8. Anneken Jans.

De achtbre wijsheit zelf knielt neerVoor Uw grooten Desideer.

De achtbre wijsheit zelf knielt neerVoor Uw grooten Desideer.

Ieder onzer kent wel den grijzen monnik op de Grootemarkt, die, zonder zich te storen aan het geroezemoes der groentevrouwen vòòr hem, of het ratelen van den trein àchter hem, aandachtig in zijn boek staat te lezen. Gedurende al de jaren, die over hem zijn heengegaan—en dat zijn er heel wat—heeft hij geen oog opgeslagen.

Desiderius Erasmus Rogerii, of Erasmus Roterodamus, zooals hij zich schreef, werd ± 1467 in het huisje in de Wijde Kerkstraat, dat later naar hem het Erasmushuisje genoemd is, geboren. Dit gebouwtje bestaat reeds sinds lang niet meer, maar toch kunnen we ons nog een denkbeeld vormen van het uiterlijk. Men heeft nl. de gelukkige gedachte gehad den vroegeren gevel in zijn oorspronkelijken vorm tegen het daar nu staande huis aan te bouwen. Om de illusie nog volkomener te maken, heeft men ook een luifel en den klopper,waarvan vroeger haast alle huizen voorzien waren, aangebracht.

Den 27stenSeptember 1549 was er in onze stad een aanzienlijk gezelschap bijeen. Philips van Spanje, de latere Philips II, en zijn tante Maria van Hongarije, de Landvoogdes, die met een aanzienlijk gevolg de Nederlanden doorreisden, vereerden ook Rotterdam met een bezoek. De tweeëntwintigjarige Prins, die deze reis op verlangen van zijn vader deed, om kennis te maken met zijn toekomstige onderdanen, werd feestelijk ingehaald. De geheele versierde stad jubelde den hoogen gast het welkom tegen. De huizen waren behangen met lakens van verschillende kleuren, voornamelijk rood en wit. Op alle waren de letters P. P. aangebracht, wat de dubbele beteekenis had van: „Aan Prins don Philips” en „Padre de la Patria”,dit is „Aan Prins Philips, den Vader des Vaderlands”. De burgemeesters, toen twee in getal, beijverden zich den Prins volgens rang en stand te ontvangen. Ze leidden hem door de kwistig getooide straten, tusschen twee rijen poorters, die, naar Zuidelijk gebruik, met brandende fakkels in de hand stonden. Toen de stoet op de plaats kwam, waar nu de Grootemarkt is, maar destijds nog voor het grootste deel water was, werd er halt gehouden. Hier wachtte Erasmus, de geleerde en beroemde Rotterdammer, den Prins op en overhandigde hem een welkomstgroet, geschreven in de taal der geleerden, het Latijn, en vertaald aldus luidende:

„Desiderius Erasmus aan Filips van Bourgondië,Prins van Spanje. Rotterdammer zijnde, heb ik wel willen toonen, dat ik mijne medeburgers niet verlaat. Op hun verzoek heet ik U, doorluchtige Prins, welkom binnen onze wallen, en ik beveel dit volk aan in Uwe genegenheid en bescherming. Allen huldigen U, o Keizerszoon, als Heer en kennen geen grooter geluk”.

Philips betoonde zijn tevredenheid, door onder de saamgestroomde menigte handenvol geld te strooien, wat denkelijk eveneens de goedkeuring onzer voorvaderen wegdroeg en voor de koninklijke bezoekers een amusement te meer was.

De Prins kon Erasmus zelf niet danken voor zijn welkomstgroet, evenmin als deze den keizerszoon den volgenden morgen in zijn nederige woning kon rondleiden, toen Philips na de godsdienstoefening in de St. Laurenskerk te hebben bijgewoond, een gang deed naar het geboortehuis van Erasmus en dit woninkje bezichtigde. De groote geleerde toch was reeds in 1536 te Bazel gestorven en met veel statie in de hoofdkerk begraven. Nog wijst een gedenkteeken, door zijn vereerders opgericht, de rustplaats aan van den grooten denker. En hoe kon Erasmus dan den vorigen dag Philips verwelkomen, zult gij vragen? Het zal u duidelijk zijn, als we zeggen, dat de feestredenaar van ..... hout was.

Zooals we zagen, werd Erasmus ± 1467 te Rotterdam geboren. Zeer kort daarna verliet hij deze stad, waar hij nooit meer is teruggekeerd.

ERASMVS ROTERODAMVS.(vergroting: 1168×1785, 335kb)

Gouda werd zijn woonplaats, waar hij zijn eersteopvoeding en onderwijs genoot. Daarna woonde hij te Utrecht en kwam in 1478 te Deventer op de Fraterschool. Reeds als kind blonk hij zoo zeer uit door schranderheid, ijver en leerlust, dat hij zich op twaalfjarigen leeftijd door een beroemd persoon hoorde toevoegen: „Ga zoo voort, eenmaal wordt gij een groot man”. En hij heeft zijn leermeesters niet teleurgesteld; integendeel, hij heeft hun stoutste verwachtingen overtroffen. Als groot geleerde heeft hij zich een naam gemaakt, die nu nog in alle beschaafde landen met eere wordt genoemd. De boeken, die hij heeft geschreven, zijn in vele talen overgezet en worden thans nog gelezen en bewonderd. „De lof der zotheid” is zijn bekendste werk.

Als monnik heeft hij een tijdlang in een klooster te Stein bij Gouda doorgebracht, waarna hij in verschillende landen, o. a. Zuid-Nederland, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland reisde en studeerde, zich steeds grooter naam als geleerde verwervende. Koningen en Keizers overlaadden hem met gunsten en eerbewijzen, en bij zijn bezoeken aan verschillende plaatsen werd hij gevierd, als was hij van koninklijken bloede. Als een bewijs, dat men den grooten geleerde nog steeds eert, kan het bericht in Engelsche bladen dienen, dat de toren van de Anglikaansche Kerk te Aldington voltooid is en daarmede een werk, dat ondernomen werd ter eere van Erasmus, die korten tijd rector van die gemeente is geweest. Het geld voor dezen toren, die men vier eeuwen geleden begon te bouwen en in 1911 eindelijk voltooid is, werd bijeengebrachtdoor vereerders van Erasmus over de heele wereld.

