I.

I.De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]Karnak.Karnak.Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.Medinet-aboe.Medinet-aboe.De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.

I.De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]Karnak.Karnak.Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.Medinet-aboe.Medinet-aboe.De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.

I.De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]Karnak.Karnak.Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.Medinet-aboe.Medinet-aboe.De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.

I.De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]Karnak.Karnak.Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.Medinet-aboe.Medinet-aboe.De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.

I.De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.

De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.

De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.

Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]Karnak.Karnak.Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.Medinet-aboe.Medinet-aboe.De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.

Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille: herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863 ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige, waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur, geschiedenis en volk ze zijn ontleend.

Kalm en statig klieft de fransche paketbootl’Aiglede zacht kabbelende golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel, waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens[14]kleur of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel, van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar, met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond? Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen, ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan, die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche, getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.

Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen, die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven, gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden; trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen in het hart der woestijn!

Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu, ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn, een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit, verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven. Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage, onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen;[15]en ter zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft, prachtige bosschages van bananen en tamarisken.

Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden1: maar wat beteekent zij, vergeleken bij vroeger?

Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou. Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had; want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die, door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens, Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang; straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk; en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken? Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali, deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht? en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie, waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche, half-frankische omgeving![16]

Karnak.Karnak.

Karnak.

Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum, van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de rozekleurige obelisk, met wonderlijkehiëroglyphengegraveerd; verder nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard. Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen groene bladeren. Hier en daar dringt eentamariskmet zijne gevederde bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen, en spelen in het weelderig,[18]warm halfdonker der geheimzinnige schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten, zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood. Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels, waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon; daarachter ruischt de zee.

Medinet-aboe.Medinet-aboe.

Medinet-aboe.

De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen, bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn, of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs, Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk, bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.

Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen, was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij naar Kaïro voeren.


Back to IndexNext