VI.

VI.In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.Kartas.Kartas.De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

VI.In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.Kartas.Kartas.De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

VI.In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.Kartas.Kartas.De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

VI.In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.Kartas.Kartas.De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

VI.In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.

In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.

In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.

Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.Kartas.Kartas.De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het, dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg zich verheft; ginds wederom[72]is het eene oude, verlaten moskee, halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen, dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg derwaarts te wijzen.

Kartas.Kartas.

Kartas.

De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij[73]krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten, en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.

Saïs (stalknecht).Saïs (stalknecht).

Saïs (stalknecht).

In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk; rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel, geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.

Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemdehemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede, zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen, zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge kolossen, die met den rug tegen[74]ware vierkante pilaren rusten; in de muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken. Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen: het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.

Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek, maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van denreisen van den kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds, gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld. Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze versche manschappen gereed.

Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dansakiëhsgeplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit, boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt oosterschenkiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke nationale liederen.

Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet, waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.

En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis, waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante der wereld veranderen zal.

Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund, vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een wonderbaren en onuitsprekelijken[75]indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen, onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht, waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten, deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.

De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher, wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.

Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefdenkâsjef, zoo veel als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve, hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen, met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen: „Allah behoede u voor den khamsîn!”

De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen: alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd: de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft, en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.

Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen, zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte; de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.

Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel, van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.

Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid; wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering[76]aan den priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen; een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding, die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s, heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende, om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont, afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar, voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten niet.

Pylonen van den Isis-tempel op Philae.Pylonen van den Isis-tempel op Philae.

Pylonen van den Isis-tempel op Philae.


Back to IndexNext