De maanden droomden voorbij. En hun geluk deed zulk een zomer in hen ontbloeien, dat zij rijpte in mooiheid, hij in talent; de hoogmoed in hen sloeg als een fierheid naar buiten: bij haar bloei, bij hem werkkracht; haar loome bevalligheid herschiep zich in een fiere rankheid; in volheid zwollen hare vormen; glans lichtte op in haar oogen, blijdschap om haar mond—van nerveuze aandoening trilden zijn handen, als hij zijn penseelen nam, en de luchten van Italië welfden uitspansels voor zijn oog als firmamenten van liefde en innige kleur. Hij schiep en voltooide een serie van aquarelllen wazigheden van droomatmosfeer, die aan het edelste van Turner deden denken: natuurmomenten van louter waas: al het melkblauwe en parelnevelige van de golf van Napels, als een beker vol licht, waar een turkooïs uitsmelt tot water—en hij zond ze naar Holland, naar Londen, en had eensklaps gevonden zijn roeping, zijn werk en zijn roem: moed, kracht, doel en overwinning.
Ook zij had een zeker succes met haar artikel: het werd besproken, bestreden; haar naam werd genoemd. Maar een zekere onverschilligheid was in haar, als zij haar naam las, gemoeid in de Vrouwenbeweging. Eerder leefde zij meê zijn leven van observatie en emotie, en gaf zij dikwijls in al het waas zijner vizie, in het te wazige van zijn tintdroom, een glinstering van licht, een horizon van einde, een streep van werkelijkheid, die realiteit gaf aan den nevel van zijn ideaal. Zij leerde met hem onderscheiden en voelen, natuur, kunst, geheel Rome, en toen een vaag van symboliek zich van hem meester maakte, ging zij geheel met hem mede. Hij ontwierp de groote schets eener theorie van vrouwen, opgaande langs een heuvel opslingerende levenslijn: zij schenen zich te bewegen uit eene in-een stortende stad der oudheid, wier met een enkele architraaf verbondene zuilen optrilden in violet waas van avondgeduister; zij schenen zich los te maken uit de schaduw der ruïne, die aan de kim al verzwijmde in den nacht van het niets—en zij drongen op, elkaâr roepende met kreten, elkaâr wenkende met een groot uitgestrek van handen, boven zich een waaiend gewuif van wimpels en deviezen; met gespierde armen vatten zij aan hamer en houweel, en haar gedrang bewoog zich voort naar boven, de lijn langs, waar witter en witter het licht werd, tot in het waas van de lucht zich raden liet het verre verschiet van een nieuwe stad, wier ijzeren gebouwen als centraal-stations en eiffeltorens in den blanken lichtschemer van de verte heel ijl opglinsterden met een weêrschijn van glasbogen en daken van glas, en hoog in de lucht de muziekbalken der draden van geluid en geleiding....
En zóo werkten hunne beider invloeden op hunne beider zielen in, datzijleerde zien en hij leerde denken; zij schoonheid, kunst, natuur, waas en emotie zàg en niet meer bedacht maar voelde; dathijals op zijn schets—heel vage, moderne glas-en-ijzerstad,—een moderne stad zag rijzen uit zijn droomwaas van Rome's verleden, en, naar zijn eigen natuur en aanleg, dacht over een moderne kwestie. Zij leerde vooral voelen en zien als een vrouw, die lief heeft, met de oogen en het hart van den man, dien zij minde: hij dacht de kwestie uit in plastiek. Maar wat onvolkomenheid ook was in het absolute hunner nieuwe gevoel- en gedachtesferen, de wisselwerking, door hun liefde, gaf hun een geluk zoo groot, zoo één, dat zij het op dat oogenblik niet konden overzien en bevroeden, dat het bijna was een extaze, een flauwe oneigenlijkheid, waarin zij droomden—terwijl het was zuivere waarheid en voelbare werkelijkheid. Zooals zij dachten, voelden en leefden, was een ideaal van realiteit: ideaal binnengetreden en bereikt, langs de geleidelijke lijn van hun leven, langs den goudenen draad van hun liefde, en zij bevroedden en overzagen het nauwlijks, omdat het gewone leven hen toch aankleefde. Maar alleen onvermijdelijk weinig. Zij woonden apart, maar 's morgens zocht zij hem op en vond hem voor zijn schets, en zij zette zich naast hem, leunde haar hoofd op zijn schouder, en zij dachten het samen uit. Hij schetste zijne figuren der vrouwentheorie elk apart, en hij zocht naar de trekken en de modelleering der vormen: enkele hadden het Mongoolsche van den annonciatie-engel van Memmi; andere het ranke van Cornélie en hare latere vollere gezondheid;—hij zocht naar de plooien: in peplosvouwen vochten zich de vrouwen los uit den violetten schemer der ruïne-stad en verder op wisselden hare gewaden als eene maskerade der eeuwen: het edelvrouwe-sleepkleed, de sluiers der sultanen, het wollen kleed der werksters, de kap der liefdezusters—zich modernizeerende het gewaad naarmate de draagster modernere eeuw belichaamde.... En in die groepeering was de teekening van zoo ijle dunheid en soberheid, was de overgang van plooienval tot praktisch-strak zoo voorzichtig en zoo geleidelijk, dat Cornélie overgang nauwlijks bespeurde, dat zij éen stijl meende te zien, éene mode van dracht, terwijl iedere silhouet zich toch kleedde met anderen snit in andere stof, vallende met andere lijnen.... In de teekening was een oud-meesterlijke zuiverheid, eene puurheid van ommelijn, maar modern—nerveus en morbide—en toch zonder conventioneel ideaal van symbolische lichaamsvormen; in de groepeering was rafaëlitische harmonie; in de aquareltint der eerste studiën het waas van Italië: de ruïne-stad schemerde als hij het Forum zag schemeren; de stad van ijzer en glas glinsterde-op met haar bouw van kristalpaleis, uit een witte lichtapotheoze, als hij van Sorrente af om Napels gezien had. Zij voelde, dat hij een groot werk deed en had nooit nog zoo levensbelang gesteld in iets, als zij nu deed in zijn idee en zijn schetsen. Stil en zwijgend zat zij achter hem en volgde zijne teekening van de wimpelende vanen en slingerende deviezen, en zij ademde niet als zij zag, dat hij met enkele veegjes van wit en tikken van licht—of hij licht had onder zijn kleuren—de glazen stad aan de kim deed opdroomen. Dan vroeg hij haar iets over eene figuur, en sloeg om haar middel zijn arm, trok haar naar zich toe, en zij bleven lang turen en uitdenken lijn en idee, tot de avond viel, de avondkilte in de werkplaats omhuiverde en zij langzaam opstonden. Dan gingen zij uit en op het Corso kwamen zij terug tot het werkelijke leven: zwijgend, bij Aragno gezeten, zagen zij naar de drukte; en in hun kleine restauratie, de oogen drinkende elkanders blikken in, aten zij hun eenvoudig maal, zoo zichtbaar harmonisch gelukkig, dat de Italianen, de twee, die daar ook steeds zaten aan de verdere tafel, op dat zelfde uur, glimlachten, als zij hen groetten....
