VIII.Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.
VIII.Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.
VIII.Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.
VIII.Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.
VIII.
Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.
Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.
Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.
Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.
Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigdover het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.
Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.
Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.
Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.
De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.
Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.
Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt denbous(lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.
Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.
Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.
En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem derkrijgsliedenvan het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.
Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.
Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.
De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.
De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.
De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.
Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.
“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!
De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het levenvanSamba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.
De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!
De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om dentatades konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zustersvolgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”
Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.
De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.
Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.
Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”
De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.
In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.
Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.
Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!
Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.