HOSANNAH

HOSANNAHHosannah zingt,’t is palmendag.Jerusalem,slaat openuw’ deuren al,komt uitewaard,en kust, in ’t zandgekropen,het voetspeur ende stappen vanhet veulen, datvol eeris voerende inJerusalem—Hosannah zingt!—den Heer!

Hosannah zingt,’t is palmendag.Jerusalem,slaat openuw’ deuren al,komt uitewaard,en kust, in ’t zandgekropen,het voetspeur ende stappen vanhet veulen, datvol eeris voerende inJerusalem—Hosannah zingt!—den Heer!

WEGGEROOFDE LELIEWeer een weggeroofde lelieuit des werelds doorenveld,na des levens rampmartelie,hooge in ’s hemels hof gesteld.’t Maagdenlijkske is afgemalen,tot den laatsten vezel af:niet en kwaamt gij nederhalen,dood, bijkans, in ’t duister graf.Wederom, en vrij, geboren,vloog het zielke hemelwaard:dood, gij hebt den strijd verloren,’t leven hebt ge, o dood, gebaard.

Weer een weggeroofde lelieuit des werelds doorenveld,na des levens rampmartelie,hooge in ’s hemels hof gesteld.

’t Maagdenlijkske is afgemalen,tot den laatsten vezel af:niet en kwaamt gij nederhalen,dood, bijkans, in ’t duister graf.

Wederom, en vrij, geboren,vloog het zielke hemelwaard:dood, gij hebt den strijd verloren,’t leven hebt ge, o dood, gebaard.

GELIJK DE ARME PELGRIMGelijk de arme pelgrim getreden komt,die pijn heeft en honger geleden om ’tzoolange, zoolange geduren vande reize, toch eindelijk de muren kanzien rijzen, nog blauwende in den morgenstondvan ’t huis waar hij moeders bezorgen vond.

Gelijk de arme pelgrim getreden komt,die pijn heeft en honger geleden om ’tzoolange, zoolange geduren vande reize, toch eindelijk de muren kanzien rijzen, nog blauwende in den morgenstondvan ’t huis waar hij moeders bezorgen vond.

O LIEFSTE JESU ZOETIk wil mij gansch u geven nu,o liefste Jesu zoet,den loop van al mijn leven umijn herte en mijn gemoed.Aanveerd dat herte en ’t uwe zijo Jesu ook gegeven mijverwisseling van liefde doetmet mij o Jesu zoet.’k Beminne u uit der maten zeer,o liefste Jesu zoet.Gij zegt dat ik u volgen, Heeren u beminnen moet,ik vrage u dan, o Jesu kind,die kinderherten meest bemint,dat gij mij ’t alderhoogste goedin u beminnen doet.Van herten zijn wij één voortaan,o liefste Jesu zoet,ik wil door alle smerten gaan,door allen tegenspoeden sterven zal ik onversaagd,zoo Gij mij in uw herte draagten nimmermeer daaruit en doet,o Jesu, Jesu zoet.

Ik wil mij gansch u geven nu,o liefste Jesu zoet,den loop van al mijn leven umijn herte en mijn gemoed.Aanveerd dat herte en ’t uwe zijo Jesu ook gegeven mijverwisseling van liefde doetmet mij o Jesu zoet.

’k Beminne u uit der maten zeer,o liefste Jesu zoet.Gij zegt dat ik u volgen, Heeren u beminnen moet,ik vrage u dan, o Jesu kind,die kinderherten meest bemint,dat gij mij ’t alderhoogste goedin u beminnen doet.

Van herten zijn wij één voortaan,o liefste Jesu zoet,ik wil door alle smerten gaan,door allen tegenspoeden sterven zal ik onversaagd,zoo Gij mij in uw herte draagten nimmermeer daaruit en doet,o Jesu, Jesu zoet.

GEKRUISTE GODO crux ave, Spes unicaMundi Salus et gloria,Auge piis justitiamReisque dona veniam.Gekruiste God die voor mij staat,des werelds eere en toeverlaat,gekruist, gekroonde Jesu zoet,onze eenigste hope, ons eeuwig goed,ik groete en bidde u, reik, o Heer,al die rechtveerdig zijn, nog meer,en geeft, door al uw lijen en bloên,vergifnisse aan die kwalijk doen,Var.:o Kruis dat al onze hope draagt,Al ’s werelds eere en vrijheid schraagtVervroomt ze al die uw spraak verstaan,Vergeeft ze al die u tegengaan.

O crux ave, Spes unicaMundi Salus et gloria,Auge piis justitiamReisque dona veniam.

O crux ave, Spes unicaMundi Salus et gloria,Auge piis justitiamReisque dona veniam.