En het werd in hem eene groote werkkracht: er schemerde zoovele gedachte voor hem op, dat hij telkens weêr een ander motief vond en het symbolizeerde in een ander figuur. Hij schetste, levensgroot, een wandelende vrouw, met die mengeling van kind, vrouw en godin, die zijn figuren karakterizeerde—en ze liep langzaam dalende lijn af naar een sombere diepte, zonder te zien en zonder te begrijpen; hare oogen staarden magnetisch den afgrond toe: vage handen waren om haar als een wolk en duwden zacht, en leidden; in de hoogte, op hooge rotsen, riepen haar, in hel licht, andere figuren met harpen, maar zij ging naar de diepte, door de handen geduwd; in den afgrond bloeiden vreemde purperen orchideeën, als monden van liefde....
Toen Cornélie op een morgen kwam in zijn atelier had hij plotseling deze idee geschetst. Het was haar een verrassing, want hij had er niet over gesproken: de idee was plotseling opgekomen; de uitwerking, spontaan en vlug, had hem geen uur gevergd. Hij verontschuldigde er zich bijna bij haar over, toen hij hare verrassing zag. Zij vond het wel mooi, maar huiverde ervan en hield meer van de "Banieren" de groote aquarel, de optocht der ten levensstrijd tijgende vrouwen....
En om haar pleizier te doen zette hij de dalende vrouw ter zijde en werkte alleen voort aan de strijdende vrouwen. Maar telkens kwam een nieuwe gedachte hem storen in zijn werk en schetste hij in hare afwezigheid een nieuw symbool, tot de schetsen zich opstapelden en overal lagen verspreid. Zij borg ze in portefeuilles; zij nam ze weg van ezel en plank; zij behoedde hem te veel af te dwalen van de "Banieren", en dit was het alleen, dat bij voltooide.
Zoo scheen hun leven zacht voort te willen loopen, langs éene lieflijke lijn, in éene goudene richting, terwijl als bloemen zijn symbolen ter zijde ontloken, terwijl het azuur hunner liefde er het uitspansel scheen boven, maar zij plukte den overvloed van bloemen weg, en alleen de "Banieren" wuifde meê over hun pad, in het firmament hunner extaze, zooals zij wuifden boven de strijdende vrouwen....
Zij hadden slechts eene afleiding; het huwelijk van den prins en Urania: een diner, een bal en de ceremonie in San Carlo, te midden van geheel de Romeinsche aristocratie, die de rijke Amerikaansche echter met reserve ontving. Maar toen de prins en de prinses di Forte-Braccio naar Nice vertrokken, was alle afleiding voorbij en gleden de dagen weêr voort langs de zelfde lieflijke goudene lijn. En Cornélie behield alleen éen onaangename herinnering: hare ontmoeting tijdens die feestdagen met mevrouw Van der Staal, die haar genieerd had op die feesten, haar den rug had toegedraaid en haar had doen begrijpen, dat alle vriendschap uit was. Zij had er zich in geschikt; zij had begrepen hoe moeilijk het was—zelfs al had mevrouw Van der Staal haar te woord willen staan—aan een vrouw als deze, vastgegroeid in hare sociale en wereldsche conventie, te verklaren haar eigen hoogmoedige ideeën van vrijheid, onafhankelijkheid en geluk. En ook de meisjes had zij genieerd, begrijpende, dat mevrouw Van der Staal dat wenschte. Zij was om dit alles niet boos, en niet gekwetst; zij begreep het wel in de moeder van Duco: zij was er alleen een beetje treurig om, want zij hield van mevrouw Van der Staal: zij hield van de beide meisjes.... Maar zij begreep het geheel: het kon niet anders, mevrouw Van der Staal wist, vermoedde alles. De moeder van Duco kon niet anders handelen, al ontkenden de prins en Urania, uit vriendschap, allen band tusschen Duco en haar, Cornélie—al nam de Romeinsche wereld hen tijdens die huwelijksfeesten eenvoudig aan als vrienden, als kennissen, als landgenooten—wat zij ook fluisterde en glimlachte achter een waaier. Maar nu waren die feesten gedaan, nu waren ze voorbij dat kruispunt met wereld en mensch: nu glooide hun gouden richting weêr zacht en effen voor hen uit....
Toen was het, dat Cornélie, die niet dacht aan Den Haag, een brief ontving uit Den Haag. De brief was van haar vader en telde ettelijke bladzijden, hetgeen haar van hem verwonderde, want hij schreef nooit. Hetgeen zij las verschrikte haar zeer maar ontmoedigde haar toch niet dadelijk geheel en al, misschien omdat zij niet voorzag het gewicht van haar vaders mededeeling. Hij smeekte haar om vergeving. Hij was al lang in financieele moeilijkheden. Hij had veel verloren. Zij moesten verhuizen, in een kleiner huis. De stemming in hun huis was bitter; mama huilde den heelen dag, de zusters kibbelden; de familie gaf raad; de kennissen waren onaangenaam. En hij smeekte haar om vergeving. Hij had gespeculeerd en verloren. En hij had ook verloren haar eigen klein kapitaaltje, dat hij beheerde, het legaat van haar peettante. Hij vroeg haar hem niet te hard te beschuldigen. Het had anders kunnen loopen en dan was zij driemaal zoo rijk geweest. Hij bekende het, hij had verkeerd gehandeld—maar hij was toch haar vader en hij vroeg haar, zijn kind, om vergeving en verzocht haar terug te komen.
Zij schrikte eerst hevig, maar hernam spoedig hare kalmte. Zij was in een te gelukkige stemming van levensharmonie, dan dat het bericht haar vermocht neêr te slaan. Zij ontving den brief in bed, bleef nog wat liggen, dacht na, kleedde zich toen aan, at als gewoonlijk, en ging toen naar Duco. Hij ontving haar met enthouziasme, en toonde haar drie nieuwe schetsen.... Zij verweet hem zachtjes, dat hij zich te veel liet afleiden van zijn hoofdidee, en dat deze afdwalingen hem vermoeien zouden in zijn werkkracht, in zijn doorzettingsvermogen. Zij drong hem toch vooral aan de "Banieren" te blijven werken. En zij zag met aandacht naar de groote aquarel, naar de antieke, in-een stortende Forumstad; de optocht der Vrouwen naar de Wereldstad van de Toekomst, daar hoog in het dagen van licht.... En eenslaps kwam het tot haar, dat ook haar verleden was ingestort, en dat de brokkelende bogen dreigend hingen boven haar hoofd. Zij liet hem toen lezen den brief van haar vader. Hij las tweemaal, zag haar aan verbijsterd, en vroeg wat zij doen zoû. Zij zeide, dat zij er reeds over na had gedacht, maar dat zij nog alleen maar wist het allerdadelijkste, dat zij doen zoû. Hare kamers opzeggen, en bij hem komen, in zijn atelier. Zij had juist nog genoeg om hare kamers te betalen. Maar dan was zij zonder geld. Totaal zonder geld. Zij had nooit van haar man een toelage willen hebben. Alleen wachtte zij het honorarium van haar artikel. Hij strekte haar dadelijk de handen toe, trok haar tot zich en kuste haar, en zeide, dat dit ook dadelijk zijn idee was geweest. Komen bij hem, samenleven met hem. Hij had wel genoeg—een kleinigheid van vaderlijk erfdeel; hij verdiende er bij: hij zoû genoeg hebben voor beiden. En zij lachten en kusten elkaâr en zagen rond in het atelier. Duco sliep in een klein aangrenzend hokje: iets van een lange muurkast. En zij zagen rond wat zij konden doen. Cornélie wist het: hier, een gordijn drapeeren over een koord, daarachter haar bed, haar waschtafel. Meer had zij niet noodig. Alleen dat kleine hoekje; anders had Duco geen goed licht. Zij waren heel vroolijk en vonden het een allergezelligst idee. Zij gingen dadelijk uit, kochten een ijzeren bedje, een toilettafel, en hingen zelve het gordijn op. Toen gingen ze beiden de koffers pakken in de Via dei Serpenti—en dineerden in de osteria. Cornélie stelde voor nu en dan eens thuis te te eten, dat was goedkooper.... Thuis gekomen, was zij er over uit, dat hare installatie zoo weinig plaats innam, nauwlijks een paar vierkante meter, met dat kleine bedje achter dat gordijn. Zij waren dien avond heel vroolijk. De bohême van hun toestand amuzeerde hen. Zij waren in Italië, in het land van zon, van schoonheid en lazzaroni, van bedelaars, die droomen op de trappen van een kathedraal, en zij voelden zich verwant aan die zonnige armoede. Zij waren gelukkig, zij hadden niets noodig. Zij zouden leven van niets. Van zoo weinig, ten minste. En zij zagen de toekomst glimlachend en helder in. Zij waren nu dichter bij elkaâr, zij leefden nu dichter aaneen gesloten. Zij hadden elkander lief en waren gelukkig, in een land van schoonheid, in een ideaal van edel symbool en leven-omvattende kunst.
