XI.

In de spreekkamer bij den procureur Verhagen zit de oude Philip Strijkman in zijn zondagsche jas met een groote ouderwetsche groene parapluie tusschen de knieën, op welker knop zijn hoed hangt, te wachten; tegenover hem zit vrouw Juttner en naast haar de ongelukkige, gebochelde Kobus. De onnoozele knaap ziet er nu vrij fatsoenlijk gekleed uit, en zijn moeder, die men vroeger niet anders dan als schoonmaakster met jak en rok gekleed kende, heeft thans een groene japon aan, een omslagdoek met palmen om en een hoed op, waarvan de bruinroode keelbanden onder de kin zijn vastgestrikt. Haar handen steken in garen handschoenen, waarvan de vingers te lang zijn en die de grove knokkels van haar werkhanden doen doorschemeren. Het drietal spreekt geen woord, maar de sluwe, groenachtige oogjes van Strijkman gaan rusteloos rond of vestigen zich nu en dan op de mismaakte gestalte van den knaap, die onophoudelijk de hand in zijn broekzak steekt om er een paar rozijnen uit te nemen, die hij blijkbaar met smaak verorbert.

Vrouw Juttner wisselt af en toe een blik van verstandhouding met den pandjesbaas en trekt zwijgend Kobus’ buisje terecht of strijkt hem het haar uit de oogen.

Geruimen tijd hebben zij zitten wachten, als eindelijk Keesje, de jongste bediende, binnentreedt en kortaf zegt:

“U kunt binnenkomen.”

Langzaam staat Strijkman op en begeeft zich, gevolgd door vrouw Juttner, die haar zoon aan de hand medetrekt, naar het kantoor, waar de heeren Krasser en Van Blaak ijverig zitten te schrijven en tersluiks van hun werk opzien, als het drietal de deur binnenkomt. Bij het binnengaan fluistert Strijkman nog even: “Hou je nou goed, mensch!” De procureur, die als naar gewoonte voor zijn schrijfbureau plaats heeft genomen, draait half het hoofd om en knikt, terwijl hij zegt: “Gaat zitten!”

Keesje schuift een paar stoelen bij de tafel, wijst ze zwijgend den binnengetredenen aan en wipt daarna vlug op zijn hooge kruk, terwijl hij tegen Van Blaak een vies gezicht trekt en met de oogen knipt naar den kant, waar Strijkman zit. Een oogenblik heerscht er algemeene stilte op het kantoor, alleen afgebroken door het krassen der pennen en het kuchje van Strijkman, die zich de keel schraapt om beter te kunnen antwoorden op de vragen, welke hij verwacht, dat de heer Verhagen tot hem richten zal.

Deze wendt zich eindelijk om, schuift zijn stoel een eind achteruit, en den blik vast op zijn bezoekers vestigend, vraagt hij: “En wat kwam u nu eigenlijk hier weer doen?”

“We kwamen eens hooren, hoe ’t er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?”“We kwamen eens hooren, hoe ’t er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?”

“We kwamen eens hooren, hoe ’t er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?”

“We kwamen eens hooren, hoe ’t er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?”

Eenigermate van streek gebracht door deze kalme vraag, antwoordt Strijkman zachtjes: “We kwamen eens hooren, hoe ’t er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?”

“We wouen er met uwés permissie nou wel ereis haring of kuit van hebben,” voegt vrouw Juttner er bij.

“Zoo!” Mijnheer Verhagen ziet den knaap strak aan, die zonder zich om iets of iemand te bekommeren zijn rozijntjes eet en onnoozel rondziet.

“We zouden nu graag willen weten, of we niet alvast voor den jongen een duizend gulden of wat voorschot konden krijgen op de erfenis,” zegt Philip, terwijl hij er aanstonds op laat volgen: “Juffrouw Blommers kan het zóó niet langer uithouden; ze heeft al haar spaarduitjes er al aan gespendeerd. Is ’t niet waar, juffrouw?”

“Och ja!” antwoordt temend vrouw Juttner, die metonderling goedvinden en tot meerdere veiligheid van haar persoon, den naam van Blommers heeft aangenomen, “ik heb zoo gaandeweg alles bijgebrokkeld wat ik kon en voor dien jongen gedaan, wat menschen-mogelijk was.—Dorus, kind! schei nou uit met rozijnen eten; je zult misselijk worden,” en luider roept zij: “Hou nou op met eten, Dorus!”

“Och, moeder!” zegt de knaap onwillig.

“Dat is nou aardig, meneer de avekaat: die jongen heeft van het eerste oogenblik af aan, dat ik hem van straat heb opgenomen “moeder” tegen me gezeid; afijn, ik mocht het wel lijden. En dat is hij blijven zeggen nadat hij de hersenziekte heeft gehad... ’k Heb wat met den stumperd uitgehouwen, meneer; altijd door maar kouwe doeken op het hoofd en....”

“Ter zake juffrouw. Nu dan, na dien tijd?”

“Zeit hij nog altijd moeder en ’t is hem niet meer uit het hoofd te praten. Casuweel hé, meneer?”

“Ik heb u reeds de laatste maal, dat u hier was, doen opmerken, dat er van voorschot geen sprake kon zijn,” antwoordt de procureur.

“’t Is toch wat te zeggen,” herneemt Strijkman met een zucht. “Juffrouw Blommers en ik, we hebben al heel wat geld aan dien jongen uitgegeven, meneer! Niet dat we ’t niet voor hem overhebben, och God! neen, dat is ’t niet, niet waar Dorus?” De pandjesbaas kijkt met zijn gluiperige oogen naar den knaap, die zeer ongegeneerd op den rand van het kopieertafeltje is gaan zitten en met beide handen over de voorpanden van zijn buisje strijkt, terwijl hij grinnikt en op eigenaardig doffen toon zegt “Dorus!...Dorus, heet ik... Oome, is ’t nou goed?”

Even kleurt een verraderlijk blosje vrouw Juttner’s hoekig gelaat en Strijkman verschiet van kleur, maar beiden herstellen zich dadelijk en wisselen een voor de anderen onmerkbaren blik van verstandhouding.

“’t Is zoo’n hartelijke jongen, meneer, hij zeit altijd “oome.” Och, uwé had hem vroeger moeten kennen, toen hij nog alle vijf goed bij mekaar had,” zegt de oude man, grinnikend.

Vrouw Juttner werpt een boozen blik op Strijkman, terwijl ze hem in de rede valt met de woorden:

“Nou, zoo erg is ’t nog niet: alle vijf! Zeg, de jongen is niet gek!” en plotseling bemerkende, dat zij op het punt is om zich te verspreken, voegt zij er bij: “Hij is alleen maar wat sufferig, nou en dan; is het niet zoo, m’n kind?” De pseudo-Dorus kijkt haar strak aan en herhaalt als voor zichzelf. “Dorus!—Kobus! Kobus!—Dorus! Hè, hè, hè, hè,” en luider: “Gaan we nou heen, moeder?”

De schrik slaat Strijkman om ’t hart, als hij die woorden hoort, en de procureur ziet beiden bijzonder doordringend aan. Zoo verbeeldt zich ten minste het edele tweetal, dat, als door een gemeenschappelijke ingeving gedreven, opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken. In waarheid heeft de procureur slechts een min of meer wantrouwenden blik op de lieden vóór hem geworpen, maar zonder nog in ’t minst te vermoeden welk bedrog er door hen gepleegd wordt.

“Kom eens hier, Dorus,” zegt de heer Verhagen.

De jongen blijft staan, waar hij staat, en zoekt in zijn zakken, of hij nog rozijnen heeft.

“Kom eens hier, ventje!”

“Och, meneer! de stumperd hoort het niet; hij is doof, erg doof.”

“Dat merk ik!”

“Dorus!” roept juffrouw Juttner luid, “ga eens naar meneer,—gauw, en steek je vingers niet in je neus.”

De knaap doet een paar stappen vooruit en reikt den procureur de hand, die deze niet aanneemt.

“Hoe oud ben je?”

“Hè! hè! hè! hè!”

“Hij is nou zestien jaar, meneer! Den 12denJanuari geweest.”

“Hm! zoo; maar weet je wel zeker, juffrouw, dat deze jongen Dorus Makko is, de zoon van den hondenscheerder?”

“Heerem-ensch, meneer!”

Strijkman kucht bedenkelijk en snuit herhaaldelijk zijn neus.