Gekruiste God die voor mij staat,des werelds eere en toeverlaat,gekruist, gekroonde Jesu zoet,onze eenigste hope, ons eeuwig goed,ik groete en bidde u, reik, o Heer,al die rechtveerdig zijn, nog meer,en geeft, door al uw lijen en bloên,vergifnisse aan die kwalijk doen,

Var.:o Kruis dat al onze hope draagt,Al ’s werelds eere en vrijheid schraagtVervroomt ze al die uw spraak verstaan,Vergeeft ze al die u tegengaan.

Var.:

o Kruis dat al onze hope draagt,Al ’s werelds eere en vrijheid schraagtVervroomt ze al die uw spraak verstaan,Vergeeft ze al die u tegengaan.

o Kruis dat al onze hope draagt,Al ’s werelds eere en vrijheid schraagtVervroomt ze al die uw spraak verstaan,Vergeeft ze al die u tegengaan.

AVE REGINAHeil u, heil u, Koninginne,vrije Vrouw der zoeter minneheil u, wortel, stam en poort;heil u, ’s werelds weergeboort!’s Zaligmakers moeder milde,daar hij ’s hemels deuren wildemede ontsluiten; sterre in zee,slaat ons gade en weert ons wee!Die zoo diep zijn neergevallen,helpt ons weder opstaan, allen,Jesu moeder, staat ons bij,dat ons vrede en vreugde zij.

Heil u, heil u, Koninginne,vrije Vrouw der zoeter minneheil u, wortel, stam en poort;heil u, ’s werelds weergeboort!’s Zaligmakers moeder milde,daar hij ’s hemels deuren wildemede ontsluiten; sterre in zee,slaat ons gade en weert ons wee!Die zoo diep zijn neergevallen,helpt ons weder opstaan, allen,Jesu moeder, staat ons bij,dat ons vrede en vreugde zij.

AANZIET DE KRAAIENAanziet de kraaien die van zaai-noch oestgetij en weten,die schure en hebben noch schrapraaien God verleent ze ’t eten!Aanziet hoe dat ze, tem en fraai,hier spijze en drank vergeten.Ghistel.

Aanziet de kraaien die van zaai-noch oestgetij en weten,die schure en hebben noch schrapraaien God verleent ze ’t eten!Aanziet hoe dat ze, tem en fraai,hier spijze en drank vergeten.

Ghistel.

’T WAS ’N WARE!„Past op,” zei Meester Heuverswijn,„dat iemand,—wie die snaken zijn,die ’k hoorde daar, met hand of mond,eens s...e nadoen, dezen stond,—nog durve! Wat bediedt mij dat?Een schande is ’t! En, ’k en weet niet watik doen zal met den deugeniet,die nog nen keer zal durven...!”—Ziet,daar hoort mij Meester Heuverswijnweerom entwat gelaten zijn,van zulken aard, dat ’t wonderwelgeleek ’t onvoegzaam kinderspel:—„Komt hier, gij, Jan! Wat hoore ik! Gaaten seffens recht in ’t hoekske staat!”—„’K en doe,” zei Jantje Poupaert, als-of ’t heel onschuldig ware:„menheere, ’t was ’n ware!”Pet. v. Waereghem.

„Past op,” zei Meester Heuverswijn,„dat iemand,—wie die snaken zijn,die ’k hoorde daar, met hand of mond,eens s...e nadoen, dezen stond,—nog durve! Wat bediedt mij dat?Een schande is ’t! En, ’k en weet niet watik doen zal met den deugeniet,die nog nen keer zal durven...!”—Ziet,daar hoort mij Meester Heuverswijnweerom entwat gelaten zijn,van zulken aard, dat ’t wonderwelgeleek ’t onvoegzaam kinderspel:—„Komt hier, gij, Jan! Wat hoore ik! Gaaten seffens recht in ’t hoekske staat!”—„’K en doe,” zei Jantje Poupaert, als-of ’t heel onschuldig ware:„menheere, ’t was ’n ware!”

Pet. v. Waereghem.

MOCHT ZULK EEN TALEMocht zulk een tale eilaasgeen enkel tale wezen,geen woorden, waarheid enonnagemaakte smertop willens voet gesteund,op biddens vlerk gerezentot naast het evenbeeldder wenschen van Gods hert,dan zou wellicht de baande duistere baan des levensverlichten in den glansvan Hem die U bemint,van hem die naar u wacht,van Jesus, dien gij tevensal waart gij nog zoo boostoch geren ziet, mijn kind.

Mocht zulk een tale eilaasgeen enkel tale wezen,geen woorden, waarheid enonnagemaakte smertop willens voet gesteund,op biddens vlerk gerezentot naast het evenbeeldder wenschen van Gods hert,dan zou wellicht de baande duistere baan des levensverlichten in den glansvan Hem die U bemint,van hem die naar u wacht,van Jesus, dien gij tevensal waart gij nog zoo boostoch geren ziet, mijn kind.

