XVI.

“Hier ben jete huis.” Met die woorden had dokter Abels voor Augusta het hek van zijn buitenverblijf geopend, en als muziek klonk haar die welkomstgroet in de ooren.

In overleg met dokter Abels had zij de huur van Tournels huis opgezegd en bij een familie in de stad een paar geschikte kamers gevonden, waar zij haar intrek nam, toen zij “Mon Repos” verliet.

De muzieklessen van juffrouw Tournel werden meer en meer gezocht en vrij goed gehonoreerd, zoodat zij op voldoende wijze in haar onderhoud kon voorzien.

Van Dorus had zij na het overlijden van haar vader een kort, maar hartelijk briefje ontvangen, uit Weenen gedateerd. Hij schreef:

“Ik gevoel met u, wat gij in den goeden ouden man verliest; ik treur met u, want hij was mij lief als een oprecht en onbaatzuchtig vriend.... Over eenige maanden hoop ik weer in Holland te zijn en u de hand te drukken.”

Aan dokter Abels had hij te gelijker tijd geschreven:

“Mijn kunstreis spoedt ten einde; ’t zijn nu bijna zes volle jaren, dat ik rondgezworven heb, en het denkbeeld lacht mij toe om u en de uwen spoedig weer te ontmoeten. Ik zie er nu ook niet meer tegen op, beste vriend! Ik geloof, dat mijn wond genezen is en dat ik zonder gevaar Augusta kan terugzien. Zonder gevaar voor mij zelven, bedoelik, want—vergeef mij mijne, misschien naar uwe meening ietwat te romaneske ideeën—tot dusverre was ik nog niet genezen van de dwaasheid om te gelooven, dat men, een vrouw namelijk, hetgeen ik achter den rug heb, zou kunnen voorbijzien. De muze is in dat opzicht inschikkelijker, hoewel niet overal evenzeer. Bijgaand blad zal u doen zien, dat hier te Weenen bij voorbeeld nog kunstkenners zijn, die beweren: ”Mann soll die Augen schliessen, wenn Makkoszch spielt, denn nur dan ist er ein Titane!”

“.... Het doodsbericht van mijn goeden Tournel heeft mij doen ontstellen. Augusta is nu alleen. Hoe blijft zij achter?... Doch wat vraag ik! Zij heeft immers u tot vriend, en dat zegt alles....”

’t Is schemeravond; de dag was warm en zonnig, en nog is de lucht zoel en warm onder de boomen, maar ’t lichte koeltje, dat nauwelijks ritselend door de bladeren vaart, verfrischt de natuur, die ter ruste neigt.

De wolken, wollig gevlokt, kleuren zich met kleine schubbige rosse randen, waartusschen hier en daar een gulden boordsel schittert. ’t Azuur schemert door het fijne parelmoer der nevelachtige massa’s, die oprijzen aan den gezichteinder; ’t scheidend licht vlamt om de onderste wolken en de gouden schijf der zon daalt langzaam onder de kim. De wind wordt iets sterker en zachtkens wuiven de kruinen der boomen hun afscheidsgroet aan den dag. ’t Wordt donker onder de zware boomen, die langs den weg staan, welke naar “Mon Repos” voert; ’t klingelend belletje aan den hals der koe, die door de boerenmeid langs den berm naar den stal wordt geleid, weerkaatst nog even den gulden glans van ’t zonnelicht, en dan wordt alles vaal en onbestemd van kleur. De laatste schaduwen verdwijnen, maar hoog in ’t uitspansel is ’t nog blauw en vlokkig wit.

Het groen der boomen wordt donkergrauw en over het gras der weide hangt een lichte sluier van dauw, nu en dan bewogen door den zwakken wind.

’t Is avond geworden.

Een enkele ster schittert reeds aan den hemel, die zich effen en donkerblauw over de aarde welft.

In de tuinkamer van dokter Abels’ villa is licht, en ruischend klinken de akkoorden van den vleugel door de opengeslagen deuren in den stillen avond.

“Ich grolle nicht,

Wenn mir das Herz auch bricht!”

zingt een melodieuse, krachtige altstem.

