„Dag Stance,” zei hij vriendelijk: „komaan, het is gelukkig dat je weer zoover beter bent.”„Ja, ik heb geen koorts meer.”[234]„Je moet je toch niet te veel vermoeien. Beloof je me dat?”Zij knikte met het hoofd en glimlachte even. Hij gevoelde zich aanmerkelijk verlicht. De mogelijke gevolgen van het voorgevallene hadden hem vrij zwaar gedrukt. Als de arme Hortense eens gestorven was,—hij zou het zich nooit hebben vergeven! Die Louise, die duivelin, dacht hij, en onwillekeurig keek hij haar even aan. Duivelin? Ja zeker, maar dan toch in engelengedaante. Zijn ontwikkeld kunstgevoel sprak in den verholen blik vol bewondering, dien hij op haar wierp en dien zij zoo goed kende van voorheen.Zijn verwondering kende geen grenzen toen des avonds aan het dessert Louise het gaan naar Europa ter sprake bracht.De teleurstelling was groot.Dat was dus de reden, waarom Hortense zoo wèl was tegen hem! Zij wilde van hem weg en de andere ook.„Och,” zei hij, „als het jullie beider verlangen is, hebiker natuurlijk niets tegen.”„Wel,” zei Louise, „me dunkt, je moest je over het kloek besluit verheugen.”„O, ik verheug me ook, dat zie je wel.”Zij lachte.„Je wordt ironisch, dat is een goed teeken.”„Welzeker! ’t zal hier in huis allergezelligst voor me zijn!”„En onlangs,” merkte Hortense aan, „toen we boven waren, heb je het nog zelf voorgesteld.”„Nu, je waart toen ziek.…”„En ’t kind?”„’t Is waar, wat het kind betreft, bestaan dezelfde redenen nog. Maar.… als Louise eens ging en het kind meenam.”[235]„Nooit!” riep Hortense. „Mijn kind blijft bij mij.”Over ’t gelaat van Louise gleed een glimlach. Ze begreep zoo goed dat hij er niets van meende en het slechts een kinderachtige wraakneming was.„Waarlijk, Gérard,” spotte ze: „je wordt zóó goed! Papa zou zeggen: te goed voor deze wereld.”„Hm! Dus dat is zóó bepaald vandaag.”„Juist. Onder voorwaarde dat de WelEdel-Gestrenge Heer Mr. G. Fournier welwillend zijn hooge goedkeuring daaraan wil hechten.”„Er schiet niet veel anders voor me over.”„Gérard,” zei Hortense ernstig, „zeg het ronduit: als je liever hebt dat ik niet ga, dan blijf ik.”Het trof hem en hij zag haar vriendelijk aan.„Ik vind het heel lief en goed van je, Stance.”„Kind, kind!” lachte Louise: „wat ben je toch een gansje! Hij moestmijtot vrouw hebben!”’t Was een onvoorzichtig woord bij hun onderlinge verhouding. Het deed Hortense rillen en ook Fournier, maar op een andere manier.Na het diner ging Hortense naar haar kamer; ze was doodmoe. Niet alleen dat deze eerste vermoeienis, na haar koortsen, haar aangreep, maar de agitatie van het gesprek over die reis naar Europa had een groote reactie ten gevolge, en voor geen schatten zou ze in staat zijn geweest de oogen langer open te houden. Louise bracht haar naar hare kamer, waar ze nauwlijks haar hoofd op de kussens had neergelegd, of ze sliep.In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in[236]een wipstoel een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant. Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij ’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op niets uitgeloopen scène tijdens het bal.… Zou er dan nimmer iets anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde manier als het ware in zijn leven was geweven?Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware zijn gedachtenloop volgen kon. En toen[237]hij, meegesleept door zijn gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan. Het was hem of hij de aarde voelde draaien!„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.„Ik ga slapen.Bonsoir!”Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig! En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar nog even keek ze om.Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als een dief zijn eigen huis binnen.Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog wakker, dat hoorde hij wel.Zacht klopte hij op de deur.„Apa?” klonk het aan den anderen kant.„Ik ben het.”„Wat wil je?”„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”„En dan?”„Ik wou je spreken over.… den vlinder.…”[238]Hij hoorde haar lachen.„Mon cher.… het gaat niet.… Vooreerst is de bekoring verbroken, en dan.… het beestje is al dood.”„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en droom prettig. Wel te rusten!”Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later, toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was onuitstaanbaar, vond hij.Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui, waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”
