanvoerde, de andere, die de dooden wegdroeg. ’t Was vreeselijk om aan te zien. De cholera-patienten stierven meestal binnen den tijd van vijf uren, de ongelukkigen, die met bevroren ledematen werden binnengebracht, leden de afschuwelijkste pijnen. De kleeren waren aan hunne lichamen vastgevroren, en bij het verwijderen van de schoenen, hoe voorzichtig ook gedaan, kwamen steeds de teenen mede.Florence scheen wel overal tegenwoordig te zijn. Men zag haar troostend verwijlen aan de bedden der stervenden, luisterende naar hunne laatste wenschen,om hun groeten en laatste spaarpenningen over te brengen aan de geliefden in het vaderland, dat zij nooit zouden terugzien,—zij bemoedigde de gewonden, die vreeselijke operaties of amputaties moesten ondergaan, wat in die dagen nog niet pijnloos geschiedde, omdat chloroform nog weinig werd gebruikt,—of zij gaf versterkende middelen aan de zwakken, die van uitputting dreigden te sterven. En daarbij hield zij toezicht op alles, wat er in de hospitalen geschiedde, op de reiniging, op de voedingsmiddelen, op de verpleging der zusters, en zelfs ook over de laatsten waakte zij met groote liefde, opdat zij niet te veel van hare krachten zouden vergen en zichzelven daardoor te gronde richten.En wanneer ’s nachts de doctoren reeds lang weg waren en men slechts de zusters, die de wacht hadden, zich geruischloos zag bewegen, dan deed nog Florence Nightingale met een brandende lamp in de hand, de ronde door de groote zalen vol lijdenden, om nog een kussen te verschikken hier, een dronk waters te reiken daar, een woord van troost en bemoediging te spreken tot een stervende elders. Met innige vereering zagen de stumperds dan op tot de Vrouw met de lamp, die voor hen een engel der liefde was in deze gebouwen der verschrikking.Toen zij zes maanden onafgebroken had gearbeid in Scutari, en de lente gekomen was, begaf zij zich naar het Schiereiland de Krim, om met eigen oogen te zien, hoe het met de verpleging der gewonden gesteld was op het oorlogsterrein. Bij hare aankomst aldaar wenschten de autoriteiten haar met grooteplechtigheid te ontvangen, maar toen zij aan het schip kwamen, was Florence daar reeds niet meer. Zij was reeds aan land gegaan en had al met hare inspectie een begin gemaakt. Van den top van een hoogen heuvel overzag zij het oorlogsveld. Daar zag zij de duizenden witte tenten, hoorde zij de trompetten steken, de kanonnen bulderen en de trommen roffelen.Zij begaf zich te midden van de soldaten, die haar niet kenden. Maar nauwelijks drong het gerucht tot hen door, dat het Florence Nightingale was, die zij in hun midden hadden, of zij werd met een oorverdoovend hoerageroep door hen begroet. Op dat oogenblik ontving zij den dank van het leger voor al hare toewijding en liefde, aan de zieke en gewonde soldaten betoond.In hare inspectiereis werd zij gestoord door een ernstige ziekte, die haar aan den rand van het graf bracht. Dagen lang lag zij doodelijk krank ter neder, en reeds ging in de hospitalen de treurige mare rond, dat zij overleden was. De dokters raadden haar aan, naar Engeland terug te keeren en daar haar volledig herstel af te wachten. Maar zij wilde er niet van hooren, en keerde, zoodra hare krachten haar dat toelieten, naar Scutari terug, om zich daar opnieuw aan de haar opgedragen taak te wijden.Eindelijk moest Sebastopol bezwijken, in September 1848, en werden de vredesonderhandelingen geopend, die aan den bloedigen oorlog een einde zouden maken.Maar Florence Nightingale achtte hare taak nog niet afgedaan. Zij begaf zich naar de Krim, en vestigdehet hoofdkwartier van den verplegingsdienst op een der Balaclavaheuvels. Zij leef de daar met drie zusters in een kleine keet, bestaande uit drie kamers, midden tusschen de barakken. ’t Was ijzig koud, ’s nachts bevroor daar alles, tot zelfs de inkt. Eens werden de zusters wakker onder een laag van sneeuw, die door de reten van de keet naar binnen was gewaaid. Maar Florence, onvermoeid en opofferend als zij was, liet zich door sneeuwjacht noch vorst weerhouden, dagelijks de barakken en de tenten te bezoeken, waar zij alles deed om de soldaten, die hersteld waren van hunne wonden, aangenaam bezig te houden. Zij stichtte kleine bibliotheken voor hen, waarvan een dankbaar gebruik werd gemaakt. Zelfs richtte zij een spaarkas op, waar de soldaten hunne spaarpenningen in bewaring konden geven, waardoor zij in staat werd gesteld iedere maand ongeveer 12000 gulden naar Engeland te zenden voor de familieleden der soldaten. Zij deed dat, omdat de mannen zich veel aan dronkenschap overgaven en al hun geld voor sterken drank uitgaven. Die spaarkas was eene ware weldaad, wat ook de Regeering inzag. Deze richtte zelfs vijf hulppostkantoren op, waar het geld kon worden ingebracht.Ongeveer April 1856 werd de vrede geteekend. De soldaten werden ingescheept, om naar het vaderland terug te keeren. En eerst, toen het laatste hospitaal gesloten was, rekende ook Florence Nightingale zich ontslagen van hare taak. Voor haar vertrek liet zij op een der hoogste heuvels van Balaclava uit eigen middelen een hoog marmeren kruis oprichten als eengedenkteeken voor de gesneuvelden. ’t Was twintig voet hoog, en tot ver in zee zichtbaar.Hoe hoog hare diensten werden gewaardeerd, kan hieruit blijken, dat zij als afscheid van den Sultan een kostbaren diamanten armband ontving, terwijl koningin Victoria haar een halssieraad schonk, bestaande uit een St. Joriskruis met het naamcijfer der koningin, en daaromheen, als randschrift: “Zalig zijn de barmhartigen.”’t Was te verwachten, dat het Engelsche volk haar, bij het terugkeeren in het vaderland, eene grootsche hulde wilde brengen. Reeds had men eene groote som gelds bijeengebracht, niet minder dan een half millioen gulden, welke men haar wilde aanbieden als blijk van erkentelijkheid van het Engelsche volk. En nog dagelijks stroomden de gelden toe. Er verschenen brochures, waarin haar groote lof werd toegezwaaid over haar werk van menschlievendheid, de nieuwsbladen gaven artikelen vol groote waardeering, men maakte lofzangen ter harer eer, en haar portret lag voor alle winkelramen.Van eene grootsche ontvangst kon echter niets komen. De bescheiden Florence onttrok zich aan alle openlijke hulde, door zich te Marseille te ontschepen en naar Parijs te gaan, waar zij eenigen tijd rust nam. Daarna begaf zij zich onder den aangenomen naam van Miss Smith naar Engeland en bereikte, zonder opgemerkt te zijn Lea Hurst, het landgoed van haar vader.Maar hare aankomst werd spoedig bekend, en duizenden bij duizenden trokken op naar het park vanLea Hurst, in de hoop haar, al was het ook maar in de verte, te mogen aanschouwen. IJdele hoop. Florence, “de heldin van de Krim,” bleef meestal onzichtbaar. Zij hield zich in hare vertrekken teruggetrokken, om uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen, die haar gestel krachtig hadden aangegrepen. Haar gezondheid was voor goed geknakt en er bestond weinig hoop, dat zij ooit weder geheel zou herstellen.Toch bereikte zij een zeer hoogen leeftijd. Enkele dagen geleden, in Augustus 1910, overleed zij ruim 90 jaren oud, en geen blad ter wereld is er, dat niet eenige kolommen wijdt aan hare nagedachtenis en aan de schoone daden, door haar, gedurende haar geheele leven, verricht. Want ook na hare terugkomst uit den Krim-oorlog bleef zij voortbouwen op het eenmaal gelegde fundament, waardoor zij het mocht beleven, dat door de, oprichting van het Roode Kruis de verpleging te velde op vasten grondslag werd geregeld. Dat was de kroon op haar werk.Eene schrijfster vermeldt, dat aan een maaltijd van uit den Krimoorlog terugkeerende officieren aan elk een strookje papier werd gegeven, met het verzoek, daarop den naam te schrijven van den persoon, wiens diensten wel het langst en het dankbaarst bij het nageslacht in herinnering zouden blijven.En al de briefjes droegen, zonder uitzondering, den naam van Florence Nightingale.Wel een bewijs, welk een gezegende arbeid door haar is verricht. Haar gansche leven was één gouden daad.1Johanna W. S. Naber: Wegbereidsters.