Den volgenden morgen werkte hij ijverig, zonder een woord, verloren in zijn droom, in zijn werk, en zij, stil ook, tevreden, gelukkig, zag aandachtig hare blouses en rokken na, en bedacht, dat zij in geen jaar nog iets noodig zoû hebben, en dat hare oude kleêren voldoende waren voor hun leven van geluk en eenvoud.
En zij antwoordde haar vader heel kort, dat zij hem vergaf, meêleed met hen allen, maar niet terugkwam in Den Haag. Zij zoû wel in haar eigen onderhoud voorzien, met schrijven. Italië was goedkoop. Meer schreef zij niet. Zij repte niet van Duco. Zij scheidde zich van hare familie af, in den geest, en in het leven. Zij had geene sympathie bij hen allen ontmoet tijdens haar treurig huwelijk, tijdens de lijdensdagen van hare scheiding, en nu, op hare beurt, voelde zij geene warmte. En haar geluk maakte haar eenzijdig en egoïst. Zij verlangde niets dan Duco, niets dan hun samenleven van samenstemming. Hij werkte en lachte haar nu en dan toe waar zij lag op den divan en nadacht. Zij zag naar de ten strijde opgaande vrouwen; ook zij zoû niet op een divan kunnen blijven liggen, ook zij zoû moeten strijden. Zij voorgevoelde, dat zij zoû moeten strijden: voor hèm. Hij was nu in zijn kunstijver, maar als die na een rezultaat, na een succes voor zich en de wereld, verslapte—momenteel—zoû dit gewoon en logisch zijn en zoûzijmoeten strijden. Hij was het edele in hun beider leven, zijn kunst kon niet hare broodwinning worden. Zijn fortuintje was bijna niets. Zij zoû willen werken en geld verdienen voor hen beiden, opdat hij zoû kunnen blijven in het reine principe van zijne kunst. Maar hoe, hoe strijden, werken, hoe werken voor hun leven en voor hun brood? Wat kon zij? Schrijven? Het gaf zoo weinig. Wat anders? Een lichte weemoed omving haar, omdat zij weinig kon. Zij had kleine talentjes en handigheden: zij schreef een goeden stijl, zij zong, speelde piano, zij kon een blouse maken en zij wist wat van koken af. Zij zoû zelve nu en dan wat koken en hare kleêren zelve naaien. Maar dat alles was zoo klein, zoo weinig. Strijden, werken? Hoe? Enfin, doen zoû zij, wat zij kon. En eensklaps nam zij een Baedeker, bladerde er in en zette zich voor Duco's schrijftafel, waaraan ook zij schreef. En zij dacht even na en begon een causerie. Een reisbrief voor een blad, over de omstreken van Napels: dat was gemakkelijker dan dadelijk over Rome te beginnen. En in het atelier, waar een lichte stookwarmte hing, omdat het op het Noorden was en kil, werd het geluidenloos stil: alleen kraste nu en dan even hare pen, of zocht hij tusschen zijn crayons en penseelen. Zij schreef enkele bladzijden maar vond haar slot niet.... Toen stond zij op, hij wendde zich om en lachte haar toe: zijn glimlach van vriendelijk geluk....
En zij las hem voor wat zij geschreven had. Het was niet de stijl van hare brochure. Het was geen invective: het was een lieftallige reisbrief....
Hij vond het wel aardig, maar nu niet zoo héel bizonder.... Maar dat behoefde ook niet, verdedigde zij zich. En hij omhelsde haar, voor haar ijver en haar moed. Het regende dien dag en zij gingen niet uit voor hun lunch; zij had eieren en tomaten en op een petroleumstel maakte zij een ommelet. Zij dronken alleen water en aten er heel veel brood bij. En terwijl de regen geeselde tegen het groote, gordijnlooze atelierraam aan, genoten zij hun maal, gezeten als twee vogels, die schuilen bij elkaâr, dicht bij elkaâr, om niet nat te worden.
Het was een paar maanden na Paschen: het waren de lentedagen van Mei. De vloed der toeristen was, dadelijk na de groote kerkfeesten, weggestroomd, en Rome was al heel warm en werd heel stil. Op een morgen, dat Cornélie liep over de Piazza di Spagna, waar de zonneschijn neêrvloot langs de roomgele façade der Trinita de' Monti, over de monumentale trap, waar maar enkele bedelaars en de laatste bloemenjongen in een hoekje schaduw zaten te droomen met knippende oogleden, zag Cornélie den prins op zich afkomen. Hij groette haar met een blijden glimlach en trad haastig op haar toe.
—Wat ben ik blij u te ontmoeten. Ik ben voor een paar dagen in Rome en ik moet naar San Stefano, naar mijn vader, voor zaken. Vervelend zaken, vooral deze. Urania is in Nice. Maar het is er warm, wij gaan weg. Wij komen juist van een trip door de Middellandsche zee. Vier weken op het yacht van een vriend. Het was heerlijk! Waarom is u niet eens bij ons in Nice gekomen, zooals Urania u geschreven heeft te doen?
—Ik kon waarlijk niet komen....
—Ik ben u gisteren gaan opzoeken in de Via dei Serpenti. Maar men vertelde mij, dat u verhuisd was....
Hij zag haar aan met een spotlachje in zijn kleine, glinsterende oogen. Zij zweeg.
—Toen heb ik niet verder indiscreet willen zijn, voltooide hij met bedoeling.... Waar gaat u heen?
—Ik moet naar het postkantoor.