„Dag Stance,” zei hij vriendelijk: „komaan, het is gelukkig dat je weer zoover beter bent.”„Ja, ik heb geen koorts meer.”[234]„Je moet je toch niet te veel vermoeien. Beloof je me dat?”Zij knikte met het hoofd en glimlachte even. Hij gevoelde zich aanmerkelijk verlicht. De mogelijke gevolgen van het voorgevallene hadden hem vrij zwaar gedrukt. Als de arme Hortense eens gestorven was,—hij zou het zich nooit hebben vergeven! Die Louise, die duivelin, dacht hij, en onwillekeurig keek hij haar even aan. Duivelin? Ja zeker, maar dan toch in engelengedaante. Zijn ontwikkeld kunstgevoel sprak in den verholen blik vol bewondering, dien hij op haar wierp en dien zij zoo goed kende van voorheen.Zijn verwondering kende geen grenzen toen des avonds aan het dessert Louise het gaan naar Europa ter sprake bracht.De teleurstelling was groot.Dat was dus de reden, waarom Hortense zoo wèl was tegen hem! Zij wilde van hem weg en de andere ook.„Och,” zei hij, „als het jullie beider verlangen is, hebiker natuurlijk niets tegen.”„Wel,” zei Louise, „me dunkt, je moest je over het kloek besluit verheugen.”„O, ik verheug me ook, dat zie je wel.”Zij lachte.„Je wordt ironisch, dat is een goed teeken.”„Welzeker! ’t zal hier in huis allergezelligst voor me zijn!”„En onlangs,” merkte Hortense aan, „toen we boven waren, heb je het nog zelf voorgesteld.”„Nu, je waart toen ziek.…”„En ’t kind?”„’t Is waar, wat het kind betreft, bestaan dezelfde redenen nog. Maar.… als Louise eens ging en het kind meenam.”[235]„Nooit!” riep Hortense. „Mijn kind blijft bij mij.”Over ’t gelaat van Louise gleed een glimlach. Ze begreep zoo goed dat hij er niets van meende en het slechts een kinderachtige wraakneming was.„Waarlijk, Gérard,” spotte ze: „je wordt zóó goed! Papa zou zeggen: te goed voor deze wereld.”„Hm! Dus dat is zóó bepaald vandaag.”„Juist. Onder voorwaarde dat de WelEdel-Gestrenge Heer Mr. G. Fournier welwillend zijn hooge goedkeuring daaraan wil hechten.”„Er schiet niet veel anders voor me over.”„Gérard,” zei Hortense ernstig, „zeg het ronduit: als je liever hebt dat ik niet ga, dan blijf ik.”Het trof hem en hij zag haar vriendelijk aan.„Ik vind het heel lief en goed van je, Stance.”„Kind, kind!” lachte Louise: „wat ben je toch een gansje! Hij moestmijtot vrouw hebben!”’t Was een onvoorzichtig woord bij hun onderlinge verhouding. Het deed Hortense rillen en ook Fournier, maar op een andere manier.Na het diner ging Hortense naar haar kamer; ze was doodmoe. Niet alleen dat deze eerste vermoeienis, na haar koortsen, haar aangreep, maar de agitatie van het gesprek over die reis naar Europa had een groote reactie ten gevolge, en voor geen schatten zou ze in staat zijn geweest de oogen langer open te houden. Louise bracht haar naar hare kamer, waar ze nauwlijks haar hoofd op de kussens had neergelegd, of ze sliep.In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in[236]een wipstoel een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant. Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij ’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op niets uitgeloopen scène tijdens het bal.… Zou er dan nimmer iets anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde manier als het ware in zijn leven was geweven?Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware zijn gedachtenloop volgen kon. En toen[237]hij, meegesleept door zijn gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan. Het was hem of hij de aarde voelde draaien!„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.„Ik ga slapen.Bonsoir!”Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig! En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar nog even keek ze om.Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als een dief zijn eigen huis binnen.Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog wakker, dat hoorde hij wel.Zacht klopte hij op de deur.„Apa?” klonk het aan den anderen kant.„Ik ben het.”„Wat wil je?”„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”„En dan?”„Ik wou je spreken over.… den vlinder.…”[238]Hij hoorde haar lachen.„Mon cher.… het gaat niet.… Vooreerst is de bekoring verbroken, en dan.… het beestje is al dood.”„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en droom prettig. Wel te rusten!”Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later, toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was onuitstaanbaar, vond hij.Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui, waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”