“Wenn mir das Herz auch bricht!”

herhaalt op zachten toon een jonkman, die, met de eene hand tegen het hek der villa leunend, is blijven staan. Een boerenjongen, die een valiesje en een vioolkist draagt, staat naast hem en ziet met verwondering, dat de heer, dien hij van den postwagen hierheen heeft geleid om het een en ander voor hem te dragen, plotseling is blijven stilstaan.

“Ie kunt wel noar binnen gaan, m’neer! Wie bint hier terecht bie den dokter. Heur ie wel? Zie speult en zingt doarbinnen.”

De vreemde blijft staan en antwoordt niet.

“Die doar speult, is de jonge mevrouw, en die doar zingt, is de juffer uut de stad, van den olden heer Tournel, die....”

“Daar heb je iets voor je moeite. Zet die bagage maar neer; ’k zal ze zelf mee naar binnen nemen....”

“Zâ’k ’t niet efkes veur oe naar ’t huus brengen, m’neer?” vraagt de jongen, die verheugd is over het kwartje, dat hij gekregen heeft.

“Niet noodig; dank je. Ga heen.”

“Nou, m’neer mòt ’t eiges weten; anders....”

“Ga dan toch heen!” klinkt ongeduldig het antwoord.

“Wat ’n roare, kribberige vent,” pruttelt de jongen, terwijl hij zich zich verwijdert.

“Ich sah dich ja im Traume;

Ich sah die Nacht in deines Herzens Raume

Und sah die Schlang’, die dir am Herzen frisst;

Ich sah mein Lieb, wie sehr du elend bist.

Ich grolle nicht!—Ich grolle nicht!”

Onbeweeglijk blijft Dorus bij het hek staan; die stem dringt hem door zijn geheele ziel. Hij leeft in het verleden door dat lied, en ontroering grijpt hem aan bij het hooren van dat krachtige geluid, zoo innig zacht en melodisch in zijn kracht. Zijn oogen worden vochtig; het hart klopt hem in de keel.

“Ik geloof, dat ik nu genezen ben,” schreef hij eenige maanden geleden aan dokter Abels; en nu....?

Neen! hij is niet genezen; de wond wordt onbarmhartig weder opengereten door die stem; zij bloedt opnieuw, heviger dan ooit. Hij dacht sterk te zijn, toen hij den weg insloeg naar ’t kleine stadje; hij is zwak, nu hij er is, en bezwijkt bijna, als hij zich in de onmiddellijke nabijheid weet van haar, die hem nog boven alles dierbaar is.

Weifelend staat hij tegen het hek geleund. Zal hij weer terugkeeren? Zal hij verder gaan en haar nu in dit oogenblik terugzien? Hij vreest voor zichzelven.—Waarom? Omdat hij een gevoel heeft, alsof hij, zoodra hij Augusta terugziet, haar hand moet grijpen en uitroepen: “Augusta, ik heb je niet vergeten, ik heb je lief, ik kan zonder jou niet leven.” Omdat hij vreest, dat zij hem medelijdend zal aanzien en zeggen... Ja, wat zal ze eigenlijk zeggen? Dat weet hij niet, maar hij gevoelt, dat zij zonder woorden, alleen door een enkelen blik, hem zou kunnen afwijzen.

“Ich grolle nicht,” ruischt het nogmaals en voor ’t laatst door de geopende deuren; ’t geluid sterft weg, en duidelijk hoort hij dokter Abels’ stem, die “bravo” roept.

Hij denkt niet meer na, hij overlegt niet meer, maar een oogenblik later staat hij in de kamer en drukt hartelijk des dokters handen.

Augusta staat ietwat bleek en bevend bij den vleugel en mevrouw Van Vliet begroet hem met de woorden: “Dat iseen groote, aangename verrassing voor ons allen. Hoe jammer, dat mijn man juist op reis is.”

Augusta nadert en reikt hem de hand, die hij even hartelijk drukt en dadelijk weer loslaat, met de woorden: “En jij, Augusta?”

