Het was een vaag telegram. Zij wist niet met welken sneltrein; zij had niets na kunnen zien. Zoû het 's avonds zijn of 's morgens, heel vroeg? Zij wist van niets. Hoe zoû zij weg kunnen gaan? Zij wist van niets. Maar zij meende, dat het telegram hem kalmeeren zoû. En zij zoû gaan. Er was niets aan te doen. Nu zij wanhopig gevlucht was, zag zij het in: als hij haar terug wilde hebben, terug als zijn vrouw, moest zij gaan. Had hij niet gewild, zij had kunnen blijven, waar ook, trots haar gevoel, dat zij hem toebehoorde. Maar nu hij wilde, moest zij terug. Maar hoe, hoe het aan Duco te zeggen! Zij dacht niet aan zich, zij dacht aan Duco. Zij zag hem voor zich liggen in bloed. Zij dacht er niet aan, dat zij geen geld meer had. Moest zij het hem vragen? O God, wat moest zij doen? Zij kon niet morgen gaan, trots haar telegram! Zij kon Duco niet zeggen, dat zij ging.... Zij had willen gaan, als hij uit was, stilletjes naar het station.... Of zoû zij het hem liever zeggen.... Wat zoû het minst smartelijke zijn? Of ... of zoû zij alles zeggen aan Duco en ... met hem ... samen ... vluchten, vluchten ergens heen, en niemand zeggen, waarheen.... Maar als hij hen uitvond! En hij zoû hen vinden! En Duco dan ... zoû ... hij vermoorden!!
Zij ijlde bijna van angst, van koorts, van niet te weten wat te doen, hoe en wat.... Daar hoorde zij op de trap Duco's tred.... Hij kwam binnen, hij bracht haar de pillen.... En als altijd, zeide zij hem alles, te zwak, te moê, zich te verbergen, en toonde zij hem den brief.... Hij brieschte op, woedend, van haat, maar zij viel voor hem neêr en vatte zijn handen. Zij zei, dat zij al geantwoord had.... Hij werd eensklaps koel, als vol van onvermijdelijkheid. Hij zeide, dat hij geen geld had haar de reis te laten doen. Toen, nog eens, nam hij haar in de armen, kuste haar, smeekte haar zijn vrouw te worden, zei, dat hij haar man zoû dooden, zooals deze dreigde hem te dooden. Maar zij snikte maar en weigerde, hoewel zij krampachtig tegen hem aan bleef liggen. Toen gaf hij zich over aan de noodlottige almacht van den stillen dwang van het leven. Hij voelde zich sterven in zijn ziel. Maar hij wilde kalm blijven om haar. Hij zeide, dat hij haar vergaf. Hij hield baar, snikkend, in zijn armen, omdat die aanvoeling haar kalmeerde. En hij zeide, dat zoo zij terug wilde—zij knikte moedeloos van ja,—het beter was nog eens aan Brox te telegrafeeren, reisgeld te vragen en duidelijk dag en uur op te geven. Hij zoû dit voor haar doen. Zij zag hem door haar tranen verwonderd aan. Hij maakte zelf het telegram op en ging. Mijn lieveling, mijn lieveling, dacht ze, terwijl hij ging, terwijl zij voelde de smart in zijn verscheurde ziel. Zij wierp zich op bed. Hij vond haar in een zenuwtoeval, toen hij terugkwam. Toen hij haar verzorgd had, en haar in bed had toegedekt, zette hij zich naast haar. En hij zei met een doode stem:
—Mijn kind, wees nu kalm. Overmorgen breng ik je tot Genua. Dan zullen wij afscheid van elkaâr nemen, en afscheid voor altijd. Als het niet anders kan, dan zal het zoo zijn. Als je voelt, dat het zoo moet, dan moet het zoo gebeuren. Wees nu kalm, wees nu kalm. Als je zoó voelt, dat je terug moet naar je man, zal je misschien bij hem niet ongelukkig zijn. Wees kalm, wees kalm, mijn kind.
—Breng je me?
—Ik breng je tot Genua. Ik heb bij een vriend daarvoor geld kunnen leenen. Maar probeer vooral kalm te zijn. Je man wil je terug hebben; hij zal je niet alleen terug willen hebben om je te slaan. Hij zal iets voor je voelen, als hij dat zoo wil. En als het zoo moet ... dan zal het misschien goed zijn ... voor jou. Hoewel ik het zoo niet kan inzien...!