Ten halven afgewrocht,ontvangen, niet geboren;gevonden algeheel,noch algeheel verloren,zoo ligt er menig rijmonvast in mij, en beidtden aangenamen tijdvan volle uitspreekbaarheid.(Rijmsnoer).

Ten halven afgewrocht,ontvangen, niet geboren;gevonden algeheel,noch algeheel verloren,zoo ligt er menig rijmonvast in mij, en beidtden aangenamen tijdvan volle uitspreekbaarheid.(Rijmsnoer).

Ten halven afgewrocht,ontvangen, niet geboren;gevonden algeheel,noch algeheel verloren,zoo ligt er menig rijmonvast in mij, en beidtden aangenamen tijdvan volle uitspreekbaarheid.

(Rijmsnoer).

O stede- en vaste oude meuniksmoffenwat schijnt ge mij een beeldvan veile vastigheid;de vlaamsche vuist heeft ueens in den leest getroffen,u in de scherpe zon tedroogen uitgeleid;het angstig vier heeft unadien opeengestapeld,gebakerd ommentom uw leênen sterk gemaakt,totdat gij een en al. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .Neen, en schrijft, op rijm of onrijm,iets, of eer ge aan ’t schrijven gaat. . . . . . . . . . . . . . . . .Luistert allen, luistert allen:Gods woord is mij ingevallen.Ik had ne keer nen dicht gemaakt,en ’t stond van vooren aan zoo watvan God, gelijk geen een mij daten dient te doen herdichten,. . . . . . . . . . . . . . .Heere geeft dat wie, wanneerooit dit schrift in handen kome. . . . . . . . . . . . . . .Een lieftallig liedjen ophet wijken van den wintere.Een deuntje willen wij dichten.Dat hier en daar en elders leeft,dat nimmer nog bestaan en heeft,’t gebenedijde u al van in. . .. . . . . . . . . . . . . . . .Dat kruis dat gij mij gaafteen jaar van hier geleden.De zegen Gods, u, mij en aldie met ons bidt, bewaren zal.Een heel onvast onthouden vande onvaste voeren daar ze mij—. . . . . . . . . . . . . . . .Gij die God zijt dezer eeuwe,God gemaakt, in steê van God.Goevrijnacht, als Jezusgevangen, gesleurd,vol wonden geslegen,besmet en besmeurd.Heere, komt, ik ben ellendig,’k ben vol zonde en vol verdriet,komt, uw’ goedheid is onendig,lange en beidt, o Heere, niet.Hoe verre buiten al ’t bereikder menschelijke macht gesteld. . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .het worden van den zonnedag.’k Danke u, van het leven, datgij mij laat genieten.o Bindt mijn handen alle twee,o bindt mijn herte aan u, enen laat ze nooit meer, losgegaan,uw Godlijk herte schuwen.Oneindig wezen, God,drievuldig, een, almachtig,wat zijt gij dicht bij mijdie niet en zie en hoor.O Maria welk eene eere,dienstbaar zijn en God den Heeredragen, zoo gij, moeder zoet,Jesus uwen Schepper doet.’t Was God die onze zonden zag,’t is Hij die ze ons vergeven mag,en wij zijn ’t die de boetendaarvan God gelden moeten.Zijn eigen zoon en spaarde hij nieten liet hem voor mij slachten.Die elken vogel voedsel geeftgebrek voor mij geleden heeft.Die nievers zijns gelijke en vindtvoor mij wierd mensche en moeders kindDe wille des Heeren,zoo gister zoo nu,de wereld zal keeren,geen „individu”.En niet uw straffen naarons kwalijkdoen gemetenZijn leven stond hij af voor mij,gekruist, en voer in ’t graf voor mij.’k En wasnog in’t bestaanniet, en,bestaat,zei God,mijn kind,en ’k ben.Ons toekome, God en vader,dat wij immer nader, nader. . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . .ons toekome uw Koninkrijk.Oorspronkelijk en van eersten afis ’t God die mij dit leven gaf.Moeder stond zij, vol van smerte,naast het kruis en ’t brak heur herte,dat heur kind daar hangend was.Komt, de stem die roept tot u.Denkt gij, vriend, dat datniemen en weetdat in uwen boezemgeborgen, daar ligthet diepste van al,’t zij edel ’t zij leelijk’t zij goed het zij kwaad,’t gezien heeft een ooge en ’tbewaren, ontdekken. . . . .. . . . . . . . . . . . . . .Hij zal. . .Men durft er nog naar kijken nu:ze is nauwlijks overleden,ze lacht, of ’t ware, en schoonder isze, in de eeuwigheid getreden,als vroeger, daar zij lijdend lagen leelijk deed.Mij schielijk is een vreemdeontroeringe ingevallen:is stervende iemand, ofben, veeg, ik