HOOFDSTUK III.

[Inhoud]HOOFDSTUK III.Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak.Erstond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die krachtige geur van jong hout[22]en pas wakker geworden bloemen kwam naar hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in eindelooze mildheid.Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht door de[23]laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was ontsproten. Als dan het donker met zachte[24]schaduwen begon te dalen over het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende bosch.Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier beneden.En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te omvatten, die wemelde in de hemelen en[25]over de aarde, en hij weende zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het dan van zelf zou geven.Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn ziel maar intuïtief[26]vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de witte waterlelies woonden!Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen vóórgevoelde hij de wereld en het[27]leven van de menschen als iets vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist.[28]Hij noemde het zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne goedertierenheid.Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen donkere gedachten lang konden verstoren.Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als[29]koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?[30]

[Inhoud]HOOFDSTUK III.Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak.Erstond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die krachtige geur van jong hout[22]en pas wakker geworden bloemen kwam naar hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in eindelooze mildheid.Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht door de[23]laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was ontsproten. Als dan het donker met zachte[24]schaduwen begon te dalen over het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende bosch.Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier beneden.En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te omvatten, die wemelde in de hemelen en[25]over de aarde, en hij weende zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het dan van zelf zou geven.Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn ziel maar intuïtief[26]vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de witte waterlelies woonden!Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen vóórgevoelde hij de wereld en het[27]leven van de menschen als iets vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist.[28]Hij noemde het zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne goedertierenheid.Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen donkere gedachten lang konden verstoren.Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als[29]koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?[30]

HOOFDSTUK III.

Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak.Erstond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die krachtige geur van jong hout[22]en pas wakker geworden bloemen kwam naar hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in eindelooze mildheid.Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht door de[23]laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was ontsproten. Als dan het donker met zachte[24]schaduwen begon te dalen over het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende bosch.Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier beneden.En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te omvatten, die wemelde in de hemelen en[25]over de aarde, en hij weende zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het dan van zelf zou geven.Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn ziel maar intuïtief[26]vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de witte waterlelies woonden!Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen vóórgevoelde hij de wereld en het[27]leven van de menschen als iets vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist.[28]Hij noemde het zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne goedertierenheid.Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen donkere gedachten lang konden verstoren.Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als[29]koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?[30]

Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak.Erstond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die krachtige geur van jong hout[22]en pas wakker geworden bloemen kwam naar hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in eindelooze mildheid.

Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.

Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.

Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht door de[23]laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.

Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was ontsproten. Als dan het donker met zachte[24]schaduwen begon te dalen over het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.

Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende bosch.

Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier beneden.

En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te omvatten, die wemelde in de hemelen en[25]over de aarde, en hij weende zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.

Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.

Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het dan van zelf zou geven.

Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn ziel maar intuïtief[26]vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de witte waterlelies woonden!

Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen vóórgevoelde hij de wereld en het[27]leven van de menschen als iets vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist.[28]Hij noemde het zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne goedertierenheid.

Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen donkere gedachten lang konden verstoren.

Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als[29]koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?[30]


Back to IndexNext