Hij bedekte het gezicht in de handen, en zich niet meer meester, snikte hij op. Zij trok hem op haar borst. Zij was nu kalmer dan hij. Terwijl hij snikte met zijn hoofd op haar bonzend hart, streelde zij hem rustig het voorhoofd, de oogen ver, ziende de wanden der kamer door....
Zij zat nu alleen in den trein. Door middel van groote fooien hadden zij 's nachts alleen gereisd en had niemand hen in hun coupé gestoord. O, de melancholieke reis, de laatste stille reis van het einde. Zij hadden niet gesproken, maar dicht bij elkaâr, hand in hand gezeten, de oogen ver voor zich uit, als starende naar het naderende scheidingspunt. De droeve gedachte aan die scheiding verliet hen niet, ijlde meê met den ratelenden trein. Soms dacht zij aan een spoorwegongeluk, en dat het haar welkom zoû zijn, om samen met hem te sterven. Maar onverbiddelijk waren de lichten van Genua opgeglimd. Toen had de trein stilgestaan. En hij had zijn armen opengebreid en zij hadden elkaâr gekust, voor het laatst. Aan zijn borst, had zij in hem zijn smart gevoeld. Toen had hij haar losgelaten en was weg geijld, zonder om te zien. Zij zag hem nog na, maar hij had niet omgezien en zij zag hem verdwijnen in den met lichtjes doorglansden morgenmist, die waasde in het station. Zij had hem zien verdwijnen tusschen andere menschen, zien oplossen in het mistwaas. Toen was haar stille wanhoop van levensgelatenheid zoo groot geworden, dat zij zelfs niet had kunnen weenen. Haar hoofd viel slap, hare armen vielen slap. Als een inert ding liet zij den trein haar in zijn razende rateling verder voeren.
Een witte morgenschemering was links over de blankende zee opgerezen en het beginnende daglicht blauwde het water, de horizon teekende zich. Uren spoorde zij nog door, onbewegelijk, uitkijkende naar de zee en zij voelde zich bijna smarteloos van levensgelatenheid en onverantwoordelijkheid. Zij liet nu met zich doen, als het leven wilde, als haar man wilde, als de trein wilde. Als in een moeden droom dacht zij aan de geleidelijkheid van alles, en al het onbewuste in zichzelven, aan den eersten opstand tegen haar mans overheersching, aan de illuzie van hare onafhankelijkheid, den hoogmoed van hare fierheid, en al het geluk der zachte extaze, al de blijdschap om de bereikte harmonie.... Nu was het gedaan; nu was alle eigen wil ijdel. De trein voerde haar daar waar Rudolf haar riep, en het leven was om haar heen geweest, nauwlijks ruw, maar met een zachten dwang van spokende handen, die duwden en leidden en wezen....
En zij dacht niet meer na. De moede droom wolkte op in den blauwer wordenden dag en zij voelde, dat zij Nice naderde. Zij kwam terug tot een kleine werkelijkheid. Zij voelde, dat zij er wat verreisd uitzag en onbewust voelende, dat het beter was als Rudolf haar niet voor het eerst zoo onbehagelijk terug zag, opende zij langzaam haar taschje, waschte zich met een zakdoek met Eau de Cologne, kamde heur haar op, poeierde zich, borstelde zich af en deed een doorzichtige witte voile voor, nam een paar nieuwe handschoenen. Aan een station kocht zij een paar gele rozen en stak ze in haar ceintuur. Zij deed dat alles onbewust, zonder er bij te denken, voelende, dat het goed was, dat het verstandig was, als zij zoo deed, als Rudolf haar zoo terug zag, met dat waas van mooie vrouw. Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam. En toen de trein het station binnendreunde, toen zij Nice herkende, was zij gelaten, omdat zij niet meer streed, maar zich overgaf aan al de sterkere machten. Het portier werd opengerukt, en op het, op dat uur, niet volle station zag zij hem dadelijk: groot, forsch, gemakkelijk, met zijn steenroode mooie mangezicht, in zijn licht zomerpak, stroohoed, gele schoenen. Hij maakte een indruk van gezonde stevigheid en vooral van breedschouderde mannelijkheid en niettegenstaande die breedheid toch geheel en al "heer", zeer verzorgd zonder een zweem van fatterigheid, en de ironie van zijn snorlach en de vaste blik van zijn mooie, vrouwen zoekende, grauwe oogen gaven hem iets machtigs en zekers van te kunnen doen wat hij wilde, van te kunnen overheerschen, als het hem goed dacht. Een ironische trots op zijn mooie kracht, met een tint van minachting tegen de anderen, die niet zoo mooi krachtig waren, zoo gezond animaal en toch aristocratisch, en vooral een spottend neêrbuigend sarcasme tegen àlle vrouwen, omdat hij de vrouwen kende en wist wat ze eigenlijk telden—dit drukten zijn blik uit, zijn houding, zijn gebaar. Zij kende hem zoo. Het had haar vroeger dikwijls in opstand gebracht, maar zij gevoelde zich nu gelaten, en ook een beetje bang.