zelf misschienbestemd om heen te gaan?’t En gaat geen een verloren,geen dingen dat bestaat,’t en wordt geen een geboren,dat heel en al vergaat.Mijn schamel, schamel kind,hoe geren zou ’k het wezenvan uwe eenvoudigheidzien staande blijven, dat. . . . . . . . . . . . . .Maakt pompen van canonsen speiten van geweren,al ’t vechten is voorbij,’t is vrede weere in ’t land.Broonood lijdende,lam ellendig,nooit verblijdende,en onbestendig.Noch geld, noch wijn, noch brooden stilt den mensch zijn nood,daarbij begeert hij ookmet herte en ziele...rook!O vader, zorgt bevreesddat ’t kind u geren ziet,opdat gij nooit en vreest:dat kind en vreest mij niet.Pinte, ponte, palingpot,loopt ermeê naar ’t wagenkoot,loopt ermeê naar ’t overbuur...Waarom bemint u, kind, zoo zeer’t zij welke ontaarde zieledie kleen zijt, hulploos, arme en teer...Ei! wat baat het slingervuisten,hadt gij nog zoo zware knuistenstondt gij nog zoo hooge en sterk...Gij zijt, en zult het altijd wezen,zoo God u schiep, een vrije geest,geen lichaam, eene ziel, nadezen.Ten dorse geschreden, zoohing ’t harnashem loodzwaar om de leden.Over hem Gods handen waken,vrij van schade en schandeaanraken,waren ze ’t...De dood, wat is de dood,herdenkt, o mensch, een stonde.Noch wulvengier, noch evertand,en vreest die heeft gezond verstand,Met uw vuil en stinkend vatvol gouden vruchtbaarheden.Als ik jong was, zoo verlangde ik,dag op dag, naar iets of wat,Dien man zie ik geren rusten,zie ’k geren slapen gaan.Doet hetgeen gij moet,doet al dat gij doet[1].[1]Var. III:Doet hetgeen gij moet,Doet hetgeen gij doet,Gebaren is niet goed.En zeggen, zeker nu,zoo zult gij bij uw zelvenGeen bandenbrekend levenmenigvuldiglijk...Het leven is zoo kort, men kan ’tniet wel genoeg verleven.Heel verarbeid, heel vermoeid,zit nabij den boord te wachtenHoe schoon de weerde schat ook zij,’k en zal hem nooit beminnen[1].[1]Var. II:Hoe schoon de schat ook zij,Nooit zal ik hem beminnen,Hoe eer ik ware dood geweest,hoe min ’t hem ha’ gespetenHij riep met luider stem,daar alle dingen zwegen’k Voele een traan mijne oogen ontzwellen.als ik denke: ’t is voorbij[1].[1]Var. V:’k Voele een traan mijn oogontwellen.Maar haalt mij ievers een die halfzoo eerbaar in zijn. . . . .Wij hebben al niet veel anders meer,maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].[1]Var.W’n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,maar w’ hebben nog vlaamsche leute.Zoo is uw hand,zoo weze uw hert.Het leven, welk geluk was het,met Adam’s zonde en zeer besmet?Kleene visschen, zoo luidt het lied,en dappere dieven, en vangt men niet.Handhaaft u brood van hand,maar niet van herten.Daar is hij, roept er een,loopt weg, hij gaat u vangen!vol goedheid en vol vriendschaponversleten. . . . . . . . .Waar haalt hij ’t uit, waar haalt hij ’t al.Verre van ouders, verre van huis,verre vanErumpunt....Bottende, en om uit te bersten,ziet mij al die boomen staanzoo de naasten zoo de versten,zwellen doen ze en zwaar nu gaan:daar ’t nu zwart is, zal ’t gewordenlente zijn, van einde te orden,loopt het nog twee nachten aan.Waarom, waarom bemin ik tochden donder?Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mijdit wonder.Ik hoore heel den nachthet gulzig slokken vandie gote daar.Hoe dood, hoe dood,in al de levendhedender lieve lente, staat gij daaronlief alleen....Waar gaat gij, o geest van de blomme,wanneerzij ’t leven moet laten en liggen.Hebt toch meelye,menschen, meelyemet de schooneboomen Gods!De boomen roepen allen,overluid en lang:wat loopt gij, stoere stormen,boos en bulderachtigvoorbij op onzen hals.De bleekgroene schaaiaards,nog nauwlijks geblaard,rijên, hooge in de wolken,hun’ lochtige vaart.’k Zie u geren blauw en blank,blank en blauw gewevenwolkenDe mane zit en zietdat aan; ze schijnt te zeggen:’t is avond nu en ’t geenmijn zuster zonne zagis henen: rust nu waten nederleggende zorge gaat van dezen zwaren dag.Ik weet een hoeksken inden hof, en, daar