Het rouwgewaad, dat zij draagt, kleedt haar uitmuntend, en zij schijnt hem schooner toe dan ooit; maar hij waagt het nauwelijks haar aan te zien.

Het is alsof beiden gevoelen, dat er tusschen hen, belemmerend, een onuitgesproken woord ligt; de gedachte daaraan doet hen beurtelings bleek worden en blozen, terwijl zij eenige alledaagsche woorden wisselen.

“En nu blijf je voorloopig mijn gast, niet waar?”

“Wanneer ik mag, gaarne!”

“Of je moogt? Nu, dat is ook een vraag; ik heb er zeer naar verlangd je weer te zien, en zij ook,” zegt dokter Abels, op de dames wijzend. De goede man laat zich op zijn gemakkelijken leunstoel achterovervallen en vervolgt: “Laat me je nu eens aanzien. Hm! die blonde baard staat je goed, Dorus; je ziet er best uit,—gezond; ’t reizen heeft je geen kwaad gedaan.—Je kunstreis is dus geëindigd; en wat zijn nu je plannen?”

Weldra zitten allen onder de veranda bijeen; de avond is verrukkelijk schoon en koel en ’t maanlicht is zoo klaar en helder, dat men er niet aan denkt licht op te steken.

Hoe levendig en bezield verhaalt hij van zijn reizen; hoe schildert hij zijn kleine wederwaardigheden en lotgevallen. Soms klinkt een heldere lach van Albertines of Augusta’s lippen, als hij vertelt van Majôsz en zijn impressario, of den indruk weergeeft, dien de verschillende menschen, steden en landen op hem maakten.

“Hij is bepaald geestig,” zegt fluisterend Albertine tot Augusta, als Dorus een alleraardigste beschrijving geeft van een concertavond te Weenen.

“Hij is goed, nog evenals vroeger,” denkt Augusta, als hij in den loop van het gesprek met groote achting en genegenheid over haar gestorven grootvader spreekt; en dokterAbels verwondert zich in stilte over de ontwikkeling en beschaving, die doorstralen in elk woord, dat hij zegt. De avond is omgevlogen, eer men er aan heeft gedacht, en ’t is reeds laat, als Dorus het verhaal van zijn kunstreis eindigt met te zeggen:

“Wat nu mijn plannen zijn, vraagt ge, dokter?”

“Ja! Ga je weer een nieuwe reis ondernemen?”

“Ja en neen!”

“Hoe zoo?”

“Men heeft mij een vast engagement te Hanover aangeboden, een zeer goede plaats. Wat dunkt u, zal ik die aannemen?”

“Zonder twijfel! Ge kunt in ’t buitenland beter carrière maken dan in ons kleine Holland.”

“Misschien wel.”

“Meneer, ’t rijtuig voor de juffrouw is voor!” klinkt eensklaps Jakobs stem.

“Is ’t al zoo laat, dokter?”

Allen geleiden Augusta naar het gereedstaande rijtuig, en na een kort afscheid en een “wel thuis” rolt het den weg op, die daghelder verlicht is door de maan.

“Ik dacht, dat zij hier logeerde,” zegt Dorus met een zweem van teleurstelling in zijn stem.

“Ze komt alleen Zondags hier; in de week heeft zij het te druk met haar lessen.”

Nogmaals kon Dorus op de logeerkamer van “Mon Repos” niet slapen. Hij opende het venster en zag naar buiten in den stillen nacht.

Het maanlicht droomde op de boomen en liet de boschjes en bloembedden in den tuin phantastisch gevormd uit het duister te voorschijn komen. Hier en daar blonk het op de kiezelsteenen van het pad, met een twijfelachtig, geheimzinnig licht. De late rozen bloeiden nog en het zuchtje, dat over den tuin streek en zachtjes fluisterde in de toppen der boomen, koelde zijn brandend voorhoofd en vulde de kamer met een zachte, geurige lucht.