“Meneer de avekaat, kijkt uwé dien jongen eens goed aan, en zie dan eens, of een mensch zich daarmee vergissen kan. Zoo’n bult vind je niet alle dagen, en dan zoo’n fyselomie. Bovendien, ik heb hem immers van klein kind af gekend, en hij mij ook ook; ik was temet de eenige, dien hij nog na zijn ziekte herkende. Is ’t niet zoo, beste jongen?” Strijkman spreekt luid en gejaagd.

“Ja, oome,.... Dorus heet ik, Kobus en Dorus!”

Vrouw Juttner krijgt het benauwd, en Strijkman wischt zich tersluiks een paar kille druppels van de slapen.

“Kan hij zich niets meer van zijn vader herinneren?”

“Niemendal, meneer, en van de pampieren ook niet: ik heb ze maar eens weer meegebracht. Wil u ze nog eens zien?” vraagt Strijkman, om aan des procureurs gedachten een andere wending te geven.

“Dank je, ’t heeft voorloopig volstrekt geen nut.”

“Och, kijkt u maar eens; ’k heb nu ’t portretje ook meegenomen.” Hij neemt den brief van Adriaan Makko uit den zak en reikt dien met het portret aan den procureur over.

Als de jongen het photographietje ziet, strekt hij de hand er naar uit en zegt dof: “Daar moet ik ook “oome” tegen zeggen, is ’t niet, moeder?”

Een nauw bedwongen grimlach omspeelt Strijkmans’ dunne lippen, en vrouw Juttner ziet welgevallig verwonderd haar zoon aan, die op het portretje wijzend, herhaalt: “Oome! hé, moeder?”

“Ziet u, meneer de avekaat, dat herkent hij,” zegt op min of meer triomfantelijken toon de oude man, en aanstonds laat hij er op volgen: “Zou er nou geen mogelijkheid op wezen, dat we ten minste alvast iets voor hem kregen?”

“Mijn goeie menschen, ik heb je reeds gezegd, dat ik er niets aan doen kan. Er is naar Amerika geschreven, en zoodra we bericht hebben, zal de rechter in deze zaak gekend moeten worden.”

Bij het woord “rechter” zien de twee roofvogels elkander tersluiks min of meer angstig aan.

“Dan moet er een voogd voor hem”—Verhagen wijst op den knaap—“benoemd worden, altijd wanneer zijn identiteit voldoende te bewijzen is.”

“Identerteit, zeit uwé?”

“Ja, juffrouw! Ik bedoel, als het bewijs geleverd wordt, dat hij werkelijk de jongen is, dien wij zoeken.”

“Mij dunkt, meneer, dat’s toch duidelijk genoeg, uwé kan er gerust op wezen; ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als....”

“Goeie vriend, mijn tijd is te kostbaar om langer met je te praten. Laat die papieren maar hier; dan zal ik je later wel bericht zenden, hoever de zaak is, en....”

“Ik zal de pampiertjes liever maar weer meenemen,” zegt Philip.

“Neem me niet kwalijk, meneer, maar uwè heeft ons nu al ruim drie verrel-jaars op sleeptouw gehouden, en onze lieve Heer weet hoe lang of ’t nog duren kan; ik ben een weduwvrouw, die moeite genoeg heeft om aan den kost te komen;”—vrouw Juttner trekt een armoedig gezicht gezicht—“ik kan toch voor niemendal zoo’n jongen niet eeuwig houden.”

“’t Spijt mij voor u, juffrouw, maar u zult geduld moeten hebben.”

“En hoe lang kan het nog duren?” vraagt Strijkman, terwijl hij de papieren en ’t portret weer bij zich steekt.

“Niet te bepalen. De rechter zal....”

’t Woord “rechter” bevalt den pandjesbaas in ’t geheel niet, en vrouw Juttner voelt zich niets op haar gemak.

’t Is dus eenigermate voor haar een uitkomst, als de procureur zegt: “Cornelis, laat deze heer en juffrouw uit.”

Als zij vertrokken zijn, keert de heer Verhagen zich half om naar Krasser en zegt: “Er is mij iets niet klaar in deze zaak; wat, weet ik niet recht, maar je moest eens laten informeeren, wie die juffrouw Blommers eigenlijk is.”

“Best, meneer!”

Op straat gekomen, valt Strijkman nijdig tegen zijn gezellin, die op een sukkeldrafje naast hem loopt, uit:

“’t Is een nare jongen, dat hij nog altijd Kobus zeit; dat moet je hem afleeren, versta je?”

“Leer jij ’t hem af, als je kunt, ouwe gek. Kom hier, Kobu... Dorus!”

“’k Wou, dat die procureur met zijn securigheid naar den duivel liep.”

“’t Gaat niet zoo gemakkelijk, als je dacht, hé, Strijkkie?” hoont vrouw Juttner, terwijl zij er bijvoegt: “Je kunt me wel eens weer een paar rijksdaaldertjes geven, hoor! ’k Moet huur betalen.”

“Alweer geld? Je hebt pas gehad....”

“Pas! Noem jij dat pas? Al veertien dagen geleden..”

“Acht dagen!”

“Dat lieg je; ’t is veertien dagen!”

“Wat, wou jij ’t me heeten liegen; heb ik je niet verleden week nog zeventien gulden gegeven,—zeventien mooie ronde guldentjes?” Strijkman zucht.

“’t Is wel mogelijk, maar ’t is alweer op; ik kan toch van den wind niet leven. Bovendien, wat ik doe, doe ik toch allemaal voor jou pleizier....”

“Voormijnplezier?”

“Ja, natuurlijk. Denk je, datik’t liefhebberijwerk vind zoo’n jongen te....”

“Hou je mond; je doet ’t toch ook om de duiten.”

“Waarachtig wel! Maar ’k wou er eerst niet aan, dat weet je toch heel goed. En heb ik niet de meeste moeite en last er van gehad, om dien stumperd wijs te maken, dat hij Dorus heet?”

“’t Is wat moois; hij zeit er nog altijd Kobus bij.”

“Kan ik dat helpen?”

“Is ’t danmijnschuld? Ben je gek: jij moet hem leeren, wat hij te zeggen heeft; dat’s afspraak.”

“’t Is wat lekkers! Je laat mij de kastanjes uit het vuur halen, en jij....”

“Nou! wees maar niet boos. En heeft hij ’t dan niet goed gezeid van ’t portretje?—Ja, kind, we gaan naar huis.—Ik heb er een dag aan besteed om hem te leeren, dathij er “oome” tegen zeggen zou; maar jij bent nooit tevreden, ouwe suffer.... Loop niet zoo ver weg, Kobus. Hier! hier!”

“Daar zeg je nou waarachtig zelf Kobus; je bent ’n uilskuiken. Zoo zullen we er nooit komen, als jij zelf je vergist....”

“Och! maak je niet moeielijk; ik weet wat best, wanneer ik op moet passen of niet. Wil ik maar even met je meeloopen naar huis om de centen?”

“’k Heb geen geld!”

“Och! dat’s aardig, dan hebben wij ze alle twee niet... en nou liegt een van ons beiden, maar ik niet. ’k Zei daar straks immers vijf gulden; maar wel bekeken, is dat te weinig, oude heer! Je moest maar liever vier riksen geven, dan kan ik meteen voor den jongen een paar nieuwe schoenen koopen.”

“Wat zeg je daar, tien gulden? ’t Is een schandaal; je wilt zeker weer snoepen, hé?”

“Wil je er een dozijntje van maken, des te beter; dan los ik mijn oorbellen, die nog achter de schuine deur staan.”

“Jou oorbellen! Zeker net zoo gekregen als dat speldje?”

“Je begint me te vervelen met je aardigheden.—Kobus! Kobus! loop niet zoo aan den waterkant.—Hier zijn we aan de Prinsensluis. Geef nou ’t geld maar hier... of zal ik meegaan?” Zij blijft vlak voor hem staan bij de brugleuning.

De oude vrek wordt beurtelings geel en rood van ergernis en herhaalt zijn poging om uit de handen van zijn kwelgeest te komen, door te zeggen: “Ik heb geen geld, waarachtig niet.”

“Ook niets meer in je ijzeren kistje, hè!”

Zijn gelaat wordt valer dan ooit, als hij stotterend vraagt: “M.m.mijn ijzeren k.k.kist?”

“Dacht je, dat ik niet wist, waar je den aap in bewaarde? Och, m’n lieve Strijkkie! vrouw Juttner heeft zulke goeie oogen en ze kan zoo zachtjes loopen. Dacht jij, dat ik verleden ’s avonds niets gezien had? Hè, hè, hè!”

Strijkman heeft zich hersteld en zegt ruw: “Je zeurt.”

