IX.

Het was Kerstmis, en de marchesa Belloni bood bij gelegenheid van dit feest aan hare pensionnaires aan: een boom in het salon, en een bal daarna in de antieke eetzaal van Guercino. Bal te geven en boom was een gewoonte van vele hôtelhouders, en de pensions, waar bal en boom niet gegeven werden, waren bekend en werden om dezen inbreuk op de traditie zeer gelaakt door de vreemdelingen. Er waren voorbeelden bekend van zeer goede pensions, waar tal van reizigers—dames vooral—niet kwamen, omdat er noch boom, noch bal was met Kerstmis.

De marchesa vond haar boom duur en haar bal ook niet goedkoop en gaarne had zij eens het een of ander voorwendsel gevonden, om beiden weg te goochelen, maar zij dorst niet: de reputatie van haar pension was juist het wereldsche, het chique ervan: de table-d'hôte in de mooie eetzaal, waar men toilet maakte, en dan met Kerstmis een schitterend feest. En het was aardig te zien, hoe fel die dames allen waren op hare rekening van den geheelen winter op den koop toe te krijgen een prullig kerstcadeautje, en de gelegenheid om te dansen met vrij gebruik van een orgeade en een koekje, een sandwich en een bouillon. De oude knikkende maître-d'hôtel, Giuseppe, zag met minachting neêr op deze feestelijkheid: hij herinnerde zich het gala zijner aartshertogelijke avonden en vond het bal min, en de boom armoedig; de krukkende portier, Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje—een gast afhalen of wegbrengen naar het station—, de post een paar keer per dag rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den lift,—haatte het bal, om al de invités der pensionnaires—want ieder mocht twee of drie invitaties doen—, om al het vermoeiende gedoe met rijtuigen, als de genoodigden dan nog vlug in hun fiacre wisten te stappen zonder hem zijn fooitje te geven. Om en bij Kerstmis was de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking hagelde deze dagen neêr op de ruggen der oude cameriera's, die, met hare warme-waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen op en neêr krabbelden, en der jeugdige blanc-becs van kellners, die in onbesuisden ijver tegen elkaâr in draafden en borden braken. En nu dat het heele personeel aan het werk was gezet, zag men eerst hoe oud de cameriera's waren, en hoe jong al de kellners, en kritizeerde men als "shame and shocking," de zuinigheids-maatregel van de marchesa om niets dan ruïnes en kinderen in dienst te nemen. De enkele gespierde facchino, noodzakelijk om koffers te zeulen, maakte een onverwachte figuur van mannelijken leeftijd en stevigheid. Maar vooral haatten de gasten hunne marchesa om het groote aantal harer bedienden, nu, om en bij Kerstmis, bedenkende, dat zij aan ieder een fooitje geven moesten. Neen, men had niet geweten, dat er zooveel personeel was. Dat was toch ook niet noodig! Als de marchesa voor al die oude vrouwen en kleine jongentjes nu eens een paar flinke jonge meiden en knechts nam! En het waren in de hoeken der gangen en aan tafel stille samenzweringen en afspraken, hoeveel fooi men zoû geven: men wilde niet bederven, maar toch bleef men den geheelen winter, en was éen lire dus te weinig, en zoo weifelde men tusschen éen lire-vijf-en-twintig en éen lire-vijftig. Maar toen men op de vingers telde, dat er wel vijf-en-twintig bedienden waren en dat men dus bij de veertig lire kwijt was, vond men dat schrikbarend veel en organizeerde men lijsten van inschrijving. Er gingen twee lijsten rond, een van éen lire, en een van twaalf lire per gast, voor het geheele personeel. Op die laatste lijst teekenden sommigen, die een maand vroeger gekomen waren of van plan waren weg te gaan, voor tien lire, en sommigen voor zes lire. Vijf lire werd algemeen te weinig gevonden, en toen het bekend was, dat de groezelige esthetische dames vijf lire wilden geven, werden zij aangekeken met de diepste verachting.

Het waren groote emoties en groote drukten. Kerstmis naderde en men stroomde naar de presepio's, die schilders in Palazzo Borghese hadden opgesteld—een panorama van Jeruzalem; en de herders, de engelen, de koningen, en Maria met het kindje in den stal met os en ezel. Men hoorde in Ara-Coeli naar de predicatie der kleine meisjes en jongentjes, die beurtelings op een estrade klommen en het verhaal van de Geboorte deden: sommigen, verlegen een versje opzeggend, voorgefluisterd door een angstige moeder; andere, meisjes vooral, met Italiaansche tragiek en rollende oogen deklameerend als kleine actrices en eindigend met een religieuze moraal. Om de predicaties luisterden het volk en tallooze toeristen: een prettige geest heerschte in de kerk, waar de jonge schelle kinderstemmetjes hoog-op oreerden; men lachte luid om een gebaar en effect; en de ronddwalende geestelijken hadden een zalvenden glimlach, omdat het zoo aardig en lief was. En in de kapel van den Santo Bambino straalde de houten wonderpop van goud en juweelen, en de dichte menigte verdrong zich er voor.

Alle gasten van Belloni kochten op de Piazza di Spagna hulsttakken en versierden er hunne kamers mede, en sommigen, bijvoorbeeld de baronin Von Rothkirch, richtten in haar eigen kamer een particulieren Kerstboom op. Den avond vóor het groote feest ging een ieder deze particuliere boomen bewonderen; liep men kamer in, kamer uit, en alle pensionnaires, hoe ze anders soms ook kibbelden en intrigeerden tegen elkaâr, hadden een welwillenden feestlach, en ontvingen iedereen. Men was het er algemeen over eens, dat de baronin veel werk had gemaakt en haar boom prachtig was, en haar slaapkamer aardig omgetooverd in een boudoir; de bedden gedrapeerd tot divans, de waschtafels verborgen, en de boom stralende van licht en goud. En de baronin, wat sentimenteel gestemd op dezen avond, die haar veel aan Berlijn en verloren huiselijkheid herinnerde, opende hare deuren wijd voor iedereen, en prezenteerde zelfs de twee esthetische dames bonbons, toen de marchesa ook glimlachend aan de deur verscheen, haar boezem, omspannen in hemelsblauw satijn, en nog grootere kristallen dan anders in de ooren. De kamer was vol; er waren de Van der Staals, Cornélie, Rudyard, Urania Hope, andere in- en uitloopende gasten, zoodat men zich niet verroeren kon, en op elkaâr gepakt stond en zat op de gedrapeerde bedden van moeder en dochter. De marchesa voerde aan hare zijde binnen een onbekend jongmensch: klein, smal, olijfbleek, met donkere vif geestige schitteroogen, in rok, en met de vage en nette manieren van een onverschilligen en moeden viveur; gedistingeerd, en toch laatdunkend. En zij naderde fier de baronin, die hare vochtige oogen telkens bevallig afwischte en stelde met arrogantie voor:

—Mijn neef, duca di San Stefano, principe di Forte-Braccio....