Geen mensch was meer in den omtrek te zien; geenlicht scheen meer uit de tuinmanswoning aan het einde van de laan; geen geluid kwam uit de stad tot hem over dan het slaan van een torenklok en nu en dan het geblaf van een enkelen hofhond, die aansloeg, verschrikt door de een of andere nietige oorzaak.

Twaalf malen sloeg de klok in den ouden toren. Dorus telde de slagen, die de avondkoelte uit de verte tot hem overbracht als een oude bekende stem. Hij wist, dat het de toren was, die dicht bij Tournels huis stond, de oude toren, dien hij zoo dikwijls van uit zijn kamertje had gezien. Peinzend zat hij voor het open venster; alles kwam hem weer zoo levendig voor den geest, als ware het pas heden gebeurd, en toch lagen veel lange jaren tusschen het heden en het verleden.

Hij zag nu zijn dwaasheid in, om destijds zoo overhaast uit het vriendelijke huis te vluchten. “Wie weet!” zuchtte hij, “wie weet, als ik destijds gesproken had!”—“Neen! Neen!” riep een stem in zijn binnenste, “toen kon zij mij niet liefhebben.—En nu? O, God! als zij hetnukon, wat zou ik gelukkig zijn; maar...”

De maan wierp haar schaduw op het witte behangsel, en onwillekeurig riep hij, haar ziende: “Ach neen! nooit zal zij kunnen.”

Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens al zijn illusiën?Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens al zijn illusiën?

Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens al zijn illusiën?

Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens al zijn illusiën?

Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens al zijn illusiën? Ziet gij dan niet, dat uw licht weerkaatst in een paar dikke druppels, die langs zijn wangen in zijn baard rollen?

Maar gij zult geen eer hebben van uw vernielingswerk; als gij u achter de wolken verschuilt, zal zijn blik niet meer omsluierd zijn en de troostende stem in zijn binnenste zich weer doen hooren. Zij zal hem toefluisteren: ”Toenkon zij niet. Maar nu?—Misschien!—Misschien!”

Toen Augusta in haar kamer was teruggekeerd, kwam het haar voor, alsof er met haar iets wonderlijks was gebeurd, alsof een innerlijke stem haar toeriep: “Hij staat boven u tot hem kunt ge opzien, hij is verstandig,hij is goed en... hij heeft je nog lief.” Ze schrikte van die gedachten en trachtte zich rekenschap te geven, hoe ze wel ontstonden. Ze wist het niet. Toen vroeg zij zichzelf af, of zij hem, Dorus, liefhad, of zij in hem zou vinden, wat zij zocht: een man, wiens arm haar een steun zou zijn, wiens geest voedsel was voor den haren. Ze beefde en was boos op zichzelf, dat zij zoo dacht. Zij wilde slapen, maar zij kon niet, zoo bonsde haar hart. Zij wilde over iets anders denken, maar vermocht het niet. Telkens en telkens weer zag zij de groote donkere oogen van Dorus op zich gevestigd en hoorde zij zijn vraag: “Enjij, Augusta?” Was het niet geweest, als wilde hij vragen: “Ben je ook verheugd mij weer te zien, of is het je onverschillig?”—Hoe het mogelijk was, dat zij destijds dien Brouwer had kunnen liefhebben, begreep zij nu niet. Hoe onbeduidend en oppervlakkig, hoe gemaakt, egoïst en gedwongen kwam haar zijn geheele zijn en persoonlijkheid voor, als zij hem vergeleek bij Dorus’ levendige natuur, goedhartigen eenvoud en bescheidenheid. Het scheen haar toe, als had zij den hoogen rug, die haar vroeger zoo akelig misvormd voorkwam, niet meer gezien.

“Wonderlijk!” dacht zij, hij heeft toch nog hetzelfde figuur... maar als hij spreekt, vergeet men dat door ’t geen hij zegt...” Toen dacht zij er over na, dat Dorus koeler en beleefder was geweest dan vroeger, en dat hinderde haar. Zij wilde hem hebben, zooals hij destijds was. Maar waarom? Waarom? Hij was voor haar toch niets meer dan een broer; had zij ’t niet zelf gezegd? Of kon hij haar eenmaal meer zijn?—Misschien! Misschien!” fluisterde de geheimzinnige stem in haar binnenste.

