XII.

XII.Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XII.Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XII.Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XII.Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XII.

Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.

De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijnonvermoeidin het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.

Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.

De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.

In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.

De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht derFoulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.

De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.

De fransche factory van Groot-Bassam.De fransche factory van Groot-Bassam.

De fransche factory van Groot-Bassam.

Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.

Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.


Back to IndexNext