—Ik heb niets te doen. Mag ik met u meêloopen. Is het u niet te warm om te wandelen?
—O, neen, ik hoû van de warmte. Zeker, loopt u meê. Hoe gaat het met Urania?
—Goed, uitstekend. Zij is uitstekend. Zij is prachtig, eenvoudig prachtig. Ik had het nooit gedacht. Ik had het nooit durven denken. Zij houdt zich briljant. Wat haar aangaat heb ik geen berouw van mijn huwelijk. Maar verder, wat een tegenvaller, wat een deceptie. Gesu mio!
—Waarom?
—U wist, niet waar—hoe weet ik nog niet—u wist voor hoeveel ik me verkocht? Geen vijf millioen, maar tien millioen. Ach, signora mia, wat al deceptie. U heeft mijn schoonvader gezien tijdens ons huwelijk. Wat een Yankee, wat een kousenkoopman en wat een handelsvent! Wij kunnen daar niet tegen op. Ik niet, en papa niet, en de marchesa niet. Eerst beloften, contracten, jawel. Maar dan pingelen hierop, pingelen daarop. Wij kunnen dat niet. Ik niet. En papa ook niet. Alleen tante kon pingelen. Maar ze was niet tegen den kousenkoopman opgewassen. Dat had ze nog niet geleerd al de jaren, dat ze pension-mama was geweest. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Nu ja, maar ongeveer zooveel hebben we wel gekregen, plus nog een hoop beloften, voor onze kindskinderen, als iedereen dood is. Ach, signora, signora, ik was rijker toen ik niet getrouwd was! Het is waar, toen had ik schulden, nu niet. Maar Urania is van een zuinigheid, van een praktischheid. Ik had dat nooit zoo gedacht.... Het is iedereen tegengevallen, papa, tante, de monsignore's. U moest ze eens bijwonen met elkaâr. Ze hadden elkaâr wel de oogen willen uitkrabben. Papa heeft bijna een beroerte gehad, tante raakte handgemeen met de monsignore's.... Ach, signora, signora, ik hoû daar niet van. Ik ben een slachtoffer. Winters lang hebben ze met me gehengeld. Maar ik woû niet, ik stribbelde tegen: ik liet de vischjes niet happen. En nu is het er dan van gekomen. Nog geen drie millioen. Lire's, geen dollars. Ik was zoo dom, ik dacht eerst, dat het dollars zouden zijn. En Urania is van een zuinigheid. Ik krijg mijn zakgeld van haar. Zij beheert alles, zij doet alles. Zij weet precies hoeveel ik verlies in den club. Neen, u lacht, maar het is treurig. Ziet u wel, dat ik soms zoû kunnen huilen! En dan heeft ze zulke vreemde ideeën. Bij voorbeeld, wij hebben nu ons appartement in Nice en wij houden mijn kamers in het Palazzo Ruspoli aan, als pied-à-terre in Rome. Dat is genoeg: wij komen toch nooit veel in Rome, omdat wij "zwart" zijn en Urania dat saai vindt. 's Zomers zouden wij hier of daar zijn, op een badplaats. Mooi, dat was nu eenmaal afgesproken. Maar nu krijgt Urania in eens het idee om San Stefano uit te kiezen als zomerverblijfplaats! San Stefano!! Ik vraag u. Ik hoû het er niet uit. Het is waar, het ligt hoog, het is er koel: het klimaat is er aangenaam: een frische berglucht. Maar, ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. Ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. O, u zoû Urania niet herkennen. Ze is zoo koppig soms. Het staat nu onwrikbaar vast: 's zomers San Stefano. En het ergste is: ze heeft er papa's hart meê gestolen. Ik ben dus het kind van de rekening. Ze staan twee tegen mij, éen. En het allerergste is..., dat Urania gezegd heeft, dat we heél zuinig moeten zijn, om San Stefano op te knappen. Het is er een beroemde historische, maar vervallen boel. Wat wil u, we hebben nooit veine gehad. Nadat er eens een Forte-Braccio Paus is geweest ... is onze ster getaand en hebben we nooit meer geluk gehad. San Stefano is het type van vervallen grootheid. U moet het eens zien. Zuinig zijn, om San Stefano op te knappen! Dat is nu Urania's ideaal. Ze heeft zich in het hoofd gezet onze voorvaderlijke woning eere aan te doen. Enfin, ze steelt er papa's hart meê en hij is zijn beroerte te boven gekomen. Maar begrijpt u nu, dat il povero Gilio armer is dan voor hij aandeelen had in een kousenfabriek te Chicago??
Zijn woordenstroom was niet te breidelen. Hij voelde zich diep ongelukkig, klein, geslagen, getemd, overwonnen, vernietigd en hij had behoefte zijn hart te luchten. Zij waren de post al voorbij geloopen en kwamen nu op hun passen terug. Hij zocht sympathie bij Cornélie en hij vond die in de glimlachende oplettendheid, waarmeê ze zijn klachten aanhoorde. Zij antwoordde, dat het toch voor Urania prouveerde, dat zij gevoel had voor San Stefano.
—O ja, gaf hij nederig toe. Ze is heel goed. Ik had het nooit gedacht. Ze is op-end-op prinses-hertogin. Het is prachtig. Maar de tien millioen, weg illuzie! Maar zeg mij, wat ziet u er goed uit! U wordt iederen keer, dat ik u zie, mooier en mooier. Weet u wel, dat u een heele mooie vrouw is? U moet zeker heel gelukkig zijn! U is een bizondere vrouw, ik heb het altijd gezegd. Ik begrijp u niet.... Mag ik eerlijk spreken? Zijn wij goede vrienden? Ik begrijp u niet. Wat u nu gedaan heeft, vind ik zoo iets ontzettends.... Ik heb daar nooit van gehoord in onze wereld.
—Uw wereld is de mijne niet, prins.
—Nu ja, maar toch, uw wereld zal daaromtrent wel de zelfde ideeën hebben. En die kalmte, die fierheid, dat geluk, waarmeê u rustig doet.... waar u lust in heeft. Ik vind het ontzaglijk. Ik sta ervan versteld.... En toch ... is het jammer. In mijn wereld is men heel gemakkelijk.... Maar dàt mag niet!
—Prins, nog eens, ik heb geen wereld. Mijn wereld is mijn eigen sfeer.
—Ik begrijp dat niet.... Zeg mij, hoe moet ik het Urania zeggen? Want ik zoû het zoo heerlijk vinden als u eens kwam te San Stefano. Och toe, doe het, kom ons eens gezelschap houden. Ik smeek u er om. Wees barmhartig, doe een goed werk.... Maar zeg mij eerst, hoe moet ik het aan Urania zeggen....
Zij lachte.
—Wat?
—Dat wat men mij vertelde in de Via dei Serpenti: dat uw adres voortaan luidde: Via del Babuino, atelier van den heer Van der Staal....
Zij zag hem, lachende, bijna medelijdend aan.
—Het is te moeilijk voor u, om te zeggen, antwoordde zij zachtjes neêrbuigend. Ik zal het zelf aan Urania schrijven en haar mijn gedrag verklaren.
Hij was blijkbaar verlucht.