Florence Nightingale.1830–1910.In de Meimaand van het jaar 1810 werd in het zonnige Italië een meisje geboren, wier leven eenmaal een gouden zonnestraal zou worden op het pad van duizenden ongelukkigen. In Florence zag zij het eerste levenslicht en kreeg zij den naam van hare geboorteplaats. Zij stamde af van een oud-adellijke Engelsche familie. Haar vader was een aanzienlijk Engelsch edelman, die, zelf kunstenaar en geleerde, aan zijne beide dochters, waarvan Florence de jongste was, eene zorgvuldige opvoeding schonk. Al vroeg moest Florence in zijne studiën deelen, hij liet haar veel reizen, om andere landen en volken te leeren kennen, en hij oefende haar voortdurend in de kennis van de vreemde talen. Al op jeugdigen leeftijd sprak zij behalve haar moedertaal, Fransch, Duitsch en Italiaansch. Door haar ook voortdurend met merkwaardige tijdgenooten te doen verkeeren, wist hij haar geest tot groote ontwikkeling te brengen.Squire Nightingale bezat in Engeland uitgestrekte landgoederen, die hij met de uiterste zorg beheerde, waarbij zijne beide dochters hem de behulpzame hand moesten bieden. Zij moesten hem helpen in zijne zorg voor zijne pachters enhunnegezinnenen toezicht houden op het getrouwe schoolbezoek van de kinderen. Zij bezochten de zieken en armen, waar zij troost en hulp brachten, en gaven les in de Zondagsschool.Reeds als jong meisje gaf zij blijken van hare grootheid van ziel, die haar later eenmaal wereldberoemd zou maken. Toen zij weer eens een zomer op een der landgoederen van haar vader in Derbyshire doorbracht, ontmoette zij een ouden herder, dien zij van haar vroegste jeugd af gekend had, en zag het hem dadelijk aan, dat hij bedroefd was.Onmiddellijk begaf zij zich naar den ouden man, en vroeg, wat hem scheelde.“Ach,” zei hij met tranen in de oogen, “mijn trouwe hond is gekwetst en zal wel sterven.”“Hoe jammer,” zei Florence, die dadelijk diep medelijden met den ouden man kreeg, omdat zij begreep, hoe smartelijk hem het verlies van zijn trouwen hond moest zijn. Al sedert zoo vele jaren was deze immers zijn onafscheidelijke metgezel geweest, als hij met zijn kudde naar buiten trok in den vroegen morgen, om pas bij het dalen van de zon naar de kooi terug te keeren. Hoe graag zou zij den ouden man helpen, als dit in haar vermogen was.“Waar is uw hond?” vroeg zij, vast besloten om te gaan zien, of hare hulp nog baten kon.“Daar, ginds in de schuur,” zei de man.Dadelijk begaf Florence zich naar de aangewezen plaats, en vond daar den hond op eenig stroo uitgestrekt. Zij bukte naast het dier neder, en bemerkte, dat hij zijn poot gebroken had. Het beest, dat kermdevan pijn, keek haar smeekend aan. Met teedere hand, maar toch met groote vastberadenheid zette zij het pootje van het arme dier, en legde er met haar zakdoek een stevig verband om. En zij verzorgde den herdershond zoo lang, tot hij geheel hersteld was en zijn ouden meester weer op zijn lange tochten kon vergezellen als voorheen.’s Winters bracht zij hare dagen in de groote stad door, en leidde daar het leven van alle adellijke jonge dames, hetwelk bestond in bezoeken afleggen, feesten bijwonen en schouwburgen bezoeken. Hare opvoeding was echter te degelijk geweest, dan dat dit leventje van plezierig nietsdoen haar zou kunnen bevredigen. Neen, al spoedig voelde zij al de leegheid daarvan en kwam het verlangen in haar op, zich nuttig te maken voor anderen. Zij wilde haar leven rijker en grooter maken, door zich een levensdoel te scheppen, waaraan zij zich geheel wijden kon. Maar wat zou dat doel zijn?Zij wist het langen tijd zelf niet, tot haar opeens op ongezochte wijze de weg gewezen werd.In hare naaste omgeving kwamen twee ziektegevallen voor, die haar geheel in beslag namen. Met de uiterste zorg nam zij de verpleging van de zieken op zich, en het bleek al spoedig, dat zij daarvoor een bijzonderen aanleg bezat. En toen de zieken hersteld waren en hare hulp dus niet meer noodig hadden, zie, toen wist zij, wat voortaan haar levensdoel zou zijn. Zij wilde anderen gelukkig trachten te maken door hun lijden te verzachten en troost te brengen, waar de dood onverbiddelijk komen moest.Zij wilde zich aan het werk der ziekenverpleging wijden, dat in die dagen op een zeer laag peil stond. Ziekenhuizen waren er slechts weinig en stonden onder bestuur van lieden, die van verpleging niet het minste verstand hadden. De verpleegsters behoorden tot de laagste standen der maatschappij. Zij waren vuil en slordig, droegen weinig of geen zorg voor de hun toevertrouwde zieken, gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over en leidden een slecht, schandelijk leven. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, hoe treurig het met de verpleging der zieken stond. Florence Nightingale besloot, voor zij de grootsche taak, die zij zich als levensdoel had gesteld, ter hand nam, van de ziekenverpleging een uitgebreide studie te maken. En door de gasthuizen in de verschillende steden te bezoeken, wilde zij zich met eigen oogen van den huidigen toestand een beeld vormen.Wat zij daarbij te zien kreeg, overtrof nog verre hare verwachtingen. In Londen, zoowel als te Edinburg en Dublin vond zij de ziekenzalen vervuild, de verpleegsters ruw, onwetend, onbeschaafd en aan den drank verslaafd. Een schrijfster1, wier levensbeschrijving van Florence Nightingale bij deze schets in hoofdzaak gevolgd wordt, zegt er van: “In hooge, houten bedsteden lagen soms drie tot vier volwassen zieken naast elkander; ongedierte kroop rond in het beddegoed, dat niet verwisseld werd als een nieuwe de vrijgekomen plaats van een genezen of overleden kranke kwam innemen. In een Edinburgsch gasthuisvond Florence Nightingale ten minste nog de bepaling, dat in geval van besmettelijke ziekte de matrassen gelucht en de bedlakens gewasschen moesten worden, maar in ieder ander geval scheen men het ook daar onnoodige weelde te vinden. Vaak moesten de kranken de verpleegsters te vriend houden door omkooperij, zouden dezen hun de allernoodigste hulp bewijzen, de voor hen bestemde verkwikkingen, die meest op de ziekenzaal moesten worden toebereid, niet zelven tot zich nemen, hen niet berooven van wat vriendelijke handen hun hadden gebracht of van het vast rantsoen van brood, dat den patienten dagelijks ééns per etmaal werd uitgedeeld, en dat zij in hun bed of onder hunne matrassen bewaarden met hunne kleederen en kleine bezittingen. Het reinigen der kranken, voor zoover men daaraan deed, en het afleggen der dooden geschiedde ten aanschouwe van al de andere lijders in de ziekenzaal. Overdag hielpen de herstellenden bij de verpleging der allerergsten. Des nachts werd geen hulp verleend en menigeen werd des morgens dood gevonden ten gevolge van uitputting en kracht verlies, die niet tijdig waren opgemerkt.”Florence Nightingale besloot de hand aan den ploeg te slaan, om aan dezen allertreurigsten toestand een einde te maken. Haar hart, zoo rijk aan liefde voor haar evenmensch, bloedde bij het zien van al de ellende, waaraan de bevolking der ziekenhuizen bijna overal in Engeland ten prooi was.Zij stelde zich daarom in verbinding met Mrs. Fry, die op een harer reizen naar het vasteland kennisgemaakt had met Pastor Fliedner’s diaconessen inrichting te Kaiserswerth, en de daar gevolgde wijze van verpleging ook in Engeland wenschte in te voeren. Zij raadde haar aan zich naar Kaiserswerth te begeven, en daar van de ziekenverpleging eene grondige studie te maken. Deze raad werd door Florence opgevolgd. Zij maakte een flinken leertijd te Kaiserswerth door, en bezocht ook verscheidene ziekenhuizen in Frankrijk en Italië.Vervolgens keerde zij naar haar vaderland terug, om haar verkregenkennisdienstbaar te maken ten bate der lijdende menschheid. Zij schreef een werkje over hare onderzoekingen en ondervindingen op het gebied der ziekenverpleging, en riep de jonge vrouwen en de meisjes op om zich aan deze edele taak te wijden.Daarna begaf zij zich naar Frankrijk, om zich in de practijk van de ziekenverpleging verder te bekwamen en de chirurgie te bestudeeren. Zij werd in dien arbeid gestoord door een zware ziekte, die haar dwong naar huis terug te keeren. Zoodra zij hersteld was, wijdde zij zich aan de opvoeding van havelooze kinderen, en verbond zich aan een tehuis voor verarmde bejaarde dames uit den deftigen stand, waarvan zij het bestuur op zich nam. Dit tehuis was vervallen en verwaarloosd. De bewoonsters leden er gebrek aan het allernoodzakelijkste. Maar Florence bracht er in korten tijd orde en gezelligheid. Daar bleef zij, tot in 1851 de geweldige oorlog uitbarstte in het Oosten, die haar opriep tot de edele taak, welke haar naam eenmaal zou brengen op aller lippen.’t Was de oorlog van Engeland, Frankrijk en Turkije tegen Rusland. Juichend had men in Engeland de oorlogsverklaring begroet, maar helaas, die juichkreten zouden weldra jammerkreten worden. Immers, het bleek maar al te spoedig, hoe lichtzinnig men de duizenden Engelsche jongelingen naar het tooneel van den strijd had gezonden, zonder ook maar op eenigszins behoorlijke wijze voor hunne uitrusting en verpleging te zorgen.Vreeselijke berichten drongen tot het vaderland door over de gewonden, die niet werden verzorgd, de stervenden, die niet werden getroost. De hevigste ziekten verspreidden zich in de kampen en brachten dood, angst en vertwijfeling onder de troepen. In juli waren er 6937 zieken, in September steeg dat getal reeds tot 11.693, in November tot 16.846 en in Januari 1855 werd zelfs het ontzettende cijfer 23.076 bereikt. Er stierven 390 officieren en 20.707 manschappen. 