geborgen,ontvluchte ik voor ’t geweldder luide levenszorgen.Verheven is ’t van de aarde,op oude bouwselbraken,met boomen overalomzet, en ’t zonneblakenen vindt het morgens nochdes middags; op nen stoelontduike ik dikwijls daar. . . . . . .en ’t getergdes werelds. . . . . . .en daaren vindt des morgens mijdaar zittend immer nietnoch middags; menschenloos. . . . . . . . . . . . . .zijt God die mij daar ziet.Pisseblommen.’t Weer is helder lauw en zoetzoo ’t niet elken dag en doet.Laat mij in de groene weiden,bij der hand, u henenleiden,’k zal u blomkes nu en dantoogen en gij zult daarvanlater dit en dat mij klappen,nopens blomkes eigenschappen.’t Blomke dat ik liefst van alzie en altijd blijven zalgeren zien zoo lange er bloeien,ziet het daar beneen u groeien,reis en reis met de eerde, daarstrekt zijn zedig loofgeblaar,en men ziet zijn groen verterremaar van bij en nooit van verre. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .wilt gij weten hoe ze nommen?’t zijn, met oorlof, pisseblommen.Uw vlerk,aan ’t werkin ’t zwerk,zweeft zwierend deur de wolken,o tier-end dierdat hieren ginder almedeensTallen tijden kan men nuversche blommen bloeien zien,bloeien te aller steden.Bolle kake,roode mond,och, hoe zal ’k het zeggen,witgetande,blij en blondThorhout, Thorhout, heilige stede,wist gij waar uw voet op staat;wat uw’ bosschen rooken dede,wat uw naam vermoeden laat.Steenratjeswaar hebt gijvan den nachtgeslapen?Wat zei dat vinnig stemgepiepdat uit dien boom mij tegenliepen groette.Men kan aan de dierenzoo vele doen zeggen,en spreken ze niet.De zage zuchten kerft het houtin kisteberd, in korstenO meulewal, met al ’t geheugender schuldelooze onnoozelheidmij vóór uw’ voet en lief geheugenHoe schoon, hoe schoon,wat zal ik anders zeggen,hoe schoon, hoe schoonen van geen menschenmacht(wolke met zwart haardat er bij langeklissen uitschiet).Zwarte eeken, olmen,donkergroene esschen,abeelen die grauwtGij merelaar met uw zwart habijten uwen bek van goude,wat wondere ik hoe gij blijde zijtHoe stille is ’t om de stad nu hieris ’t op de kwaadste dagenverdragelijk, als ’t kiezinge isof lotingeHoe schoon zijt gij van verre uit uwbeggijnhofboomenO wat is ’t toch lief getalrondom mij en rondom alO zingend kind, en wist’ gij nieten zongt gij zoo ’t de vogels doen’t Was op nen dampen donkeren dag,’t was ’s morgens in de vroegteDe zonne is weg die liên en landverblijdt, en ’t vlugge volk van ’s hemels harpenarenDen nieuwen wegel werptde zon vol oosterlicht,Zegt mij hoe de sterren worden,zegt mijZe beven door de lucht,de duivenIk ben eens verre weg,bij donker nacht, geredenEn stoort de vleugels niet,ze zijn zoo bezig.Van boomen die roerloos, en schoonzichtbaar, in den smoor bedolven staan.En die eer gedroomde boomenals gewisse boomen zijnEer dauw en dag,eer dag en dauw’t Is stille, stille allengskens, en’t is avond weer aan ’t worden.De wereld draait nochtans.’t Molenzeil, dat, bruingeboendDe wind die uit de stikken waait.Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?Ik heb nen dreupel dauw gedronken,gesmaakt, geweeklaagd en geweend...Peerden van de dood gelijk’t Zij van oost of west of waarDoomend lijk een reukoffrandeAch, herontsteekt de lampe tochWat groot gebouw daarin wij wonen mogenBrijkroode oude wandenIk weune bij de zee,de blauwe zee, de barenze staan tot in mijn huis,en de onafmeetbaarheidWelgekomen zijt mij allen,die na duizend ongevallen,op des werelds wilde zee,zoekt en ziet de blijde havenVijfden van de sture maand,die des winters wegen baanto Sneeuw, gewolde drachtder witte winterveldenMen hoort dat ’t koud isGekeend en gespletenvan koude is mijn velDe Maarte komt besneeuwdHalf rood, half groende hagen staan,half beukenhout,half ieuwen;ik hope datvrouw Lente zalverneschen envernieuwendat dood nu is;in tusschentijdmij wellekomgij, winter, zijtomdat gij. . . . . . .De dagen langen nauw genoeg,maar toch, ik kan bespeurenGij, winden, kunt o—o—o—o—o—o—o—o—o—o—ik bidden kan.