“Dacht je, dat ik niet gesnapt had, dat jij laatst, toen je de deur had opengelaten en ik onverwachts binnenkwam, in eens je kistje onder de tafel hebt gestopt? Meen je, dat ik niet begreep, dat je daarom zei, dat je niet op kondt staan van de rimmetiek?”

De oogen van den pandjesbaas vestigen zich met een moordlustige uitdrukking op de vrouw, als hij met saamgeknepen lippen zwijgt.

“Heb je wel gehoord, dat de avekaat van den “rechter” sprak? Daar moet ik niets van hebben, versta je?”

“Serpent!” sist Strijkman.

“Heb je lust om een poos in de gribus1te zitten? Ik niet. Ik geloof, dat ik het wijste doe om naar dien avekaat te gaan en hem te zeggen, hoe de vork in den steel zit; dat jij me hebt overgehaald om....”

“Wijf, hou je stil, of....” De oude maakt een dreigend gebaar.

“Poeh! poeh! wat een drukte: wees kalm, man, dan krijg je geen dikke beenen. Hè! hè! hè! Dok nou maar gauw een dozijntje guldens... Nou doe ik ’t geen cent minder.... Zie je, Strijkkie,ikzou wel vrijloopen, als ik sprak. ’k Ging weer uit schoonmaken; ’k zou m’n kost wel weer ophalen, maar jij was er bij, ha! ha! gloeiend bij, hoor!”

“Moeder, ik heb zoo’n honger.”

“Hij heeft trek in zijn eten, Strijkman.—Ja, Kobus, we gaan naar huis!—Kom, zanik nou niet langer en geef het geld.”

“’k Heb ’t niet bij mij; kom dan morgenavond maar na tienen.”

“Nou, goed dan! ’k Zal zoolang wachten, maar om tien uur precies sta ik op je stoep. Dag, Strijkkie!—Kom, jongen!”

De pandjeshuisbaas draait zich nijdig om en zegt ietstusschen de lippen, dat allesbehalve een zegenwensch is.

Strijkmans winkel is gesloten, vrouw Juttner is prompt om tien uren gekomen, en zuchtend heeft de oude man aan zijn kwelgeest twaalf gulden uitbetaald. Als zij vertrokken is, neemt hij een boekje en noteert er in: “ƒ 12.– aan de weduwe Juttner.” De lamp staat op tafel en de zwarte kat ligt er als naar gewoonte onder.

“Satansche feeks,” mompelt de pandjesbaas, terwijl hij nijdig naar de deur ziet, waardoor de vrouw verdwenen is. “Zij ruïneert me heelemaal. ’t Is God geklaagd. Laat eens zien... ’t Is nu,” hij telt de cijfers, die in het boekje staan, op, “twee honderd zestig... negentig, drie honderd... Wel vervloekt!” roept hij hardop... Miauw, zegt de poes, die de slaperige oogen opent.

“Daar!”—nijdig prikt de vrek de kat met zijn pen in den neus, zoodat zij blazend van de tafel springt.

“Drie honderd zestig—’t is om te huilen—zeven-en-zeventig, transporteere:—drie honderd een-en-negentig—’k ga op de flesch—vier honderd zes en veertien, is vier honderd twintig—zes en dertig.—Satansch wijf!—vier honderd acht-en-zeventig gulden! Allemachtig! en dat in nog geen tien maanden!”

Hij smijt woedend de pen op tafel, staat op en loopt in ’t kleine kamertje op en neer. Zijn roode oogen doen hem pijn van ’t kijken.

Met zijn bril op den neus beziet hij nogmaals de cijfers, telt, hertelt en ziet dat het eindcijfer juist is. Weer gaat hij aan tafel zitten en pruttelt in zichzelven: “Zoo gaat het niet langer; ’t is niet om uit te houden,—ze melkt me uit als een koe. Was ik het maar nooit begonnen. Maar ’t is toch ook vier ton! Als ik die kluit uitbetaald krijg, kan ’t er wel af. Hm! die procureur is niet scheutig. God weet, hoe lang ’t nog duren kan, eer... En ’t is niet sekuur ook. Vrouw Juttner is te goochem. O! Philip, wat ben je een ouwe ezel geweest! Ja, maar ik moest toch een jongen hebben. Dat die Kobus, die krates,ook juist zoo’n moeder heeft.—Zij laat me geen rust. ’t Is om dol te worden, en ik durf haar waarachtig niet aan. Ze is in staat om den heelen boel in de war te gooien, en als ik niet meer geef... Hè! ’k zou wel trek hebben om iets te eten, maar ik moet zuinig wezen tegenwoordig.”

Hij gaat naar het hoekkastje, opent het en kijkt er in. ”’k Heb niets meer in huis; dat beetje bitter, zou ik dat nemen? Maar dan heb ik morgen niets.” Hij ruikt aan de flesch. “Hè! dat ’s toch erg lekker. Kom! één slokje. Hmm...! ’k zal de helft nemen.—Vier honderd acht-en-zeventig gulden naar de maan; als ’t zoo doorgaat, maakt ze me heelemaal op.” Hij houdt de flesch tegen het licht, na gedronken te hebben, en smakt met de lippen. ”’t Doet me goed; ’k was zoo rillerig. Och! ’k zal ’t maar uitdrinken en dan morgen niets nemen, dan komt het overeen uit.” Hij drinkt met kleine teugjes, en als de flesch leeg is, zet hij ze weer weg, na zorgvuldig de laatste droppels op zijn nagel te hebben laten loopen.

De genoten spiritus, hoe weinig ’t betrekkelijk ook zij, geeft aan zijn wangen een hooger tint en zijn oogen beginnen te glimmen. “Ik wou, dat ik haar nu hier had,” zegt hij binnensmonds; ”’k zou haar knijpen, ranselen. Hm! dat ’s ook al strafbaar. Tegenwoordig is alles strafbaar. Zoo’n afzetster: bij de vijf honderd gulden; ’k zou haar kunnen vernielen.” Hij slaat met de rimpelige vuist op tafel. “En hoe kom ik van haar af?—Als zij mij t’avond of te morgen maar niet besteelt; daar is ze niets te goed voor.” Hij bukt zich naar ’t luik in den vloer. “Zou ze weten, dat hij dáár staat? Neen, dat heeft ze toch niet afgeloerd; maar...” Hij is op ’t punt het luik te openen! als een kloppen op de voordeur hem doet opschrikken.

“Wat is dat? Zoo laat nog iemand; wie kan dat wezen?”

Met de lamp in de hand sloft hij naar voren.

“Wie is daar?”

“Ikke!”

“Wie is ikke?”

“Doe maar open, Strijkkie! Ik ben ’t maar!”

“God zegen me, zij is ’t waarachtig! Wat zou ze nu weer willen hebben?” Met onzekere hand schuift hij den grendel van de deur, opent het slot en laat vrouw Juttner binnen, die zonder plichtplegingen in ’t kamertje gaat, op zijn stoel plaats neemt en zegt:

“Dat dacht je niet, dat ik van avond nog zou terugkomen, hè? Ja! hoe later op den avond, hoe schooner volk.”

“Wat moet je?”

“Jongens, wat ben jij beleefd! En ik kom je nogal’ waarschuwen.”

“Waarvoor?”

“Om op je tellen te passen. Toen ik van avond op mijn kamer kwam, zeiden de buren, dat er iemand geweest was, zooveel als een rechercheur van de politie, zoo’n stille, weet je... Hij kwam om naar mij te informeeren en had vaa alles gevraagd, en...”

“Nou, en?” Strijkman ziet haar angstig aan.

“Zij wisten niets; daarom konden ze niemendal zeggen...”

“En wat zou ’t dan verder?”

“Ze zeien, dat hij gevraagd had, of ik de moeder was van Kobus of z’n pleegmoeder, en of jij ook al vroeger kennis aan mij had gehad, en zoo al meer.”

“God bewaar me!”

“En dat er sprake van was, dat jij op een erfenis loerdet... Afijn, de man wist zoo wat den heelen boel, naar ’t scheen...”

Natuurlijk loog vrouw Juttner ongeveer alles, wat zij’ zeide. De waarheid was, dat er iemand van Verhagens kantoor was geweest, om naar juffrouw Blommers te informeeren: wie zij eigenlijk was, of zij er reeds lang woonde, enz. De buren hadden hem, zooals vanzelf spreekt, weinig inlichtingen kunnen geven, en de man was onverrichter zake weer vertrokken.