1407 officieren en 14901 manschappen werden invalide naar huis gezonden. Van een totaal verlies van 35.598 krijgslieden stierven er op het slagveld slechts 2755 en overleden er 1619 aan bekomen wonden. Al die anderen stierven tengevolge van ontberingen, slechte verzorging en gebrek aan hulp.De toestand van het leger was “ellendig, deerniswekkend, hartbrekend,” schreef een hooggeplaatst officier. “Het had geen schoenen en geen kapotjassen. Officieren gingen in vodden en konijnenvellen, manschappen in broodzakken en lompen. Er waren geen medicijnen, nergens vond men beschutting. Dagin dag uit moesten de ongelukkigen zwoegen door sneeuw en modder. Zij sliepen in gescheurde tenten, ten prooi aan de meedoogenlooze stormen van een Russischen winter. In open loopgraven waren de uitgeputte krijgslieden blootgesteld aan het vuur van de Russische kanonnen en stonden voortdurend bloot aan de overvallen van de gevreesde Kozakken. Zij waren gekampeerd op een doorweekten grond, die bedekt was met sneeuw of bezaaid met plassen vuil water, verontreinigd door lijken van paarden.Pest en cholera sleepten de ongelukkigen ten grave, en er waren veel te weinig officieren van gezondheid, om de zieken te helpen. De meest gewone hulpmiddelen ontbraken. Er werd geen rekening gehouden met de reinheid. De sterfte was ontzettend. Vele mannen stierven zelfs, zonder dat ook maar eene enkele poging in het werk werd gesteld, om hen redden. Er waren veel te weinig verplegers om te kunnen helpen, waar dat noodig was. De zieken en gewonden bleven liggen, zooals zij waren neergelegd door kameraden, die hen op hun rug voorzichtig van het slagveld naar het hospitaal hadden gedragen, maar niet bij hen konden blijven.Den 20enSeptember 1854 werd de slag van Alma geleverd, het eerste bloedige samentreffen van beteekenis. Na den strijd was het slagveld bezaaid met dooden en gewonden. De laatsten lagen, zonder hulp, te kreunen van de pijn. De Engelsche dokters konden het verbinden en verzorgen niet af. ’t Was hartverscheurend, die arme slachtoffers daar te zien liggen in de brandende zon, zonder iemand om hente helpen, of zelfs maar een dronk waters te brengen.”De berichten in de Engelsche dagbladen deden de harten der lezers trillen van deernis en verontwaardiging.“Zijn er onder ons dan geen vrouwen vol toewijding,” schreef dezelfde hooggeplaatste officier tot het Engelsche volk, “geneigd en bekwaam om uit te gaan tot de zorg voor de lijdende soldaten in de hospitalen te Scutari? Is geen enkele der dochters van het Engelsche volk, nu de nood dringt, gereed tot dit werk van barmhartigheid? Frankrijk heeft zijne liefdezusters bij scharen uitgezonden, en aan het leger van gewonden en stervenden schenken dezen verlichting en vertroosting, zooals alleen de hand der vrouw die kan schenken. Staan wij, Engelschen, dan zoo ver beneden de Franschen in zelfverloochening en in toewijding tot een arbeid, dien Christus zoo bijzonder heeft gezegend als een werk aan Hem zelven verricht, zeggende: “Ik ben ziek geweest, en gij hebt Mij niet bezocht.”De treurige berichten in de dagbladen maakten een diepen indruk op het hart van Florence Nightingale, en dadelijk greep zij naar de pen om aan Mr. Sidney Herbert, hoofd van het Departement van Oorlog, hare diensten aan te bieden. Zij verklaarde zich bereid, persoonlijk naar de hospitalen te Scutari te gaan, om daar alles te doen, wat hare hand vinden zou om te doen. En wel toevallig: nog voor haar brief het Departement van Oorlog kon hebben bereikt, ontving zij een schrijven van de Regeering, waarin haar dringend werd verzocht, de leiding van de ziekenverplegingin de hospitalen op zich te nemen. Mr. Sidney Herbert schreef haar, dat zij in de nieuwsbladen zeker wel zou hebben gelezen, dat er in de hospitalen groot gebrek aan verpleegsters heerschte. Dat er ook gebrek zou zijn aan medische hulp en verbandmiddelen kon hij zich niet voorstellen, daar er een voldoend aantal officieren van gezondheid in het leger aanwezig was en de geneesmiddelen in groote hoeveelheid afgezonden waren. ’t Moest alles ongetwijfeld op een verkeerde plaats zijn ontscheept, of niet doorgezonden zijn naar de hospitalen te Scutari. Maar dat er gebrek was aan vrouwelijke hulp, erkende hij. Hij drong er in zijn schrijven op aan, dat Florence Nightingale de leiding van de verpleging op zich zou nemen, omdat zij de eenige vrouw was in Engeland, die hij er toe in staat achtte aan de tegenkanting, die zij voorzeker van vele zijden zou ontmoeten, het hoofd te bieden.Onverwijld begon Florence aan de uitvoering van de haar opgedragen taak. Zij koos zich een aantal geschikte verpleegsters, om haar naar Scutari te vergezellen, en stoorde zich niet aan den spot van vele menschen en zelfs van groote bladen, die het een dwaas denkbeeld vonden, dat vrouwen op een oorlogsterrein tot iets goeds bekwaam zouden zijn. Spottend werd er geschreven over de “Nachtegaaltjes,” die voor zieke soldaten zouden gaan zingen, maar niet de minste kennis hadden van het verplegen van gewonden en zieken.Anderen daarentegen juichten het plan van de regeering uitbundig toe. Iemand schreef van Florence:“Zij is iemand, die God heeft voorbestemd tot groote dingen. Men behoeft haar maar te hooren spreken, zelfs nog zonder tot haar te hebben opgezien, om te gevoelen, dat zij een buitengewone persoonlijkheid is. Zij is eenvoudig, verstandig, vriendelijk en welwillend. Zij is rijzig van gestalte en mat van tint. Haar gelaat is uiterst aantrekkelijk, en het beste daarin is het stralende zieleleven, dat hare wezenstrekken zoo heerlijk verlicht. Er is niets liefelijker denkbaar dan haar glimlach, die is als een zonnige zomerdag.”Florence trok zich van het een noch het ander iets aan en ging voort, met zich voor haar taak voor te bereiden. Veel tijd, om hare verpleegsters in de kunst van het verplegen te onderrichten, had zij niet, want zij moest zich zoo spoedig mogelijk aan boord van het schip begeven, dat haar naar het oorlogsterrein zou overbrengen. Reeds zes dagen na het ontvangen van den brief van Sidney Herbert, zeilde zij uit met 38 verpleegsters, en bereikte zonder tegenspoed het groote hospitaal te Scutari. Daar deed zij hare intrede als Superintendante van den verplegingsdienst in het Oosten, met den titel van Lady in Chief. Zij was belast met het oppertoezicht in alle acht hospitalen aan de Zwarte Zee, waarvan Scutari het middelpunt was. ’t Lag op den top van een hoogen heuvel, en had een prachtig uitzicht op den Bosporus en op Constantinopel. Het hospitaal was een gewezen kazerne, heerlijk schoon gelegen in een landschap, dat was, volgens een schrijfster, als een Hof van Eden,—maar verkeerde in een onbeschrijfelijkenstaat van vervuiling en ellende. Met de grootste zorgeloosheid had men gewonden naast choleralijders gelegd, en de zieken lagen er als het ware opgepropt. In de eerste maanden van den veldtocht was er aan alles gebrek geweest. Er was geen huisraad, geen vaatwerk, geen zeep, geen handdoeken, geen zakdoeken, geen lijflinnen. De gewonden lagen er in hun van geronnen bloed verstijfde kleeren, zonder zelfs maar onderzocht, veel minder verbonden te zijn. Zij lagen te sterven in lokalen, verpeste holen, vol ratten en ongedierte.En hoe waren die ongelukkigen in dit verblijf der ellende aangeland? Ontscheept aan den voet van den heuvel, waren zij door hunne kameraden tegen de hoogte opgesjouwd, of zelfs zonder hulp naar boven gekropen. En de ongelukkigen kwamen daar om hulp te zoeken,—die er niet was.Zelve schreef Florence Nightingale, na haar eerste ronde door de verontreinigde lokalen te hebben gedaan: “De ligplaatsen der mannen stonken, en de dekking was van zaklinnen, zoo ruig, dat de zieken smeekten hun enkel hunne velddekens te laten; en voor mannen, die in zulk een staat van uitputting verkeerden, was het