Al had hij na zijn prille jeugd Rotterdam nooit meer betreden, hij noemde zich toch steeds Erasmus Roterodamus; hij maakte zijn geboortestad, die aldus in zijn roem deelde, tot ver over de landsgrenzen bekend, en het is dus in de Rotterdammers te prijzen, dat ze 13 jaar na zijn dood den grijzen geleerde nog eens ten tooneele voerden, om als een waardige zoon van zijn vaderstad den Prins te verwelkomen.

Wat nu echter met het houten beeld gedaan? Opbergen tot er zich weer een feestelijke gelegenheid voordeed? Onze voorouders wisten beter. Ze plaatsten het op de brug, die over het Steiger gelegd werd en aldus het West-Nieuwland met de Hoogstraat verbond. Op deze brug werd markt gehouden, zoodat de man, die bij zijn leven steeds de stilte en de eenzaamheid zocht, in Rotterdam althans deze nooit heeft gekend. Want al meer dan 300 jaren is hij getuige geweest van het bedrijvige marktgewoel vóór hem.

Niet lang duurde het, of regen en wind hadden het houten beeld verteerd. Men was echter reeds te zeer gehecht aan en te trotsch op dezen beroemden stadgenoot om hem voortaan niet meer in zijn midden te wenschen. Daarom verrees er in 1557 een beeld van steen, dat beter tegen den tand des tijds bestand was en het tot 1622 uithield. Toen werd door den beroemden beeldhouwer Hendrik de Keyser—naar wien de Hendrik de Keyserstraat is genoemd—een nieuw beeld van koper vervaardigd. Dit metalen gietsel heeftde eeuwen getrotseerd en staat nog ongeschonden op de Grootemarkt.

Wanneer de ernstige man eens spreken kon, wanneer hij zijn eigen lotgevallen en die van zijn stad eens kon verhalen, ge zoudt wat hooren. Hij zou u vertellen van al de veranderingen, die in zijn onmiddellijke omgeving hebben plaats gegrepen; hoe langzamerhand mèt de stad, ook zijn terrein, de Markt is gegroeid; hoe de eenvoudige houten brug, waarop hij eerst een plaatsje kreeg, is geworden tot het breede terrein van heden. Hij zou u wat weten te vertellen van al de Rotterdammers, die hij aan zijn voeten heeft zien spelen, groot worden en heengaan. En wanneer de geleerde eens van eigen lijden en strijden ging verhalen! Dan zou hij u spreken over de woeste Spanjaarden, die hem in 1572 beschoten, verminkten en ten slotte te water wierpen, hoe hij later weer is opgehaald en opnieuw zijn oude plaats verkreeg. Hij zou het tegenwoordige geslacht zeker ook danken, dat het hem met rust laat en 's zomers niet meer blank poetst, want hij schaamt zich zijn oud gewaad, dat bij zijn ernstig uiterlijk past, niet. Met smart zou hij u spreken van den Franschen tijd; hoe hij er getuige van is geweest, dat daar voor hem de brooddronken Rotterdammers hand in hand met de Franschen om den vrijheidsboom dansten; van de daarop gevolgde vernedering, die zijn vaderstad ondervond; van den handel, die verliep; de industrie, die kwijnde; de armoede, die heerschte; hoe hij zelf in angst en beven verkeerde, toen Napoleon, bij zijn bezoek aan Rotterdam, hem, den man des vredes, tot kanonnenhad willen gieten; van zijn dankbaarheid, toen vermogende stadgenooten dit gevaar door betaling van een aanzienlijke som gelds wisten te bezweren. En zeker zou hij u met fierheid verhalen, hoe hij, na de jaren van vernedering te hebben medegemaakt, zich op een morgen, met de oranjekleur getooid, aan zijn medeburgers vertoonde, hoe hij door zijn tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen,Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

Durft niemand nog Oranje dragen,Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

een der eersten was, die den Franschen dwingeland openlijk durfde trotseeren.

Nadat Maarten Luther in 1517 de 95 stellingen aan de slotkerk te Wittenberg had aangeplakt en daarmee openlijk met de Roomsch-Katholieke kerk en leer had gebroken, sloten zich velen, die slechts op een voorganger hadden gewacht, bij den Hervormer aan.

Begon de Hervorming in Duitschland, als een niet te keeren stroom drong ze voort over de grenzen. Weldra waren er ook in ons land velen, die, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, de nieuwe leer beleden.

De veranderingen, die Luther en zijn volgelingen wilden invoeren, bepaalden zich tot den godsdienst. Andere Hervormers echter wilden niet alleen de kerk, maar ook de maatschappij volgens hun inzicht inrichten; ze droomden zich onder meer een samenleving in gemeenschap van goederen.

Onder Jan Mathijszoon van Haarlem en Jan van Leiden wisten deze godsdienstige dweepers—Wederdoopers werden ze genoemd, omdat zij zich voor de tweede maal lieten doopen—Munster in Duitschland in hun macht te krijgen. In deze stad ging men nu leven volgens de door hen verkondigde denkbeelden. Er werden daar echter, zoowel door de voorgangers als de volgelingen, zulke buitensporigheden en wreedheden bedreven, dat ze terecht als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde werden gebrandmerkt. Geen wonder dan ook, dat de aanhangers dezer leer aan felle vervolgingen blootstonden. Te vuur en te zwaard werden ze vervolgd; want, werden àlle afvalligen gevaarlijk geacht, de secte der Wederdoopers in dubbele mate. Wel waren er onder hen stille en bedaarde menschen, die al gelukkig geweest zouden zijn, indien ze ongemoeid hun nieuwe leer hadden kunnen belijden en verkondigen, maar in de vervolgingen, waaraan ze blootstonden, maakte dit geen onderscheid: ze waren allen des doods schuldig. Velen van hen zijn op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Ook in Rotterdam hebben enkelen terecht gestaan. Van één dezer strafoefeningen willen wij hier wat verhalen.