’t Was dezelfde stem, die Dorus hoorde in zijn kamer en die hem ijlings het venster deed sluiten en ’t gordijn neerlaten, opdat het maanlicht hem niet langer zou ontstemmen.

Weer is het Zondag geworden; de kerkklok luidt: “Bim-Bam! Bim-Bam!”

’t Zonlicht gloort en glinstert door de twijgen, de dauwtintelt op het vochtige gras als diamanten en juweelen, de vogels kweelen in de boomen een jubelend lied, en ’t krekeltje in ’t gras zingt hen na, zoo goed als het kan: “Het is Zondag! Het is rustdag.”

Dokter Abels is met zijn dochter naar de kerk gereden, en Dorus wandelt, met zijn gedachten alleen, door den tuin en eindelijk, zonder ’t eigenlijk zelf te weten, dèn weg op naar de stad.

Hij loopt peinzend voort tot aan een kromming van den weg, en als hij den hoek omslaat, kleurt plotseling een vuurroode blos zijn gelaat: hij staat tegenover Augusta, aan wie hij in dit oogenblik denkt.

Zij is even verlegen als hij; zij bloost nog sterker; ’t karmozijn kleurt zelfs haar hals.

In hun wederkeerige verlegenheid vergeten zij den gewonen groet te wisselen en staan een oogenblik vlak voor elkander, zien elkaar met groote oogen aan en zwijgen, totdat Augusta begint te lachen.

“Ik dacht niet jehierte zullen ontmoeten.”

“En ik liep juist aan je te denken, Augusta!”

“Aan mij?”

“Ja! Als je ’t goedvindt, ga ik met je mee terug naar “Mon Repos,” want dat is toch zeker ’t doel van je wandeling, Dokter Abels is met mevrouw Van Vliet naar de kerk, en ik geloof, dat zij dan plan hebben om je af te halen.”

“Och! dat zou mij spijten. ’t Was van morgen zulk prachtig weer, en ik had behoefte eens een wandeling te doen; daarom ging ik zoo vroeg op weg hierheen...”

“Ik ben blij, dat ik je ontmoet heb, want...”

“Nu, want...?”

“Ik zou anders die ontmoeting gezocht, je om een onderhoud gevraagd hebben; ’k heb iets ernstigs, zeer ernstigs voor mijzelf met je te bespreken.”

“Zoo, Dorus!” Augusta’s stem beeft een klein weinig, als zij die woorden zegt.

“Wanneer je niet te moe bent, zou je dan met mij eenwandeling in den tuin willen doen? We kunnen ook een oogenblikje in het prieel bij den vijver gaan zitten. Wil je?”

De doordringende, warme toon, waarop Dorus spreekt, maakt haar verlegen en stil. Zij spreekt niet meer, maar gaat zwijgend naast hem voort, totdat zij den vijver van “Mon Repos” en het priëel bereikt hebben. Als zij daar gezeten zijn, vat Dorus eensklaps haar hand, drukt die aan zijn lippen en zegt innig, maar fluisterend:

“Ik kan niet langer zwijgen, Augusta! Zeg mij één ding:magik spreken?—Neen, antwoord mij nog niet. Denk eerst nog na, voor je iets zegt. Zie mij eens goed aan, en zeg ’t mij dan.—Mag ik spreken?”

“Ja, Dorus, ja!”

“Toe, Joakob! Kom nou ens hier, dan zâ’k oe ens ’n grap loaten zien,” zegt Pieter de tuinman, tegen Jakob, die tegen het inrijhek zijn pijpje staat te rooken en in ’t zonlicht zijn rug baadt.

“Wat dan?”

“Dat gèf ik oe in tien moal te roaien! Ik hê ’t doar net bie toeval ’ezien.”

“Nu, wat is ’t dan? Ik raad niet graag.”

“Goai es mee! Dan kunde de juffer van Tournel in ’t priëel oan den viever zien zitten met den muzikant, onzen losé; en ze kussen mekôar, dat ’t zoo klapt.”