ook niet om uit te houden onder die harde lakens. Er was geen enkel stuk huisraad van welken aard ook. Ledige wijn- en bierflesschen dienden voor kandelaars, en dat was alles.”Nergens was er gelegenheid, om de kleeren der mannen te wasschen, en ook rondom het gebouw heerschte de grootste vuilheid. Uit een raam ziende, ontdekte Florence niet minder dan zes doodehonden in een staat van verregaande ontbinding.Alles in één woord ontbrak. De gewonden hadden niets dan lompen aan hun lichaam, en er was geen linnengoed, om ze te vervangen. Zelfs waren er geen keukens. Er werd slechts gekookt in groote ketels, op open wachtvuren. ’t Eten was òf half gaar, òf bijna rauw. De hospitaal-dokters waren òp van vermoeidheid en konden haast niet meer voort. De komst van Florence Nightingale beschouwden zij als een nieuwen last bij hun toch al zoo zware taak. Immers, wat zou deze vrouw, die boven hen gesteld was en wie zij dus moesten gehoorzamen, anders geven dan de meest dwaze bevelen?De toestand werd nog donkerder, toen enkele uren na de aankomst van Florence Nightingale de gewonden in den slag bij Inkerman in schrikbarenden getale werden aangebracht. De zalen waren reeds overvol, zoodat de ongelukkigen in de gangen op den grond moesten worden neergelegd. Sommige moesten zelfs tevreden wezen met een ligplaats op den vervuilden grond buiten het gebouw. Vijf dagen hadden zij aan boord van het schip doorgebracht, en nòg waren hunne wonden niet gereinigd, nog veel minder verbonden. Bij dozijnen stierven zij weg tengevolge van uitputting en ellende.’t Was hartverscheurend.Florence Nightingale, wier hart bloedde bij het aanschouwen van al deze ellende, begreep, dat hier krachtig moest worden gehandeld. Zij liet met milde hand groote hoeveelheden versterkende middelen uitdeelen, die zij op eigen kosten had medegebracht.Overal en in alles bracht zij orde en verbetering. De gebouwen werden gereinigd, de gewonden afgezonderd van de lijders aan cholera en andere besmettelijke ziekten. Zij gaf de noodige bevelen, opdat het hospitaallinnen en de geneesmiddelen, die wel van uit Engeland gezonden maar nog niet aangevoerd waren, omdat alles nog in de schepen opgeladen lag, ten spoedigste naar de verschillende hospitalen werden afgezonden. Zonder aarzelen, zonder zich te storen aan tegenkanting en bezwaren van anderen, bracht zij den hospitaaldienst op geregelden voet, zoodat zij binnen tien dagen reeds eene keuken in werking had, waar dagelijks voor 800 man versterkende levensmiddelen werden bereid. Zij richtte eene wasscherij in voor de kleeding van de zieke soldaten en zorgde er voor, dat het vervuilde beddegoed werd ontsmet. Op eigen kosten liet zij duizend hemden uit Constantinopel komen, en zij wist in den vreeselijken warboel in korten tijd orde en regel te scheppen. Haar arbeid werd een zegen voor duizenden. Waar zij aan de bedden der zieken verscheen, overal riep hare tegenwoordigheid een glimlach van dankbaarheid op de van pijn verwrongen gelaatstrekken der arme gewonden en zieken. Hare verschijning was als van een engel, en zij waarde door de groote zalen rond als de fee van het geluk. Zelfs voor de vrouwen, die hare mannen op het oorlogsveld waren gevolgd, zorgde zij met de meeste toewijding. Zij gaf haar werk in de keuken en de wasscherij, en richtte zelfs voor de kinderen een school en een kinderbewaarplaats op.In korten tijd had zij allen onwil en tegenkanting overwonnen, en stormenderhand had zij de harten veroverd van allen, die met haar in aanraking kwamen.Zij gunde zichzelve geen oogenblik rust. En ’t zou nog erger worden, het uiterste zou van de toewijding van deze edele vrouw worden gevergd. De troepen hadden het beleg geslagen om Sebastopol, waar zij dikwijls 36 uren aan een stuk dienst moesten doen, met alleen wat pekelvleesch met suiker, een slok rum en een paar beschuiten tot voedsel. De dienst in de loopgraven gedurende, de koudste wintermaanden deed den ongelukkigen de ledematen bevriezen, terwijl bovendien nog cholera en dysenterie met vernieuwde felheid hunne slachtoffers kozen. De hospitalen lagen overvol. Meer dan 5000 zieken waren over de verschillende inrichtingen verdeeld. In de gangen gingen steeds twee reeksen van draagbaren in tegengestelde richting elkander voorbij, een, die de gewonden aanvoerde, de andere, die de dooden wegdroeg. ’t Was vreeselijk om aan te zien. De cholera-patienten stierven meestal binnen den tijd van vijf uren, de ongelukkigen, die met bevroren ledematen werden binnengebracht, leden de afschuwelijkste pijnen. De kleeren waren aan hunne lichamen vastgevroren, en bij het verwijderen van de schoenen, hoe voorzichtig ook gedaan, kwamen steeds de teenen mede.Florence scheen wel overal tegenwoordig te zijn. Men zag haar troostend verwijlen aan de bedden der stervenden, luisterende naar hunne laatste wenschen,om hun groeten en laatste spaarpenningen over te brengen aan de geliefden in het vaderland, dat zij nooit zouden terugzien,—zij bemoedigde de gewonden, die vreeselijke operaties of amputaties moesten ondergaan, wat in die dagen nog niet pijnloos geschiedde, omdat chloroform nog weinig werd gebruikt,—of zij gaf versterkende middelen aan de zwakken, die van uitputting dreigden te sterven. En daarbij hield zij toezicht op alles, wat er in de hospitalen geschiedde, op de reiniging, op de voedingsmiddelen, op de verpleging der zusters, en zelfs ook over de laatsten waakte zij met groote liefde, opdat zij niet te veel van hare krachten zouden vergen en zichzelven daardoor te gronde richten.En wanneer ’s nachts de doctoren reeds lang weg waren en men slechts de zusters, die de wacht hadden, zich geruischloos zag bewegen, dan deed nog Florence Nightingale met een brandende lamp in de hand, de ronde door de groote zalen vol lijdenden, om nog een kussen te verschikken hier, een dronk waters te reiken daar, een woord van troost en bemoediging te spreken tot een stervende elders. Met innige vereering zagen de stumperds dan op tot de Vrouw met de lamp, die voor hen een engel der liefde was in deze gebouwen der verschrikking.Toen zij zes maanden onafgebroken had gearbeid in Scutari, en de lente gekomen was, begaf zij zich naar het Schiereiland de Krim, om met eigen oogen te zien, hoe het met de verpleging der gewonden gesteld was op het oorlogsterrein. Bij hare aankomst aldaar wenschten de autoriteiten haar met grooteplechtigheid te ontvangen, maar toen zij aan het schip kwamen, was Florence daar reeds niet meer. Zij was reeds aan land gegaan en had al met hare inspectie een begin gemaakt. Van den top van een hoogen heuvel overzag zij het oorlogsveld. Daar zag zij de duizenden witte tenten, hoorde zij de trompetten steken, de kanonnen bulderen en de trommen roffelen.Zij begaf zich te midden van de soldaten, die haar niet kenden. Maar nauwelijks drong het gerucht tot hen door, dat het Florence Nightingale was, die zij in hun midden hadden, of zij werd met een oorverdoovend hoerageroep door hen begroet. Op dat oogenblik ontving zij den dank van het leger voor al hare toewijding en liefde, aan de zieke en gewonde soldaten betoond.In hare inspectiereis werd zij gestoord door een ernstige ziekte, die haar aan den rand van het graf bracht. Dagen lang lag zij doodelijk krank ter neder, en reeds ging in de hospitalen de treurige mare rond, dat zij overleden was. De dokters raadden haar aan, naar Engeland terug te keeren en daar haar volledig herstel af te wachten. Maar zij wilde er niet van hooren, en keerde, zoodra hare krachten haar dat toelieten, naar Scutari terug, om zich daar opnieuw aan de haar opgedragen taak te wijden.Eindelijk moest Sebastopol bezwijken, in September 1848, en werden de vredesonderhandelingen geopend, die aan den bloedigen oorlog een einde zouden maken.Maar Florence Nightingale achtte hare taak nog niet afgedaan. Zij begaf zich naar de Krim, en vestigdehet hoofdkwartier van den verplegingsdienst op een der Balaclavaheuvels. Zij leef de daar met drie zusters in een kleine keet, bestaande uit drie kamers, midden tusschen de barakken. ’t Was ijzig koud, ’s nachts bevroor daar alles, tot zelfs de inkt. Eens werden de zusters wakker onder een laag van sneeuw, die door de reten van de keet naar binnen was gewaaid. Maar Florence, onvermoeid en opofferend als zij was, liet zich door sneeuwjacht noch vorst weerhouden, dagelijks de barakken en de tenten te bezoeken, waar zij alles deed om de soldaten, die hersteld waren van hunne wonden, aangenaam bezig te houden. Zij stichtte kleine bibliotheken voor hen, waarvan een dankbaar gebruik werd gemaakt. Zelfs richtte zij een spaarkas op, waar de soldaten hunne spaarpenningen in bewaring konden geven, waardoor zij in staat werd