De slimme weduwe evenwel besloot dadelijk van deze omstandigheid tot haar voordeel partij te trekken, door Strijkman een schrik aan te jagen en hem zoodoende hoe langer hoe meer in haar macht te krijgen. De vrek wasallesbehalve op zijn gemak en antwoordde: ”’t Is een ellendig ding. Hoe komt zoo’n stille op ’t idee; ik heb nooit wat met de politie uitstaande gehad.”

“Niet? Och kom!”

“Waarachtig niet!”

“Nou ’k heb ’t dan wel eens anders gehoord: ze hebben me ereis verteld, dat jij er niet vies van bent om goed te koopen, dat op den kop is getikt. De juffrouw, die beneden me woont, zei ten minste: “Ik heb uwé met dien ouwen Strijkman zien loopen; hoe je aan dien vent komt, begrijp ik niet: uwé is zoo’n bedaard, stil, ordentelijk mensch, en hij...”

“Ze kent me niet eens!”

“Of ze je kent!—”’t Is een ouwe, vrekkige duitendief, die al lang op ’t rooie dorp moest zitten”,—zei ze.”

“Dat zal ze me waar maken!”

“Bedaar nou, Strijkkie. ’t Mensch had het zelf van een inspecteur, dien langen blonden, je weet wel, die laatst bij je geweest is om....”

“Jawel, ik weet, wien je meent.”

“Nou, dat is een verre neef van haar en die zei: “We loeren al lang op dien ouwen pandjeshuisbaas; hij zet de menschen af, neemt woekerwinst, en... op een goeien dag rukken we hem in,”

“Maar mensch, je bazelt; ik heb nooit met de...”

“Hou je gemak; ik zeg ’t immers alleen om je te waarschuwen. Nou weet je, dat ze op je vigileeren,” herhaalde vrouw Juttner, aan wie de angstige uitdrukking van Strijkmans gelaat en het beven van zijn handen niet ontgaan was.

“Ze kunnen me niets maken, niets, niemendal!”

“Dat moet je nou niet zoo zeggen, vaderlief; je zult wel wat op je boekje hebben, en als zij een hond willen slaan, kunnen ze wel een stok vinden. Maar wees maar bedaard: ik zal je wel op de hoogte houden, hoor!... Je begrijpt, ik ben wat erg op je gesteld, en ’k heb veel liever, dat ze jou niet in de doos stoppen; want ’k moet je eerlijk zeggen, ’t leven bevalt me zoo een boel beter, dan uit schoonmaken te gaan. Ja, of jij nou al in je eigen moppert,dat hoor ik niet eens meer.... Zeg! nou ik toch hier ben, kijk eens eventjes, of je niet een halfsleten broek voor Kobus hebt; de zijne wordt dun, en je begrijpt van die paar centen, die je mij geeft, kan dat niet af.”

Een violetkleurige tint verft Strijkmans gelaat, en de vuisten ballend vlak voor haar oogen, roept hij eensklaps: “Dier! wat let me of....”

“Ga je gang maar, als je ’t hart hebt.” Zij ziet hem sarrend aan.

“Mijn deur uit!”

“Zeg, ’t hoeft geen mooie broek te zijn,” antwoordt zij, kalm zitten blijvend.

“Er uit, of....!”

“Nou! voor van avond zal ik je zin eens doen; schreeuw maar zoo niet, ik ben slaperig!” Ze staat op en gaat langzaam naar de deur. Tegen den deurpost staat een parapluie; vrouw Juttner bemerkt haar, en met de woorden: ”’k Zal die parapluie maar meenemen, de mijne is weg,” neemt zij het regenscherm onder den arm.

“Slaap wel, Strijkkie! Droom ereis van me.”

“Geef m’n parapluie op, gauw!”—hij grijpt tevergeefs naar zijn eigendom.

“Mis, poes! Zul je om ’t broekie denken, ouwe heer! Wel te rusten;” en met een grijnzenden lach gaat zij de deur uit, die Strijkman werktuiglijk heeft geopend. “n’Avend, Strijkman!—Kijk! ’t regent.”

Op straat gekomen, lacht zij er heimelijk om, dat zij den ouden vrek zoo heeft beetgehad, en denkt er over na, hoe zij ’t aanleggen zal om haar prooi altijd zekerder en vaster te verstrikken.

Strijkman is na haar vertrek moedeloos op zijn stoel neergevallen en zucht: ”’k Ga op de flesch; wat moet ik beginnen, ’k heb niets geen recht tegen haar.” Hij schreit van woede en spijt en slaat de magere, knokkelige handen herhaaldelijk tegen zijn voorhoofd. “Wat te doen, wat te doen?”

Boven in huis op een der kamers is het onrustig geworden. Er is ruzie, hevige ruzie, allerlei verwarde stemmen schreeuwen dooreen, en duidelijk verstaat hij de woorden: “Vrouwenbeul! je moest je schamen je vrouw zoo te slaan.”

“Ik kan mijn eigen vrouw slaan, als ik wil; ze moet doen, wat ik zeg, en anders....”

Strijkman luistert, aan de trapdeur staande. Wederom hoort hij die schrille stemmen. Ze klinken akelig door den nacht; hij hoort, hoe de vrouw gilt en huilt, hoe de basstem van den man zich telkens weer verheft, en eindelijk, hoe er opnieuw klappen vallen.

Op zijn gelaat komt een duivelachtige uitdrukking: er is bij hem een gedachte opgekomen, die hem doet glimlachen als een sater. “Als ik haar eens trouwde, dan had ik recht! Hm!... dien suffen bochel heb ik dan op den koop toe; maar ’t is misschien toch de wijste weg, hè! hè! hè! hè!” Hij lacht en schurkt zijn schouders heen en weer. “Ik trouwen. ’t Is zot, erg zot, maar toch de beste weg; ik heb meteen iemand, die den boel aan kant kan houden; en als zij sporreling maakt, dan...” hij slaat met de hand door de lucht. “Hè! hè! hè! hè!—’t is een goed idee. Den jongen heb ik altijd bij de hand, het wijf kan mij niets meer maken—ze kan toch haar eigen man niet aangeven—en de rest zal ik wel met haar vinden. Hè! hè! hè!” nogmaals klieft hij de lucht, ditmaal met den pook, dien hij van de kachel heeft genomen, ”’k zal haar trouwen, hè! hè! hè! en dan...!”

1Bargoensch voor gevangenis.

1Bargoensch voor gevangenis.

............................................................“’t Wordt mij hoe langer hoe duidelijker, beste vriend, dat ik nog in heel veel zaken bij anderen achtersta. Hoewel ik mijn best doe om in te halen, wat ik in mijn kinderjaren heb verzuimd, of niet kon aanleeren, toch schijnt het mij alsof ik er nooit zal komen. Soms bekruipt mij een gevoel van moedeloosheid, als ik hier de andere jongelui zie, die reeds zoo vroeg ruimschoots zijn voorzien geworden van alles wat ik mis, en ’t kost mij inspanning om niet jaloersch te zijn. Ik troost mij met de gedachte: langzaam gaat zeker. Hier op ’t conservatoire heb ik veel gestudeerd om nog meer te studeeren, maar ik ga vooruit, en ge zoudt er u over verwonderen, als gij mij hoordet spelen, hoeveel beschaafder en rijker mijn toon is geworden. Mijn Cremona is heerlijk en wekt de afgunst van het halve conservatoire op. Wat heeft die beste dokter Abels mij daar toch een heerlijk geschenk mee gemaakt! A propos, heb ik u reeds medegedeeld, dat juffrouw Albertine mij met haar man op haar huwelijksreisje heeft bezocht? ’k Was blij haar te zien en te vernemen, dat zij gelukkig is. Haar vader schreef mij ook dezer dagen. De goede man blijft steeds mijn beschermgeest; ik wou maar, dat ik bij machte was hem te bewijzen, hoezeer ik gevoel, welke verplichtingen ik aan hem heb....”

“Zie je, Augusta, dat doet me genoegen, als ik zoo iets lees. Die jongen is dankbaar en hartelijk; ik verlang er zeer naar om hem weer te zien,” zegt de heer Tournel, die in zijn huiskamer zit en een brief van Dorus hardop voorleest.

“Schrijft hij niet, of hij spoedig komt, grootpapa?” vraagt het meisje, dat, met eenig borduurwerk bezig, bij ’t venster plaats heeft genomen en aandachtig luistert.

“Zeker! zoo dadelijk zul je ’t hooren.” Tournel vervolgt met lezen: ”... Ik verlang er ook naar u allen weer te zien en voor u te spelen. Juffrouw Barbara zal...”