Het is 24 December 1538. Zoo juist zijn twee vrouwen, die de Delftsche poort uittraden om met de schuit naar Delft te vertrekken, aangehouden. Ze zijn dezen morgen met den vrachtwagen van het Kralingsche Veer gekomen en hebben de onvoorzichtigheid begaan onderweg een lied te zingen, dat geen twijfelliet, of ze behoorden tot de secte der Wederdoopers. Een reiziger heeft enkele klanken opgevangen en spoedig is zijn besluit genomen. De 50 Carolusguldens9), die op het aanbrengen van een ketter gesteld zijn, wil hij verdienen. Als de vrouwen, waarvan de jongste met een knaapje op den arm, zich na eenig oponthoud in de stad, te voet naar de Delftsche schuit begeven, snelt hij naar den Baljuw Minnebeek, wien hij zijn ontdekking mededeelt. Enkele „rakkers” worden den verklikker medegegeven en weldra zijn de beide weerlooze, doodelijk verschrikte vrouwen aangehouden. Nog denzelfden avond worden ze ten huize van den baljuw, voor dezen en de vier schepenen geleid. Daar hooren wij de ondervraging, de namen en ook de bekentenis, dat zij tot de gehate secte behooren. De oudste is Christina Michiel Barents uit Leuven, oud 50 jaar, de jongste Anneken Jans uit den Briel, 28 jaar oud. In plaats door ontkenning te trachten haar leven te redden, bekennen zij onbeschroomd tot de Wederdoopers te behooren. Met geestdrift, die haar rechters niet kunnen begrijpen, roept de jongste der vrouwen uit: „Gij hoort het, wij bekennen ons geloof, omdat het geen misdaad is, maar een eeuwige eere, dat men wordt waardig gekeurd om de martelkroon te dragen ter eere Gods, tot verheerlijking van dien Heer, die in der Eeuwigheid woont, Wiens oogen ons gadeslaan en Die ons roept tot een oordeel der wereld en tot Zijnen en onze glorie, Amen”.

Thans is haar vonnis geveld. Ze zullen beiden den waterdood sterven.

Een maand is voorbijgegaan. Het is de 23steJanuari 1539 en het uur der voltrekking van het vonnis heeft geslagen. Beide vrouwen zullen verdronken worden buiten het Hofpoortje, waar de Rotte en Schie te zamen vloeien10). Naargeestig luidt de klok op dien somberen Januarimorgen. Bleek en verzwakt, de hoofden ontbloot, in het grauwe gewaad der boetelingen, de verkleumde handen wringende in doodelijken angst, treden ze nader. Achter haar loopen de beul en zijn knechten, niets dragende dan twee zakken en eenige koorden.

De beul is gekleed in den bloedrooden mantel en heeft een witte twijg in de hand: het symbool der gerechtigheid.

Daar achter treden eenige geestelijken, die de ter dood veroordeelden straks woorden van moed en troost zullen toespreken, en baljuw en schepenen, allen plechtig in het zwart gekleed.

Zoo treedt de droeve stoet den Oppert in, omstuwd door een groote menigte, die getuige wil zijn van de terechtstelling. Hier en daar hooren wij een afkeurend gemompel tegen de goddelooze ketters11), maar ook treffen ons oor uitingen van medelijden met de twee ongelukkigen, die, ten doode gedoemd, zich met wankelende schreden naar haar kille graf voortsleepen. Vooral de jongste wekt het medelijden op. Haar kind,een knaapje van nog geen twee jaren, houdt ze krampachtig in de armen gekneld. Met smeekenden blik keert ze zich tot de burgers en roept: „Goede lieden, in den naam Gods en ons aller Verlosser, op Wiens genade ik hoop, maak mij het sterven licht door dit arm, onschuldig kind tot u te nemen en op te voeden, in eere en in de vreeze Gods! Dit geld, alles wat ik nog bezit, zij het uwe, en Gods zegen zal er op rusten en uw werk is welgevallig in Zijn oog! Mannen, vrouwen, moeders als ik, moet ik dan sterven, sterven en mijn kind nalaten in handen van hen, die wellicht den zoon van de wederdoopster zullen mishandelen en haten om mijnentwil. Genade alleen voor hem; dit geld is toereikend voor zijn onderhoud! Is er dan niemand onder u allen? niemand! niemand! O mijn God, dit is de zwaarste beproeving!——de zwaarste!”

Iedereen is diep bewogen, maar geen arm strekt zich uit naar het hulpeloos jongske. Zou er dan niemand zijn, die den moed heeft het kind van een kettersche tot zich te nemen en daarmee zich aan het gevaar bloot te stellen, zelf voor een afvallige te worden aangezien?

„Daar drong een man de drommen door,Een schaamle bakkersknecht;Hij gaf zijn hart alleen gehoorEn stapte voor 't geregt.Dit bloedje heeft geen maag of vrind;Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind,Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij,Daar kan een zesde bij”!

„Daar drong een man de drommen door,Een schaamle bakkersknecht;Hij gaf zijn hart alleen gehoorEn stapte voor 't geregt.Dit bloedje heeft geen maag of vrind;Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind,Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij,Daar kan een zesde bij”!

Het gelaat van de ter dood veroordeelde moeder wordt door een laatsten vreugdeblos overtogen. Nog eens kust zehartstochtelijk het weenende knaapje en geeft het daarna over aan den menschlievenden bakker, zeggende: „O, dat loone u God, brave man! volg mij, tot daar, dáár”!

Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint.Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint.(vergroting: 1193×958, 197kb)

En voort gaat de droeve stoet weer, het Hofpoortje uit. De schuit, die de vrouwen tot midden op het water zal brengen, ligt reeds gereed. Christina Barents wordt er opgebracht; de beul werpt haar een wijden zak over het hoofd en bindt dezen dicht. De beulsknechten doen hun plicht.... een kreet weerklinkt, een doffe plomp en de ongelukkige heeft haar straf ondergaan.

Thans is het de beurt van Anneken Jans. Nogmaals drukt de moeder haar lieveling aan het hart. Ze is gereed haar vonnis te ondergaan. Maar wat is dat? Vanwaar dat gekraak en angstgegil? Het brugje buiten de poort, propvol met nieuwsgierigen, is bezweken en een aantal menschen spartelt in den vloed.

„Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven,Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij,Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij”.

„Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven,Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij,Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij”.

Zouden Anneken Jans, de toeschouwers en de rechters, er geen teeken in zien van Gods toorn, dat men daar twee vrouwen ter dood brengt, wier grootste overtreding bestaat in het dienen van God op een andere wijze, dan volgens de wetten geoorloofd is? De rechters zeker niet, want geen genade wordt verleend. Nog eenmaal omhelst Anneken haar lieveling, daarna geeft ze hem aan zijn pleegvader. „Neem dit kind, zijn naam is Esaias, voedt het op in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes, Amen”! Het zijn haar laatste woorden,—weldra is zij haar geloofsgenoote in den dood gevolgd.

Tegen den avond werden de beide vrouwen uit het water opgehaald en op het kerkhof aan het Roodezand begraven. Voor ter dood gebrachten en zelfmoordenaars was geen plaats in den gewijden grond rondom de St.Laurenskerk.

De bakker, De Lint genaamd, die in zijn edelmoedigheid het hulpeloos knaapje tot zich had genomen, zag zijn goede daad beloond. Zijn zaak nam van jaartot jaar in bloei toe en de man, die eertijds met moeite zijn brood kon verdienen, liet bij zijn dood een aanzienlijke erfenis na12).

En het kind! Het had een gelukkiger leven dan zijn moeder. Esaias Arentsz. de Lint werd een welgesteld man en mocht zich in later jaren zoo in het aanzien zijner medeburgers verheugen, dat hij Burgemeester werd van de stad, waar zijn moeder was terechtgesteld. Moge hij zich in deze waardigheid verdraagzamer hebben betoond, dan zij, die zijn moeder hadden gerecht. Hij zal er haar gedachtenis het best door hebben kunnen eeren.

9)1 Carolusgulden = ƒ 1,675.

10)Het tegenwoordige Hofplein, in 1829 gedempt.

11)Zoowel mannen als vrouwen werden ketters genoemd.

12)Volgens de overlevering woonde hij in de bakkerij, waar thans nog „In den Gloeienden oven” uithangt.

Het was Zaterdag 10 Juli 1563, omstreeks twee uur in den middag, dat er bij een kuiper in de Molensteeg brand uitbrak. De licht brandbare stoffen in de werkplaats gaven de ramp reeds van den aanvang af een ernstig aanzien. Hoe de meester en zijn gezellen, straks geholpen door de buren, al hun krachten inspanden het vernielend element te beteugelen, het mocht niet baten; zij stonden machteloos tegenover de hoog oplaaiende vlammen, die zich boven het West-Nieuwland verhieven. De toegesnelde mannen, die zich weldra met hun lederen emmers gewapend, dubbel hadden gerijd van de watertrappen aan de Grootemarkt tot deplaats des onheils, mochten zich weren zoo hard zij konden, mochten vliegensvlug de gevulde en weer geledigde emmers en ketels van hand tot hand doen gaan, de vlammen vonden een te willige prooi in de belendende gebouwen, werden te zeer aangewakkerd door den sterken zuidwestenwind, dan dat de strijd tusschen de twee elementen lang onbeslist kon blijven. Na zeer korten tijd stond de geheele steeg in lichtelaaie, kronkelden de lekkende vlammen om de houten huizen en de werkplaatsen, joeg een verstikkende rook over het oostelijk deel der stad, vlogen de brandende rietstengels hoog door de lucht, tot ze dwarrelend neervielen op de daken van de in de nabijheid staande woningen. Wel poogde men, door natte zeilen over de daken te leggen, den brand tot de steeg te beperken, maar vruchteloos; na korten tijd was het geheele West-Nieuwland, van Molensteeg tot Kolk één vlammenzee, die zich door niets liet stuiten, die voortrolde over de brug, welke naar den Rijstuin leidde, die de schepen in de Kolk aantastte en ze in rook deed opgaan, die zich wierp op Rijstuin en Hoofdsteeg, nieuw voedsel vond in Houttuin en Groenendaal, oversprong op Hoogstraat, Achterklooster en Goudsche Wagenstraat, om eindelijk in haar razenden loop bij de Hoenderbrug en Frankenstraat gestuit te worden.

Toen de avond daalde over het verwoeste stadsdeel, en de Julizon haar laatste stralen over het geteisterde Oosterkwartier wierp, bescheen ze één grooten puinhoop, waarover de mannen, vrouwen en kinderen als verwezen rondliepen en naar de verkoolde overblijfselenhunner dierbaren zochten; die in één dag zich ontnomen zagen, waarvoor zij een menschenleven hadden moeten zwoegen; die zich enkele uren te voren nog hadden verheugd in het gelukkige bezit van een bloeiend bedrijf en nu niets meer het hunne konden noemen dan de rookende en smeulende massa daar voor hen.