De algemeen bekende Italiaansche naam klonk van hare lippen expres luid op in de volle, niet groote kamer en aller oogen gingen naar den jongen man, die voor de baronin boog en toen vaag en ironisch de kamer rondzag. Men had dien winter den neef van de marchesa nog niet in het hôtel gezien, maar een ieder wist, dat de jonge hertog van San Stefano, prins van Forte-Braccio, een neef was van de marchesa, en een der reclames voor haar pension. En terwijl de prins met de baronin en hare dochter sprak, staarde Urania Hope hem aan als een wonderwezen uit een andere wereld. Zij had Cornélie's arm vastgegrepen als voor een steun, als zoû zij bezwijmen bij den aanblik van zooveel Italiaansche adelgrootheid. Zij vond hem heel mooi, heel voornaam: klein en smal en bleek, met zijn oogen als karbonkelen, met zijn matte gedistingeerdheid, en de witte orchidee in zijn knoopsgat. En dolgaarne had zij de marchesa gevraagd haar in kennis te brengen met haar chiquen neef, maar zij dorst niet, want zij dacht aan de tricotfabriek van haar vader in Chicago.

Den volgenden avond was het feest van den boom en het bal. Het was bekend, dat de neef van de marchesa ook dien avond zoû komen en het was den geheelen dag een groote emotie. De prins kwam, nadat de prezentjes van den boom waren afgehaakt en uitgedeeld, en in de zaal, waar het bal nog niet begonnen was, maar de gasten reeds hier en daar zaten, deed hij aan de zijde van zijn tante, de marchesa, een soort van intocht, aller blikken zich richtend naar zijn hertogelijke en prinselijke verschijning.

Cornélie wandelde met Duco van der Staal, die tot groote verwondering van moeder en zusters zijn rok te voorschijn had gehaald en verschenen was in den ruimen hall, en zij zagen beiden den zegetocht van la Belloni en haar neef, en zij lachten om de dwepend opkijkende oogen der Engelsche en Amerikaansche dames. Zij zetten zich,—Cornélie en Duco—in den hall op twee stoelen, voor een groep van palmen, die een der deuren van de zaal maskeerden, terwijl binnen het bal begon. Zij praatten over de beelden in het Vaticaan, die zij een paar dagen te voren gezien hadden, toen zij, als vlak aan hun ooren, een stem hoorden praten, die zij herkenden als het te vergeefs zich in gefluister verzachtende commando-orgaan van de marchesa. Verbaasd zagen zij om, en bespeurden de verborgen deur met een breede reet opengekraakt, en zagen door die reet ten deele de slanke hand en de zwarte mouw van den prins, en een stuk blauwen boezem van Belloni, beiden gezeten op een canapé in de zaal. Zij waren dus, gescheiden door de opengekraakte deur, rug aan rug. Voor amuzement hoorden zij naar het Italiaansch van de marchesa; wat de prins antwoordde, was zoo een zacht gelispel, dat zij het niet verstonden. En van wat de marchesa zeide, hoorden zij slechts enkele woorden en stukken van zinnen. Onwillekeurig luisterden zij, toen zij den naam van Rudyard hoorden noemen, duidelijk uitgesproken door de marchesa.

—En wie dan? vroeg de prins zacht.

—Een Engelsche miss, zei de marchesa. Miss Taylor, ze zit daar, in dien hoek alleen.... Een simpel menschje.... Dan de baronin en haar dochter.... Dan de Hollandsche; een gescheiden vrouw.... En dan de mooie Amerikaansche.

—En die twee aardige Hollandsche meisjes? vroeg de prins.

De muziek boem-boemde luider op en Cornélie en Duco verstonden niets.

—En de gescheiden Hollandsche vrouw? vroeg de prins verder.

—Geen geld, antwoordde de marchesa kort.

—En de jonge baronesse?

—Geen geld, herhaalde Belloni.

—Dus niemand dan de kousenverkoopster? vroeg de prins moê.

La Belloni werd boos, maar Cornélie en Duco verstonden niet hare afratelende zinnetjes: de muziek boem-boemde steeds op.

—... Ze is mooi, hoorden zij de marchesa zeggen. Ze is schat- en schatrijk. Ze zoû in een eerste hôtel kunnen zijn, maar ze is hier, omdat ze als jong en alleen reizend meisje aan mij gerecommandeerd is en het hier gezelliger is. Ze heeft het groote salon voor zich en betaalt vijftig lire per dag voor haar twee kamers. Ze ziet op niets. Haar hout betaalt ze driemaal zoo duur als de anderen en ook voor den wijn laat ik haar betalen.

—Ze verkoopt kousen, murmelde de prins onwillig.

—Onzin, sprak de marchesa. Bedenk, dat er op het oogenblik niemand is. Verleden winter hadden wij rijke Engelsche lui van adel, met een dochter, maar je vondt haar te lang. Je vindt altijd wat. Je moet niet zoo moeilijk zijn.

—Ik vind die twee Hollandsche poppetjes aardig.

—Ze hebben geen geld. Je vindt altijd wat je niet vinden moet.

—Hoeveel heeft papa u beloofd, als u....

De muziek boemde op.

—... Zoû er niets toe doen.... Als Rudyard met haar praat.... Taylor is gemakkelijk.... Miss Hope....

—Ik heb zooveel kousen niet noodig....

—... erg geestig. Als je niet wilt....

—... neen....

—... dan trek ik mij terug ... zal Rudyard zeggen.... Hoeveel?

—... Zestig à zeventig duizend: ik weet niet precies.

—... Urgent?

—Schulden zijn nooit urgent!

—Wil je?

—Goed dan. Maar ik verkoop me niet minder dan voor tien millioen.... En dan krijgt ... u....

Zij lachten beiden en weêr klonken de namen van Rudyard, Urania.

—Urania? vroeg hij.

—Urania ... antwoordde la Belloni. Die Amerikaantjes zijn handig. Denk aan de gravin de Castellane, aan de hertogin van Marlborough; houden die niet den naam van hun mannen hoog. Ze slaan een uitstekend figuur. Ze worden genoemd in iedere modekroniek en altijd met waardeering.

—... goed dan. Ik ben moê van al die vergeefsche winters. Maar niet minder dan tien millioen.

—Vijf....

—Neen, tien....

De prins en de marchesa waren opgestaan. Cornélie zag Duco aan. Duco lachte.

—Ik begrijp ze niet goed, zeide hij. Het is natuurlijk een aardigheid.

Cornélie schrikte.

—Een aardigheid, dunkt u, meneer Van der Staal?

