HOORN—ENKHUIZEN—MEDEMBLIK.

[Inhoud]HOORN—ENKHUIZEN—MEDEMBLIK.Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan. En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum (122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje, omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd[68]nog eens verbouwd konden worden in overeenstemming met den mooien toren.Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost, die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn, wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte. Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5denOctober en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik ook het andere niet kon vermeesteren.Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken. Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de overigen onder Rol de vlucht over Pampus.[69]9797TREKVAART VOLENDAM.9898MOLEN BIJ VOLENDAM.9999TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.100100AVOND IN VOLENDAM.101101MARKEN.102102MARKEN.[70]103103VUURTOREN BIJ DURGERDAM.104104WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.105105BEURTSCHIPPER.106106ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.107107HOORNSCHE VISCHBOTTER.108108JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.[71]Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet, raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde ’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte, en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich, daarenboven een graaflijke gevangenis … van omtrent driehondert soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd, van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op, tot gedenkteiken der zeege.”Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven. (120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere[72]burgers, die Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman, die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt als rust en vrede.Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers, Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den last van hun sneeuwwitte zeilen.Dat koerst en zwenkt allemaal naar Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is aangelegd.Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee, vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te zien of de pas geploegde voren.Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens opzoeken op de kaart.Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje, dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daarwordik altijd weer[73]herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12 October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig, desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128) of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te komen.Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude koopmanshuizen.Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141) net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden, waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjeso.a.een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de[74]hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken: „In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon, dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen langs den dijk.Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu een klein[77]plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s, goudsbloemen,O.-I.kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.109109MONNIKENDAM.110110EDAM. OUDE HUIZEN.111111MONNIKENDAM.112112HOORN. SINT JANS GASTHUIS.113113EDAM.114114HOORN. OOSTERPOORT.[76]115115SCHARDAM.116116DE BEEMSTERSLUIS.117117LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).118118STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.119119SCHELLINKHOUT.120120POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige buitens, alles even keurig en rijk.Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen uit te kijken over de Zuiderzee.Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap, Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken, als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1stenJuli des selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na Hoorn, en Medemblik ’t laatst.Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben[78]ze ingebouwd, zoodat het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen.Wipmolen.[80][81]

[Inhoud]HOORN—ENKHUIZEN—MEDEMBLIK.Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan. En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum (122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje, omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd[68]nog eens verbouwd konden worden in overeenstemming met den mooien toren.Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost, die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn, wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte. Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5denOctober en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik ook het andere niet kon vermeesteren.Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken. Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de overigen onder Rol de vlucht over Pampus.[69]9797TREKVAART VOLENDAM.9898MOLEN BIJ VOLENDAM.9999TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.100100AVOND IN VOLENDAM.101101MARKEN.102102MARKEN.[70]103103VUURTOREN BIJ DURGERDAM.104104WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.105105BEURTSCHIPPER.106106ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.107107HOORNSCHE VISCHBOTTER.108108JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.[71]Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet, raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde ’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte, en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich, daarenboven een graaflijke gevangenis … van omtrent driehondert soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd, van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op, tot gedenkteiken der zeege.”Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven. (120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere[72]burgers, die Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman, die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt als rust en vrede.Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers, Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den last van hun sneeuwwitte zeilen.Dat koerst en zwenkt allemaal naar Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is aangelegd.Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee, vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te zien of de pas geploegde voren.Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens opzoeken op de kaart.Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje, dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daarwordik altijd weer[73]herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12 October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig, desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128) of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te komen.Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude koopmanshuizen.Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141) net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden, waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjeso.a.een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de[74]hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken: „In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon, dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen langs den dijk.Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu een klein[77]plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s, goudsbloemen,O.-I.kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.109109MONNIKENDAM.110110EDAM. OUDE HUIZEN.111111MONNIKENDAM.112112HOORN. SINT JANS GASTHUIS.113113EDAM.114114HOORN. OOSTERPOORT.[76]115115SCHARDAM.116116DE BEEMSTERSLUIS.117117LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).118118STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.119119SCHELLINKHOUT.120120POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige buitens, alles even keurig en rijk.Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen uit te kijken over de Zuiderzee.Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap, Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken, als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1stenJuli des selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na Hoorn, en Medemblik ’t laatst.Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben[78]ze ingebouwd, zoodat het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen.Wipmolen.[80][81]

HOORN—ENKHUIZEN—MEDEMBLIK.

Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan. En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum (122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje, omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd[68]nog eens verbouwd konden worden in overeenstemming met den mooien toren.Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost, die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn, wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte. Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5denOctober en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik ook het andere niet kon vermeesteren.Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken. Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de overigen onder Rol de vlucht over Pampus.[69]9797TREKVAART VOLENDAM.9898MOLEN BIJ VOLENDAM.9999TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.100100AVOND IN VOLENDAM.101101MARKEN.102102MARKEN.[70]103103VUURTOREN BIJ DURGERDAM.104104WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.105105BEURTSCHIPPER.106106ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.107107HOORNSCHE VISCHBOTTER.108108JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.[71]Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet, raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde ’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte, en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich, daarenboven een graaflijke gevangenis … van omtrent driehondert soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd, van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op, tot gedenkteiken der zeege.”Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven. (120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere[72]burgers, die Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman, die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt als rust en vrede.Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers, Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den last van hun sneeuwwitte zeilen.Dat koerst en zwenkt allemaal naar Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is aangelegd.Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee, vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te zien of de pas geploegde voren.Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens opzoeken op de kaart.Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje, dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daarwordik altijd weer[73]herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12 October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig, desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128) of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te komen.Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude koopmanshuizen.Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141) net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden, waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjeso.a.een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de[74]hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken: „In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon, dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen langs den dijk.Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu een klein[77]plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s, goudsbloemen,O.-I.kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.109109MONNIKENDAM.110110EDAM. OUDE HUIZEN.111111MONNIKENDAM.112112HOORN. SINT JANS GASTHUIS.113113EDAM.114114HOORN. OOSTERPOORT.[76]115115SCHARDAM.116116DE BEEMSTERSLUIS.117117LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).118118STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.119119SCHELLINKHOUT.120120POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige buitens, alles even keurig en rijk.Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen uit te kijken over de Zuiderzee.Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap, Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken, als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1stenJuli des selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na Hoorn, en Medemblik ’t laatst.Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben[78]ze ingebouwd, zoodat het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen.Wipmolen.[80][81]

Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan. En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum (122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.

En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje, omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd[68]nog eens verbouwd konden worden in overeenstemming met den mooien toren.

Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost, die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn, wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.

Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte. Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.

Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5denOctober en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik ook het andere niet kon vermeesteren.

Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken. Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de overigen onder Rol de vlucht over Pampus.[69]

9797TREKVAART VOLENDAM.9898MOLEN BIJ VOLENDAM.9999TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.100100AVOND IN VOLENDAM.101101MARKEN.102102MARKEN.

9797TREKVAART VOLENDAM.

97

TREKVAART VOLENDAM.

9898MOLEN BIJ VOLENDAM.

98

MOLEN BIJ VOLENDAM.

9999TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.

99

TOEGANG TOT DE HAVEN TE VOLENDAM.

100100AVOND IN VOLENDAM.

100

AVOND IN VOLENDAM.

101101MARKEN.

101

MARKEN.

102102MARKEN.

102

MARKEN.

[70]

103103VUURTOREN BIJ DURGERDAM.104104WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.105105BEURTSCHIPPER.106106ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.107107HOORNSCHE VISCHBOTTER.108108JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.

103103VUURTOREN BIJ DURGERDAM.

103

VUURTOREN BIJ DURGERDAM.

104104WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.

104

WAAR IN 1825 DE DIJK DOORBRAK.

105105BEURTSCHIPPER.

105

BEURTSCHIPPER.

106106ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.

106

ENKHUIZEN, VANUIT ZEE GEZIEN.

107107HOORNSCHE VISCHBOTTER.

107

HOORNSCHE VISCHBOTTER.

108108JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.

108

JACHT OP DE ZUIDERZEE VOOR ENKHUIZEN.

[71]

Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet, raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde ’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte, en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich, daarenboven een graaflijke gevangenis … van omtrent driehondert soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd, van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op, tot gedenkteiken der zeege.”

Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.

De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven. (120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere[72]burgers, die Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman, die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt als rust en vrede.

Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers, Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den last van hun sneeuwwitte zeilen.Dat koerst en zwenkt allemaal naar Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is aangelegd.

Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee, vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te zien of de pas geploegde voren.

Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.

De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.

Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens opzoeken op de kaart.

Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje, dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daarwordik altijd weer[73]herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12 October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig, desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128) of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te komen.

Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude koopmanshuizen.

Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141) net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden, waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjeso.a.een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).

Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de[74]hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.

En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken: „In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.

Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon, dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.

De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!

Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen langs den dijk.

Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu een klein[77]plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s, goudsbloemen,O.-I.kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.

109109MONNIKENDAM.110110EDAM. OUDE HUIZEN.111111MONNIKENDAM.112112HOORN. SINT JANS GASTHUIS.113113EDAM.114114HOORN. OOSTERPOORT.

109109MONNIKENDAM.

109

MONNIKENDAM.

110110EDAM. OUDE HUIZEN.

110

EDAM. OUDE HUIZEN.

111111MONNIKENDAM.

111

MONNIKENDAM.

112112HOORN. SINT JANS GASTHUIS.

112

HOORN. SINT JANS GASTHUIS.

113113EDAM.

113

EDAM.

114114HOORN. OOSTERPOORT.

114

HOORN. OOSTERPOORT.

[76]

115115SCHARDAM.116116DE BEEMSTERSLUIS.117117LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).118118STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.119119SCHELLINKHOUT.120120POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.

115115SCHARDAM.

115

SCHARDAM.

116116DE BEEMSTERSLUIS.

116

DE BEEMSTERSLUIS.

117117LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).

117

LAGE GRONDEN BUITENDIJKS (DE HULK).

118118STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.

118

STOOMGEMAAL WESTERKOGGE.

119119SCHELLINKHOUT.

119

SCHELLINKHOUT.

120120POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.

120

POPULIEREN VAN SCHELLINKHOUT.

Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige buitens, alles even keurig en rijk.

Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen uit te kijken over de Zuiderzee.

Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.

Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap, Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken, als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1stenJuli des selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na Hoorn, en Medemblik ’t laatst.

Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben[78]ze ingebouwd, zoodat het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen.

Wipmolen.

[80]

[81]


Back to IndexNext