Van de 1731 huizen, die Rotterdam toen telde, waren er 250 totaal verwoest, 700 zwaar beschadigd. De Waterpoort aan het eind der Hoofdsteeg, de Oost- en Goudsche Poort waren in vlammen opgegaan. Het Pesthuis, op het eind van de Goudsche Wagenstraat—waar nu het Gereformeerd Burgerweeshuis wordt aangetroffen—was, evenals het uitgestrekte Dominicanerklooster op het oosteinde der Hoogstraat, door het vernielend element verteerd. Zestig, meerendeels geladen, schepen in de Kolk, pottebakkerijen, lijnbanen, schuren en loodsen, waren een prooi der vlammen geworden. Daar men nog geen verzekering tegen brandschade kende, misten honderden alle middelen, zich nieuwe woonhuizen of werkplaatsen te bouwen of nieuwe gereedschappen aan te schaffen, om hun bedrijf weer te hervatten.

Is het te verwonderen, dat sommigen de stad verlieten, die hun lief was geworden, maar hun geen brood meer gaf; dat de nood hoog, de armoede groot was?

Filips II.Filips II.(vergroting: 1428×1217, 250kb)

Gelukkig kwam er hulp en wel van den man, die later zooveel wee heeft gebracht over deze landen; van wien steeds zooveel kwaads en zoo bitter weinig goeds vernomen wordt. Wij Rotterdammers mogen zijn naam dan ook niet noemen, zonder met een gevoel vandankbaarheid te gewagen van de helpende hand, ons toegestoken in de benauwde tijden na den brand.

Filips, onze landsheer, vaardigde nl. eenige besluiten uit, waarbij verordineerd werd, dat onze stad in geen 14 jaren eenige belasting aan hem behoefde op te brengen. Verder verleende hij aan ieder, die schulden bezat, het recht, de betaling hiervan vier jaren uit te stellen, terwijl zij, die iets misdreven hadden, kwijtschelding van straf verkregen, indien zij binnen vier jaar hun woning weer hadden opgebouwd, of verarmden stadgenooten bij den herbouw hunner verwoeste haardsteden hulp hadden verleend.

Onthieven de eerste twee bepalingen onze voorouders van groote zorgen, de laatste twee waren voor velen een prikkel om den herbouw spoediger aan te vangen en flinker door te zetten, dan anders zeker het geval zou geweest zijn.

De Stedelijke Regeering deed eveneens al wat in haar vermogen was, om de geleden schade te herstellen en zoo mogelijk een herhaling der ramp te voorkomen.

Het was toch immers ten duidelijkste gebleken, dat de hoofdoorzaak, waardoor de brand zoo'n omvang verkregen had, gezocht moest worden in de met riet gedekte houten huizen. Daarom werd nu door de Overheid de al te zeer verwaarloosde bepaling van het jaar 1558, waarbij het verboden was nieuwe huizen met riet te dekken of oude daken met riet te herstellen, opnieuw uitgevaardigd en—wat meer zegt—er werd streng de hand aangehouden. Zoodoende werden vele der nieuwgebouwde of herstelde woningen geheel of gedeeltelijkvan steen opgetrokken, terwijl zij alle van een hard dak voorzien werden. De kosten van dit laatste werden voor ⅓ deel door het stadsbestuur gedragen.

Doch men deed meer. De steeg van de Hoogstraat naar de Waterpoort, de tegenwoordige Hoofdsteeg, was zeer nauw. Van de gunstige gelegenheid maakte men nu gebruik ze te verwijden tot een straat, welke voor dien tijd als breed kon gelden. De drukke weg van en naar het Hoofd werd zoodoende zeer verbeterd. De nieuw opgetrokken woningen werden hier dus meer achterwaarts geplaatst. Het stadsbestuur had daartoe van Filips het recht verkregen om de strook grond, benoodigd om de straat te verbreeden, te onteigenen.

De opbouw van de stad ging echter niet zóó vlug, als men wel gehoopt en verwacht had. Vooral het volgend jaar was een tijd van kommer en gebrek, toen heerschte hier zeer groote armoede: de levensmiddelen waren schaarsch en dientengevolge duur, de verdiensten gering.

Weer was het de landsheer, die zijn onderdanen ter hulp kwam. Hij schonk Rotterdam het privilegie om ieder jaar een ledermarkt te mogen houden. Dit voorrecht, dat in gewone omstandigheden vaak met goud werd betaald, bracht dagen lang een bonte mengeling van kooplustige vreemdelingen in de stad, gaf leven en vertier, werk en brood.

Ware het niet, dat zoo spoedig na 1563 de tachtigjarige oorlog een aanvang genomen had, wellicht dat Rotterdam zich spoediger had hersteld van den toegebrachten slag, dan nu het geval was.

Wat al nare en bange dagenSleet zij, toen de Spaensche Vorst't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst!Wat verdroeg ze al harde slagenOnder Alvaes tiranny!Toen Bossu haar kwam bespringen,En met scherpgewette klingen,Woedde op hare Burgerij.

Wat al nare en bange dagenSleet zij, toen de Spaensche Vorst't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst!Wat verdroeg ze al harde slagenOnder Alvaes tiranny!Toen Bossu haar kwam bespringen,En met scherpgewette klingen,Woedde op hare Burgerij.

Wij kennen allen de monumentale fontein op de Nieuwemarkt. Bezien we deze nader, dan lezen wij de volgende opschriften: Ter Herinnering aan de feestviering van 1 April 1872–1 April 1572. Het morgenrood der vrijheid—Onthuld 22 October 1874—

Den Briel ontrukt aan SpanjeBehouden door Oranje.

Den Briel ontrukt aan SpanjeBehouden door Oranje.