„Dag Stance,” zei hij vriendelijk: „komaan, het is gelukkig dat je weer zoover beter bent.”„Ja, ik heb geen koorts meer.”[234]„Je moet je toch niet te veel vermoeien. Beloof je me dat?”Zij knikte met het hoofd en glimlachte even. Hij gevoelde zich aanmerkelijk verlicht. De mogelijke gevolgen van het voorgevallene hadden hem vrij zwaar gedrukt. Als de arme Hortense eens gestorven was,—hij zou het zich nooit hebben vergeven! Die Louise, die duivelin, dacht hij, en onwillekeurig keek hij haar even aan. Duivelin? Ja zeker, maar dan toch in engelengedaante. Zijn ontwikkeld kunstgevoel sprak in den verholen blik vol bewondering, dien hij op haar wierp en dien zij zoo goed kende van voorheen.Zijn verwondering kende geen grenzen toen des avonds aan het dessert Louise het gaan naar Europa ter sprake bracht.De teleurstelling was groot.Dat was dus de reden, waarom Hortense zoo wèl was tegen hem! Zij wilde van hem weg en de andere ook.„Och,” zei hij, „als het jullie beider verlangen is, hebiker natuurlijk niets tegen.”„Wel,” zei Louise, „me dunkt, je moest je over het kloek besluit verheugen.”„O, ik verheug me ook, dat zie je wel.”Zij lachte.„Je wordt ironisch, dat is een goed teeken.”„Welzeker! ’t zal hier in huis allergezelligst voor me zijn!”„En onlangs,” merkte Hortense aan, „toen we boven waren, heb je het nog zelf voorgesteld.”„Nu, je waart toen ziek.…”„En ’t kind?”„’t Is waar, wat het kind betreft, bestaan dezelfde redenen nog. Maar.… als Louise eens ging en het kind meenam.”[235]„Nooit!” riep Hortense. „Mijn kind blijft bij mij.”Over ’t gelaat van Louise gleed een glimlach. Ze begreep zoo goed dat hij er niets van meende en het slechts een kinderachtige wraakneming was.„Waarlijk, Gérard,” spotte ze: „je wordt zóó goed! Papa zou zeggen: te goed voor deze wereld.”„Hm! Dus dat is zóó bepaald vandaag.”„Juist. Onder voorwaarde dat de WelEdel-Gestrenge Heer Mr. G. Fournier welwillend zijn hooge goedkeuring daaraan wil hechten.”„Er schiet niet veel anders voor me over.”„Gérard,” zei Hortense ernstig, „zeg het ronduit: als je liever hebt dat ik niet ga, dan blijf ik.”Het trof hem en hij zag haar vriendelijk aan.„Ik vind het heel lief en goed van je, Stance.”„Kind, kind!” lachte Louise: „wat ben je toch een gansje! Hij moestmijtot vrouw hebben!”’t Was een onvoorzichtig woord bij hun onderlinge verhouding. Het deed Hortense rillen en ook Fournier, maar op een andere manier.Na het diner ging Hortense naar haar kamer; ze was doodmoe. Niet alleen dat deze eerste vermoeienis, na haar koortsen, haar aangreep, maar de agitatie van het gesprek over die reis naar Europa had een groote reactie ten gevolge, en voor geen schatten zou ze in staat zijn geweest de oogen langer open te houden. Louise bracht haar naar hare kamer, waar ze nauwlijks haar hoofd op de kussens had neergelegd, of ze sliep.In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in[236]een wipstoel een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant. Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij ’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op niets uitgeloopen scène tijdens het bal.… Zou er dan nimmer iets anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde manier als het ware in zijn leven was geweven?Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware zijn gedachtenloop volgen kon. En toen[237]hij, meegesleept door zijn gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan. Het was hem of hij de aarde voelde draaien!„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.„Ik ga slapen.Bonsoir!”Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig! En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar nog even keek ze om.Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als een dief zijn eigen huis binnen.Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog wakker, dat hoorde hij wel.Zacht klopte hij op de deur.„Apa?” klonk het aan den anderen kant.„Ik ben het.”„Wat wil je?”„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”„En dan?”„Ik wou je spreken over.… den vlinder.…”[238]Hij hoorde haar lachen.„Mon cher.… het gaat niet.… Vooreerst is de bekoring verbroken, en dan.… het beestje is al dood.”„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en droom prettig. Wel te rusten!”Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later, toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was onuitstaanbaar, vond hij.Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui, waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”
„Dag Stance,” zei hij vriendelijk: „komaan, het is gelukkig dat je weer zoover beter bent.”