gesteld iedere maand ongeveer 12000 gulden naar Engeland te zenden voor de familieleden der soldaten. Zij deed dat, omdat de mannen zich veel aan dronkenschap overgaven en al hun geld voor sterken drank uitgaven. Die spaarkas was eene ware weldaad, wat ook de Regeering inzag. Deze richtte zelfs vijf hulppostkantoren op, waar het geld kon worden ingebracht.Ongeveer April 1856 werd de vrede geteekend. De soldaten werden ingescheept, om naar het vaderland terug te keeren. En eerst, toen het laatste hospitaal gesloten was, rekende ook Florence Nightingale zich ontslagen van hare taak. Voor haar vertrek liet zij op een der hoogste heuvels van Balaclava uit eigen middelen een hoog marmeren kruis oprichten als eengedenkteeken voor de gesneuvelden. ’t Was twintig voet hoog, en tot ver in zee zichtbaar.Hoe hoog hare diensten werden gewaardeerd, kan hieruit blijken, dat zij als afscheid van den Sultan een kostbaren diamanten armband ontving, terwijl koningin Victoria haar een halssieraad schonk, bestaande uit een St. Joriskruis met het naamcijfer der koningin, en daaromheen, als randschrift: “Zalig zijn de barmhartigen.”’t Was te verwachten, dat het Engelsche volk haar, bij het terugkeeren in het vaderland, eene grootsche hulde wilde brengen. Reeds had men eene groote som gelds bijeengebracht, niet minder dan een half millioen gulden, welke men haar wilde aanbieden als blijk van erkentelijkheid van het Engelsche volk. En nog dagelijks stroomden de gelden toe. Er verschenen brochures, waarin haar groote lof werd toegezwaaid over haar werk van menschlievendheid, de nieuwsbladen gaven artikelen vol groote waardeering, men maakte lofzangen ter harer eer, en haar portret lag voor alle winkelramen.Van eene grootsche ontvangst kon echter niets komen. De bescheiden Florence onttrok zich aan alle openlijke hulde, door zich te Marseille te ontschepen en naar Parijs te gaan, waar zij eenigen tijd rust nam. Daarna begaf zij zich onder den aangenomen naam van Miss Smith naar Engeland en bereikte, zonder opgemerkt te zijn Lea Hurst, het landgoed van haar vader.Maar hare aankomst werd spoedig bekend, en duizenden bij duizenden trokken op naar het park vanLea Hurst, in de hoop haar, al was het ook maar in de verte, te mogen aanschouwen. IJdele hoop. Florence, “de heldin van de Krim,” bleef meestal onzichtbaar. Zij hield zich in hare vertrekken teruggetrokken, om uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen, die haar gestel krachtig hadden aangegrepen. Haar gezondheid was voor goed geknakt en er bestond weinig hoop, dat zij ooit weder geheel zou herstellen.Toch bereikte zij een zeer hoogen leeftijd. Enkele dagen geleden, in Augustus 1910, overleed zij ruim 90 jaren oud, en geen blad ter wereld is er, dat niet eenige kolommen wijdt aan hare nagedachtenis en aan de schoone daden, door haar, gedurende haar geheele leven, verricht. Want ook na hare terugkomst uit den Krim-oorlog bleef zij voortbouwen op het eenmaal gelegde fundament, waardoor zij het mocht beleven, dat door de, oprichting van het Roode Kruis de verpleging te velde op vasten grondslag werd geregeld. Dat was de kroon op haar werk.Eene schrijfster vermeldt, dat aan een maaltijd van uit den Krimoorlog terugkeerende officieren aan elk een strookje papier werd gegeven, met het verzoek, daarop den naam te schrijven van den persoon, wiens diensten wel het langst en het dankbaarst bij het nageslacht in herinnering zouden blijven.En al de briefjes droegen, zonder uitzondering, den naam van Florence Nightingale.Wel een bewijs, welk een gezegende arbeid door haar is verricht. Haar gansche leven was één gouden daad.1Johanna W. S. Naber: Wegbereidsters.
In de Meimaand van het jaar 1810 werd in het zonnige Italië een meisje geboren, wier leven eenmaal een gouden zonnestraal zou worden op het pad van duizenden ongelukkigen. In Florence zag zij het eerste levenslicht en kreeg zij den naam van hare geboorteplaats. Zij stamde af van een oud-adellijke Engelsche familie. Haar vader was een aanzienlijk Engelsch edelman, die, zelf kunstenaar en geleerde, aan zijne beide dochters, waarvan Florence de jongste was, eene zorgvuldige opvoeding schonk. Al vroeg moest Florence in zijne studiën deelen, hij liet haar veel reizen, om andere landen en volken te leeren kennen, en hij oefende haar voortdurend in de kennis van de vreemde talen. Al op jeugdigen leeftijd sprak zij behalve haar moedertaal, Fransch, Duitsch en Italiaansch. Door haar ook voortdurend met merkwaardige tijdgenooten te doen verkeeren, wist hij haar geest tot groote ontwikkeling te brengen.
Squire Nightingale bezat in Engeland uitgestrekte landgoederen, die hij met de uiterste zorg beheerde, waarbij zijne beide dochters hem de behulpzame hand moesten bieden. Zij moesten hem helpen in zijne zorg voor zijne pachters enhunnegezinnenen toezicht houden op het getrouwe schoolbezoek van de kinderen. Zij bezochten de zieken en armen, waar zij troost en hulp brachten, en gaven les in de Zondagsschool.
Reeds als jong meisje gaf zij blijken van hare grootheid van ziel, die haar later eenmaal wereldberoemd zou maken. Toen zij weer eens een zomer op een der landgoederen van haar vader in Derbyshire doorbracht, ontmoette zij een ouden herder, dien zij van haar vroegste jeugd af gekend had, en zag het hem dadelijk aan, dat hij bedroefd was.
Onmiddellijk begaf zij zich naar den ouden man, en vroeg, wat hem scheelde.
“Ach,” zei hij met tranen in de oogen, “mijn trouwe hond is gekwetst en zal wel sterven.”
“Hoe jammer,” zei Florence, die dadelijk diep medelijden met den ouden man kreeg, omdat zij begreep, hoe smartelijk hem het verlies van zijn trouwen hond moest zijn. Al sedert zoo vele jaren was deze immers zijn onafscheidelijke metgezel geweest, als hij met zijn kudde naar buiten trok in den vroegen morgen, om pas bij het dalen van de zon naar de kooi terug te keeren. Hoe graag zou zij den ouden man helpen, als dit in haar vermogen was.
“Waar is uw hond?” vroeg zij, vast besloten om te gaan zien, of hare hulp nog baten kon.
“Daar, ginds in de schuur,” zei de man.
Dadelijk begaf Florence zich naar de aangewezen plaats, en vond daar den hond op eenig stroo uitgestrekt. Zij bukte naast het dier neder, en bemerkte, dat hij zijn poot gebroken had. Het beest, dat kermdevan pijn, keek haar smeekend aan. Met teedere hand, maar toch met groote vastberadenheid zette zij het pootje van het arme dier, en legde er met haar zakdoek een stevig verband om. En zij verzorgde den herdershond zoo lang, tot hij geheel hersteld was en zijn ouden meester weer op zijn lange tochten kon vergezellen als voorheen.
’s Winters bracht zij hare dagen in de groote stad door, en leidde daar het leven van alle adellijke jonge dames, hetwelk bestond in bezoeken afleggen, feesten bijwonen en schouwburgen bezoeken. Hare opvoeding was echter te degelijk geweest, dan dat dit leventje van plezierig nietsdoen haar zou kunnen bevredigen. Neen, al spoedig voelde zij al de leegheid daarvan en kwam het verlangen in haar op, zich nuttig te maken voor anderen. Zij wilde haar leven rijker en grooter maken, door zich een levensdoel te scheppen, waaraan zij zich geheel wijden kon. Maar wat zou dat doel zijn?
Zij wist het langen tijd zelf niet, tot haar opeens op ongezochte wijze de weg gewezen werd.
In hare naaste omgeving kwamen twee ziektegevallen voor, die haar geheel in beslag namen. Met de uiterste zorg nam zij de verpleging van de zieken op zich, en het bleek al spoedig, dat zij daarvoor een bijzonderen aanleg bezat. En toen de zieken hersteld waren en hare hulp dus niet meer noodig hadden, zie, toen wist zij, wat voortaan haar levensdoel zou zijn. Zij wilde anderen gelukkig trachten te maken door hun lijden te verzachten en troost te brengen, waar de dood onverbiddelijk komen moest.Zij wilde zich aan het werk der ziekenverpleging wijden, dat in die dagen op een zeer laag peil stond. Ziekenhuizen waren er slechts weinig en stonden onder bestuur van lieden, die van verpleging niet het minste verstand hadden. De verpleegsters behoorden tot de laagste standen der maatschappij. Zij waren vuil en slordig, droegen weinig of geen zorg voor de hun toevertrouwde zieken, gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over en leidden een slecht, schandelijk leven. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, hoe treurig het met de verpleging der zieken stond. Florence Nightingale besloot, voor zij de grootsche taak, die zij zich als levensdoel had gesteld, ter hand nam, van de ziekenverpleging een uitgebreide studie te maken. En door de gasthuizen in de verschillende steden te bezoeken, wilde zij zich met eigen oogen van den huidigen toestand een beeld vormen.