Het statige, uit zandsteen gehouwen vrouwenbeeld, dat het geheel kroont, stelt de Nederlandsche Maagd voor. Zij rust met de hand op een speer, waarop de vrijheidshoed prijkt. De hoeken zijn versierd met vier staande leeuwtjes, die als schildhouders dienst doen. Daaronder zien we vier mannenfiguren, voorstellende: een Batavier, een Poorter, een krijgsman en een zegelbewaarder13). De hardsteenen kom, die het water opvangtvan twee zwanen en twee dolfijnen, voltooit het geheel. Ge wist het al wel en anders vertellen de opschriften het u zeer duidelijk, dat dit monument daar is geplaatst als een herinnering aan een der roemruchtigste gebeurtenissen uit onze heldenhistorie: de inneming van den Briel door de Watergeuzen.

Waarom heeft men dit gedenkteeken nu juist in Rotterdam opgericht? Heeft onze stad dan wat met de inneming van den Briel te maken gehad?

Zeer zeker, en niet weinig ook. De Rotterdamsche burgerij, die in 1872, bij het driehonderdjarig herdenken van dit overbekende wapenfeit zoo duchtig heeft feest gevierd, had daarvoor in 1572 al zeer weinig reden. Gloorde voor de Brielenaren de dageraad, voor de Rotterdammers werd het donkere nacht; zal de daad der Watergeuzen menig dankgebed in de St. Catharinakerk hebben doen opgaan, de St. Laurens zal de stille getuige geweest zijn van menige smeekbede om verlossing; zal de grijze steenklomp aan den Maasmond met vreugde en trots de wapperende Oranjekleur aan land en zee hebben vertoond, onze oude toren zal met smart en tegenzin de Spaansche kleuren hebben gedragen. En wij willen hopen voor de jubelende Rotterdammers uit 1872, dat er ook onder hen zijn geweest, die zich een oogenblik aan de feestvierende menigte hebben onttrokken en met eenigen weemoed de voorvaderen hebben herdacht, die in 1572 door de handen der moord- en plunderzieke Spanjaarden zijn gevallen.

Den 1stenApril 1572 was den Briel door de Watergeuzen ingenomen. Zoodra Bossu, stadhouder van Holland, van de Rotterdamsche burgemeesters deze tijding in den Haag ontving, spoedde hij zich naar Maaslandsluis (Maassluis). Hier trok hij zijn troepen te zamen, stak den Maasmond over14)en landde in de Bornesse, tusschen Voorne en Putten. Onder bewaking van een geringe krijgsmacht liet hij de transportschepen daar achter en rukte zelf op den Briel aan. Krachtig tastte hij de stad aan en het scheen, dat de Spanjaarden overwinnaars zouden blijven in den strijd. Daar veranderden echter de oorlogskansen: de Geuzen hadden een bondgenoot gekregen in het bruisende water, dat den polder, waarin gestreden werd, binnenstroomde. Rochus Meeuwiszoon, een Brielsch timmerman, had al zwemmende, onder een regen van musketschoten, de Nieuwlandsche sluis weten te bereiken en open te hakken, zoodat het terrein van den strijd geheel onder water kwam te staan. Toen bovendien de slecht bewaakte transportschepen door de Watergeuzen in brand waren gestoken of tot zinken gebracht, oordeelde Bossu het maar het verstandigst het beleg op te breken en de stad voorloopig in handen der Watergeuzen te laten.

Hoezee! Behouden was den Briel,Door Rochus Meeuwisz. trouwe.Hij was er een met hart en zielVoor Willem van Nassouwe.Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem'Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Hoezee! Behouden was den Briel,Door Rochus Meeuwisz. trouwe.Hij was er een met hart en zielVoor Willem van Nassouwe.Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem'Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Waar moest hij nu echter heen? De weg over den Maasmond was voor hem zoo goed als afgesloten. Al had hij schepen kunnen bemachtigen, dan toch zou de overtocht te gevaarlijk geweest zijn, daar de „Piraten” met hun vlugge zeilers de geheele Maas bestreken. Van den nood een deugd makende, besloot hij daarom oostwaarts op Dordrecht aan te trekken. Voor deze stad gekomen, vonden de Spanjaarden echter de poorten gesloten, en hoe mooi Bossu ook praatte, ze bleven dicht; men verkoos het ruwe krijgsvolk niet binnen zijn muren te ontvangen. Het eenige, wat de verbolgen Bossu wist te verkrijgen, was, dat Dordrecht hem de transportschepen leverde, waarmede de troepen verder vervoerd zouden kunnen worden. Het lag in de bedoeling van den stadhouder met deze schepen weer naar Maassluis te stevenen. Dicht bij Rotterdam gekomen, vernam hij echter, dat de Watergeuzen Delfshaven hadden bezet, zoodat hij wel genoodzaakt was van plan te veranderen. Voor Kralingen liet hij dan ook landen en ontscheepte zijn troepen aan den Honingerdijk.

Het was in den avond van den 8stenApril, dus pas een week na de inname van den Briel, toen Bossu zich met zijn mannen voor de Oostpoort vertoonde en verlangde binnengelaten te worden, om—zoo hij zeide—met zijn manschappen weer door de Delftsche Poort de stad te verlaten. Aan Bossu zelf werd toegang verleend. Burgemeesteren en Vroedschap ontvingen hem op het Raadhuis, waar hij zijn verzoek om doortocht herhaalde. Bevreesd voor Alva's toorn, indien men niet aan het verzoek van den stadhouder voldeed, was hetstadsbestuur aan de andere zijde toch ook weer niet erg geneigd de poorten voor de Spanjaarden te openen, daar het vreesde, dat deze, als ze eenmaal in de stad waren, ze niet zoo spoedig zouden verlaten, als wel door Bossu beloofd werd. Het is dan ook lang niet onmogelijk, dat de bestuurders onzer stad zich van de zaak wilden afmaken, door zich op de vijandig gezinde menigte te beroepen, die aan de Oostpoort was saamgestroomd en met geweld wilde beletten, dat de poort geopend werd. Hoe het zij, de troepen werden niet toegelaten en moesten den nacht in de open lucht doorbrengen. Het eenige, wat het stadsbestuur deed, was den soldaten voedsel en bier verstrekken.