“Wat zeg je, Pieter?”

“Goa maar ens kieken, of ’t nie woar is.—Zeg! kunde gij ’t nou begriepen van zoo’n mooie frissche dèrn, dat ze zoo’n lèliken bult nèmt?”

“’n Mensch z’n zin, ’n mensch z’n leven, Pieter!”

Vóór de stad Hanover, ver van de hoofdstraten, waar het drukke verkeer der bevolking een onrustigen en woeligen indruk maakt, staan eenige huizen, verscholen in tuinen en plantsoen. Men nadert ze, door tusschen tuinmuren en schuttingen een klein pad te volgen, of van den anderen kant door een met boomen beplante chaussée. Aan den ingang van het smalle paadje is een bordje aangeslagen met den naam: “Blumenstrasse.”

’t Is er zonnig, warm en stil; zóó stil, dat men haast zou gelooven, dat er niemand in die huizen met neergelaten jaloezieën woonde, indien niet het tegenbewijs werd geleverd door een melkwagentje, dat bij een der tuindeuren staat.

De hond, het trekdier en nu te gelijk de wachter er van, heeft zich, met de roode tong uit den bek, een plaatsje veroverd in de schaduw van een paar schuttingplanken, waarover bloeiende vliertakken en seringen hangen. Een zwerm muggen danst en gonst er onder, en een kever bromt zijn eentonig lied er tusschendoor.

Verder van de stad afgaande, daar waar de straatweg zich om de tuinen kromt, steken de daken en gevels boven de groene omgeving uit. Hoe verder men ziet, hoe dichter ze opeen schijnen te staan; nadert men evenwel, dan bemerkt men zijne vergissing, want bij ieder huis is een tuin van vrij groote afmeting, die het van het naburige scheidt,zoodat het schijnt, als verdroegen zij zich onderling niet goed,—niet beter dan de menschen, die elkander uitmuntend verstaan, zoolang de een den ander noodig heeft, evenals de huizen in de groote stad, die dikwijls tegen elkander aanleunen om niet te vallen.

Uit het laatste, met klimop en wilden wingerd begroeide, huis klinken de tonen van een piano. De vensters staan open en als luisterend buigen zich de sierlijke ranken naar binnen. Twee witte vlinders dartelen in de zoele lucht; nu eens schijnen zij rose, dan weer blauw, al naarmate ze in de zon of in de schaduw op en neer dansen. Of zij naar de tonen luisteren?—Neen! die zijn reeds eenige minuten lang verstomd.—Of zij merken, dat men naar hen ziet?—’t is bijna niet aan te nemen, want ’t is moeielijk om van uit het heldere licht naar binnen in de meer donkere kamer te zien.

Toch zijn zij de oorzaak, dat het lied, dat met zachte stem bij de piano-forte werd gezongen, plotseling is verstomd, want een paar kleine, mollige kinderhandjes grijpen van uit de verte naar de twee spelende vlinders.

“Heb je al weer genoeg van de muziek, kleine dwingeland?” zegt een vriendelijke vrouwenstem tot een allerliefst tweejarig blond krullebolletje, dat op moeders schoot op en neer danst en zijn handjes uitstrekt naar het licht, de bloemen en ’t groen.

“Da! Da! Da!” roept de kleine, als de vlinders nu eens binnen, dan buiten het venster elkander najagen, een oogenblik hoog op, voorbij den gevel vliegen, om elkander heen dartelen en immer weer terugkeeren op het plekje voor het geopende venster.

De jonge vrouw volgt evenals het kind met de oogen het spel dier vlinders; ’t is het beeld van haar gedachten, die nu eens hier, dan weer daar ronddwalen, maar toch telkens weer terugkeeren op één punt: den kleinen blonden wereldburger op haar schoot.

Een koele luchtstroom, die langs haar lokken strijkt, doet de wingerdranken voor het venster ombuigen en dan weer nieuwsgierig naar binnen zien, om te weten, wie daar door de deur in de kamer is gekomen.