—Ja, ze maakten gekheid.

—Ik geloof van niet.

—Ik van wel.

—Heeft u menschenkennis?

—O neen, heelemaal niet.

—Ik doe wat op, langzamerhand. Ik geloof, dat Rome gevaarlijk kan zijn en dat een marchesa-hôtelhoudster, een prins en een Jezuïet....

—Wat dan?

—Ook gevaarlijk kunnen zijn, zoo niet voor uw zusjes, omdat ze geen geld hebben, dan toch voor Urania Hope....

—Ik geloof er niets van.... Het was alles gekheid. En het interesseert me niet. Maar wat vindt u van den Eros van Praxiteles? O, dat vind ik het goddelijkste beeld, dat ik ooit heb gezien. O, de Eros, de Eros...! Dat is de liefde, de ware liefde; het niet anders kunnen, het fatale en om vergeving smeekende van de liefde, voor het leed, dat hij aandoet....

—Heeft u ooit liefgehad?

—Neen. Ik heb geen menschenkennis en ik had nooit lief. U is zoo gedecideerd altijd. Droomen zijn mooi, beelden zijn heerlijk en poëzie is alles. De Eros is alles, van liefde. Zoo mooi als de Eros liefde is, zoû ik nooit in werkelijkheid kunnen lief hebben.... Neen, menschen te kennen interesseert mij niet, en een droom van Praxiteles, nog over in een romp verminkt marmer, is edeler dan alles wat op de wereld liefde zich noemt.

Zij fronste hare wenkbrauwen; zij zag somber.

—Laat ons in de balzaal gaan, zeide zij. Wij zitten hier zoo alleen....

Den dag na het bal, aan tafel, kreeg Cornélie een vreemden indruk; eensklaps, proevende van haar heerlijken Genzano, besteld door Rudyard, zag zij in, dat het niet toevallig was, dat zij zat met de baronin en hare dochter, met Urania en miss Taylor; zag zij in, dat de marchesa wel degelijk eene bedoeling had met die schikking. Rudyard, altijd beleefd, voorkomend, steeds vol attenties, in zijn zak altijd een kaartje of introductie, moeilijk te verkrijgen, ten minste naar hij liet voorkomen, praatte steeds door, en den laatsten tijd vooral met miss Taylor, die trouw alle mooie kerkmuziek hooren ging en steeds in verrukking thuis kwam. Het bleeke, simpele, magere Engelsche dametje, dat eerst dweepte met muzea, ruïnes en zonsondergangen op Aventijn of Monte Mario, en steeds moê was van hare omzwervingen door Rome, wijdde zich voortaan alleen aan de honderden kerken, bezag en bestudeerde àlle kerken, ging vooral trouw alle muzikale diensten bijwonen en dweepte met het Sixtijnsche kapelkoor en de bevende gloria's der mannelijke soprani.

Cornélie sprak met mevrouw Van der Staal en de baronin Von Rothkirch over wat zij achter de opengekraakte deur had opgevangen van het gesprek der marchesa met haar neef, maar geen van beiden, hoewel geïntrigeerd, namen de woorden der marchesa ernstig op, en beschouwden ze alleen als een loszinnig balgesprek van een malle tante, die gaarne koppelen wilde, en een onwilligen neef. Het trof Cornélie, hoe weinig de menschen aan ernst gelooven kunnen, maar de baronin was zeer onverschillig, zei, dat Rudyard haar geen kwaad zoû doen en haar nog altijd kaartjes gaf, en mevrouw Van der Staal, lang in Rome, gewend aan pension-intriguetjes, meende, dat Cornélie zich te ongerust maakte over het lot van de schoone Urania. Eensklaps echter was miss Taylor van tafel verdwenen. Men dacht, dat zij ziek was, toen het uitkwam, dat zij het pension Belloni verlaten had. Rudyard zeide niets, maar na enkele dagen was het door het geheele pension bekend, dat miss Taylor bekeerd was tot den Katholieken godsdienst en intrek genomen had in een pension, haar door Rudyard gerecommandeerd: een pension, waar vele monsignori kwamen en een geestelijke stemming heerschte. Hare verdwijning gaf eene gedwongenheid aan het gesprek tusschen Rudyard, de Duitsche dames en Cornélie, en deze, gedurende een week, die de baronin te Napels doorbracht, veranderde van plaats, en voegde zich aan tafel bij hare landgenooten. De Rothkirchen veranderden ook—om de tocht, zooals de baronin verzekerde—; nieuwe gasten namen hare plaatsen in: en te midden dier vreemde elementen bleef Urania alleen met Rudyard samen aan lunch en diner. Cornélie gevoelde zelfverwijt en eens sprak zij ernstig met het Amerikaansche meisje en waarschuwde haar. Maar zij dorst niet zeggen wat zij overhoord had op het bal, en hare waarschuwing maakte geen indruk op Urania. En toen Rudyard miss Hope het voorrecht bezorgd had van een particuliere audientie bij den Paus, wilde Urania geen kwaad van Rudyard meer hooren en vond zij hem den vriendelijksten man, dien zij ooit ontmoet had, of hij Jezuïet was, ja dan niet.

Maar er bleef in het hôtel een waas van geheimzinnigheid over Rudyard, en men was het niet eens, of hij Jezuïet was, en zelfs niet of hij priester was of leek.

--Wat kan u die vreemde menschen schelen? vroeg hij.

Zij zaten in zijn atelier, mevrouw Van der Staal, Cornélie en de meisjes, Annie en Emilie. Annie schonk thee en zij spraken over miss Taylor en Urania.

--Ik ben voor u ook vreemd! antwoordde Cornélie.

--U is niet vreemd voor mij, voor ons.... Maar miss Taylor en Urania kunnen mij niets schelen. Door ons leven dwalen honderde schim men: ik zie ze niet en voel niet voor ze....

—En ik ben geen schim?

—Ik heb met u te veel gesproken in Borghese en op den Palatijn om u een schim te vinden.

—Rudyard is een gevaarlijke schim, zeide Annie.

—Hij heeft geen vat op ons, antwoordde Duco.

Mevrouw Van der Staal zag Cornélie aan. Zij begreep dien blik en zeide lachend:

—Neen, hij heeft geen vat op mij ook.... Toch, als ik aan godsdienst—ik meen kerkelijken godsdienst—behoefte had, zoû ik liever Roomsch-Katholiek willen zijn dan Hervormd. Maar nu....