Hij was haar genaderd, hij hielp haar uitstijgen. Zij zag, dat hij boos was, dat hij van plan was haar ruw te ontvangen; toen, dat zijn snorlach opkrulde, als spotte hij, dat hij de sterkste was.... Zij zeide echter niets, nam gelaten zijn hand en steeg uit. Hij bracht haar buiten en in het rijtuig wachtte zij even op den koffer. Zijn blik monsterde haar. Zij droeg een ouden blauw laken rok en een blauw laken manteltje, maar zij zag er, niettegenstaande die oude kleêren en die moede gelatenheid, uit als een elegante, mooie vrouw.
—Ik zie met pleizier, dat je het eindelijk raadzaam vondt aan mijn verlangen gevolg te geven, zeide hij eindelijk.
—Ik dacht, dat het het beste was, zeide zij zacht.
Haar toon trof hem, en aandachtig, van terzijde, nam hij haar op. Hij begreep haar niet, maar hij was tevreden, dat zij gekomen was. Zij was nu moê van de emotie en den trein, maar hij vond, dat zij er allerliefst uitzag, al was zij niet zoo schitterend als toen op het bal van Mrs. Uxeley, toen hij voor het eerst zijn gescheiden vrouw had gesproken.
—Ben je moê? vroeg hij.
—Ik ben een paar dagen wat koortsig geweest, en ik heb van nacht natuurlijk niet geslapen, zeide zij, zich als verontschuldigend.
De koffer was opgeladen en zij reden weg, naar het Hôtel Continental. In het rijtuig spraken zij niet meer. Zwijgend ook gingen zij het hôtel binnen, in den lift en hij bracht haar naar zijn kamer. Het was een gewone hôtelkamer, maar zij vond het vreemd op tafel zijn borstels te zien liggen, aan de haken zijn jassen en broeken te zien hangen, dingen met een lijn en een plooi, die zij van vroeger kende, en waarmeê zij als familiaar was. Zij herkende, in een hoek, zijn koffer.
Hij opende de vensters wijd. Zij was gaan zitten op een stoel, in een houding, als wachtte zij af. Zij voelde een lichte flauwte en sloot de oogen, verblind door den stroom van zonnelicht.
—Je hebt zeker honger, zeide hij. Wat wil ik voor je bestellen?
—Ik wil wel thee en brood en boter. Men bracht haar koffer binnen en hij bestelde haar ontbijt.
—Doe je hoed af, zeide hij.
Zij stond op. Zij trok haar manteltje uit. Haar katoenen blouse was verkreukt en zij vond dit onaangenaam. Zij trok voor den spiegel de pin uit haar hoed en natuurlijk weg kamde zij zich wat op met zijn kam, die zij op tafel zag liggen. En zij plooide aan den zijden strik, die haar linnen boordje omgaf. Hij had een cigaar opgestoken en rookte, staande, rustig. Een kellner bracht het ontbijt. Zwijgend at zij wat en dronk een kop thee.
—Heb jij al ontbeten? vroeg zij.
—Ja.
Zij zwegen weêr en zij at.
—En zullen we nu eens spreken? vroeg hij, staande, rookende.
—Goed....
—Ik wil niet spreken over je vlucht, zeide hij. Ik was van plan je eerst je huid vol te schelden, want het was een verdómd idiote streek van je....