—Dat is heerlijk, uitstekend! En ... komt u op San Stefano?
—Neen, ik kan niet, heusch niet.
—Waarom niet?
—In den kring, waarin u leeft, kan ik niet meer komen, na mijn verandering van adres, zeide zij, half lachend, half ernstig.
Hij haalde de schouders op.
—Hoor eens, sprak hij. U kent onze Romeinsche maatschappij. Als zekere convenances worden geëerbiedigd ... is alles geoorloofd.
—Juist, maar die convenances eerbiedig ik juist niet....
—Dat is dan ook verkeerd van u. Geloof mij, ik zeg het u als vriend.
—Ik leef naar mijn eigen wet en verlang niet uw wereld binnen te treden.
Hij vouwde de handen.
—Ja, ja, dat weet ik wel. U is een "nieuwe vrouw." U heeft uw eigen wet. Maar ik smeek u, heb medelijden met mij. Ontferm u over mij. Kom te San Stefano.
Zij meende in zijne stem een verleiding te hooren en daarom zeide zij:
—Prins, al kon het overeenkomen met de convenances van uw wereld ... dan nog zoû ik niet willen, want ik wil Van der Staal niet verlaten.
—Kom eerst, en later komt hij. Urania zal hem gaarne raad willen vragen omtrent eenige artistieke kwesties, betreffende het "opknappen" van Stefano. Wij hebben daar veel schilderijen. En antieken. Toe, doe dat. Ik ga morgen naar San Stefano. Urania volgt mij na een week. Ik zal haar voorstellen u spoedig te vragen....
—Waarlijk prins ... zoo binnen kort kan ik niet....
—Waarom niet?
Zij zag hem lang aan.
—Wil ik heel eerlijk zijn?
—Natuurlijk.
Zij waren de post al een paar malen voorbijgeloopen. Het was doodstil op straat, er liep niemand. Hij zag haar vragend aan.
—Nu dan, sprak zij; wij zijn in groote geldelijke moeilijkheden. Wij hebben op het oogenblik niets in huis. Ik heb mijn kapitaaltje verloren en het weinigje wat ik verdiend heb met het schrijven van een artikel is op. Duco werkt hard, maar hij is aan een groot werk bezig en verdient niets. Over twee maanden wacht hij eenig geld. Maar op dit oogenblik hebben wij niets. Eenvoudig niets. Daarom ben ik van morgen in een winkel aan den Tiber gaan informeeren hoeveel de koopman geven woû voor een paar antieke schilderijen, die Duco verkoopen wil. Hij scheidt ongaarne van ze. Maar het kan niet anders. U ziet dus, dat ik niet komen kan. Ik zoû hem niet willen verlaten en dan, ik zoû geen geld hebben voor de reis en ook geen decente garderobe....
Hij zag haar aan. Hare opbloeiende schoonheid had hem eerst getroffen; nu trof hem, dat haar rok wat gesleten was, hare blouse niet frisch meer was, hoewel zij een paar rozen in den ceintuur droeg.
—Gesu mio! riep hij uit. En dat vertelt u mij zoo kalm, zoo rustig....
Zij glimlachte en haalde de schouders op.
—Wat wil u? Dat ik er over jammer?
—Maar u is een vrouw ... een vrouw om eerbied voor te hebben! riep hij uit. Hoe is Van der Staal er onder?
—Hij is wel een beetje gedrukt. Hij heeft nooit finantieele moeilijkheid gekend. En het verhindert hem met al zijn talent te werken. Maar ik hoop hem tot eenigen steun te zijn in dezen ongelukkigen tijd. U ziet dus, prins, dat ik niet kan komen te San Stefano.
—Maar waarom heeft u ons niet geschreven? Waarom ons geen geld gevraagd?
—Het is heel lief van u dat te zeggen, maar het idee is zelfs niet bij ons opgekomen.
—Te fier?
—Te fier, ja.
—Maar wat een toestand? Wat kan ik voor u doen? Mag ik u een paar honderd lire geven? Ik heb een paar honderd lire bij me. En ik zal Urania zeggen, dat ik ze u gegeven heb.
—Neen prins, dank u. Ik ben u heel dankbaar, maar ik kan het niet aannemen.
—Vanmijniet?
—Neen.
—Van Urania niet?
—Ook niet van haar.
—Waarom?
—Ik wil mijn geld verdienen en kan geen aalmoes ontvangen.
—Een mooi principe. Maar voor het oogenblik.
—Blijf ik het nog getrouw.
—Mag ik u wat zeggen.
—Wat dan?
—Ik bewonder u. Meer dan dat. Ik heb u lief. Zij maakte een beweging met de hand en fronste de wenkbrauwen.
—Waarom mag ik dat niet zeggen. Een Italiaan houdt zijn liefde niet in zich verborgen. Ik heb u lief. U is mooier en edeler en hooger dan ik mij ooit een vrouw zoû kunnen voorstellen.... Wees niet boos: ik vraag u niets. Ik ben een mauvais sujet maar op het oogenblik voel ik waarachtig nog zoo iets in me, dat u op onze oude familieportretten ziet. Een bij toeval overgebleven atoom van ridderlijkheid. Ik vraag u niets. Ik zeg u alleen, ook uit Urania's naam nu: u kan altijd op ons rekenen. Urania zal boos zijn, dat u haar niet geschreven heeft.
Zij gingen nu de post in en zij kocht een paar postzegels.
—Daar gaan mijn laatste soldi, zeide zij lachend en toonde haar leêge beurs. Wij hadden ze noodig voor een paar brieven aan een tentoonstellingscomité in Londen. Brengt u mij naar huis?
Zij zag eensklaps, dat hij tranen in zijn oogen had.
—Neemt u tweehonderd lire van mij aan! smeekte hij.
Zij dankte glimlachend van neen.
—Eet u thuis? vroeg hij.
Zij keek hem komisch aan.
—Ja, zeide zij.
Hij wilde niet verder vragen, bang haar te kwetsen.
—Wees lief, sprak hij; en dineer samen van avond met mij. Ik verveel mij. Ik heb op het oogenblik geen kennis in Rome. Iedereen is weg. Niet in het Grand-Hôtel, maar in een gezellige restauratie waar men mij kent. Ik kom u halen, om zeven uur. Wees lief, en doe het! Om mij!
Zijn tranen kon hij niet weêrhouden.
—Gaarne, sprak zij zacht, met haar glimlach.
Zij stonden in de poort van het huis der Via del Babuino, waar het atelier was. Hij hief haar hand aan zijn lippen, en kuste ze innig. Toen groette hij met den hoed en vertrok haastig. Zij ging langzaam de trappen op, hare aandoening bedwingend, voor zij het atelier binnentrad.
Zij vond Duco lusteloos, liggend op den divan. Hij had een zware hoofdpijn en zij zette zich naast hem.
—Wel? vroeg hij.
—De man woû tachtig lire geven voor den Memmi, zeide zij; maar hij beweerde, dat het tryptiekblad niet was van Gentile da Fabriano: hij herinnerde zich het blad bij je gezien te hebben.
—De man leutert, antwoordde hij; of hij zoekt mijn Gentile voor niets te krijgen.... Cornélie, ik kan ze eigenlijk niet verkoopen.