O stede- en vaste oude meuniksmoffenwat schijnt ge mij een beeldvan veile vastigheid;de vlaamsche vuist heeft ueens in den leest getroffen,u in de scherpe zon tedroogen uitgeleid;het angstig vier heeft unadien opeengestapeld,gebakerd ommentom uw leênen sterk gemaakt,totdat gij een en al. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .

Neen, en schrijft, op rijm of onrijm,iets, of eer ge aan ’t schrijven gaat. . . . . . . . . . . . . . . . .

Luistert allen, luistert allen:Gods woord is mij ingevallen.

Ik had ne keer nen dicht gemaakt,en ’t stond van vooren aan zoo watvan God, gelijk geen een mij daten dient te doen herdichten,. . . . . . . . . . . . . . .

Heere geeft dat wie, wanneerooit dit schrift in handen kome. . . . . . . . . . . . . . .

Een lieftallig liedjen ophet wijken van den wintere.

Een deuntje willen wij dichten.

Dat hier en daar en elders leeft,dat nimmer nog bestaan en heeft,’t gebenedijde u al van in. . .. . . . . . . . . . . . . . . .

Dat kruis dat gij mij gaafteen jaar van hier geleden.

De zegen Gods, u, mij en aldie met ons bidt, bewaren zal.

Een heel onvast onthouden vande onvaste voeren daar ze mij—. . . . . . . . . . . . . . . .

Gij die God zijt dezer eeuwe,God gemaakt, in steê van God.

Goevrijnacht, als Jezusgevangen, gesleurd,vol wonden geslegen,besmet en besmeurd.

Heere, komt, ik ben ellendig,’k ben vol zonde en vol verdriet,komt, uw’ goedheid is onendig,lange en beidt, o Heere, niet.

Hoe verre buiten al ’t bereikder menschelijke macht gesteld. . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .het worden van den zonnedag.

’k Danke u, van het leven, datgij mij laat genieten.

o Bindt mijn handen alle twee,o bindt mijn herte aan u, enen laat ze nooit meer, losgegaan,uw Godlijk herte schuwen.

Oneindig wezen, God,drievuldig, een, almachtig,wat zijt gij dicht bij mijdie niet en zie en hoor.

O Maria welk eene eere,dienstbaar zijn en God den Heeredragen, zoo gij, moeder zoet,Jesus uwen Schepper doet.

’t Was God die onze zonden zag,’t is Hij die ze ons vergeven mag,en wij zijn ’t die de boetendaarvan God gelden moeten.

Zijn eigen zoon en spaarde hij nieten liet hem voor mij slachten.

Die elken vogel voedsel geeftgebrek voor mij geleden heeft.

Die nievers zijns gelijke en vindtvoor mij wierd mensche en moeders kind

De wille des Heeren,zoo gister zoo nu,de wereld zal keeren,geen „individu”.

En niet uw straffen naarons kwalijkdoen gemeten

Zijn leven stond hij af voor mij,gekruist, en voer in ’t graf voor mij.

’k En wasnog in’t bestaanniet, en,bestaat,zei God,mijn kind,en ’k ben.

Ons toekome, God en vader,dat wij immer nader, nader. . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . .ons toekome uw Koninkrijk.

Oorspronkelijk en van eersten afis ’t God die mij dit leven gaf.

Moeder stond zij, vol van smerte,naast het kruis en ’t brak heur herte,dat heur kind daar hangend was.

Komt, de stem die roept tot u.

Denkt gij, vriend, dat datniemen en weetdat in uwen boezemgeborgen, daar ligthet diepste van al,’t zij edel ’t zij leelijk’t zij goed het zij kwaad,’t gezien heeft een ooge en ’tbewaren, ontdekken. . . . .. . . . . . . . . . . . . . .Hij zal. . .

Men durft er nog naar kijken nu:ze is nauwlijks overleden,ze lacht, of ’t ware, en schoonder isze, in de eeuwigheid getreden,als vroeger, daar zij lijdend lagen leelijk deed.

Mij schielijk is een vreemdeontroeringe ingevallen:is stervende iemand, ofben, veeg, ik zelf misschienbestemd om heen te gaan?

’t En gaat geen een verloren,geen dingen dat bestaat,’t en wordt geen een geboren,dat heel en al vergaat.

Mijn schamel, schamel kind,hoe geren zou ’k het wezenvan uwe eenvoudigheidzien staande blijven, dat. . . . . . . . . . . . . .

Maakt pompen van canonsen speiten van geweren,al ’t vechten is voorbij,’t is vrede weere in ’t land.

Broonood lijdende,lam ellendig,nooit verblijdende,en onbestendig.

Noch geld, noch wijn, noch brooden stilt den mensch zijn nood,daarbij begeert hij ookmet herte en ziele...rook!

O vader, zorgt bevreesddat ’t kind u geren ziet,opdat gij nooit en vreest:dat kind en vreest mij niet.