“Wat zal juffrouw Barbara?” vraagt eensklaps de huisgeest van den muziekmeester, met een stapel borden in de handen en een paar opgerolde servetten onder den arm binnenkomend.

“Stoor me niet.” Tournel vervolgt: ”...Juffrouw Barbara zal nu niet meer over mijngezaagte klagen hebben; zelfs mijn phantaseeren zal, hoop ik, nu genade vinden in haar oogen.”

“Zoo, denkt hij dat?” pruttelt de matrone. “Hm! hij kon zich wel eens vergissen; wat wordt die jongen pedant!”

“Pedant? Geen zweem er van, Barbara!”

“Ja, jij kunt geen kwaad van hem hooren; maar je zult zien, ’t wordt later een kwast;—dat zijn die artisten toch allemaal!”

“Zoo! dank je voor het compliment.”

“Niet te danken, Tournel, ’t is tot je dienst.”

“Grootpapa! lees verder, als ’t u belieft.”

“Mijn professeur, monsieur Vianol, heeft zich onlangs met lof over een phantasie, die ik gecomponeerd heb, uitgelaten. Hij zei:C’est fort bien; ça parle au coeur(wat zegt gij van mijn Fransch?). Ja, ikmoethet hier wel leeren, er wordt niets anders gesproken.—Ik heb ook een kleine burlesque geschreven, die in zijn smaak viel.

“Wat is die compositieleer toch moeielijk en streng; ik leg er nog dikwijls mede overhoop, maar ik gevoel en begrijp gemakkelijk, en dat helpt. Ik wou, dat u eens hoorde wat ik geschreven heb; ’k zal u hierbij een afschrift zenden,dan kunt ge ’t eens spelen en mij uw oordeel zeggen....”

“Heeft u die kopie al?”

“Ja, kind.”

“En is ’t mooi?”

“’t Ziet er goed uit, maar ronduit gezegd: ’k waag er mij niet aan.” Tournel leest verder:

“....De dubbele flageoletten liggen niet gemakkelijk, maar ik kon ze niet anders maken; daarom schreef ik er een “ossia” bij.”

“Een ossia, wat is dat, Tournel?”

“Een andere, gemakkelijker passage, Barbara.”

“Zie je nu wel, dat hij pedant is? Begrijp je niet, Tournel, dat het zooveel beduidt als: “dat kun jij toch niet spelen en daarom....”

“Daarom! daarom! Jij moet je niet bemoeien met zaken, die je niet aangaan; ’t is bovendien de waarheid. Dorus speelt met virtuositeit, en ik niet. Stoor me toch niet telkens in mijn lectuur; dek jij de tafel maar verder en zorg, dat we iets te eten krijgen... “Gij hebt mij in uw laatsten brief gevraagd, beste vriend, of ik ’t nu beter met de jongelui hier kon vinden? Hebt ge me dan verkeerd begrepen? ’k Heb nooit onaangenaamheden gehad; ik sloot mij alleen maar bij niemand aan, omdat ik gevoelde, dat... Enfin, ’t gaat me nu uitstekend, en ik heb een viertal vrienden, die mij aanstaan. Dat is volkomen genoeg; wij hebben een clubje gevormd, dat soms allergezelligst vergadert. Ze noemen mij in de wandeling: Triangle, driehoek. Drie namen voor één bochel! Krates, Boeckelorum, Driehoek; ’t is immers veel meer, dan ik verlangen kan.”

“Dat is aardig gezegd, grootpapa.”

“’t Is toch zonderling, dat hij zelf altijd over zijn hoogen rug lacht en spot, en toch niet velen kan, dat anderen ’t doen; daar ligt eene inconsequentie in...”

“Vindt u?”

“Ja zeker!”

“Ik niet; zelf er om lachen is heel iets anders dan uitgelachenworden. Uitlachen is kwetsend, zelf lachen verstandig.”

“Nu, uitlachen is het woord, niet bepaald; belachelijk is Dorus in ’t geheel niet, zóó mismaakt is hij niet.”

“Neen! hij is mooi... Zijn eene schouder is wel een handbreed hooger dan de andere; ’t is een koning onder de bochels, hoor!”

“Barbara, wat overdrijf je! Vind je het ook niet, Augusta?”

“Ik vind Dorus in ’t geheel niet leelijk, wat zijn gezicht betreft; zijn bult, ja! natuurlijk, die is ongelukkig om te zien, maar....”

“Nu, goed dan, ’t is een Adonis.—Ben je nu klaar met lezen, Tournel? De tafel is gedekt.”

“Op ’t oogenblik. Waar waren we ook weer? O, ja!”

“...’t Is meer dan ik verlangen kan, en waarlijk, als ik in den spiegel zie, schijnt mij die laatste naam “Triangle” bepaald geestig.”

“Ha! ha! ha! ha!”

“Lach je daarom, Augusta?”

“Ja, hij schrijft dat zoo aardig.”

“...’t Is nu reeds bijna twee jaren, dat ik hier ben, zonder in Holland te zijn geweest; waar blijft de tijd! Ik verheug er mij op, dat ik u allen tegen het einde van ’t jaar zal terugzien, want ik heb plan om met Kerstmis over te komen. Dr. Abels schreef, dat hij er bepaald op gesteld was. Mag ik dan ook een paar dagen bij u blijven? Als juffrouw Barbara mijn kamertje nog niet tot provisiekamer heeft bevorderd, zou ’t wellicht gaan.”

Dat is nog al aardig, dat hij zich dat herinnert. ’t Is waar, ik zei dikwijls, dat ik er een proviandkamertje van wou maken! Maar dààr kunnen we hem niet hebben, Tournel!”

“Waarom niet?”

“’t Is nu geen jongen meer; ’t zal wel een verwend heertje geworden zijn, daar in Brussel. Weet je wat, Augusta, ga jij dan zoolang in ’t kleine kamertje slapen; dan kan hij, als hij komt, in jou kamer logeeren.”

“Heel goed, nicht.”

“Gekheid, Barbara, hij moet ’t nemen, zooals ’t hier is, en....”

“En ik zeg je, dat het niet gebeurt; in huis ben ik de baas, in het orkest jij,—begrepen?”

“Goed, goed, kom asjeblieft niet in een anderen toonaard, en luister.”

“.....Ik beloof algeheele onderwerping aan al haar schikkingen, mits zij mij maar niet wegstuurt; want ik beschouw uw huis, beste vriend, als mijn tehuis....”

“Hij is toch niet erg pedant geworden, Tournel.”

“Zie je wel, Barbara, dat je te voorbarig was... Luister verder... Hoe heerlijk, prachtig en rijk het ook bij dokter Abels moge zijn, hoe hartelijk en vriendelijk iedereen voor mij is, toch gevoel ik mij dáár niet zoo op mijn gemak, als bij u. Mag ik komen?”

“Wat dunkt je, Barbara?”

“Zou je vóór Kerstmis Augusta’s kamertje niet kunnen laten behangen, Tournel?”

“Hoe zou hij er nu uitzien, grootpapa?”

“Dokter Abels zei laatst, dat hij veel knapper is geworden; hij is wat gegroeid, en daardoor schijnt hij niet zoo erg krom als vroeger....”

“Je moet hem eens vragen, als je schrijft, of hij daar gewend is op een bed of op een matras te slapen....”

“’k Zal er om denken, Barbara.”

“Wat schrijft hij gemakkelijk, grootpapa! ’t Is net alsof ik hem hoor praten; ik ben ijselijk nieuwsgierig om hem weer te zien. Zou hij mij nog herkennen? Neen, hé? Ik ben zoo lang geworden en veranderd, zegt iedereen. Of hij mij nog altijd met jongejuffrouw zal aanspreken? Mij dunkt, hij moest me maar Augusta noemen, dat klinkt veel prettiger.”

“Zeker, kind. Heb jelui elkaar dan vroeger niet bij den naam genoemd?”

“Wel neen, ik noemde hem Dorus, maar hij mij niet Augusta.”

“Zoo!”

“Wat zal ’t mij een genot zijn om U weer de hand tedrukken, beste vriend, en U te hooren zeggen: “Je hebt nu methode en school genoeg. Ga nu je gang maar: je wildzang is kamerzang geworden.” O! ik verdiep me nog zoo graag in den tijd, toen ik bij U was; spoedig hoop ik allen in gezondheid weer te zien. Mijn beleefde groeten aan juffrouw Barbara en uw dochter.”

“Ha! ha! ha! wat klinkt dat deftig, grootpapa!”