Zij voltooide niet. Zij voelde zich veilig in dit atelier, in deze zachte, bonte samenwemeling van mooie dingen, in hunne sympathie: zij voelde zich met hen allen harmonisch: met het bevallige en wereldsche van die ietwat oppervlakkige moeder en hare twee mooie meisjes: een beetje poppig en vaag cosmopolitisch, vrij ijdel op de markiesjes, waar ze meê dansten en fietsten; en met dier zoon, dien broêr, zoo geheel verschillend van haar drieën en haar toch zichtbaar verwant door een beweging, een gebaar, en een enkel woord. Ook trof het Cornélie, dat zij elkaâr met liefde namen, zooals zij waren; Duco zijne moeder en zusters met hare verhaaltjes over de prinsessen Colonna en Odescalchi; mevrouw en de meisjes hem, met zijn oude jasje en verwarde haren. En als hij begon te spreken, vooral te spreken over Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijne lippen, voelde Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië: de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië; Florence's torens droomvaag geteekend in theeroos-teedere luchten; het forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwenden maneschijn; oranje zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht: het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze mauve's, dauwende blauwen, opduisterend violet, of de brallende okers van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets was af, antwoordde hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en apotheozen, en op zijn papier werden ze water en verf, en vèrf, dat was niet af te maken. En dan miste hij zelfvertrouwen. En dan liet hij zijn luchten, zeide hij en teekende-na Byzantijnsche madonna's.

Toen hij zag, dat zijn aquarellen haar toch interesseerden, sprak hij over zichzelven voort. Hoe hij eerst dweepte met de edele en naïve Primitieven, met Giotto en vooral Lippo Memmi.... Hoe hij daarna, een jaar in Parijs, gevonden had dat niets ging boven Forain: droogkoele satyre in twee of drie lijnen; hoe zich toen, in den Louvre, Rubens aan hem geopenbaard had: Rubens, wiens eigen talent en wiens eigen penseel hij opspoorde tusschen al het nagedoe en leerwerk van al zijn talrijke leerlingen, tot hij wist te zeggen, welk cherubijntje van Rubens zelven was in een hemel vol cherubijnen, geschilderd door vier, vijf discipelen.

En dan, zeide hij, dacht hij weken niet na over schilderkunst, en nam hij geen penseel ter hand, en ging hij iederen dag naar het Vaticaan, en verloor zich in de edele marmers.

Eens had hij een morgen lang zitten droomen voor den Eros, eens had hij er een poëem gedroomd op heele zachte melodie van monotone begeleiding, als een innige incantatie: thuis had hij gedicht en muziek willen stellen op papier, maar had hij niet gekund. Nu kon hij Forain niet meer zien, vond Rubens walgelijk en grof, maar was de Primitieven getrouw gebleven.

—En stel nu, dat ik veel schilderde, en veel naar expozities zond? Zoû ik gelukkiger zijn? Zoû ik voldoening voelen iets te hebben gedaan? Ik geloof het niet. Soms maak ik een aquarel af, verkoop die, en kan dan een maand bestaan zonder mama lastig te vallen. Geld kan mij niet schelen. Roemzucht is mij heelemaal vreemd! Maar laat ons niet meer over mij praten. Denkt u nog aan de toekomst en ... brood?

—Misschien, antwoordde zij, droef lachende, en om haar heen duisterde donkerder het atelier, verzwijmden zacht-aan de silhouetten van zijn moeder en zusters, die stil zaten, loom in gemakkelijke stoelen, en weinig geïnteresseerd, en verschaduwde stil alle kleur. Maar ik ben zoo zwak. U zegt, dat u geen artist is, en ik, ik ben geen apostel.

—Aan zijn leven richting geven, dàt is het moeilijke. Ieder leven heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; endielijn is moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.

—Ik zie mijn lijn ook niet voor me....

—Weet u, er is een onrust over me gekomen. Mama, hoort u, er is een onrust over me gekomen. Vroeger droomde ik in het Forum, ik was gelukkig en dacht niet aan mijn lijn. Mama, denkt u aan uw lijn, en denken de zusjes er aan?

De zusjes, in den donker, als poesjes in de diepe stoelen verzonken, gichelden een beetje. Mama stond op.

—Beste Duco, je weet, ik kan je niet volgen. Ik bewonder Cornélie, dat zij je aquarellen mooi kan vinden, en begrijpt, wàt je bedoelt met die lijn. Mijn lijn is nu naar huis, want het is al heel laat....

—Dat is de lijn van de naaste seconde. Maar er is een onrust over mijn lijn van dagen en weken hierna. Ik leef niet goed. Het Verleden is heel mooi, en zoo rustig, omdat het geweest is. Maar ik heb die rust verloren. Het Heden is wel heel klein. Maar de Toekomst. O, als we een doel konden vinden! Voor de Toekomst....

Zij hoorden niet meer naar hem; zij gingen de donkere trappen af, tastende.

—Brood? vroeg hij zich af.

Op een morgen, dat Cornélie thuis bleef, zag zij hare lectuur na, die in hare kamer verspreid lag. En zij vond, dat het voor haar nutteloos was, Ovidius te lezen, om enkele Romeinsche zeden te bestudeeren, waarvan sommige haar verschrikt en geschokt hadden; zij vond, dat Dante en Petrarca te moeilijk waren om Italiaansch te bestudeeren, terwijl het genoeg was een paar woorden op te vangen om zich verstaanbaar te maken in een winkel of tegen de bedienden; zij vond de Wandelingen van Hare een te vermoeiende gids, omdat ieder steentje van Rome haar nu niet zóó belang inboezemde als het klaarblijkelijk Hare had gedaan. Toen bekende zij zich, dat zij nooit Italië, nooit Rome zóo zoû kunnen zien als Duco van der Staal deed. Zij zag nooit het licht van luchten en gedrijf van wolken als zij het gezien had in zijn onvoltooide waterverfstudies. Zij zag nooit de ruïnes verheerlijkt als hij het deed in zijn urenlang gedroom in Forum en op Palatijn. Een schilderij zag zij alleen maar met het oog van een leek; voor een Byzantijnsche madonna voelde zij niets. Zij hield wel van beelden; maar innig liefhebben een romp verminkt marmer, als hij den Eros liefhad, leek haar ziekelijk ... en toch het ware gevoel om den Eros te zien. Niet ziekelijk, dacht zij toen ... maar "morbide": het woord, hoewel zij er zelve om glimlachte, gaf haar beter hare opinie weêr. Niet ziekelijk, maar morbide. En een olijf vond zij een boom, die op een wilg leek, terwijl Duco haar gezegd had, dat een olijf den mooisten boom was van de wereld.