Pinte, ponte, palingpot,loopt ermeê naar ’t wagenkoot,loopt ermeê naar ’t overbuur...

Waarom bemint u, kind, zoo zeer’t zij welke ontaarde zieledie kleen zijt, hulploos, arme en teer...

Ei! wat baat het slingervuisten,hadt gij nog zoo zware knuistenstondt gij nog zoo hooge en sterk...

Gij zijt, en zult het altijd wezen,zoo God u schiep, een vrije geest,geen lichaam, eene ziel, nadezen.

Ten dorse geschreden, zoohing ’t harnashem loodzwaar om de leden.

Over hem Gods handen waken,vrij van schade en schandeaanraken,waren ze ’t...

De dood, wat is de dood,herdenkt, o mensch, een stonde.

Noch wulvengier, noch evertand,en vreest die heeft gezond verstand,

Met uw vuil en stinkend vatvol gouden vruchtbaarheden.

Als ik jong was, zoo verlangde ik,dag op dag, naar iets of wat,

Dien man zie ik geren rusten,zie ’k geren slapen gaan.

Doet hetgeen gij moet,doet al dat gij doet[1].

[1]Var. III:Doet hetgeen gij moet,Doet hetgeen gij doet,Gebaren is niet goed.

[1]Var. III:

Doet hetgeen gij moet,Doet hetgeen gij doet,Gebaren is niet goed.

Doet hetgeen gij moet,Doet hetgeen gij doet,Gebaren is niet goed.

En zeggen, zeker nu,zoo zult gij bij uw zelven

Geen bandenbrekend levenmenigvuldiglijk...

Het leven is zoo kort, men kan ’tniet wel genoeg verleven.

Heel verarbeid, heel vermoeid,zit nabij den boord te wachten

Hoe schoon de weerde schat ook zij,’k en zal hem nooit beminnen[1].

[1]Var. II:Hoe schoon de schat ook zij,Nooit zal ik hem beminnen,

[1]Var. II:

Hoe schoon de schat ook zij,Nooit zal ik hem beminnen,

Hoe schoon de schat ook zij,Nooit zal ik hem beminnen,

Hoe eer ik ware dood geweest,hoe min ’t hem ha’ gespeten

Hij riep met luider stem,daar alle dingen zwegen

’k Voele een traan mijne oogen ontzwellen.als ik denke: ’t is voorbij[1].

[1]Var. V:’k Voele een traan mijn oogontwellen.

[1]Var. V:

’k Voele een traan mijn oogontwellen.

’k Voele een traan mijn oogontwellen.

Maar haalt mij ievers een die halfzoo eerbaar in zijn. . . . .

Wij hebben al niet veel anders meer,maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].

[1]Var.W’n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,maar w’ hebben nog vlaamsche leute.

[1]Var.

W’n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,maar w’ hebben nog vlaamsche leute.

W’n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,maar w’ hebben nog vlaamsche leute.

Zoo is uw hand,zoo weze uw hert.

Het leven, welk geluk was het,met Adam’s zonde en zeer besmet?

Kleene visschen, zoo luidt het lied,en dappere dieven, en vangt men niet.

Handhaaft u brood van hand,maar niet van herten.

Daar is hij, roept er een,loopt weg, hij gaat u vangen!

vol goedheid en vol vriendschaponversleten. . . . . . . . .

Waar haalt hij ’t uit, waar haalt hij ’t al.

Verre van ouders, verre van huis,verre van

Erumpunt....Bottende, en om uit te bersten,ziet mij al die boomen staanzoo de naasten zoo de versten,zwellen doen ze en zwaar nu gaan:daar ’t nu zwart is, zal ’t gewordenlente zijn, van einde te orden,loopt het nog twee nachten aan.

Waarom, waarom bemin ik tochden donder?Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mijdit wonder.

Ik hoore heel den nachthet gulzig slokken vandie gote daar.

Hoe dood, hoe dood,in al de levendhedender lieve lente, staat gij daaronlief alleen....

Waar gaat gij, o geest van de blomme,wanneerzij ’t leven moet laten en liggen.

Hebt toch meelye,menschen, meelyemet de schooneboomen Gods!

De boomen roepen allen,overluid en lang:wat loopt gij, stoere stormen,boos en bulderachtigvoorbij op onzen hals.

De bleekgroene schaaiaards,nog nauwlijks geblaard,rijên, hooge in de wolken,hun’ lochtige vaart.

’k Zie u geren blauw en blank,blank en blauw gewevenwolken

De mane zit en zietdat aan; ze schijnt te zeggen:’t is avond nu en ’t geenmijn zuster zonne zagis henen: rust nu waten nederleggende zorge gaat van dezen zwaren dag.