“Vind je?”... “Postcriptum. Maakt Boppie ’t goed?”

“Bop! Bop!”

“Waf! waf!”

“Compliment van den baas.”

“Malle meid!”

“De soep staat op tafel, Tournel.”

’t Is nacht!

De torenklok slaat twaalf; dof en zwaar dreunen de slagen, alsof er sneeuw in de lucht ligt. Langzaam valt de hamer twaalf malen op de klok, hoog boven in den toren. Over de huizen en het dak der kerk ligt zwart en ondoordringbaar de nacht en daardoor schijnt het bijna alsof de toren vrij in de lucht zweeft.

Bij elken klokslag beven de oude steenen muren, de balken en binten, en valt langzaam een weinig stof naar beneden tot onder in den toren; zóó gaat het jaren lang, altijd door, altijd een weinig, totdat eenmaal de muren zelf ineenstorten en alles stof wordt.

De klok slaat en het geluid zweeft over alle daken; zachtjes, bijna onmerkbaar trillen overal de vensterruiten. Hoe weinigen hooren het uur van middernacht. Wie bekommert zich om het beetje stof, dat van de muren valt? Wie denkt er aan, dat elk uur een stofdeel van uw eigen heerlijkheid schudt? Zorgelooze mensch! ge voelt het niet. Morgen vroeg ziet ge in den spiegel en vindt uw aangezicht onveranderd, evenals den kerktoren vóór u,—en toch valt er stof bij elken klokslag!

De nachtwacht hoort de torenklok. Twaalf uur! Brrr!! ’t wordt koud, bitter koud; hij trekt zijn jaskraag omhoog,zijn muts dieper over de ooren. Onverschillig ziet hij rond; zijn blikken dwalen langs de donkere vensters, totdat hij er een bemerkt, waar achter de gordijnen nog een nachtlichtje brandt. Daar sluimert een jong meisje. Straks, als de dag door de ruiten dringt, kust hij een paar oogen wakker, die nog nooit een morgen zagen zonder frisscher te glanzen dan den dag te voren en die aan den ontwakenden morgen trots mogen vragen: “Wie is schooner, gij of ik?” Als het dag wordt, schijnt het bijna alsof alle bloesems, die de tijd op het gelaat van anderen ontbladerde, op dit gezichtje werden uitgestrooid, midden in den nacht, terwijl buiten de winterstorm huilde in de duisternis.

De nachtwacht gaat verder: “Twaalf uur heeft de klok; bewaar je vuur en licht!” klinkt zijn eentonige roep.—Nog is de klank van zijn stem niet uitgestorven in den stillen nacht, als in een huis naast dat andere een licht wordt gebluscht. Er is daar iemand gestorven, en een doode heeft geen licht meer noodig. Een menschenziel is van de aarde verdwenen. Een tempel is ineengestort, gebouwd van hoop en wenschen, van vreugde en leed, teleurstelling en verwachting.

De nachtwacht gaat verder....

Gij jong en zorgeloos meisje, dat daar sluimert in het vriendelijke huis, als morgen de jonge dag uw jeugd met nieuwe bekoorlijkheden tooit, zie dan naar het huis naast u! Weldra zal daar een lijk, eenmaal jong en stralend van leven evenals gij, worden uitgedragend,—slechts één polsslag vroeger van de eeuwigheid. Zie naar den toren tegenover u! Schoon ge het niet ziet, toch is het zoo: er valt stof, altijd door, gestadig!

Maar ’t is nog geen morgen; de wind fluit ijskoud verstijvend langs de daken en door de straten. In de tuinen trekt en rukt hij aan de takken der boomen, met doelloos brutaal geweld, evenals een vagebond.

Nu beproeft hij zijn kracht aan de schoorsteenen, als wilde hij ze omverwerpen. Zijn ze te hecht en te sterk, dan blaast hij er nijdig doorheen, zoodat de warme asch in den haard uiteenstuiften de sluimerende vonken opnieuw ontgloeien. Als een deugniet voert hij midden in den nacht allerlei kattekwaad uit.

Buiten bij de gracht staat een hooge populier, die zich den geheelen zomer in het water spiegelde, van ’s morgens tot ’s avonds. Nog gisteren keek hij er in, dor en bladerloos, stroef en ernstig, als telde hij de naden en strepen van zijn schors.—Daar komt de wind, schudt hem ruw heen en weer, blaast met kracht zijn spiegel, zijn eenige vreugde, mat en trekt een ijsvlies over het water. Gewoonlijk echter doet hij dit eerst tegen den morgen, als hij uitrust van het geweld, dat hij in de duisternis maakte. Hij rammelt met de zolderluiken, fluit een snerpend lied op een gebroken vensterruit of draait den windwijzer op het dak van de kerk heen en weer, tot hij steunt en knarst, zoodat de kraaien in den toren onrustig worden en eindelijk angstig heen en weer vliegen.

Eén uur slaat de klok; de dikke, zware toon hangt zich in den ruwen wind en vliegt er mede voort, totdat hij eindelijk in de verte verdwijnt en sterft.

De wind is bedaard, de nevel trekt op en de nacht verschuilt zich in de kelders, om plaats te maken voor een helderen frisschen Kerstmorgen. Het licht tintelt in duizend heerlijke kleuren op de berijpte boomen, en vroolijk schijnt de zon op de van de koude blozende wangen der menschen, die door de straten van het stadje heen en weer loopen, trappelende met de voeten en met de tintelende vingers in de zakken, in handschoenen of in bonte moffen.

De ochtendbeurt is gedaan. Met blauwe neuzen en strakke koonen keeren de vrome kerkgangers naar hunne huizen terug of zoeken vrienden en bekenden op, bij wie zij den Kerstdag zullen doorbrengen.

Voor ’t venster der woning van den muziekmeester staat Augusta en wischt met haar zakdoek een plek schoon op een glasruit, waar de ijsbloemen den strijd om haar leven moeten opgeven, want de kachel is haar moordenaar.

Barbara loopt van de keuken naar de kamer, en van de kamerweer naar de keuken, keurt de koffie, die geurige dampen verspreidt, en warmt de boter, die zij met bekwame hand sierlijk in het vlootje terechtschikt.

“Daar komen ze, daar komen ze!” roept het meisje op eens en snelt de kamer uit naar de voordeur, opent die en laat met een blijden groet en hartelijken handdruk Dorus en Tournel, die hem van den postwagen heeft gehaald, binnen. Juffrouw Barbara komt, ijlings haar boezelaar afdoende en achter de keukendeur werpend, nader, en als zij Dorus ziet, reikt ze hem de hand, met de woorden: “Komaan! ben je daar weer? Dat’s nu eens goed. Je bent gegroeid; je ziet er goed uit. Ga maar eens gauw zitten; je zult wel koud zijn.”

“Waf! waf! waf!”

“Ben jij daar, Boppie? Ken jij den baas nog, goeie hond?”

“Waf!”

Augusta ziet hem met verwondering aan.

’t Is Dorus, en toch is het juist alsof het een ander is, denkt het meisje, als zij hem, terwijl de anderen druk en levendig praten, in stilte opmerkzaam gadeslaat. Wat er aan hem veranderd is, weet zij niet recht, want zijn gezicht is, schoon iets minder bleek dan vroeger, toch hetzelfde gebleven. De oogen zijn even groot en bruin, maar—ja! dat zal het zijn,—er is een geheel andere uitdrukking in gekomen: ’t is alsof ze nog verstandiger en zwaarmoediger rondzien; de mond lacht vriendelijk, en toch is er een trek van vastheid en rust om de lippen gekomen, dien zij vroeger niet kende. Onwillekeurig bloost zij, als Dorus na de eerste begroeting het woord tot haar richt en op vroolijken toon zegt: ”’k Zou je—pardon! U—haast niet herkend hebben, want....”

“Och zeg liever je, als je wilt; ’t klinkt veel beter.”

“Mag ik?” Dorus ziet Tournel glimlachend aan.

“Natuurlijk; kort voordat je kwaamt, zei ze nog, dat ’t haar pleizier zou doen, indien je haar Augusta wildet noemen.”

“Is ’t heusch?”

’t Meisje bloost sterker, maar ziet hem flink in de oogen,als zij antwoordt: “Zeker; dat jongejuffrouw is zoo stijf.”

“Wil je mij dan ook weer als vanouds Dorus noemen? Of zeg je soms liever Triangel?”

“Foei! wat een vraag.”

Dorus reikt haar de hand, terwijl hij zegt:

“Zooals je wilt; Augusta dan,—maar ’k mocht toch waarlijk wel juffrouw zeggen tegen een dame als jij.”