Zij was het niet met hem eens, noch wat die olijf, noch wat den Eros aanging en toch voelde zij, dat hij gelijk had van een zeker geheimzinnig standpunt, waarop zij zich niet stellen kon, omdat het was als een mystieke heuvel, te midden van onoverschrijdbare tooverkringen: kringen, die hij doorging als gevoelsferen, die de hare niet waren, zooals de heuvel haar was een onbekende troon van gevoel en van uitzicht. Zij was het niet met hem eens en toch was zij overtuigd van zijn beter recht, zijn beteren blik, zijn edeler inzicht, zijn dieper gevoel; en was zij zeker, dat haar wijze van Italië-zien—in de teleurstelling van hare illuzie—, in het grauwe licht eener toenemende onverschilligheid—niet edel was en niet goed; en wist zij, dat de schoonheid van Italië haar ontsnapte; terwijl ze hem was als een tastbaar en omhelsbaar vizioen. En zij ruimde Ovidius, Petrarca en Hare's gidsboek op, en sloot ze in haar koffer, en nam er uit de romans en brochures, dat jaar verschenen over de vrouwenbeweging in Holland. Zij stelde belang in het vraagstuk en zij vond er zich moderner om dan Duco, die haar eensklaps toescheen van een verleden tijd. Niet modern. Niet modern. Zij herhaalde het woord met wellust en voelde zich eensklaps krachtiger. Modern te zijn, zoû haar kracht zijn. Een enkel woord van Duco had haar zeer getroffen: die uitroep: O, als wij een doel konden vinden! Ons leven heeft een lijn, een pad, dat het gaan moet.... Modern zijn, was dat geen lijn; oplossing vinden van modern vraagstuk, was dat geen doel? Hij, hij had gelijk, op zijn standpunt, vanwaar hij Italië zag, maar was geheel Italië niet een verleden, een droom, tenminste dàt Italië, dat Duco zag, droomparadijs van kunst alleen? Het kon niet goed zijn, zoo te staan en zoo te zien, en zoo te droomen. Het Heden was er: aan de grauwe kimmen daverde naderend een storm en de moderne vraagstukken flikkerden op als weêrlicht. Was het dat niet, waar zij voor leven moest? Zij voelde voor de Vrouw, zij voelde voor het Meisje: zij was zelve het Meisje geweest, opgevoed alleen met salon-educatie, om te schitteren, als mooi en bevallig, en dan wel te trouwen. En zij was mooi geweest, en bevallig, zij had geschitterd en was getrouwd, en nu was zij drie-en-twintig, gescheiden van dien man, die eens haar eenige doel was geweest, en, haar terwille, het doel harer ouders: nu was zij alleen, verloren, wanhopig en stervens-troosteloos: zij had niets om zich aan vast te klemmen, zij leed. Zij had hem nog lief, hem, een ploert, een ellendeling; en zij had gedacht al heel flink te zijn: te gaan reizen, om kunst, naar Italië. Maar zij begreep geen kunst, zij voelde niet Italië. O, hoe zag zij het in, na die gesprekken, gewisseld met Duco: dat zij kunst nooit begrijpen zoû, al had zij vroeger wat geteekend, al had zij vroeger in haar boudoir een biscuitgroep gehad naar Canova: Amor en Psyche: zoo lief voor een jong meisje. En hoe zeker wist zij nu, dat zij Italië niet begrijpen zoû, omdat zij een olijfboom niet zoo heel mooi vond, en de lucht van de Campagna nooit gezien had als een waaiende fenix-vlerk. Neen, Italië zoû nooit haar levenstroost zijn....

Maar wat dan? Veel had zij doorgemaakt, maar zij leefde en was heel jong. En op nieuw, bij den aanblik dier brochures, den aanblik van dien roman, kwam het verlangen in haar ziel op: modern zijn, modern zijn! En doen aan de moderne problemen. Leven voor de toekomst! Leven voor de Vrouw, voor het Meisje....

Zij dorst niet diep in zich zien, vreezende te weifelen. Leven voor de Toekomst.... Het scheidde haar iets meer van Duco, dat nieuwe ideaal. Kon haar dat schelen, had zij hem lief? Neen, zij dacht van niet. Zij had haar man lief gehad en wilde niet dadelijk verlieven op den eersten den besten aardigen jongen, dien zij bij toeval in Rome ontmoette....

En zij las de brochures. Over de Vrouwenkwestie en de Liefde. Toen dacht zij aan haar man, toen aan Duco. En moê liet zij de brochure vallen, en dacht hoe treurig het was. De menschen, de vrouwen, de meisjes. Zij, vrouw, jonge vrouw, doellooze vrouw, hoe treurig zij was in het leven. En Duco, hij was gelukkig? Maar toch zocht hij de lijn van zijn leven, toch zag hij uit naar zijn doel. Een nieuwe onrust was in hem gekomen. En zij schreide een beetje, en wrong zich, onrustig, in hare kussens, en klampte haar handen, en bad, onbewust, en tot wie, wist zij niet:

—O God, zèg mij, wat wij moeten doen!