De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.(Reproductie van één der Schoolplaten voor de Vaderlandsche Geschiedenis.—De Jongh en Wagenvoort.)(vergroting: 1779×1202, 260kb)

Den volgenden dag, nadat Bossu nog eens sterk op opening der poort heeft aangedrongen en nadat de Pastoor der St. Laurenskerk, Duifhuis, de menigte voor de poort kalmeerend heeft toegesproken, besluit men eindelijk de Spanjaarden door te laten. Met rotten van 25 man zullen ze worden toegelaten, mits de lonten gedoofd en de musketten naar beneden gericht zijn. Pas is de brug neergelaten en de poort geopend, of het krijgsvolk dringt in grooter getal naar binnen dan als voorwaarde is gesteld. De smid Zwart Jan, die met anderen de wacht houdt, maakt Bossu hierop opmerkzaam. De trotsche edelman, in woede ontstoken over deze terechtwijzing van een geminachten poorter, bijt hem toe: „Het voegt u niet, 's konings krijgslieden te tellen”. Gelijktijdig heft hij zijn zwaard en slaat daarmede in de richting van Zwart Jan. Deze weet den slag echter te ontwijken en valt nu op den Graafaan, die ten tweedenmale naar den smid slaat en hem nu zoodanig treft, dat deze machteloos ter aarde zinkt. Een musketkogel treft hem ter zelfder tijd in de borst en Rotterdam telt een plichtvol burger minder.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed,Vertrapt door 't woedend rot,En gaf, gelijk een held het doet,Zijn vrome ziel aan God.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed,Vertrapt door 't woedend rot,En gaf, gelijk een held het doet,Zijn vrome ziel aan God.

Deze korte strijd is het sein voor een algemeenen aanval op de burgerwacht. De bakker Jan Dominicuszoon heeft met anderen weldra het lot van zijn wapenbroeder gedeeld.

En woedende om den wederstand,Met bloedig moordtuig in de hand,Stoof heel het bent de stadspoort binnen.

En woedende om den wederstand,Met bloedig moordtuig in de hand,Stoof heel het bent de stadspoort binnen.

In Duizend Vreezen.In Duizend Vreezen.(vergroting: 1134×1696, 264kb)

Joelende en tierende gaat het naar de Grootemarkt, waar de Spaansche vlag wordt geplant. Wie tegenstand biedt, wordt gedood. De Delftsche poort, verdedigd onder den oud-burgemeester Jan Jacobsz. Roos, die eveneens met velen zijner getrouwen het leven laat, is ook weldra in het bezit der Spanjaarden, die nu heer en meester zijn in de stad. Schrikkelijk houden ze thans huis. Mannen, vrouwen en kinderen, het moet alles nu boeten voor de aanvankelijke weigering om de Spanjaarden binnen te laten. Velen verbergen zich voor de moord- en plunderzieke bende. Een huis op den hoek van het Hang biedt een schuilplaats aan enkele familieleden en vrienden. Om het den schijn te geven, of de woning reeds doorzocht is en er dus geen buit meer te behalen valt, heeft de bewoner de deurpostmet bloed besmeerd. De list gelukt en een ander huis wordt binnengeloopen en geplunderd, maar niet voor men den weerloozen bewoner uit het hoekhuis aan zijn been in de deuropening heeft opgehangen en dit met een kogel heeft doorboord. Gelukkig werd de man nog intijds gered; hoewel hij zijn geheele leven kreupel bleef, genas hij van zijn wonden.

in duizend vreezenDe zinnebeeldige voorstelling op den steen is niet met zekerheid bekend. Het is waarschijnlijk, dat we in het Lam de Republiek te zien hebben, die van alle zijden door gevaren—de roofdieren—wordt bedreigd. In de twee mannen zouden dan het Staatsche en Spaansche leger verpersoonlijkt zijn.(vergroting: 838×675, 97kb)

Op de plaats, waar dit huis stond, bouwde men in 1594 een nieuw pand. Als herinnering aan de angstige oogenblikken, die de in den kelder verscholen vluchtelingen doorgebracht hadden, metselde men in den gevel een steen, met het opschrift: „In Duizend Vreezen”.

Het oude huisje met het aantrekkelijk oud-Hollandschetrapgeveltje, waarvan nog een model in het Museum van Oudheden te zien is, werd later afgebroken en in nieuwerwetschen stijl herbouwd, maar toch draagt het nog steeds den naam, „In Duizend Vreezen”.

Niet alleen, dat de Spanjaarden hun woede koelden tegen de levenden, ook het levenlooze moest het ontgelden. Erasmus, toen nog van steen, werd beschoten, verminkt, en in het Steiger geworpen.

Hoewel Bossu zelf den 22stenApril Rotterdam reeds weer verliet, bleven de Spaansche troepen hier tot 22 Juli, toen ze door Alva naar het Zuiden werden ontboden. Een zucht van verlichting zal onze stad geslaakt hebben, toen de poort gesloten werd achter de muitzieke bende, die voor haar vertrek nog, hoewel gelukkig vergeefs, getracht had, de stad in vlammen te doen opgaan. Is het te verwonderen, dat het volgend jaar, toen door den Prins hulp werd gevraagd om Haarlem te ontzetten, vele stadgenooten, onder wie ook de latere beroemde Oldenbarnevelt, optrokken; dat ze in 1574 zonder morren hun stad voor een deel onder water zagen zetten, toen dit door de in den Maasdijk gemaakte gaten binnenstroomde? De herinnering aan de ondervonden behandeling van de dienaren was niet van dien aard, om de trouw aan den meester te versterken. Rotterdam koos de zijde van den opstand. Men richtte zelfs het oude Agnietenklooster aan de Botersloot—ter plaatse waar nu de Nieuwemarkt gevonden wordt—in, als tijdelijke woonplaats voor den Prins van Oranje.