“Och kom!”

“Zeker!” In stilte denkt hij, terwijl hij haar bewonderend aanziet: “Wat is zij mooi geworden! Welk een lieve uitdrukking hebben die oogen!”

Juffrouw Barbara leest op Dorus’ gelaat den indruk, dien Augusta op hem maakt, en zegt vrij scherp: “In mijn tijd werd men eerst een dame, als men meerderjarig was; ik ten minste was op dien leeftijd....”

“’k Geloof het graag, juffrouw Barbara,” valt Dorus min of meer onbescheiden in.

Tournel, die aan het gelaat van zijn nicht ziet, dat er slecht weer op komst is, mengt zich in het gesprek door te vragen: “En mij, vind je mij niet veranderd, grijzer geworden? Maar Barbara heeft de eeuwige jeugd, is’t niet zoo?”

Ondeugend glimlachend antwoordt de jonkman: “Ik vind u niets verouderd, maar vooral jùffrouw Barbara niet. De last der jaren drukt u beiden in ’t minst niet.”

“De last der jaren,” pruttelt de matrone, onaangenaam getroffen door dit woord, en zij denkt er bij: “Wie weet, voor hoe oud hij mij aanziet, zoo’n akeligheid!”

Weldra zitten allen in de gezellige kamer bijeen, en zelfs Barbara’s humeur is niet bestand tegen de bedarende macht van de snorrende kachel, de dampende koffie en van het kerstbrood, dat zoo uitlokkend met krentenoogen tot eten uitnoodigt. Dorus’ blikken vestigen zich als vanzelf op het tegenover hem zittende meisje, dat hem vroolijk, als oude bekende, toelacht en vrij en frank hem aankijkt, als zij zegt: “Toe, Dorus, doe alsof je thuis waart. Mag ik je nog eens even bedienen?”

Wat is zij veranderd; hoe groot en zacht zijn die oogengeworden! Als zij spreekt, lachen ze zoo vriendelijk, en de hagelwitte tanden kijken zoo vroolijk tusschen de kersroode lippen uit. Bewonderend volgt hij haar bewegingen; er ligt een natuurlijke gratie in alles wat zij doet, en haar buigzame, maar toch gevulde en sierlijke gestalte steekt zoo voordeelig af bij de stokkerige vormen en hoekige bewegingen van juffrouw Barbara, dat hij onwillekeurig medelijden met de matrone krijgt.

Ongedwongen is alles wat zij doet; vrij, zonder bazig of onvrouwelijk te zijn, gezellig pratend, zonder te ratelen of te babbelen, is Augusta inderdaad eene allerliefste jonge dame geworden. Dorus merkt het met vreugde op; zijn blikken wenden zich niet van haar af, en zijn oor gaat te gast, als hij de muziek harer stem hoort. En niet alleen Dorus denkt er zoo over, neen! al de heeren leden van Polyhymnia zijn het er vrij wel over eens, dat juffrouw Tournel’s stem geheel in overeenstemming is met haar uiterlijk. Sommige dames uit het stadje, die meer of minder jaloersch zijn op Augusta’s aantrekkelijke verschijning, beweren wel is waar, dat zij minder mooi dan wel interessant is en dat men te veel ophef van haar zang maakt, maar moeten toch erkennen, dat zij, zooals men ’t noemt,à la modeis; en menig dilettant-bariton, bas of tenor, dingt naar de eer om haar balboekje, bij ’t jaarlijksch bal der zangvereeniging, in handen te krijgen. Zooals zij daar nu zit in ’t eenvoudige huisjaponnetje, smaakvol maar bescheiden gekleed, boeit zij door ongekunstelde en natuurlijke vroolijkheid.

De koffie is gedronken, het kerstbrood een ruïne geworden, en nog zitten allen rondom de tafel. Van lieverlede is Dorus aan het vertellen geraakt. Hij spreekt over Brussel, over zijn ervaringen aan het conservatoire, vertelt van zijn vrienden en bekenden, en doet dat zoo levendig en aangenaam, op zoo beschaafden, soms geestigen toon, dat hij, zonder ’t zelf te weten, het drietal, dat aandachtig toehoort, aan zijn lippen kluistert.

Augusta lacht nu en dan luid en hartelijk en wendtgeen oog van hem af. Zij verwondert er zich over, dat hij zoo vroolijk vertellen kan, en denkt herhaaldelijk in zichzelve: “Hoe is ’t mogelijk, dat een paar jaren iemand zoo veranderen kunnen.”

Dorus denkt juist hetzelfde van haar.

“En nu moet Augusta eens voor je zingen, Dorus. Je zult erg aan haar zang gewonnen hebben; ze heeft nu voldoende school en—ja! schrik niet—coloratuur ook!” zegt Tournel, als men eindelijk van tafel is opgestaan.

“Ei, ei! coloratuurzangeres?”

“Och, grootpapa,” antwoordt het meisje even kleurend, ”’k ben nu niet bij stem....”

“Moet ik deftig worden, Augusta: laat je je bidden, of is ’t nog als vroeger?”

“Heb ik me ooit laten bidden, Dorus?” Haar stem klinkt een weinig geraakt.

“Ben je boos?” vraagt Tournel.

Zonder antwoord op deze laatste woorden te geven, zet Augusta zich aan de piano, preludeert even en slaat dan met vaste hand eenige akkoorden aan.

Genoeglijk glimlachend knikt Tournel zijn ouden leerling toe, als het meisje met haar krachtige altstem begint te zingen:Ich grolle nicht.

Even ziet zij om en lacht naar Dorus bij deze woorden.

“’t Past er niet precies op, Augusta, maar ’t is toch aardig gevonden.”

Zuiver als glas, krachtig als metaal, maar innig en gevoelvol klinkt haar geluid door de kamer. Tournel knikt herhaaldelijk tevreden met het hoofd en ziet Dorus aan, als wilde hij zeggen: “Zie je, dat is ’t gevolg van mijn methode, daar zit school in...”Ich grolle nicht, Wenn mir das Herz auch bricht...Met een onbeschrijfelijk weemoedige uitdrukking zingt het meisje de slotwoorden, en Dorus, die zwijgend heeft zitten luisteren, springt eensklaps op. De tranen staan hem in de oogen en de stem stokt hem in de keel, als hij “bravo!” roept, terwijl hij haar zijn beide handen toesteekt.

“Dat is zingen! Augusta, ik dank je....”

“Au! je doet me pijn, Dorus!”

“O! pardon. Och! neem me niet kwalijk, ’t kwam door je eigen schuld; waarom zing je ook zóó!—Ja, juffrouw Barbara! lach me maar gerust uit, geneer je niet; ik zie toch wel, dat je ’t doet.”

“Ik denk er plotseling aan, dat ik je eens zag grienen in ’t prieel.”

“Grienen?”

“Wel ja, toen de twee meisjes dat duet zongen. Weet je ’t niet meer?”

“O, ja! nu herinner ik ’t mij. Op “Mon repos...””

“Juist! Je bent nog niets veranderd; ik dacht, dat je nu niet meer zoo’n otje-buiskruit was.”

“Otje—wat?”

“Zoo’n buskruitvaatje. Poeff!! dat vliegt me op als pulver bij ’t minste of geringste, en dan op eens paf! neergeslagen als een pannekoek, en grienen er bij. Wat was je toen laf!”

“Artistenbloed, Barbara!”

“Och, loop heen! Artistenbloed is evenals alle overig bloed, geen zier anders, Tournel!”

“Dat’s niet waar, nicht Barbara!”

“Kijk me zoo’n wijsheid eens aan. De jongejuffrouw wil ook een duit in ’t zakje gooien.”

Met een verhoogden blos op de wangen antwoordt Augusta: “Een artist heeft geen visschenbloed, zooals zoovelen, die met niets dwepen, wie niets in verukking kan brengen en die voor niets gevoel hebben, dan voor ’t alledaagsche. Bah! ik heb een hekel aan menschen, die nooit in vuur kunnen raken, die nooit warm worden, die nooit boos zijn óf driftig!”

Dorus verslindt haar als ’t ware met de oogen, als zij vervolgt:

“Neen, dan heb ik liever iemand, die opvliegt of een traan in de oogen krijgt; die voelt en begrijpt, wat hij hoort..”

“Maar, Guustje!”

“’t Is niet laf, als een man schreit van aandoening; ’t is alleen een bewijs, dat hij een hart heeft en geen stokvisch is.”