Toen was het na eenige dagen, dat Cornélie idee kreeg het pension te verlaten en op kamers te gaan wonen. Het hôtelleven stoorde haar in hare opkomende gedachten, als een wind van ijdelheid, die telkens schroeide over heel vage bloesems, en niettegenstaande een scheldvloed van woorden van de marchesa, die haar verweet voor den geheelen winter gehuurd te hebben, trok zij in de kamers, die zij na veel zoeken en trappenklimmen, met Duco van der Staal had gevonden. Het was in de Via dei Serpenti, vele trappen op, een suite van twee ruime, maar bijna geheel ongemeubeleerde vertrekken: alleen het hoog noodige stond er, en hoewel het uitzicht wijd over de huizenmassa's van Rome streek tot de cirkelige ruïne van het Colosseum toe, waren de kamers van een rulle ongezelligheid, van een naakte onbewoonbaarheid. Duco had ze niet goed gevonden en zeide, dat hij er rilde, hoewel ze lagen op de zonnezijde, maar er was iets in de stroefheid van dit verblijf, dat Cornélie in hare nieuwe stemming harmonisch aandeed. Toen zij dien dag scheidden, dacht hij van haar: wat is ze toch weinig artistiek; en zij van hem: wat is hij onmodern! Zij zagen elkaâr in dagen niet weêr, en Cornélie was geheel eenzaam, maar voelde hare eenzaamheid niet, omdat zij een brochure schreef over den maatschappelijken toestand der gescheiden vrouw. Dat idee was bij haar opgekomen door enkele zinnen in een brochure over de Vrouwenbeweging, en in eens, zonder veel te hebben nagedacht, schreef zij in impulsie na impulsie, intuïtie na intuïtie, hare zinnen, stroef, koel, en klaar; schreef zij in een epistolairen stijl, zonder kunst, maar met overtuiging en ondervinding, als om meisjes te waarschuwen tegen te veel illuzie voor het Huwelijk. Zij had hare kamers niet gezellig gemaakt; zij zat daar, hoog in Rome, met haar blik over de daken tot het Colosseum toe, te schrijven, te schrijven, zich verdiepende in haar leed, zich gevende in hare weêrbarstige zinnen, bitter, maar den alsem harer ziel gietende in hare brochure. Mevrouw Van der Staal en de meisjes, die haar kwamen bezoeken, waren verbaasd, om haar slordig uitzien, om haar rulle kamers, een stervend vuur in het haardje, geen bloem, geen boeken, geen thee, en geen kussens, en toen zij na een kwartier heengingen, voorgevende boodschappen te moeten doen, zagen zij, de eindelooze trappen aftrippende elkaâr verbaasd aan, geheel in de war en niets begrijpende van die herschepping: die van een interessant, elegant vrouwtje, met om zich heen een waas van poëzie, een tragiek van verleden,—in een "vrije vrouw", die verwoed schreef aan een brochure, met bittere verwenschingen tegen de maatschappij. En toen Duco haar na een week weêr opzocht, en een oogenblik bij haar kwam zitten, bleef hij doodstil, stijfrecht op zijn stoel, zonder te spreken, terwijl Cornélie hem het begin harer brochure voorlas. Hem roerde wat hij er in schemeren zag, van eigen leed en ondervinding, maar iets onharmonisch ergerde hem tusschen die slanke, lelieachtige vrouw, met hare gebroken bewegingen, en de omgeving, waarin zij zich nu wèl voelde, geheel verdiept in haar haat tegen de maatschappij, met name de Haagsche, die haar vijandig was geworden, omdat zij niet met een ploert, die haar mishandelde, was samengebleven. En terwijl zij las, dacht Duco: zij zoû zoo niet schrijven, als zij niet alles uit eigen leed naschreef. Waarom schept zij er niet een novelle uit...? Waarom dat generalizeeren van persoonlijk verdriet, en waarom dat waarschuwend stemgeluid.... Hij vond het niet mooi. Hij vond den klank van die stem zoo hard, die waarheden zoo persoonlijk, die bitterheid onsympathiek en die conventie-haat zoo klein. En toen zij hem iets vroeg, zei hij niet veel, schudde vaag goedkeurend het hoofd, en bleef zitten, ongemakkelijk strak. Hij wist niet wat te antwoorden, hij wist niet hoe te bewonderen, hij vond haar onartistiek. En toch welde in hem groot medelijden, toch zag hij hoe lief zij zoû zijn, en hoe edel vrouw, als zij gevonden had de lijn van haar leven, en zich langs die lijn harmonisch bewoog met de muziek van haar eigen beweging. Nu zag hij haar gaan een verkeerden weg; een pad, door anderen haar met vingers aangewezen, en niet ingeslagen uit eigen aandrang van ziel. En hij voelde een diep medelijden voor haar. Hij, artist, maar vooral droomer, zag soms scherp, trots zijn droomen, trots zijn soms alles omvattend gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer, zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar eensklaps verloren, zoekende, dwalende; zoekende, zij wist zelve niet wat; dwalende, zij wist zelve niet door welk labyrinth; ver van haar lijn, haar levenslijn en richting van haar zielebeweging, die zij nog nimmer had gevonden.

Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling, weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst, alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,—op wien zij verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn, delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg, schudde en kwakte tegen den muur aan....

Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm, mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen, tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij, walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden, generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had, dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn, en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst. De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad, een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en levensbeweging....

Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd, en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten, eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde zich klaar om te weenen, te snikken, en—vreemd—in haar bitterheid, dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar; zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging. Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn droomen—als was die draad zijn levensrichting,—zoo veel kalmte en zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem opzag.

En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,—zij voelden elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen, terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.

En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.

Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar het Colosseum—donker te raden boog in donkeren nacht—, snikte zij, zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.

Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was. Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger, en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje. Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd. En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich 's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan, maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten. Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.

Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen, voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes, herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.

Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der Staals mevrouw en de meisjes en Duco—naar het salon, zette zich in een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame—de meisjes hadden haar al bijgenaamd: het satijnen fregat—glimlachend naar hen toe zagen komen en zeggen al van verre:

—I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner—maar ook alleen maar nà het diner—indezenhoek, aandezetafel, opdezeplaats. Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr innemen....

En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren, zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;

—Very much obliged, I thank you very much.

Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende, verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames, met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.

—It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en groezelig draaiden zij de deur uit.

—Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen.... Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?

Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco.... Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner, stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome: keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht. Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm. Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten, en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis, en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij, dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ... was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan iets moois....

Maar Urania moest zij waarschuwen.

En moê sliep zij in.

Wat Cornélie voorgedacht had over mevrouw Van der Staals opinie omtrent haar omgang met Duco, werd bewaarheid: mevrouw sprak ernstig met haar, zeggende, dat zij, zoo voortgaande, zich comprometteeren zoû, en voegde er tevens aan toe, dat zij ook met Duco in dien geest gesproken had. Maar Cornélie antwoordde vrij hoog, en nonchalant, beweerde, dat zij, na zich steeds aan conventie gestoord te hebben, en toch diep ongelukkig te zijn geworden, zich voortaan niet meer aan conventie stoorde, en dat zij Duco's conversatie op prijs stelde zonder zich te laten weêrhouden door wat "men" dacht en vond. En dan, vroeg zij mevrouw Van der Staal, wie was "men"? Hun drie, vier kennissen in Belloni? Wie kende haar anders? Waar kwam zij verder? Wat deerde haar Den Haag? En zij lachte schamper, uit de hoogte afwerende de argumenten van mevrouw Van der Staal. Het gaf tusschen haar eene verkoeling: zij kwam dien avond niet bij Belloni dineeren, gekrenkt in hare prikkelbare overfijngevoeligheid. Den volgenden dag, Duco ontmoetende aan hun tafeltje in de osteria, vroeg zij, wat hij dacht van zijn moeders berisping. Hij glimlachte vaag, de wenkbrauwen opgetrokken, klaarblijkelijk niet beseffende de middelmaat-waarheid der woorden zijner moeder, zeggende: dat dat zoo ideeën waren van mama, natuurlijk heel goed en gangbaar in den cirkel, waarin mama en de zusjes leefden, maar waarin hij zich niet verdiepte, waaraan hij zich niet stoorde, tenzij Cornélie vond, dat mama gelijk had. En Cornélie vaarde schamper uit, haalde hare schouders op, vroeg terwille van wie en wat zij zich zouden laten weêrhouden in hun vriendschappelijken omgang. Zij bestelden samen een halve fiasco, en zij aten lang en gezellig, als twee kameraden, als twee studenten. Hij zeide, dat hij had nagedacht over hare brochure; hij sprak,—om haar lief te zijn—over den toestand der moderne vrouw, over het huwelijk, over de meisjes. Zij laakte de opvoeding, die mevrouw Van der Staal aan zijn zusjes gaf, de luchtige schitter-educatie en dat eeuwige uitgaan en zoeken naar een man. Zij sprak uit ondervinding, zeide zij. Dien dag wandelden zij de Via Appia op, en gingen in de Catacomben, geleid door een Trappist. Daarna namen zij een rijtuigje, reden naar Rome terug en dronken thee bij Ramazotti, den banketbakker. Toen Cornélie thuis kwam, voelde zij zich pleizierig en luchtig en vroolijk. Zij ging niet meer uit, stookte met veel hout haar vuur op voor den avond, die kil werd, en soupeerde alleen met wat brood en gelei, om niet uit te gaan voor haar diner. In haar peignoir, de handen om het hoofd gebogen, tuurde zij in het aardig brandende hout, en liet den avond over zich glijden. Zij was tevreden met haar leven, zoo vrij, los van alles, en iedereen. Zij had een beetje geld, zij kon zoo blijven leven. Vele behoeften had zij niet. Haar leven op kamers, in kleine restauraties kostte niet veel. Toiletten had zij niet noodig. Zij voelde zich tevreden. Duco was een prettige vriend; wat zoû zij eenzaam zijn zonder hem. Alleen, een doel moest haar leven krijgen.... Wat? Wat? De vrouwenbeweging...? Maar hoe, in den vreemde? Er aan te arbeiden was zoo moeilijk.... Hare brochure nu zoû zij zenden aan een nieuw blad voor vrouwen, pas opgericht. Maar dan? Zij was nu eenmaal niet in Holland, en zij wilde niet naar Holland: en toch, daar zoû ze zeker gemakkelijker werkzaam zijn, van gedachte wisselen met anderen. Maar hier in Rome.... Een luiheid kwam over haar, in de loomte van haar gezellige kamer. Want Duco had haar geholpen haar zitkamer te arrangeeren. Hij was toch een ontwikkelde jongen, al was hij niet modern. Wat wist hij veel van geschiedenis, van Italië, wat vertelde hij aardig. Zooals hij haar Italië verklaarde, vond zij Italië toch wel interessant.