Nu Duco, dan zullen we wel wat anders vinden, sprak ze, en legde haar hand op zijn van hoofdpijn verwrongen voorhoofd.
—Misschien een paar kleinere dingen, een paar bibelots ... kreunde hij.
—Misschien ... Wil ik er van middag nog eens teruggaan?
—Neen, neen ... Dan gaik. Maar eigenlijk kunnen wij zulke dingen wel koopen, maar nooit verkoopen.
—Neen Duco, gaf zij lachende toe. Maar ik heb gisteren geïnformeerd wat ik voor een paar braceletten krijgen kon, en die zal ik van middag van de hand doen. En dan kunnen we wel een maand rondscharrelen. Maar ik woû je iets vertellen. Weet je wien ik ontmoet heb?
—Neen.
—Den prins.
Zijn voorhoofd fronste.
—Ik hoû niet van dien ploert, sprak hij.
—Ik heb het je al eens gezegd, Duco: ik vind hem geen ploert. En ik geloof ook niet, dat hij dat is. Hij vroeg ons te dineeren voor van avond, heel eenvoudig.
—Neen, ik heb geen lust....
Zij zweeg. Zij stond op, kookte water op een spiritusstel en zette thee.
—Beste Duco, ik heb het lunch wat genegligeerd. Een kop thee en een boterham is alles wat ik je kan offreeren. Heb je veel honger?
—Neen, zeide hij ontwijkend.
Zij neuriede, terwijl zij de thee inschonk, in een antiek kopje. Zij sneed het brood en bracht hem zijn kopje op den divan. Toen zette zij zich naast hem, ook met een kopje in de hand.
—Cornélie, willen we liever niet lunchen in de osteria....
Zij toonde hem lachend haar leêge beurs.
—Hier zijn de postzegels, sprak ze.
Hij wierp zich ontmoedigd in de kussens.
—Mijn beste jongen, ging zij voort; wees niet zoo down. Van middag heb ik weêr geld, van die braceletten. Ik had ze eerder moeten verkoopen. Heusch Duco, het heeft niets te beteekenen. Waarom heb je niet gewerkt. Het zoû je opgewekt hebben.
—Ik had geen lust en ik heb hoofdpijn....
Zij zweeg even. Toen zeide zij:
—De prins was boos, dat wij hem niet geschreven hadden om hulp. Hij woû me tweehonderd lire geven....
—Je hebt ze toch geweigerd? vroeg hij woest.
—Natuurlijk, zeide zij kalm. Hij vroeg ons te logeeren op San Stefano, waar zij van den zomer zijn. Dat heb ik ook geweigerd.
—Waarom?
—Ik zoû geen kleêren hebben Maar jij zoû toch ook geen lust hebben, wel?
—Neen, sprak hij mat.
Zij nam zijn hoofd tegen zich aan en streelde over zijn voorhoofd. Een breed vak van weêrkaatst middaglicht viel uit de blauwe lucht buiten door het atelierraam en het atelier was als een ineengewemel van stoffige kleur, waarin de silhouetten zich uitteekenden met hun onbewegelijk gebaar en onveranderlijke emotie. De reliefborduursels der kazuifels en stolen, de purperen en azuurblauwen van Gentile's tryptiekblad, de mystische weelde van Memmi's engel in zijn mantel van zwaarkreukend brokaat, de gouden lelietak in de vingers—waren als een opeengestapelde rijkdom van kleur en flonkerden in dat weêrkaatste licht als van handenvol juweelen. Op den ezel stond de aquarel der Banieren, fijn en edel. En zooals zij zaten op den divan, hij leunende het hoofd tegen haar aan, beiden drinkende hunne thee, waren zij harmonisch van geluk tegen dien achtergrond van kunst. En het scheen ongelooflijk, dat zij zich bezorgd maakten over een paar honderd lire, want het gloeide om hen heen van kleur als edelsteen, en haar glimlach bleef als een glans. Maar ontmoedigd stonden zijn oogen en slap hing zijn hand.
Zij ging dien middag nog even uit, maar kwam spoedig thuis, zeggende, dat zij de braceletten verkocht had en dat hij nu zonder zorg behoefde te zijn. En zij zong en bewoog zich vroolijk door het atelier. Zij had eenige inkoopen gedaan: een amandeltaart, beschuitjes, een half fleschje port. Zij had dat zelve meêgebracht in een mandje en zij pakte het al zingend uit. Hare levendigheid wekte hem op; hij stond op en zette zich eensklaps voor "De Banieren". Hij zag naar het licht en bedacht, dat hij nog wel een uur kon werken. Een heerlijkheid golfde in hem op toen hij de aquarel beschouwde: hij vond er veel goeds, veel moois in. Er was breedheid in en fijnheid; het was modern en toch geen truc van modernisme: er was gedachte in en toch zuiverheid van lijn en groep. En de kleur was van een rustige voornaamheid: paarsch en grijs en wit; violet en grauw en blank; duister, schemer, licht; nacht, dageraad, dag. De dag vooral, de hoog daar dagende dag, was van een witte, zelfbewuste zon: een blanke zekerheid, waarin de toekomst duidelijk werd. Maar als een wolk waren de wimpels, deviezen, vanen, banieren, uitwaaiende als een heraldische trotschheid boven de extazehoofden der strijdsters.... Hij zocht zijne kleuren, hij zocht zijn penseelen, hij werkte met ijver, tot hij geen licht meer had. En hij zette zich bij haar, gelukkig, tevreden. In de schemering dronken zij van den port en aten zij van de taart. Hij had wel lust, zeide hij: hij had honger....
Om zeven uur werd er geklopt. Hij schrikte op, ging naar de deur, en de prins trad binnen. Duco's voorhoofd bewolkte, maar de prins zag niets in het duisterende atelier. Cornélie stak een lamp op.
—Scusi, prins, zeide zij. Ik ben bepaald verlegen. Duco heeft geen lust uit te gaan—hij heeft gewerkt en is moê—en ik had niemand om u een boodschap te zenden, dat wij uw invitatie niet konden aannemen.
—Maar dat meent u toch niet! Ik had zoo vast gerekend u beiden te hebben. Wat doe ik anders met mijn avond...!
En met zijn woordvloed, zijn klagen van bedorven kind, zijn smeeken van verwende jongen, die zijn zin wilde hebben, begon hij Duco—onwillig, stroef—over te halen. Duco stond eindelijk op, haalde zijn schouders op, glimlachte meêlijdend, bijna beleedigend, maar gaf toe. Maar zijn gevoel van onwil kon hij niet bedwingen; zijn ijverzucht om de vlugge repartie's van Cornélie en den prins was altijd hevig in hem, als een pijn. In de restauratie was hij eerst stil. Toen deed hij een poging om meê te doen in het gesprek, zich herinnerende wat Cornélie hem gezegd had dien gewichtigen dag in de osteria: dat zij hèm, Duco, liefhad; dat zij tegen hem opzag, dat zij den prins zelfs niet vergeleek bij hem; maar.... dat hij niet vroolijk was en geestig.... En om die herinnering voelende zijn meerderheid, was hij, trots zijn jalouzie, een beetje glimlachend uit de hoogte tegen den prins, een beetje neêrbuigend en duldende zijn aardigheid en flirt, omdat het Cornélie amuzeerde, dat gespeel met vlugge woorden en kort op elkaâr slaande zinnetjes, als de dialoog van een Fransch tooneelstuk.
