V.

V.Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.Een Peul (herder).Een Peul (herder).Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

V.Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.Een Peul (herder).Een Peul (herder).Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

V.Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.Een Peul (herder).Een Peul (herder).Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

V.Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.Een Peul (herder).Een Peul (herder).Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

V.

Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.Een Peul (herder).Een Peul (herder).Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaalmidden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.

De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam vantafellandenhebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.

Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woordwoestijnsteeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.

De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid vanMogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.

Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.

De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.

De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.

Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingenmoeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.

De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam vantyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.

De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.

Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver,sbatgenaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.

De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam vansebkhabekend staan.—De meest bekendesebkhaligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.

De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko,betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de franscheregeeringte stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.

Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.

Het land El-Gada, ten zuiden vanOued-Noungelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.

Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.

De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.

Een Peul (herder).Een Peul (herder).

Een Peul (herder).

Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.

Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord derMalouinenaar de Canarischeeilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.

Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.

Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.

Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht deLévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.

Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meeronderde matrozen van den Senegal.

Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van deMedusaeene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.

Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.

Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.

In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguineen fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.

Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.

De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijnalleende sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.

Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.

Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeeliedensama,bosi-negro,breckaenpoulvinagenoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.

De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.


Back to IndexNext