Wat zij daarbij te zien kreeg, overtrof nog verre hare verwachtingen. In Londen, zoowel als te Edinburg en Dublin vond zij de ziekenzalen vervuild, de verpleegsters ruw, onwetend, onbeschaafd en aan den drank verslaafd. Een schrijfster1, wier levensbeschrijving van Florence Nightingale bij deze schets in hoofdzaak gevolgd wordt, zegt er van: “In hooge, houten bedsteden lagen soms drie tot vier volwassen zieken naast elkander; ongedierte kroop rond in het beddegoed, dat niet verwisseld werd als een nieuwe de vrijgekomen plaats van een genezen of overleden kranke kwam innemen. In een Edinburgsch gasthuisvond Florence Nightingale ten minste nog de bepaling, dat in geval van besmettelijke ziekte de matrassen gelucht en de bedlakens gewasschen moesten worden, maar in ieder ander geval scheen men het ook daar onnoodige weelde te vinden. Vaak moesten de kranken de verpleegsters te vriend houden door omkooperij, zouden dezen hun de allernoodigste hulp bewijzen, de voor hen bestemde verkwikkingen, die meest op de ziekenzaal moesten worden toebereid, niet zelven tot zich nemen, hen niet berooven van wat vriendelijke handen hun hadden gebracht of van het vast rantsoen van brood, dat den patienten dagelijks ééns per etmaal werd uitgedeeld, en dat zij in hun bed of onder hunne matrassen bewaarden met hunne kleederen en kleine bezittingen. Het reinigen der kranken, voor zoover men daaraan deed, en het afleggen der dooden geschiedde ten aanschouwe van al de andere lijders in de ziekenzaal. Overdag hielpen de herstellenden bij de verpleging der allerergsten. Des nachts werd geen hulp verleend en menigeen werd des morgens dood gevonden ten gevolge van uitputting en kracht verlies, die niet tijdig waren opgemerkt.”
Florence Nightingale besloot de hand aan den ploeg te slaan, om aan dezen allertreurigsten toestand een einde te maken. Haar hart, zoo rijk aan liefde voor haar evenmensch, bloedde bij het zien van al de ellende, waaraan de bevolking der ziekenhuizen bijna overal in Engeland ten prooi was.
Zij stelde zich daarom in verbinding met Mrs. Fry, die op een harer reizen naar het vasteland kennisgemaakt had met Pastor Fliedner’s diaconessen inrichting te Kaiserswerth, en de daar gevolgde wijze van verpleging ook in Engeland wenschte in te voeren. Zij raadde haar aan zich naar Kaiserswerth te begeven, en daar van de ziekenverpleging eene grondige studie te maken. Deze raad werd door Florence opgevolgd. Zij maakte een flinken leertijd te Kaiserswerth door, en bezocht ook verscheidene ziekenhuizen in Frankrijk en Italië.
Vervolgens keerde zij naar haar vaderland terug, om haar verkregenkennisdienstbaar te maken ten bate der lijdende menschheid. Zij schreef een werkje over hare onderzoekingen en ondervindingen op het gebied der ziekenverpleging, en riep de jonge vrouwen en de meisjes op om zich aan deze edele taak te wijden.
Daarna begaf zij zich naar Frankrijk, om zich in de practijk van de ziekenverpleging verder te bekwamen en de chirurgie te bestudeeren. Zij werd in dien arbeid gestoord door een zware ziekte, die haar dwong naar huis terug te keeren. Zoodra zij hersteld was, wijdde zij zich aan de opvoeding van havelooze kinderen, en verbond zich aan een tehuis voor verarmde bejaarde dames uit den deftigen stand, waarvan zij het bestuur op zich nam. Dit tehuis was vervallen en verwaarloosd. De bewoonsters leden er gebrek aan het allernoodzakelijkste. Maar Florence bracht er in korten tijd orde en gezelligheid. Daar bleef zij, tot in 1851 de geweldige oorlog uitbarstte in het Oosten, die haar opriep tot de edele taak, welke haar naam eenmaal zou brengen op aller lippen.
’t Was de oorlog van Engeland, Frankrijk en Turkije tegen Rusland. Juichend had men in Engeland de oorlogsverklaring begroet, maar helaas, die juichkreten zouden weldra jammerkreten worden. Immers, het bleek maar al te spoedig, hoe lichtzinnig men de duizenden Engelsche jongelingen naar het tooneel van den strijd had gezonden, zonder ook maar op eenigszins behoorlijke wijze voor hunne uitrusting en verpleging te zorgen.
Vreeselijke berichten drongen tot het vaderland door over de gewonden, die niet werden verzorgd, de stervenden, die niet werden getroost. De hevigste ziekten verspreidden zich in de kampen en brachten dood, angst en vertwijfeling onder de troepen. In juli waren er 6937 zieken, in September steeg dat getal reeds tot 11.693, in November tot 16.846 en in Januari 1855 werd zelfs het ontzettende cijfer 23.076 bereikt. Er stierven 390 officieren en 20.707 manschappen. 1407 officieren en 14901 manschappen werden invalide naar huis gezonden. Van een totaal verlies van 35.598 krijgslieden stierven er op het slagveld slechts 2755 en overleden er 1619 aan bekomen wonden. Al die anderen stierven tengevolge van ontberingen, slechte verzorging en gebrek aan hulp.
De toestand van het leger was “ellendig, deerniswekkend, hartbrekend,” schreef een hooggeplaatst officier. “Het had geen schoenen en geen kapotjassen. Officieren gingen in vodden en konijnenvellen, manschappen in broodzakken en lompen. Er waren geen medicijnen, nergens vond men beschutting. Dagin dag uit moesten de ongelukkigen zwoegen door sneeuw en modder. Zij sliepen in gescheurde tenten, ten prooi aan de meedoogenlooze stormen van een Russischen winter. In open loopgraven waren de uitgeputte krijgslieden blootgesteld aan het vuur van de Russische kanonnen en stonden voortdurend bloot aan de overvallen van de gevreesde Kozakken. Zij waren gekampeerd op een doorweekten grond, die bedekt was met sneeuw of bezaaid met plassen vuil water, verontreinigd door lijken van paarden.
Pest en cholera sleepten de ongelukkigen ten grave, en er waren veel te weinig officieren van gezondheid, om de zieken te helpen. De meest gewone hulpmiddelen ontbraken. Er werd geen rekening gehouden met de reinheid. De sterfte was ontzettend. Vele mannen stierven zelfs, zonder dat ook maar eene enkele poging in het werk werd gesteld, om hen redden. Er waren veel te weinig verplegers om te kunnen helpen, waar dat noodig was. De zieken en gewonden bleven liggen, zooals zij waren neergelegd door kameraden, die hen op hun rug voorzichtig van het slagveld naar het hospitaal hadden gedragen, maar niet bij hen konden blijven.
Den 20enSeptember 1854 werd de slag van Alma geleverd, het eerste bloedige samentreffen van beteekenis. Na den strijd was het slagveld bezaaid met dooden en gewonden. De laatsten lagen, zonder hulp, te kreunen van de pijn. De Engelsche dokters konden het verbinden en verzorgen niet af. ’t Was hartverscheurend, die arme slachtoffers daar te zien liggen in de brandende zon, zonder iemand om hente helpen, of zelfs maar een dronk waters te brengen.”
De berichten in de Engelsche dagbladen deden de harten der lezers trillen van deernis en verontwaardiging.
“Zijn er onder ons dan geen vrouwen vol toewijding,” schreef dezelfde hooggeplaatste officier tot het Engelsche volk, “geneigd en bekwaam om uit te gaan tot de zorg voor de lijdende soldaten in de hospitalen te Scutari? Is geen enkele der dochters van het Engelsche volk, nu de nood dringt, gereed tot dit werk van barmhartigheid? Frankrijk heeft zijne liefdezusters bij scharen uitgezonden, en aan het leger van gewonden en stervenden schenken dezen verlichting en vertroosting, zooals alleen de hand der vrouw die kan schenken. Staan wij, Engelschen, dan zoo ver beneden de Franschen in zelfverloochening en in toewijding tot een arbeid, dien Christus zoo bijzonder heeft gezegend als een werk aan Hem zelven verricht, zeggende: “Ik ben ziek geweest, en gij hebt Mij niet bezocht.”