“Papa! papa!” roept de kleine.

“Dag, jongen; dag, Frits! Dag Augusta!” zegt een vriendelijke mannenstem; en als de jonge vrouw met het kind in de omhooggehouden armen, het hoofd achter over de leuning van haar stoel buigt, kust haar echtgenoot haar hartelijk op het voorhoofd.

“Dorus! wat kom je laat; we hebben al zoo naar je verlangd, niet waar, Fritsje?”

“Papa!” kraait de kleine.

“’k Heb het druk gehad, van morgen; knor maar niet op me; ik breng ook wat mee, dat je genoegen zal doen.”

“Wat dan?”

“Een brief van dokter Abels. Hij komt.”

Eens glans van genoegen verheldert Augusta’s gelaat, als zij haar kind omhoogheffend zegt: “Je peetoom komt. kleine man! Wat zal hij een schik in je hebben.—Ik vind het allerliefst van hem, dat hij de reis maakt alleen om ons.—Geef papa een kusje! Goed gedaan, ventje!”

Intusschen heeft Dorus het zich gemakkelijk gemaakt op een chaise-longue voor het raam; hij leest dokter Abels’ brief, en nu en dan speelt een glimlach om zijn lippen.

Augusta ziet hem eenige oogenblikken zwijgend aan en zegt dan, het kind vóór zich op den grond plaatsend:

“Egoïst!”

“Wat blief je?” vraagt haar echtgenoot, verwonderd opziende.

“Kun je mij niet eens voorlezen, wat dokter Abels je schrijft?”

“Kun je luisteren, als Fritsje hier is?”

“Natuurlijk!—Stil, kindje, wees nu maar eens een oogenblik rustig.—’t Is toch zoo’n wilde baas, Dorus. Ja! goed, speel dan maar met mama’s pantoffel, maar stil zijn, hoor!—Ik luister.” Zij buigt zich over de leuning van den stoel, waarop haar man zit, en als haar glanzig haar zijn wangen raakt, draait hij even het hoofd om en steelt een kus van de frissche roode lippen, die zoo verlokkend dicht in zijn nabijheid komen.

“Gekke man!” meesmuilt Augusta, “lees nu liever.”

“’t Begin heb je zeker al gezien, nieuwsgierige vrouw!” en lachend knikt hij haar toe, als hij lezend vervolgt:....

“uit uw laatsten brief, beste Dorus, heb ik gezien, dat ge zoo recht gelukkig zijt. Dat Augusta voor u een uitmuntende vrouw zou zijn, wist ik immers wel vooruit.—De kleine Frits, mijn petekind, groeit dus goed; dat verheugt mij bijzonder! ’t Is schande, dat ik hem nog niet heb gezien, maar binnenkort hoop ik mijn schade in te halen. Tegen het begin der volgende maand denk ik u allen weer te zien; ik heb plan om over Hanover naar Berlijn te gaan en vraag bij u een dag of wat belet. Ik word oud en een paar dagen rust op reis zullen wel noodig voor mij zijn. Schrijf mij spoedig eens terug, of gij mij afwachten kunt....”

“Wat een vraag, manlief!”

“....Verder nieuws, wat uwe belangstelling wekken kan, weet ik niet. Ja toch, iets is er wel, wat u misschien zal interesseeren, namelijk dit: ik las onlangs in de krant, dat de pandjeshuishouder Philip Strijkman in arrest is genomen wegens het opkoopen van gestolen goederen. Boontje komt om zijn loontje...”

“Ha! ha! ha! ha! ha!”

“Lach je daarom, Dorus?”

“Ja, kind! ik herinner mij op eens zijn verbluft gezicht toen hij mij weerzag.”

“O, zoo!”

“...En nu, beste vrienden, leeft wel. Tot ziens; in gedachten omhels ik mijn petekind en Augusta, altijd als haar echtgenoot het permitteert...”

“’t Is toch een vroolijk oud man! Ho! ho! wat is dat, Fritsje?—Augusta, pas op! hij dribbelt de tuindeur uit.”