Den volgenden dag zoû de prins 's morgens naar San Stefano gaan en heel vroeg schreef Cornélie hem het volgende briefje:
Waarde Prins.Ik kom tot u met een verzoek. U was gisteren morgen zoo vriendelijk mij uw hulp aan te bieden. Ik meende toen uw zoo vriendschappelijk aanbod te kunnen weigeren. Maar ik hoop, dat u mij niet al te grillig vindt als ik mij van daag tot u wend met het verzoek: leen mij, wat u mij gisteren wilde aanbieden.Leen mij tweehonderd lire. Ik hoop ze u zoo spoedig mogelijk te kunnen teruggeven. Het behoeft natuurlijk geen geheim voor Urania te zijn, maar laat Duco het niet weten. Ik heb gisteren mijn braceletten willen verkoopen, maar er slechts éen verkocht, voor heel weinig geld. De goudsmid wilde er mij te weinig voor geven, maar éen was ik wel gedwongen hem voor veertig lire te laten, want ik had geen soldo meer! En nu kom ik dus een beroep doen op uw vriendschap en u vragen: sluit in een couvert de tweehonderd lire en laat mij diezelvekomen afhalen bij den portier. Ontvang bij voorbaat de betuiging mijner innige erkentelijkheid.Wat een gezelligen avond heeft u ons gisteren bezorgd. Zoo een paar uren van vroolijke kout aan een keurig diner doen mij goed. Hoe gelukkig ik mij voel, onze tegenwoordige toestand van geldelijke zorg drukt mij wel eens neêr, hoewel ik mij voor Duco ophoud. Tobben over geld stoort hem in zijn arbeid en knakt hem in zijn werkkracht. Ik spreek er hem dan ook zoo min mogelijk over, en vraag u dus uitdrukkelijk: laat hem buiten dit kleine geheim.Nogmaals: ik ben u innig dankbaar.CORNÉLIE DE RETZ.
Waarde Prins.
Ik kom tot u met een verzoek. U was gisteren morgen zoo vriendelijk mij uw hulp aan te bieden. Ik meende toen uw zoo vriendschappelijk aanbod te kunnen weigeren. Maar ik hoop, dat u mij niet al te grillig vindt als ik mij van daag tot u wend met het verzoek: leen mij, wat u mij gisteren wilde aanbieden.
Leen mij tweehonderd lire. Ik hoop ze u zoo spoedig mogelijk te kunnen teruggeven. Het behoeft natuurlijk geen geheim voor Urania te zijn, maar laat Duco het niet weten. Ik heb gisteren mijn braceletten willen verkoopen, maar er slechts éen verkocht, voor heel weinig geld. De goudsmid wilde er mij te weinig voor geven, maar éen was ik wel gedwongen hem voor veertig lire te laten, want ik had geen soldo meer! En nu kom ik dus een beroep doen op uw vriendschap en u vragen: sluit in een couvert de tweehonderd lire en laat mij diezelvekomen afhalen bij den portier. Ontvang bij voorbaat de betuiging mijner innige erkentelijkheid.
Wat een gezelligen avond heeft u ons gisteren bezorgd. Zoo een paar uren van vroolijke kout aan een keurig diner doen mij goed. Hoe gelukkig ik mij voel, onze tegenwoordige toestand van geldelijke zorg drukt mij wel eens neêr, hoewel ik mij voor Duco ophoud. Tobben over geld stoort hem in zijn arbeid en knakt hem in zijn werkkracht. Ik spreek er hem dan ook zoo min mogelijk over, en vraag u dus uitdrukkelijk: laat hem buiten dit kleine geheim.
Nogmaals: ik ben u innig dankbaar.
CORNÉLIE DE RETZ.
Toen zij dien morgen uitging, begaf zij zich dadelijk naar het Palazzo Ruspoli.
—Is zijne Excellentie al vertrokken?
De portier boog eerbiedig, vertrouwelijk.
—Een uur geleden, signora. Zijne Excellentie liet mij achter een brief en een pakje, om u te overhandigen, als u mocht aankomen. Vergunt u mij even te halen....
Hij ging en kwam spoedig terug, en bood Cornélie pakje en brief.
Zij verwijderde zich door een zijstraat van het Corso, zij opende de enveloppe en vond tusschen eenige banknoten een briefje:
Mijn zeer vereerde.Ik ben zoo blij, dat u zich eindelijk tot mij gewend heeft en zoo zal Urania het ook goed vinden. Ik geloof geheel in haar geest te handelen, als ik u niet tweehonderd lire, maar duizend lire zend, met het allernederigste verzoek die van mij te willen aannemen en te behouden zoolang u verkiest. Want ik durf natuurlijk niet zeggen: neem ze aan als een geschenk. Toch ben ik wel zoo vrijpostig u een souvenir te zenden. Toen ik namelijk las, dat u zich gedwongen gevoeld had een bracelet te verkoopen, deed mij deze mededeeling zulk een hevige smart aan, dat ik zonder mij te bedenken, ben aangewipt bij Marchesini en, zoo goed ik kon, een armband heb uitgekozen, dien ik u aan uw voeten smeek te willen aannemen. U mag dat aan uw vriend niet weigeren. Laat, zoowel voor Urania als voor Van der Staal mijn armband geheim blijven.Ontvang nogmaals mijn innigen dank, dat u zich verwaardigd heeft mijn hulp te aanvaarden en wees verzekerd, dat ik dit gunstbewijs op den allerhoogsten prijs stel.Uw zeer nederige dienaar,VIRGILIO DI F.B.
Mijn zeer vereerde.
Ik ben zoo blij, dat u zich eindelijk tot mij gewend heeft en zoo zal Urania het ook goed vinden. Ik geloof geheel in haar geest te handelen, als ik u niet tweehonderd lire, maar duizend lire zend, met het allernederigste verzoek die van mij te willen aannemen en te behouden zoolang u verkiest. Want ik durf natuurlijk niet zeggen: neem ze aan als een geschenk. Toch ben ik wel zoo vrijpostig u een souvenir te zenden. Toen ik namelijk las, dat u zich gedwongen gevoeld had een bracelet te verkoopen, deed mij deze mededeeling zulk een hevige smart aan, dat ik zonder mij te bedenken, ben aangewipt bij Marchesini en, zoo goed ik kon, een armband heb uitgekozen, dien ik u aan uw voeten smeek te willen aannemen. U mag dat aan uw vriend niet weigeren. Laat, zoowel voor Urania als voor Van der Staal mijn armband geheim blijven.
Ontvang nogmaals mijn innigen dank, dat u zich verwaardigd heeft mijn hulp te aanvaarden en wees verzekerd, dat ik dit gunstbewijs op den allerhoogsten prijs stel.
Uw zeer nederige dienaar,VIRGILIO DI F.B.
Cornélie opende het pakje: zij zag in een fluweelen étui een armband in Etruskischen stijl: een smalle gouden band bezet met parelen en saffieren.