De treurige berichten in de dagbladen maakten een diepen indruk op het hart van Florence Nightingale, en dadelijk greep zij naar de pen om aan Mr. Sidney Herbert, hoofd van het Departement van Oorlog, hare diensten aan te bieden. Zij verklaarde zich bereid, persoonlijk naar de hospitalen te Scutari te gaan, om daar alles te doen, wat hare hand vinden zou om te doen. En wel toevallig: nog voor haar brief het Departement van Oorlog kon hebben bereikt, ontving zij een schrijven van de Regeering, waarin haar dringend werd verzocht, de leiding van de ziekenverplegingin de hospitalen op zich te nemen. Mr. Sidney Herbert schreef haar, dat zij in de nieuwsbladen zeker wel zou hebben gelezen, dat er in de hospitalen groot gebrek aan verpleegsters heerschte. Dat er ook gebrek zou zijn aan medische hulp en verbandmiddelen kon hij zich niet voorstellen, daar er een voldoend aantal officieren van gezondheid in het leger aanwezig was en de geneesmiddelen in groote hoeveelheid afgezonden waren. ’t Moest alles ongetwijfeld op een verkeerde plaats zijn ontscheept, of niet doorgezonden zijn naar de hospitalen te Scutari. Maar dat er gebrek was aan vrouwelijke hulp, erkende hij. Hij drong er in zijn schrijven op aan, dat Florence Nightingale de leiding van de verpleging op zich zou nemen, omdat zij de eenige vrouw was in Engeland, die hij er toe in staat achtte aan de tegenkanting, die zij voorzeker van vele zijden zou ontmoeten, het hoofd te bieden.
Onverwijld begon Florence aan de uitvoering van de haar opgedragen taak. Zij koos zich een aantal geschikte verpleegsters, om haar naar Scutari te vergezellen, en stoorde zich niet aan den spot van vele menschen en zelfs van groote bladen, die het een dwaas denkbeeld vonden, dat vrouwen op een oorlogsterrein tot iets goeds bekwaam zouden zijn. Spottend werd er geschreven over de “Nachtegaaltjes,” die voor zieke soldaten zouden gaan zingen, maar niet de minste kennis hadden van het verplegen van gewonden en zieken.
Anderen daarentegen juichten het plan van de regeering uitbundig toe. Iemand schreef van Florence:“Zij is iemand, die God heeft voorbestemd tot groote dingen. Men behoeft haar maar te hooren spreken, zelfs nog zonder tot haar te hebben opgezien, om te gevoelen, dat zij een buitengewone persoonlijkheid is. Zij is eenvoudig, verstandig, vriendelijk en welwillend. Zij is rijzig van gestalte en mat van tint. Haar gelaat is uiterst aantrekkelijk, en het beste daarin is het stralende zieleleven, dat hare wezenstrekken zoo heerlijk verlicht. Er is niets liefelijker denkbaar dan haar glimlach, die is als een zonnige zomerdag.”
Florence trok zich van het een noch het ander iets aan en ging voort, met zich voor haar taak voor te bereiden. Veel tijd, om hare verpleegsters in de kunst van het verplegen te onderrichten, had zij niet, want zij moest zich zoo spoedig mogelijk aan boord van het schip begeven, dat haar naar het oorlogsterrein zou overbrengen. Reeds zes dagen na het ontvangen van den brief van Sidney Herbert, zeilde zij uit met 38 verpleegsters, en bereikte zonder tegenspoed het groote hospitaal te Scutari. Daar deed zij hare intrede als Superintendante van den verplegingsdienst in het Oosten, met den titel van Lady in Chief. Zij was belast met het oppertoezicht in alle acht hospitalen aan de Zwarte Zee, waarvan Scutari het middelpunt was. ’t Lag op den top van een hoogen heuvel, en had een prachtig uitzicht op den Bosporus en op Constantinopel. Het hospitaal was een gewezen kazerne, heerlijk schoon gelegen in een landschap, dat was, volgens een schrijfster, als een Hof van Eden,—maar verkeerde in een onbeschrijfelijkenstaat van vervuiling en ellende. Met de grootste zorgeloosheid had men gewonden naast choleralijders gelegd, en de zieken lagen er als het ware opgepropt. In de eerste maanden van den veldtocht was er aan alles gebrek geweest. Er was geen huisraad, geen vaatwerk, geen zeep, geen handdoeken, geen zakdoeken, geen lijflinnen. De gewonden lagen er in hun van geronnen bloed verstijfde kleeren, zonder zelfs maar onderzocht, veel minder verbonden te zijn. Zij lagen te sterven in lokalen, verpeste holen, vol ratten en ongedierte.
En hoe waren die ongelukkigen in dit verblijf der ellende aangeland? Ontscheept aan den voet van den heuvel, waren zij door hunne kameraden tegen de hoogte opgesjouwd, of zelfs zonder hulp naar boven gekropen. En de ongelukkigen kwamen daar om hulp te zoeken,—die er niet was.
Zelve schreef Florence Nightingale, na haar eerste ronde door de verontreinigde lokalen te hebben gedaan: “De ligplaatsen der mannen stonken, en de dekking was van zaklinnen, zoo ruig, dat de zieken smeekten hun enkel hunne velddekens te laten; en voor mannen, die in zulk een staat van uitputting verkeerden, was het ook niet om uit te houden onder die harde lakens. Er was geen enkel stuk huisraad van welken aard ook. Ledige wijn- en bierflesschen dienden voor kandelaars, en dat was alles.”
Nergens was er gelegenheid, om de kleeren der mannen te wasschen, en ook rondom het gebouw heerschte de grootste vuilheid. Uit een raam ziende, ontdekte Florence niet minder dan zes doodehonden in een staat van verregaande ontbinding.
Alles in één woord ontbrak. De gewonden hadden niets dan lompen aan hun lichaam, en er was geen linnengoed, om ze te vervangen. Zelfs waren er geen keukens. Er werd slechts gekookt in groote ketels, op open wachtvuren. ’t Eten was òf half gaar, òf bijna rauw. De hospitaal-dokters waren òp van vermoeidheid en konden haast niet meer voort. De komst van Florence Nightingale beschouwden zij als een nieuwen last bij hun toch al zoo zware taak. Immers, wat zou deze vrouw, die boven hen gesteld was en wie zij dus moesten gehoorzamen, anders geven dan de meest dwaze bevelen?
De toestand werd nog donkerder, toen enkele uren na de aankomst van Florence Nightingale de gewonden in den slag bij Inkerman in schrikbarenden getale werden aangebracht. De zalen waren reeds overvol, zoodat de ongelukkigen in de gangen op den grond moesten worden neergelegd. Sommige moesten zelfs tevreden wezen met een ligplaats op den vervuilden grond buiten het gebouw. Vijf dagen hadden zij aan boord van het schip doorgebracht, en nòg waren hunne wonden niet gereinigd, nog veel minder verbonden. Bij dozijnen stierven zij weg tengevolge van uitputting en ellende.
’t Was hartverscheurend.
Florence Nightingale, wier hart bloedde bij het aanschouwen van al deze ellende, begreep, dat hier krachtig moest worden gehandeld. Zij liet met milde hand groote hoeveelheden versterkende middelen uitdeelen, die zij op eigen kosten had medegebracht.Overal en in alles bracht zij orde en verbetering. De gebouwen werden gereinigd, de gewonden afgezonderd van de lijders aan cholera en andere besmettelijke ziekten. Zij gaf de noodige bevelen, opdat het hospitaallinnen en de geneesmiddelen, die wel van uit Engeland gezonden maar nog niet aangevoerd waren, omdat alles nog in de schepen opgeladen lag, ten spoedigste naar de verschillende hospitalen werden afgezonden. Zonder aarzelen, zonder zich te storen aan tegenkanting en bezwaren van anderen, bracht zij den hospitaaldienst op geregelden voet, zoodat zij binnen tien dagen reeds eene keuken in werking had, waar dagelijks voor 800 man versterkende levensmiddelen werden bereid. Zij richtte eene wasscherij in voor de kleeding van de zieke soldaten en zorgde er voor, dat het vervuilde beddegoed werd ontsmet. Op eigen kosten liet zij duizend hemden uit Constantinopel komen, en zij wist in den vreeselijken warboel in korten tijd orde en regel te scheppen. Haar arbeid werd een zegen voor duizenden. Waar zij aan de bedden der zieken verscheen, overal riep hare tegenwoordigheid een glimlach van dankbaarheid op de van pijn verwrongen gelaatstrekken der arme gewonden en zieken. Hare verschijning was als van een engel, en zij waarde door de groote zalen rond als de fee van het geluk. Zelfs voor de vrouwen, die hare mannen op het oorlogsveld waren gevolgd, zorgde zij met de meeste toewijding. Zij gaf haar werk in de keuken en de wasscherij, en richtte zelfs voor de kinderen een school en een kinderbewaarplaats op.
In korten tijd had zij allen onwil en tegenkanting overwonnen, en stormenderhand had zij de harten veroverd van allen, die met haar in aanraking kwamen.