Is het te begrijpen, dat men juist dezen historischengrond, bij de Prinsenkerk en Prinsenstraat, de eer waardig keurde, de monumentale fontein te dragen?

Als ge door de Oostpoort gaat, bezie dan af en toe eens den steen, daar ingemetseld als herinnering aan het verblijf der Spanjaarden, lees het opschrift en verwijl in uw geest een korte pooze bij mannen als Zwart Jan en Jan Dominicuszoon.

13)Een zegelbewaarder was een der hoogste ambtenaren, aan wien de bewaring van het Staatszegel was toevertrouwd en die de stukken van den Staat uitgaande, moest zegelen.

14)Rozenburg bestond nog niet.

„Daar hij15)slib en slijk weleerUit zijn kill' plagt op te lossen,Ziet hij nu de speelkarossenDaeglijks rijden ginds en weer”.

„Daar hij15)slib en slijk weleerUit zijn kill' plagt op te lossen,Ziet hij nu de speelkarossenDaeglijks rijden ginds en weer”.

Na het vertrek van Bossu met zijn soldaten heeft Rotterdam de Spanjaarden gelukkig niet meer binnen zijn muren gezien. Na het ontzet van Leiden in 1574 werd het oorlogstooneel, dat steeds in de Noordelijke Nederlanden geweest was, zuidelijker verplaatst.

In twee opzichten is dit voor de Noordelijke steden—ook voor Rotterdam—van groot belang geweest.

Nu toch konden handel, scheepvaart en industrie, die voor een goed deel verloopen waren, zich weer herstellen van de toegebrachte slagen. Dank zij de inspanning en volharding onzer voorouders merkenwe dan ook ± 1600 in haast alle steden—en niet het minst in onze stad—een wederopbloei van deze middelen van bestaan. Weldra heerschte er in de koopsteden een betrekkelijke welvaart, zooals men die vóór den oorlog niet had gekend.

Middellijk had hiertoe de oorlog zelf mede geholpen.

Het verblijf van de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden toch, deed een groot aantal kooplieden en handwerkslieden die gewesten ontvluchten en zich in de groote steden in Noord-Nederland vestigen. Na de Spaansche Furie in 1576 en vooral na den val van Antwerpen in 1585, kwamen velen uit deze en andere Belgische steden naar ons land. Middelburg, destijds een flinke koopstad, zag op deze wijze in drie jaar tijd zijn bevolking met 2700 nijvere burgers vermeerderen. De toeloop in Rotterdam was niet zóó groot, maar toch kwamen er hier ook heel wat, zoo bv. in 1584 vijftig weversgezinnen. Het stadsbestuur zag zulke gasten gaarne komen. Zij verstonden—en in den regel goed—een ambacht, brachten op deze wijze nieuwe industrieën in de stad en daardoor leven en vertier, werk en brood.

Het gevolg van dezen toevloed van nieuwe bewoners was al heel spoedig een te kort aan woningen, zoodat men alle nog beschikbare ruimten ging bebouwen.

In dien tijd zijn toen een groot aantal huisjes verrezen tusschen Goudschesingel, Goudsche Wagenstraat, Kipsloot en Pannekoekstraat. Bijkans dit geheele stuk was nog onbebouwd en in gebruik als boomgaard, weiland en lijnbanen. Langs de talrijke slootjes, diedit terrein doorsneden, bouwde men in smalle, donkere straatjes, huizen, die natuurlijk erg vochtig en ongezond moesten zijn.

Hier en daar bracht men, op erg ondiepe bouwterreinen, de huizen met den achterkant zelfs tot aan het water. Voorbeelden van deze bouworde kunnen we nog heden ten dage zien aan het Hang en de Weste-Wagenstraat.

Niet alleen dat er gebrek aan huizen ontstond, men kreeg evenzoo een te kort aan werkplaatsen, pakhuizen en havenruimte. Daarom ging men er toe over de stad uit te breiden en wel naar den waterkant, dus naar de Maaszijde. De Blaak en de Nieuwe Haven waren de stadsgrachten; daar voor strekte zich een groot terrein uit, rivierslib, door de Maas zelf gedurende eeuwen daar neergelegd. Dit gors of slik werd opgehoogd, omdat het veel te laag en moerassig was, om, zooals het daar lag, in gebruik te worden genomen. Den grond voor deze ophooging verkreeg men, doordat men tegelijk havens ging graven. Zoo ontstonden: Haringvliet, Buizengat, Leuvehaven, waarvoor men de Leuve alleen had uit te diepen en te verbreeden, Glashaven, Bierhaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven16).

De namen dezer havens duiden al aan, waarvoor ze voornamelijk dienden, òf waar de Rotterdammers hun bestaan in vonden. De wijnhandel en de bierbrouwerij waren van zoo groote beteekenis, dat er twee havens naar werden genoemd. Twee andere herinneren ons aande visscherij; de Scheepmakershaven aan de scheepsindustrie. De Glashaven verkreeg haar naam, omdat het eerste gebouw aan deze haven een glashuis of glasblazerij was.

Om de stad, die nu tot aan de Maas gebracht was, te versterken, werden er verschillende bolwerken gemaakt. Deze zijn thans al lang verdwenen, maar het tegenwoordige Bolwerk duidt nog aan, waar één er van gelegen heeft. Achter de Scheepmakershaven bouwde men langs de Maas een muur. Hier zou dus het landen voor vijandelijke schepen al heel gemakkelijk gemaakt zijn. Dit was echter niet de bedoeling en daarom werden er langs de geheele Maaszijde, op een afstand van eenige Meters, palen in de Maas geslagen, die dus als verdedigingsmiddel bedoeld waren.


Back to IndexNext