Ik weet een hoeksken inden hof, en, daar geborgen,ontvluchte ik voor ’t geweldder luide levenszorgen.Verheven is ’t van de aarde,op oude bouwselbraken,met boomen overalomzet, en ’t zonneblakenen vindt het morgens nochdes middags; op nen stoelontduike ik dikwijls daar. . . . . . .en ’t getergdes werelds. . . . . . .en daaren vindt des morgens mijdaar zittend immer nietnoch middags; menschenloos. . . . . . . . . . . . . .zijt God die mij daar ziet.

Pisseblommen.’t Weer is helder lauw en zoetzoo ’t niet elken dag en doet.Laat mij in de groene weiden,bij der hand, u henenleiden,’k zal u blomkes nu en dantoogen en gij zult daarvanlater dit en dat mij klappen,nopens blomkes eigenschappen.’t Blomke dat ik liefst van alzie en altijd blijven zalgeren zien zoo lange er bloeien,ziet het daar beneen u groeien,reis en reis met de eerde, daarstrekt zijn zedig loofgeblaar,en men ziet zijn groen verterremaar van bij en nooit van verre. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .wilt gij weten hoe ze nommen?’t zijn, met oorlof, pisseblommen.

Uw vlerk,aan ’t werkin ’t zwerk,zweeft zwierend deur de wolken,o tier-end dierdat hieren ginder almedeens

Tallen tijden kan men nuversche blommen bloeien zien,bloeien te aller steden.

Bolle kake,roode mond,och, hoe zal ’k het zeggen,witgetande,blij en blond

Thorhout, Thorhout, heilige stede,wist gij waar uw voet op staat;wat uw’ bosschen rooken dede,wat uw naam vermoeden laat.

Steenratjeswaar hebt gijvan den nachtgeslapen?

Wat zei dat vinnig stemgepiepdat uit dien boom mij tegenliepen groette.

Men kan aan de dierenzoo vele doen zeggen,en spreken ze niet.

De zage zuchten kerft het houtin kisteberd, in korsten

O meulewal, met al ’t geheugender schuldelooze onnoozelheidmij vóór uw’ voet en lief geheugen

Hoe schoon, hoe schoon,wat zal ik anders zeggen,hoe schoon, hoe schoonen van geen menschenmacht(wolke met zwart haardat er bij langeklissen uitschiet).

Zwarte eeken, olmen,donkergroene esschen,abeelen die grauwt

Gij merelaar met uw zwart habijten uwen bek van goude,wat wondere ik hoe gij blijde zijt

Hoe stille is ’t om de stad nu hieris ’t op de kwaadste dagenverdragelijk, als ’t kiezinge isof lotinge

Hoe schoon zijt gij van verre uit uwbeggijnhofboomen

O wat is ’t toch lief getalrondom mij en rondom al

O zingend kind, en wist’ gij nieten zongt gij zoo ’t de vogels doen

’t Was op nen dampen donkeren dag,’t was ’s morgens in de vroegte

De zonne is weg die liên en landverblijdt, en ’t vlugge volk van ’s hemels harpenaren

Den nieuwen wegel werptde zon vol oosterlicht,

Zegt mij hoe de sterren worden,zegt mij

Ze beven door de lucht,de duiven

Ik ben eens verre weg,bij donker nacht, gereden

En stoort de vleugels niet,ze zijn zoo bezig.

Van boomen die roerloos, en schoonzichtbaar, in den smoor bedolven staan.En die eer gedroomde boomenals gewisse boomen zijn

Eer dauw en dag,eer dag en dauw

’t Is stille, stille allengskens, en’t is avond weer aan ’t worden.

De wereld draait nochtans.

’t Molenzeil, dat, bruingeboend

De wind die uit de stikken waait.

Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?

Ik heb nen dreupel dauw gedronken,gesmaakt, geweeklaagd en geweend...

Peerden van de dood gelijk

’t Zij van oost of west of waar

Doomend lijk een reukoffrande

Ach, herontsteekt de lampe toch

Wat groot gebouw daarin wij wonen mogen

Brijkroode oude wanden

Ik weune bij de zee,de blauwe zee, de barenze staan tot in mijn huis,en de onafmeetbaarheid

Welgekomen zijt mij allen,die na duizend ongevallen,op des werelds wilde zee,zoekt en ziet de blijde haven

Vijfden van de sture maand,die des winters wegen baant

o Sneeuw, gewolde drachtder witte wintervelden

Men hoort dat ’t koud is

Gekeend en gespletenvan koude is mijn vel

De Maarte komt besneeuwd

Half rood, half groende hagen staan,half beukenhout,half ieuwen;ik hope datvrouw Lente zalverneschen envernieuwendat dood nu is;

in tusschentijdmij wellekomgij, winter, zijtomdat gij. . . . . . .

De dagen langen nauw genoeg,maar toch, ik kan bespeuren

Gij, winden, kunt o—o—o—o—o—o—o—o—o—o—ik bidden kan.


Back to IndexNext