Zij gunde zichzelve geen oogenblik rust. En ’t zou nog erger worden, het uiterste zou van de toewijding van deze edele vrouw worden gevergd. De troepen hadden het beleg geslagen om Sebastopol, waar zij dikwijls 36 uren aan een stuk dienst moesten doen, met alleen wat pekelvleesch met suiker, een slok rum en een paar beschuiten tot voedsel. De dienst in de loopgraven gedurende, de koudste wintermaanden deed den ongelukkigen de ledematen bevriezen, terwijl bovendien nog cholera en dysenterie met vernieuwde felheid hunne slachtoffers kozen. De hospitalen lagen overvol. Meer dan 5000 zieken waren over de verschillende inrichtingen verdeeld. In de gangen gingen steeds twee reeksen van draagbaren in tegengestelde richting elkander voorbij, een, die de gewonden aanvoerde, de andere, die de dooden wegdroeg. ’t Was vreeselijk om aan te zien. De cholera-patienten stierven meestal binnen den tijd van vijf uren, de ongelukkigen, die met bevroren ledematen werden binnengebracht, leden de afschuwelijkste pijnen. De kleeren waren aan hunne lichamen vastgevroren, en bij het verwijderen van de schoenen, hoe voorzichtig ook gedaan, kwamen steeds de teenen mede.
Florence scheen wel overal tegenwoordig te zijn. Men zag haar troostend verwijlen aan de bedden der stervenden, luisterende naar hunne laatste wenschen,om hun groeten en laatste spaarpenningen over te brengen aan de geliefden in het vaderland, dat zij nooit zouden terugzien,—zij bemoedigde de gewonden, die vreeselijke operaties of amputaties moesten ondergaan, wat in die dagen nog niet pijnloos geschiedde, omdat chloroform nog weinig werd gebruikt,—of zij gaf versterkende middelen aan de zwakken, die van uitputting dreigden te sterven. En daarbij hield zij toezicht op alles, wat er in de hospitalen geschiedde, op de reiniging, op de voedingsmiddelen, op de verpleging der zusters, en zelfs ook over de laatsten waakte zij met groote liefde, opdat zij niet te veel van hare krachten zouden vergen en zichzelven daardoor te gronde richten.
En wanneer ’s nachts de doctoren reeds lang weg waren en men slechts de zusters, die de wacht hadden, zich geruischloos zag bewegen, dan deed nog Florence Nightingale met een brandende lamp in de hand, de ronde door de groote zalen vol lijdenden, om nog een kussen te verschikken hier, een dronk waters te reiken daar, een woord van troost en bemoediging te spreken tot een stervende elders. Met innige vereering zagen de stumperds dan op tot de Vrouw met de lamp, die voor hen een engel der liefde was in deze gebouwen der verschrikking.
Toen zij zes maanden onafgebroken had gearbeid in Scutari, en de lente gekomen was, begaf zij zich naar het Schiereiland de Krim, om met eigen oogen te zien, hoe het met de verpleging der gewonden gesteld was op het oorlogsterrein. Bij hare aankomst aldaar wenschten de autoriteiten haar met grooteplechtigheid te ontvangen, maar toen zij aan het schip kwamen, was Florence daar reeds niet meer. Zij was reeds aan land gegaan en had al met hare inspectie een begin gemaakt. Van den top van een hoogen heuvel overzag zij het oorlogsveld. Daar zag zij de duizenden witte tenten, hoorde zij de trompetten steken, de kanonnen bulderen en de trommen roffelen.
Zij begaf zich te midden van de soldaten, die haar niet kenden. Maar nauwelijks drong het gerucht tot hen door, dat het Florence Nightingale was, die zij in hun midden hadden, of zij werd met een oorverdoovend hoerageroep door hen begroet. Op dat oogenblik ontving zij den dank van het leger voor al hare toewijding en liefde, aan de zieke en gewonde soldaten betoond.
In hare inspectiereis werd zij gestoord door een ernstige ziekte, die haar aan den rand van het graf bracht. Dagen lang lag zij doodelijk krank ter neder, en reeds ging in de hospitalen de treurige mare rond, dat zij overleden was. De dokters raadden haar aan, naar Engeland terug te keeren en daar haar volledig herstel af te wachten. Maar zij wilde er niet van hooren, en keerde, zoodra hare krachten haar dat toelieten, naar Scutari terug, om zich daar opnieuw aan de haar opgedragen taak te wijden.
Eindelijk moest Sebastopol bezwijken, in September 1848, en werden de vredesonderhandelingen geopend, die aan den bloedigen oorlog een einde zouden maken.
Maar Florence Nightingale achtte hare taak nog niet afgedaan. Zij begaf zich naar de Krim, en vestigdehet hoofdkwartier van den verplegingsdienst op een der Balaclavaheuvels. Zij leef de daar met drie zusters in een kleine keet, bestaande uit drie kamers, midden tusschen de barakken. ’t Was ijzig koud, ’s nachts bevroor daar alles, tot zelfs de inkt. Eens werden de zusters wakker onder een laag van sneeuw, die door de reten van de keet naar binnen was gewaaid. Maar Florence, onvermoeid en opofferend als zij was, liet zich door sneeuwjacht noch vorst weerhouden, dagelijks de barakken en de tenten te bezoeken, waar zij alles deed om de soldaten, die hersteld waren van hunne wonden, aangenaam bezig te houden. Zij stichtte kleine bibliotheken voor hen, waarvan een dankbaar gebruik werd gemaakt. Zelfs richtte zij een spaarkas op, waar de soldaten hunne spaarpenningen in bewaring konden geven, waardoor zij in staat werd gesteld iedere maand ongeveer 12000 gulden naar Engeland te zenden voor de familieleden der soldaten. Zij deed dat, omdat de mannen zich veel aan dronkenschap overgaven en al hun geld voor sterken drank uitgaven. Die spaarkas was eene ware weldaad, wat ook de Regeering inzag. Deze richtte zelfs vijf hulppostkantoren op, waar het geld kon worden ingebracht.
Ongeveer April 1856 werd de vrede geteekend. De soldaten werden ingescheept, om naar het vaderland terug te keeren. En eerst, toen het laatste hospitaal gesloten was, rekende ook Florence Nightingale zich ontslagen van hare taak. Voor haar vertrek liet zij op een der hoogste heuvels van Balaclava uit eigen middelen een hoog marmeren kruis oprichten als eengedenkteeken voor de gesneuvelden. ’t Was twintig voet hoog, en tot ver in zee zichtbaar.
Hoe hoog hare diensten werden gewaardeerd, kan hieruit blijken, dat zij als afscheid van den Sultan een kostbaren diamanten armband ontving, terwijl koningin Victoria haar een halssieraad schonk, bestaande uit een St. Joriskruis met het naamcijfer der koningin, en daaromheen, als randschrift: “Zalig zijn de barmhartigen.”
’t Was te verwachten, dat het Engelsche volk haar, bij het terugkeeren in het vaderland, eene grootsche hulde wilde brengen. Reeds had men eene groote som gelds bijeengebracht, niet minder dan een half millioen gulden, welke men haar wilde aanbieden als blijk van erkentelijkheid van het Engelsche volk. En nog dagelijks stroomden de gelden toe. Er verschenen brochures, waarin haar groote lof werd toegezwaaid over haar werk van menschlievendheid, de nieuwsbladen gaven artikelen vol groote waardeering, men maakte lofzangen ter harer eer, en haar portret lag voor alle winkelramen.
Van eene grootsche ontvangst kon echter niets komen. De bescheiden Florence onttrok zich aan alle openlijke hulde, door zich te Marseille te ontschepen en naar Parijs te gaan, waar zij eenigen tijd rust nam. Daarna begaf zij zich onder den aangenomen naam van Miss Smith naar Engeland en bereikte, zonder opgemerkt te zijn Lea Hurst, het landgoed van haar vader.
Maar hare aankomst werd spoedig bekend, en duizenden bij duizenden trokken op naar het park vanLea Hurst, in de hoop haar, al was het ook maar in de verte, te mogen aanschouwen. IJdele hoop. Florence, “de heldin van de Krim,” bleef meestal onzichtbaar. Zij hield zich in hare vertrekken teruggetrokken, om uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen, die haar gestel krachtig hadden aangegrepen. Haar gezondheid was voor goed geknakt en er bestond weinig hoop, dat zij ooit weder geheel zou herstellen.
Toch bereikte zij een zeer hoogen leeftijd. Enkele dagen geleden, in Augustus 1910, overleed zij ruim 90 jaren oud, en geen blad ter wereld is er, dat niet eenige kolommen wijdt aan hare nagedachtenis en aan de schoone daden, door haar, gedurende haar geheele leven, verricht. Want ook na hare terugkomst uit den Krim-oorlog bleef zij voortbouwen op het eenmaal gelegde fundament, waardoor zij het mocht beleven, dat door de, oprichting van het Roode Kruis de verpleging te velde op vasten grondslag werd geregeld. Dat was de kroon op haar werk.
Eene schrijfster vermeldt, dat aan een maaltijd van uit den Krimoorlog terugkeerende officieren aan elk een strookje papier werd gegeven, met het verzoek, daarop den naam te schrijven van den persoon, wiens diensten wel het langst en het dankbaarst bij het nageslacht in herinnering zouden blijven.
En al de briefjes droegen, zonder uitzondering, den naam van Florence Nightingale.
Wel een bewijs, welk een gezegende arbeid door haar is verricht. Haar gansche leven was één gouden daad.
1Johanna W. S. Naber: Wegbereidsters.
1Johanna W. S. Naber: Wegbereidsters.