Maar hij was alleen niet modern. Voor de politiek van Italië had hij geen oog, niet voor den strijd tusschen Quirinaal en Vaticaan; niet voor het anarchisme, dat er den kop opstak in Milaan, niet voor de woelingen in Sicilië.... Een doel; zoo moeilijk een doel.... En in hare avondloomheid na een prettigen dag, voelde zij het gemis van een doel niet, smaakte zij de zachte wellust hare gedachten te laten glijden met de lome avonduren meê, in een egoïsme van welbehagen. Zij zag naar de bladen harer brochure, verspreid op hare groote schrijftafel: een tafel om aan te werken: ze lagen geel in het licht van hare werklamp: ze waren allen nog niet overgeschreven, maar zij had nu geen lust: zij wierp een blok in het haardje, en het vuur rookte en vlamde op. Zoo gezellig in het buitenland, dat stoken met blokken hout.... En zij dacht aan haar man. Soms miste zij hem. Zoû zij hem niet hebben kunnen leiden met een beetje tact en geduld? Hij was toch heel aardig geweest in den tijd van hun engagement. Hij was ruw, maar hij was niet kwaad. Hij vloekte wel eens tegen haar, maar misschien had hij het niet zoo kwaad gemeend. Hij walste heerlijk, hij draaide je zoo stevig meê.... Hij was een mooie jongen, en, ze bekende zich, ze was verliefd op hem, alleen om zijn mooie gezicht, zijn mooie lijf. Hij had iets in zijn oogen en mond gehad, dat zij niet had kunnen weêrstaan. Als hij sprak, had zij naar zijn mond moeten kijken. Enfin, het was nu voorbij.... Het Haagsche leven was toch misschien te eentonig geweest voor hare natuur. Zij hield van reizen, van nieuwe menschen zien, van nieuwe gedachten in zich ontwikkelen, en ze had nooit kunnen vastgroeien in haar côterie-tje. En nu was zij vrij, los van alle banden, van alle menschen. Als mevrouw Van der Staal boos was, wat kon het haar schelen.... En Duco, hij was toch wèl modern, een beetje, in zijne onverschilligheid omtrent conventie. Of was het alleen artisticiteit in hem; of was het hèm, als on-modern man, onverschillig, zooals het haar, moderne vrouw, was? Een man kon zich meer veroorloven. Een man comprometteerde zich zoo gauw niet. Moderne vrouw.... Zij herhaalde het trotsch. Iets fiers stak op in hare loomheid. Zij richtte zich, rekkende-uit hare armen, zag in den spiegel haar slanke figuur, haar fijne gezichtje, een beetje bleek, de oogen groot, en grauw en glansend, onder opvallend lange wimpers; haar donker-blonde haren in een losse verwarde wrong; haar gebroken lelie-lijn heel bevallig in de frommelplooien van haar ouden peignoir, bleek roze en verschoten. Waar was haar pad? Zij voelde zich niet alleen werkster en streefster, zij voelde zich zoo complex; zij voelde zich vrouw ook, zij voelde veel vrouwelijkheid in zich, als een loomte, die haar werkkracht verlammen zoû. En zij dwaalde de kamer door, besluiteloos naar bed te gaan, en, starende in de gloei-asch van het uitgebrande vuur, dacht zij aan haar toekomst, aan wat en hoe zij worden zoû, en hoe en waar zij gaan zoû, langs welke arabesk des levens, wendende door welke wouden, krullende door welke dreven, kruisende welke andere arabesken, van welke andere zoekende zielen?