Zij zeide niets. Zij zag alleen naar hem op en in hare mooie oogen was een nieuwe uitdrukking: die van eene zachte gelatenheid. Hij zweeg weêr, en hield zich klaarblijkelijk in en zocht naar zijn woorden.
—Zooals ik zeg, ik wil daar niet meer over spreken. Je hebt een oogenblik niet geweten wat je deedt, en je was ontoerekenbaar. Maar nu moet dat uit zijn, want ik wil dat zoo. Natuurlijk: ik weet, dat ik volgens de wet niet het minste recht op je heb. Maar dat hebben we al besproken, en dat heb ik je al geschreven. En je bent mijn vrouw geweest, en nu ik je terug zie, voel ik heel duidelijk, dat ik je, trots alles, als mijn vrouw beschouw, en dat je mijn vrouw bent. En die indruk moet jij behouden hebben van ons terugzien, hier, in Nice.
—Ja, zeide zij kalm.
—Geef je dat toe?
—Ja, herhaalde zij.
—Dan is het goed. Dat is het eenige, wat ik van je hebben wil. Laten wij dus voortaan niet meer denken aan wat geweest is, aan oude onaangenaamheden, aan onze scheiding, en aan wat jij daarna gedaan hebt. Dat alles zullen we voortaan niëeren. Ik beschouw je als mijn vrouw en je zult mijn vrouw weêr zijn. Volgens de wet kunnen wij niet hertrouwen. Maar dat doet er niet toe. Onze wettige scheiding beschouw ik als een tusschenformaliteit en zullen wij zooveel mogelijk te niet doen. Krijgen wij kinderen, dan zullen we ze wettigen. Ik zal over dat alles een advocaat raadplegen, en ik zal voor alles—finantieel ook— mijn maatregelen nemen. Zoo zal onze scheiding niets zijn dan een formaliteit, voor ons van geen kracht en voor de wereld en de wet van zoo min mogelijk kracht, als maar mogelijk zal zijn. En dan ga ik uit den dienst. Ik zoû toch geen lust hebben er altijd in te blijven, en ik kan er dus wel wat vroeger uitgaan, dan ik eerst dacht. Want in Holland wonen, zal je niet prettig vinden en lokt mij ook niet toe.
—Neen ... murmelde zij.
—Waar zoû je willen wonen?
—Ik weet het niet....
—In Italië?
—Neen ... vroeg zij smeekend.
—Hier blijven?
—Liever niet ... den eersten tijd.
—Ik dacht aan Parijs. Zoû je in Parijs willen wonen?
—Goed....
—Dat is dan goed. Wij zullen dus zoo gauw mogelijk naar Parijs gaan, en dan een appartement zoeken, en ons installeeren. Wij hebben nu gauw voorjaar en dan is het een goed begin in Parijs.
—Goed....
Hij wierp zich in een fauteuil, en de stoel kraakte.
—Zeg, wat denk je nu wel, in je eigen?
—Hoe meen je?
—Ik woû weten, wat je van je man dacht. Of je hem erg belachelijk vond?
—Neen....
—Kom eens hier, op mijn knie.
Zij stond op en naderde hem. Zij deed als hij wenschte, zette zich op zijn knie en hij trok haar naar zich toe. Hij legde op haar hoofd zijn hand: dat gebaar, waaronder zij niet meer kon denken. Zij sloot de oogen en legde haar hoofd tegen hem aan en het leunde tegen zijn wang.
—Heelemaal ben je me toch niet vergeten?
Zij knikte van neen.
—We hadden maar nooit moeten scheiden, wel?
Zij knikte weêr van neen....
—Maar we waren toen driftig, allebei. Je moet voortaan maar niet meer driftig zijn. Dan ben je kwaadaardig en leelijk. Zooals je nu bent, ben je veel liever en mooier.
Zij glimlachte flauwtjes.
—Ik ben blij je terug te hebben, fluisterde hij, in een langen zoen op haar mond.
Zij sloot de oogen onder zijn zoen, terwijl zijn snor kroesde tegen haar vel, en zijn mond hare lippen drukten.
—Ben je nog moê? vroeg hij. Wil je wat rusten?
—Ja, zeide zij. Ik wil mij wel wat uitkleeden.