“Tatateratata! tateratatata!” schettert uit een trompet. Er roffelt een trom en aanstonds daarop klinkt een vroolijke marsch, geblazen door een zestal vagebondeerende muzikanten, met oude uniformjassen aan en petten met verschoten galons er om, op ’t hoofd.

“Hier, Fritsje! hier blijven!” Augusta snelt den kleineachterna, die, aangelokt door de tonen van de blaasinstrumenten, naar buiten is geloopen.

Met het jonkske op den arm blijft zij staan luisteren bij het tuinhek, waarnaast de zes muzikanten een plekje schaduw gevonden hebben en in het zweet huns aanschijns blazen en trommelen, om een bescheiden loon te verdienen.

Dorus is haar gevolgd en merkt met verrukking op, hoe de kleine Frits zijn hoofdje op de maat der muziek heen en weer beweegt en met de armpjes zwaait, als dirigeerde hij een orkest. Als hij genaderd is en naast Augusta staat, ziet hij de muzikanten scherp aan, en voor hij er zelf aan heeft gedacht, ontsnapt de naam “Löbell!” luide zijn lippen. Verwonderd kijkt de trommelslager van den troep op en staart Dorus onderzoekend aan. De andere musici staken hun spel en blijven doodstil en verbluft zwijgen, als de trommel op eens een harden slag, met beide stokken te gelijk, krijgt en zij de wonderlijke woorden vernemen:

“Kottorie, das ist ja der Boeckeloroem! Potz Blitz, wie kommt der hier?”

Lachend antwoordt Dorus: “Goed gezien, Löbell! Ik ben het. Ziedaar, laten je vrienden zich hiervoor eens te goed doen in de herberg, en kom jij eens even bij ons in den tuin.”

Een oogenblik later zit de oude Löbell op de tuinbank en Dorus tegenover hem op een stoel. Glimlachend luistert hij naar ’t geen de grijze muzikant hem vertelt; en Augusta lacht hartelijk mede, als Löbell eindelijk zegt:

“Schwerenoth, noch einmal, ich hèv ’t damals wol gezegd: der Boeckeloroem, da wird noch mal was rechtes draus. Noen! hèv ich nicht gelijk gehad?...”

“En blaas je geen trompet meer, Löbell?”

“’t Gaat nicht mehr; ich hèv ’t asthma; die broest ist kapoet, der blasebalg taugt nicht mehr; daroem bin ich weer nach meine Heimath gezogen oend trommele mir noen mein bischen brot zoesammen.”

“Arme kerel!”

“Noe! ’s ist mir doch noch besser gegangen wie oenserm frühern Prinzipal Carlo.”

“Hoe zoo?”

“Wel, wissen sie dass nicht: die hèvt zich voor een paar Jahren den nek gebrochen bij ’t opschlaan von die tent. Es war da in die laatste Jahren auch nichts mehr los, nachdem joeffrouw Keetje todt war, lief die boel durch mekanderen.... Aber noe bitte, Herr....? Ich durf wol nicht mehr so famieljaar Doroes zeggen?”

“Zeg jij maar gerust Dorus, Löbell!”

“Herr Doroes dann! ist das je vrouw?”

“Juist!”

Plotseling staat de oude trompetter op, slaat zijn stramme beenen met de hielen tegen elkaar en zegt, de hand met militair saluut aan de muts brengend:

“Alle achtung! Oend vor dem kleinen, dicken prachtkerl da, ein donnerendes hoch! dreimal hoch!”

“Boeckeloroem!—Boeckeloroem!—Ach! entschuldige, ich meine Herr Doroes, jij hèvt een paradies gevonden. Aber,” hij bukt zich en ziet naar iets, wat aan zijn voeten krabbelt, “zoo’n blinde lahme Köter von ein hoend möchte ich er doch nicht in hebben” Maar ’t oude hondje goed bekijkend, roept hij eensklaps luid: “Nein! schwerenoth! ich hèv nichts gezegd, hoor!—’s Ist ja der Boppie. Noe! die hèvt zich sein Gnadenbrot wol verdiend.”


Back to IndexNext