Reeds langen tijd was het een idee-fixe van Cornélie, dat zij met Urania Hope moest spreken, en op een morgen schreef zij een briefje en vroeg belet voor dien middag. Miss Hope antwoordde toestemmend en om vijf uur vond Cornélie haar thuis in haar mooi en duur salon van Belloni: veel licht op, veel bloemen; Urania, hamerende op de piano, in een robe-d'interieur van Venetiaansche kant, terwijl een rijke tea met koekjes, boterhammetjes, bonbons, was klaargezet. Cornélie had geschreven, dat zij Miss Hope over een belangrijk onderwerp alleen wilde spreken en vroeg ook dadelijk of zij alleen zouden zijn, twijfelende, nu Urania haar zoo receptie-achtig ontving. Maar Urania stelde haar gerust: zij had alleen thuis gegeven voor Mrs. De Retz, en zij was zeer nieuwsgierig waarover Cornélie haar wilde onderhouden. Cornélie herinnerde Urania hare eerste waarschuwing en toen Urania lachte, vatte zij haar hand en zag haar met zulke ernstige oogen aan, dat zij indruk maakte op de luchtige natuur van het Amerikaansche meisje, en Urania geïntrigeerd werd. Nu vond zij het eensklaps zeer gewichtig—een geheim, een intrigue, een gevaar in Rome!—en zij fluisterden samen. En Cornélie, niet angstig meer in deze toenemende vertrouwelijkheid, bekende haar wat zij op het Kerstbal overhoord had, door de opengekraakte deur: de machinatie van de marchesa met haar neef, dien zij met alle geweld koppelen wilde aan een rijke erfgename ter wille van des prinsen vader, die haar item zooveel voor dat huwelijk scheen beloofd te hebben. Daarop sprak zij over de bekeering van Miss Taylor, door Rudyard bewerkt; Rudyard, die niet met haar, Urania, scheen te kunnen klaar komen—geen vat krijgende op haar argelooze, maar luchtige vlindernatuur, en—als Cornélie vermoedde, —daarom de ongenade van zijn geestelijke superieuren zich op den hals had gehaald, en verdwenen was, zonder zijn schuld aan de marchesa te hebben kunnen voldoen. Nu scheen hij vervangen te zijn door de beide monsignori, die er deftiger, wereldscher uitzagen, en zalvender waren, met meer glimlach. En Urania, starende in dit gevaar, in die lagen aan hare voeten, waarin Cornélie haar eensklaps blikken liet, verschrikte nu werkelijk, werd bleek, en beloofde op hare hoede te zijn. Eigenlijk had zij maar dadelijk hare kamenier willen zeggen in te pakken om zoo spoedig mogelijk Rome te verlaten, naar een andere stad, in een ander pension, waar veel adel was: adel was zoo lief! En Cornélie, ziende, dat zij indruk gemaakt had, voer voort, sprak over zichzelve, sprak over het huwelijk, zeide, dat zij een brochure had geschreven tegen het huwelijk en over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw. En zij sprak over het leed, dat zij had doorgemaakt, en over de Vrouwenbeweging in Holland. En, eenmaal op dreef, kon zij zich niet betoomen, heviger en heftiger, tot Urania haar erg knap vond—a very clever girl—zoo te kunnen redeneeren en te schrijven over een "question brûlante." Zij gaf een flinken nadruk op de eerste lettergrepen der Fransche woorden, bekende, dat zij wel gaarne kiesrecht zoû willen hebben, en plooide bij die woorden den langen sleep van haar kanten tea-gown uit. Cornélie sprak over de onrechtvaardigheid der wet, die de vrouw niets laat, alles ontneemt, geheel dwingt in de macht van den man, en Urania was het met haar eens en prezenteerde het schaaltje met fijne bonbons. En onder een tweede kop thee spraken zij, opgewonden, beiden te samen, de eene niet hoorende naar wat de andere betoogde, en Urania zeide, dat het "a shame" was. Van een algemeene beschouwing kwamen zij weêr op hare eigen belangen: Cornélie beschreef het karakter van haar man, in zijn grofheid de natuur van een vrouw niet begrijpende, en niet toegevende, dat een vrouw naàst hem stond, en niet beneden. En nogmaals kwam zij terug op de Jezuïeten, op het gevaarlijke in Rome voor rijke meisjes alleen, op die tang van een marchesa, en op dien prins: getiteld lokaas, dat de Jezuïeten uitwierpen, om een ziel te winnen, en een verarmd Italiaansch huis,—dat den Paus was trouw gebleven, en den koning niet diende—te verbeteren in zijn finanties. En zij waren beiden zoo hevig en opgewonden, dat zij niet hoorden, hoe er geklopt werd, en eerst opzagen, toen de deur langzaam open ging. Zij schrikten, zagen op, en verbleekten beiden toen zij den prins van Forte-Braccio zagen binnenkomen. Hij verontschuldigde zich met een glimlach, zei, dat hij licht gezien had in het salon van miss Urania, dat de portier hem wel belet had gegeven, maar dat hij het consigne geforceerd had. En hij zette zich, en trots alles wat zij zooeven besproken hadden, vond Urania het verrukkelijk, dat de prins daar zat, en een kop thee van haar aannam en een koekje wilde eten.

En Urania toonde haar album met wapens—de prins had het zijne er al in afgedrukt—en toen haar album met stalen van de baljaponnen der koningin. Toen lachte de prins en zocht uit zijn zak een couvert: hij opende het en haalde er voorzichtig uit een lapje blauw brokaat met zilveren parelen bewerkt. Wat was het? vroeg Urania verrukt. En hij zeide, dat hij haar bracht een staal van het nieuwste toilet van Hare Majesteit; zijn nicht,—niet een Zwarte, als hij, maar een Witte; niet pauselijk, maar koningsgezind, hofdame der Koningin,—had hem dit lapje weten te bezorgen voor Urania's album. Urania zoû het zelve zien: de koningin zoû dit toilet dragen op het hofbal over een week. Hij ging daar niet heen, hij ging zelfs niet officieel naar zijn nicht, niet naar hare receptie's, maar hij zag haar toch uit familierelatie, uit vriendschap. Nu smeekte hij Urania hem toch niet te verraden: het kon hem kwaad doen in zijn carrière,—welke carrière? vroeg Cornélie zich af—als men wist, dat hij zijn nicht veel zag, maar hij had haar veel bezocht, den laatsten tijd, voor Urania, om dat staaltje te krijgen.

En Urania was zoo dankbaar, dat zij alles vergat van den maatschappelijken toestand van meisje en vrouw, getrouwd of ongetrouwd, en zij had haar kiesrecht gaarne geofferd voor zoo een lieven Italiaanschen prins. Cornélie ergerde zich, stond op, groette met een koele hoofdbuiging den prins, en trok Urania even meê bij de deur:

—Vergeet ons gesprek niet, waarschuwde zij. Wees op je hoede.

En zij zag den prins, toen zij fluisterden, sarcastisch naar haar kijken, vermoedende, dat zij over hèm sprak, radende een antipathie in die Hollandsche vrouw, maar prat op de macht van zijn persoonlijkheid en zijn titel en zijn attenties, voor de dochter van een Amerikaanschen tricot-fabrikant.

Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni. In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren: 's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café, meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen, begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar "morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking, dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad; nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden, levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania Hope haar niet schelen kon.

Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen, te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte, de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren. Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan, in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint, ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie, zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur naar wat onnoozele intrigue,—nauwelijks intrigue, dacht hij—en was zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij? Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid, van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:—een onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig, klein tevreden en kalm—maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van iederen dag.

En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli, wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel—als tafel—in de villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen, zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van het Nemi-meer,—spiegel van Diana—-en reden over Frascati terug. In het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom, zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig naast hem—rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van een nauwlijks goudenen zonsondergang,—dat hij haar dierbaar was om die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende: klare stem uit droomschemer opklinkend—en dat zij gelukkig was naast hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde toekomst....


Back to IndexNext