In de warme dagen van Mei was het ruime atelier, op het Noorden gelegen, koel, terwijl de stad, buiten, blaakte. Duco en Cornélie gingen niet uit voor de avond viel en zij er aan dachten ergens te dineeren. Rome was stil: de Romeinsche wereld was weg, de touristen waren weg. Zij zagen niemand en hunne dagen vloeiden weg. Hij werkte met ijver; de "Banieren" waren voltooid: beiden, hunne armen om elkaârs middel, haar hoofd op zijn schouder, zaten zij er voor, in een fier glimlachenden trots gedurende die laatste dagen nog vóór de aquarel verzonden zoû worden naar de Internationale Tentoonstelling te Knightsbridge, Londen. In hun gevoel voor elkaâr was nog nooit geweest zoo een reine harmonie, zoo een eenheid van samenstemming, als nu zijn groote arbeid klaar was. Hij voelde, dat hij nog nooit zoo edel had gearbeid, zoo vast en zonder weifeling, met zooveel zelfde kracht en toch zoo teêr en hij was er haar dankbaar voor. Hij bekende haar, dat hij nooit zoo had kunnen werken, als zij niet met hem had meêgedacht, had meêgevoeld, in hun ure-lange zitten peinzen, in hun ure-lange zitten staren op den optocht, de vrouwentheorie, die zich ontwikkelde uit den in zuilen neêrbrokkelenden nacht naar de Stad van louter nieuwe blankheid en òplichtenden glasbouw. Een rust was in zijn ziel, nu hij zoo groot en edel had gearbeid. Een fierheid was in beiden: een trots om hun leven, om hunne onafhankelijkheid, dat werk van hooge en voorname kunst. In hun geluk was veel eigendunk en neêrzien op de menschen, de menigte, de wereld. Vooral in het zijne. In het hare was iets stillers en iets nederigs, hoewel zij uiterlijk zich fier toonde als hij Haar artikel over den Maatschappelijken Toestand der Gescheiden Vrouw was als brochure verschenen en had succes. Haar naam werd met lof genoemd onder de vooruitstrevende vrouwen. Maar haar eigen daad maakte haar niet fier, als Duco's kunst haar fier maakte en trotsch op hem, en trotsch op hun leven en op hun geluk.
Terwijl zij las in Hollandsche couranten en tijdschriften de beschouwingen over haar brochure—bestrijdingen dikwijls, maar nooit kleinachtingen, en steeds erkennende hare autoriteit het woord in deze zaak te voeren—; terwijl zij haar brochure overlas, rees een twijfel in haar aan haar eigen overtuiging. Zij voelde hoe moeilijk het is zuiver te strijden voor een zaak, zooals die symboolvrouwen, daar op de aquarel, ten strijde togen. Zij voelde, dat zij geschreven had na eigen leed, na eigen ondervinding, en na eigen leed en ondervinding alléen; zij zag in, dat zij gegeneralizeerd had haar eigen levens- en leedgevoel, maar zonder dieperen blik in het wezen dier dingen; niet uit zuivere overtuiging, maar wel uit bitterheid en boosheid; niet uit nadenken, maar wel na treurig droomen over eigen lot; niet uit liefde voor de vrouwen, maar wel uit kleine haat tegen de maatschappij. En zij herinnerde zich het zwijgen destijds van Duco; zijn stille afkeuring, zijn intuïtief gevoelen, dat de bron van hare opwelling niet zuiver was, maar het bittere en troebele van haar eigen ondervinding. Nu had zij eerbied voor die intuïtie; nu zag zij in het waarlijk zuivere van hemzelven; nu voelde zij hem—om zijn kunst—hoog, edel, zonder bijbedoeling in zijn daad, scheppende de schoonheid om haarzelve. Maar ook voelde zij, dat zij hem hiertoe had gewekt. Dat was haar trots en haar geluk en inniger had zij hem lief. Maar om haarzelve was zij nederig. Zij voelde hare vrouwelijkheid, al het complexe van hare ziel, dat haar verhinderde voort te strijden voor het doel der Vrouwen. En zij dacht weêr aan hare educatie, aan haar man, haar kort maar treurig huwelijksleven.... en zij dacht aan den prins. Zij voelde zich zoo véel, en zij was gaarne éen geweest. Zij wiegelde in tegenstrijdigheid bij tegenstrijdigheid en zij bekende zich: zij kende niet zichzelve. Het gaf een schemering van weemoed in haar dagen van geluk....
Den prins.... Had zij hem niet maar schijnbaar fier verzocht Urania niet te zeggen, dat zij bij Duco woonde, omdat zijzelve dat wel zeggen zoû? In waarheid vreesde zij Urania's opinie... Haar hinderden de oneerlijkheden van het kleine leven: zij noemde de kruispunten van haar lijn met andere kleine-menschen-lijnen: het kleine leven. Waarom, zoodra zij kruiste zulk een punt, voelde zij als bij instinct, dat eerlijkheid niet altijd was verstandig? Waar was haar fierheid en haar trotschheid—niet schijnbaar, maar in werkelijkheid—zoodra zij vreesde voor Urania's kritiek, zoodra zij vreesde, dat die kritiek haar in het een of ander opzicht kon nadeel zijn? En waarom sprak zij Duco niet over Virgilio's armband? Zij sprak hem van de duizend lire niet, omdat zij wist, dat geldzaken hem drukten, en dat hij van den prins niet leenen wilde. Want zoo hij hiervan wist, zoû hij niet werken kunnen met zijn gewone kracht en lust en ijver.... Nu had hij onbezorgd gearbeid en haar verzwijgen was voor edel doel geweest. Maar waarom sprak zij niet van Gilio's bracelet....
Zij wist het niet. Zij had een paar keer, heel natuurlijk weg willen zeggen: zie, dat heb ik van den prins, omdat ik dien eenen armband heb verkocht.... Maar zij vermocht het niet te zeggen. Waarom, zij wist het niet. Was het om Duco's jalouzie? Zij wist het niet, zij wist het niet. Zij vond het rustiger den armband te verzwijgen, ook niet te dragen. Zij had hem eigenlijk gaarne willen terug zenden aan den prins. Maar zij vond dat onheusch na al zijn vriendelijkheid, na al zijn bereidwilligheid haar bij te staan.
En Duco.... hij dacht, dat zij de braceletten goed verkocht had, hij wist, dat zij van haar uitgever geld ontvangen had, voor haar brochure. Hij vroeg niet verder, en dacht verder niet over geld. Zij leefden heel eenvoudig.... Maar toch hinderde het haar, dat hij niet wist, al was het voor zijn arbeid goed geweest, dat hij niet had geweten.
Het waren kleine dingen. Het waren kleine wolkjes over de gouden luchten van hun groot en edel leven: hun leven, waar zij trotsch op waren. En zij zag ze alleen. En als zij zag zijn oogen, waaruit zijn levensfierheid straalde, als zij hoorde zijn stem, zoo zeker klinkend van zijn nieuwe werkkracht en levenstrots, en als zij voelde zijn omhelzing, waarin zij trillen voelde heel zijn geluk om haar ... zag zij de wolkjes niet meer, voelde ze in zich trillen heel haar geluk om hem, en had zij hem zoo lief, dat zij had kunnen sterven in zijn armen.