—Je moet maar wat naar bed gaan, zeide hij. O ja, en dan woû ik je zeggen, je vriendin, de prinses, komt van avond hier.
—Is Urania niet boos....
—Neen ik heb haar alles verteld, en zij is van alles op de hoogte.
Zij vond het prettig, dat Urania niet boos was, dat zij nog een vriendin had.
—En ook Mrs. Uxeley heb ik nog gezien.
—Zij is wèl boos op mij, niet waar?
Hij lachte.
—Dat oude wijf! Neen, boos niet. Ze heeft het land, dat ze nu niemand heeft. Ze was erg op je gesteld. Ze houdt van mooie menschen om zich heen, vertelde ze me. Ze kan een leelijke gezelschapsjuf, zonder chic, niet uitstaan. Kom, kleed je nu maar uit, en ga wat liggen. Dan laat ik je alleen en ga ergens beneden zitten.
Zij waren opgestaan. Zijn oogen, goud, schitterden haar tegen, met zijn ironischen snorlach. En woest pakte hij haar in zijn armen.
—Corrie, zeide hij heesch. Ik vind het heerlijk je terug te hebben. Ben je van mij, zeg, ben je van mij?
Hij drukte haar tot stikkens toe tegen zich vast, zijn beide armen zwaar om haar heen.
—Zeg, ben je van mij?
—Ja....
—Wat zei je vroeger tegen me, als je verliefd op me was?
Zij aarzelde.
—Wat zei je? drong hij, haar vaster klemmend en, met haar handen tegen zijn schouders afdrukkende, poogde zij te ademen.
—Mijn Rud ... murmelde zij. Mijn mooie, heerlijke Rud...!
Werktuigelijk omhelsde zij in haar arm nu zijn hoofd. Hij liet haar als met een krachtsinspanning los.
—Kleed je uit, zeide hij. En probeer wat te slapen. Dan kom ik later terug.
Hij ging, zij kleedde zich uit en zij borstelde heur haren met zijn borstel, zij waschte zich en druppelde in de kom het toiletwater, dat hij gebruikte. Zij liet de meubelgordijnen dichtvallen, waarachter de middagzon glansde en een wijnroode schemering donsde door de kamer. En zij kroop in het groote bed en wachtte hem af, sidderend. Er was geen gedachte in haar. Er was in haar geen smart en geen herinnering. Er was alleen in haar éen afwachting van de geleidelijkheid van het leven. Zij voelde zich niets dan bruid, maar geen bruid van onwetendheid, en diep in haar bloed en merg, voelde zij zich de vrouw, bloed en merg, van hem, dien zij wachtte. Vóór zich, half droomend, zag zij figuurtjes van kinderen.... Want als zij zijn vrouw zoû zijn in waarheid en echtheid, wilde zij niet alleen wezen zijn minnares, maar ook de vrouw, die hem zijn kinderen gaf.... Zij wist het, hij, trots zijn ruwheid, hield van het zachte van kinderen, en zij zoû naar ze verlangen in haar tweede huwelijksleven, als een lieve troost voor de dagen, dat zij niet mooi meer zoû zijn, en niet jong meer.... Voor zich, half droomend, zag zij figuurtjes van kinderen.... En zij wachtte hem af, ze luisterde naar zijn pas, zij verlangde, dat hij komen zoû, haar vleesch trilde hem tegemoet. En toen hij binnenkwam en haar naderde, sloten haar armen zich om hem heen met een gebaar van diep in zich bewuste zekerheid en wist zij, twijfelloos, aan zijn borst, in zijn armen, de wetenschap zijner manmachtige overheersching, terwijl voor haar oogen in een duizeling en weemoed van zwart de droom van haar leven—Rome Duco, het atelier—verzonk....
Eerste DeelI.XXVIII.II.XXIX.III.XXX.IV.XXXI.V.Tweede DeelXXXII.VI.XXXIII.VII.XXXIV.VIII.XXXV.IX.XXXVI.X.XXXVII.XI.XXXVIII.XII.XXXIX.XIII.XL.XIV.XLI.XVXLII.XVI.XLIII.XVII.XLIV.XVIII.XLV.XIX.XLVI.XX.XLVII.XXI.XLVIII.XXII.XLIX.XXIII.L.XXIV.LI.XXV.LII.XXVI.LIII.XXVII.LIV.