“Maar, kind, wat mankeert je?”

“Niets, nicht Barbara! maar ik word boos, als ik zoo iets hoor, en dan kan ik niet zwijgen.”

“Artistenbloed!” zegt Dorus, op haar toe gaande en haar de hand toestekend.

“Mijnbloed!” roept Tournel verheugd.

Barbara trekt de wenkbrauwen omhoog, en zich omdraaiend bij de deur, tikt ze even met den voorvinger tegen het voorhoofd, terwijl ze onder ’t heengaan mompelt: “Alle drie.”

Gelukkig heeft geen van ’t drietal de vleiende pantomine van nicht Barbara opgemerkt, en als zij vertrokken is, zegt Dorus: “Augusta, ik dank je; dat was ferm gesproken.”

Nog schitteren de oogen van het meisje, nog kleurt een donker rood haar wangen, en de lieve, vriendelijke mond heeft een ernstiger plooi gekregen, als zij antwoordt: “Misschien heb ik te veel gezegd voor een meisje, maar ik kan het niet helpen; ik ben nu eenmaal zoo, ik zou....”

“Jij zoudt iemand vurig kunnen lief hebben, maar ook fel kunnen haten, geloof ik.”

“Haten? Dat is ’t woord niet.”

“Ik wel!” In Dorus’ oogen flikkert een oogenblik het oude, onbluschbare, wilde vuur. “Ik heb lief,—of ik haat, onverdeeld. Een middenweg is er niet!”

Bijna beangst ziet het meisje hem aan, als zij antwoordt: “Dat meen je niet...”

“Waarlijk wel!”

“Maar iemand kan je toch ook onverschillig zijn.”

“Ja, misschien heb je toch gelijk, Augusta; maar met menschen, die mij onverschillig zijn, bemoei ik mij ook niet.”

“Zoo!... Maar ik vind dat woord haten van jou verschrikkelijk.”

“Kinderen, windt elkaar niet noodeloos op. Vooral heb jij, Dorus, nog geen oorzaak om iemand te haten; en jij,Augusta, zult nog dikwijls genoeg met hem kunnen kibbelen. Dus daarom....”

“Maar wij kibbelen volstrekt niet, grootvadertje! Is ’t wel, Dorus?”

“Integendeel, wij sympathiseeren?”

“Zij sympathiseeren!” lacht Tournel, met welgevallen de twee jongelieden vóór hem beschouwend.

“We zullen bepaald goede vrienden zijn, Augusta!”

“Dat zijn we immers altijd geweest.”

“Heb jij nog wel eens gedacht aan den tijd, toen ik nog hier woonde? Weet je nog, dat je mij een heiden noemdet?”

“Ik, Dorus? Tante deed het!”

“Wel neen! Jij ook.”

“Ja, maar dat was alleen uit gekheid. En jij noemdet mij de kleine kat.”

“Dat was ook gekheid, natuurlijk; want je was volstrekt niet kattig, nooit!”

“Maar ’k ben ’t nu geworden, Dorus! Dat heb je zoo even wel gemerkt!”

“Je vischt!”

“Wà-blief?”

“Je vischt!”

“’k Begrijp je niet.”

“Och kom!”

“Heusch niet!”

“Papa Tournel, je kleindochterje is coquet geworden.”

“Vind je, Dorus?”

“Zeker!”

“Coquet? Daar protesteer ik tegen; ’t is volstrekt niet waar.”

“Nu! nu! word maar niet boos.”

“Ik ben niet boos, maar ik vind je akelig.”

“’t Spijt me voor jou!”

“Voor mij?”

“Ja, want ’t is niet aangenaam om met iemand, dien je akelig vindt, te sympathiseeren.”

“Nu vind ik je nog akeliger.”

“Des te erger voor je!”

“Ik sympathiseer volstrekt niet met je, hoor je wel?”

“Ich grolle nicht!”

“Ba! je zingt valsch en leelijk.”

“Dat is waar, volkomen waar; we zijn ’t alweer eens.”

“Ik vind je onuitstaanbaar.”

“En ik vind jou allerliefst en mijzelven heel akelig. Zie je wel, Augusta, dat we toch sympathiseeren?”

“Plaaggeest!”

“Ha! ha! ha! ’t is curieus om te hooren.”

“Help me liever tegen hem, grootpapa; ik houd het niet uit.”

“Dat’s te bescheiden, dat meen je niet!”

“Foei! je maakt het te erg; ik ga heen....”

“Kom niet te gauw terug!”

“Waarom niet?”

“Omdat we ’t dan te spoedig eens zouden zijn.”

Lachend verwijdert zich het meisje, en Tournel klopt Dorus op den schouder, terwijl hij zegt: “Je hebt er goed slag van om te plagen.—Maar gekheid apart, wat zeg je van haar?—Een dot, hé? Kerel! ’t is mijn schat, mijn oogappel, mijn trots. Wat een stem! Ze zingtfkruis, de lageg, kolossaal voor een alt!—Wat een taille, ’t is een volwassen vrouw,—en nog pas achttien..... Keek je niet op, toen je haar terugzaagt? Zeg, Dorus, is ’t niet een meisje om op te verlieven?”

De oude muziekmeester geraakt in vuur, als hij over zijn kleinkind spreekt, en wordt niet moede al haar deugden en voortreffelijke hoedanigheden op te sommen. En als hij eindelijk zegt:

“Ja, ja! ze is nu geen kind meer, al wil Barbara haar ook nog zoo graag klein houden. Wil ik je eens wat vertellen? Maar geheelentre-noushoor! Ze heeft al aanzoek gehad, dat wil zeggen, ik voor haar, zie je; zij wist er niets van, geen jota; ’t was iemand, die haar herhaaldelijk op Polyhymnia ontmoet had, en je begrijpt....”

Als Tournel dat zegt, begrijpt Dorus plotseling, dat ookhijzelf geen kind meer is en dat het meer dan vriendschap is, wat hij voor Augusta gevoelt. Zóó plotseling, zoo spontaan evenwel overkomt hem dat gevoel, dat hij er, ondanks zichzelven, van schrikt. Hij merkt, dat hij eerst bleek wordt en dan weer rood, en ziet met eenigen angst naar Tournels gelaat, of daarop ook te lezen staat, dat deze zijn ontroering bemerkt. Maar neen! de oude man is veel te veel met zijn eigen gedachten bezig om op Dorus te letten.

“Ze is nog wat jong om.... enfin dat wordt alle dagen beter—en hij is nog maar candidaat-notaris; dat is een treurig baantje, als je geen protectie hebt. Ik heb ’t vooreerst afgewimpeld, maar.... hij houdt aan en ik geloof, dat Guustje hem gaarne ziet; ’t is ook een aardig mensch, een knappe jongen, ’n mooie krullekop, een figuur als een prins en....”

Een pijnlijke trek vliegt over Dorus’ gelaat, als hij onwillekeurig in den spiegel ziet, die achter Tournels stoel hangt, en in gedachten de woorden herhaalt: “Een figuur als een prins....”

Een zucht ontsnapt onhoorbaar zijn borst, hij zwijgt en buigt even het hoofd.

“Wil ik nu eens voor u spelen?”

“Graag, daar verlang ik naar. Je viool is hiernaast; ik heb ze opgeborgen. Wacht! ik zal ze halen;” en opstaande, verlaat de oude heer even het vertrek.

Als hij alleen gebleven is, slaat Dorus nogmaals een blik in den spiegel; ’t is een weemoedige blik, die, door ’t glas weerkaatst, hem eensklaps doet zeggen: “Triangel! Krates!”

Dorus speelt. ’t Is zijn eigen compositie, deBurlesque, die hij te Brussel schreef. Tournel zit achterover in zijn stoel geleund, met de beenen over elkaar geslagen en de rechterhand onder ’t grijze hoofd, aandachtig te luisteren. Soms trekt hij plotseling de wenkbrauwen omhoog en spitst hij de lippen, als wilde hij daardoor zijn verwondering te kennen geven over ’t geen hij hoort; en zachtkens wiegt hij het hoofd heen en weer, als een thema uit deburlesqe,dat eenigszins den rhytmus van een wiegeliedje heeft, zijn ooren streelt. In de gang bij de half geopende deur staat Augusta met de handen gevouwen te luisteren; ’t is koud in de gang, maar zij merkt het nauwelijks en ongeduldig wenkt zij achterwaarts met de hand tot zwijgen, als Barbara, het hoofd uit de keuken stekend, haar toeroept: “Ga toch naar binnen, je krijgt het anders beet...”


Back to IndexNext