„Ja, ik heb geen koorts meer.”[234]
„Je moet je toch niet te veel vermoeien. Beloof je me dat?”
Zij knikte met het hoofd en glimlachte even. Hij gevoelde zich aanmerkelijk verlicht. De mogelijke gevolgen van het voorgevallene hadden hem vrij zwaar gedrukt. Als de arme Hortense eens gestorven was,—hij zou het zich nooit hebben vergeven! Die Louise, die duivelin, dacht hij, en onwillekeurig keek hij haar even aan. Duivelin? Ja zeker, maar dan toch in engelengedaante. Zijn ontwikkeld kunstgevoel sprak in den verholen blik vol bewondering, dien hij op haar wierp en dien zij zoo goed kende van voorheen.
Zijn verwondering kende geen grenzen toen des avonds aan het dessert Louise het gaan naar Europa ter sprake bracht.
De teleurstelling was groot.
Dat was dus de reden, waarom Hortense zoo wèl was tegen hem! Zij wilde van hem weg en de andere ook.
„Och,” zei hij, „als het jullie beider verlangen is, hebiker natuurlijk niets tegen.”
„Wel,” zei Louise, „me dunkt, je moest je over het kloek besluit verheugen.”
„O, ik verheug me ook, dat zie je wel.”
Zij lachte.
„Je wordt ironisch, dat is een goed teeken.”
„Welzeker! ’t zal hier in huis allergezelligst voor me zijn!”
„En onlangs,” merkte Hortense aan, „toen we boven waren, heb je het nog zelf voorgesteld.”
„Nu, je waart toen ziek.…”
„En ’t kind?”
„’t Is waar, wat het kind betreft, bestaan dezelfde redenen nog. Maar.… als Louise eens ging en het kind meenam.”[235]
„Nooit!” riep Hortense. „Mijn kind blijft bij mij.”
Over ’t gelaat van Louise gleed een glimlach. Ze begreep zoo goed dat hij er niets van meende en het slechts een kinderachtige wraakneming was.
„Waarlijk, Gérard,” spotte ze: „je wordt zóó goed! Papa zou zeggen: te goed voor deze wereld.”
„Hm! Dus dat is zóó bepaald vandaag.”
„Juist. Onder voorwaarde dat de WelEdel-Gestrenge Heer Mr. G. Fournier welwillend zijn hooge goedkeuring daaraan wil hechten.”
„Er schiet niet veel anders voor me over.”
„Gérard,” zei Hortense ernstig, „zeg het ronduit: als je liever hebt dat ik niet ga, dan blijf ik.”
Het trof hem en hij zag haar vriendelijk aan.
„Ik vind het heel lief en goed van je, Stance.”
„Kind, kind!” lachte Louise: „wat ben je toch een gansje! Hij moestmijtot vrouw hebben!”
’t Was een onvoorzichtig woord bij hun onderlinge verhouding. Het deed Hortense rillen en ook Fournier, maar op een andere manier.
Na het diner ging Hortense naar haar kamer; ze was doodmoe. Niet alleen dat deze eerste vermoeienis, na haar koortsen, haar aangreep, maar de agitatie van het gesprek over die reis naar Europa had een groote reactie ten gevolge, en voor geen schatten zou ze in staat zijn geweest de oogen langer open te houden. Louise bracht haar naar hare kamer, waar ze nauwlijks haar hoofd op de kussens had neergelegd, of ze sliep.
In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in[236]een wipstoel een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant. Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij ’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op niets uitgeloopen scène tijdens het bal.… Zou er dan nimmer iets anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde manier als het ware in zijn leven was geweven?
Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.
Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware zijn gedachtenloop volgen kon. En toen[237]hij, meegesleept door zijn gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan. Het was hem of hij de aarde voelde draaien!
„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.
„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.
„Ik ga slapen.Bonsoir!”
Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig! En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar nog even keek ze om.
Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als een dief zijn eigen huis binnen.
Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog wakker, dat hoorde hij wel.
Zacht klopte hij op de deur.
„Apa?” klonk het aan den anderen kant.
„Ik ben het.”
„Wat wil je?”
„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”
„En dan?”
„Ik wou je spreken over.… den vlinder.…”[238]
Hij hoorde haar lachen.
„Mon cher.… het gaat niet.… Vooreerst is de bekoring verbroken, en dan.… het beestje is al dood.”
„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”
„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en droom prettig. Wel te rusten!”
Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later, toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was onuitstaanbaar, vond hij.
Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui, waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.
Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.
Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.
Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”