[Inhoud]HOOFDSTUK VII.De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote, breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb,[97]sluiers, die in een kinderhand konden verdwijnen.Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan wijsheid en poëzie hadden geschreven.[98]De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag onuitputtelijke schatten worden aangedragen.Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was. Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje, van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn. Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend, zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde, haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en haar exquize[99]bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad van de wereld.Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor een venster te kijken in de mooie straat.Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en benauwend, als Willebrordus[100]hem altijd verteld had. De groote huizen vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad geen vuile of onreine dingen bestonden.Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude, vertrouwde zonlicht van in het bosch.Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend, wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog meer. Toen nog in twee andere winkels,[101]voor een hoed, en een paar schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met zijn geleider mee.In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder, heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels. Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes, ’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs in Leliënstad te hebben gevonden.[102]Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien. Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij wilde weten.Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein, waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie terrechter-en linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde. De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes. Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met gouden reuzen-letters een spreuk:[103]Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld eindeenOns geloof isDe Overwinning die de wereldOverwint.Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van somberheid, zonder leven. Met ontzetting lashijde geweldige spreuken, die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg hij.Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den vorigen avond al had getroffen:„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd jaar geleden een kerk bouwden[104]moet je nog een eind verder wezen. Dan gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is. Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat aan God was gewijd.”Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote stad?Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren, recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in eenzaamheid had gewacht.Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar geheel in ’t rond omgaf.[105]De blanke cathedraal scheen geheel van kant te zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen. Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen, onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere gebouwen uit die vroegste[106]oorsprongen van het rijk hadden vernietigd. Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de Leliane-kerk gespaard.En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of God zelf hierin woonde. En waar alle anderebouwselsvan menschenhanden in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met zijn geheele ziel.Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes, maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen, uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort menschen als die wezens, die daar[107]beneden in de stad zoo angstig-gejaagd door de straten krioelden?En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige, levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?.…Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël, die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane, die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en maagdelijke blankheid.En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in de eindeloosheid, boven de aarde uit!En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome[108]vlucht te nemen, en op te wieken in het paradijs!Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote Godswonder was gebeurd.Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In[109]vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede, windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan geloofden.Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle deelen van de wereld was voor den[110]bouw bijeengebracht, en, uit de verte van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad, even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte, binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar omgaf.Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke paleis te[111]betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses Leliane te worden toegelaten!En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het heerlijkste had geöpenbaard.[112]
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote, breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb,[97]sluiers, die in een kinderhand konden verdwijnen.Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan wijsheid en poëzie hadden geschreven.[98]De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag onuitputtelijke schatten worden aangedragen.Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was. Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje, van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn. Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend, zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde, haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en haar exquize[99]bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad van de wereld.Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor een venster te kijken in de mooie straat.Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en benauwend, als Willebrordus[100]hem altijd verteld had. De groote huizen vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad geen vuile of onreine dingen bestonden.Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude, vertrouwde zonlicht van in het bosch.Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend, wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog meer. Toen nog in twee andere winkels,[101]voor een hoed, en een paar schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met zijn geleider mee.In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder, heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels. Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes, ’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs in Leliënstad te hebben gevonden.[102]Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien. Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij wilde weten.Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein, waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie terrechter-en linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde. De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes. Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met gouden reuzen-letters een spreuk:[103]Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld eindeenOns geloof isDe Overwinning die de wereldOverwint.Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van somberheid, zonder leven. Met ontzetting lashijde geweldige spreuken, die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg hij.Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den vorigen avond al had getroffen:„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd jaar geleden een kerk bouwden[104]moet je nog een eind verder wezen. Dan gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is. Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat aan God was gewijd.”Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote stad?Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren, recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in eenzaamheid had gewacht.Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar geheel in ’t rond omgaf.[105]De blanke cathedraal scheen geheel van kant te zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen. Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen, onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere gebouwen uit die vroegste[106]oorsprongen van het rijk hadden vernietigd. Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de Leliane-kerk gespaard.En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of God zelf hierin woonde. En waar alle anderebouwselsvan menschenhanden in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met zijn geheele ziel.Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes, maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen, uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort menschen als die wezens, die daar[107]beneden in de stad zoo angstig-gejaagd door de straten krioelden?En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige, levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?.…Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël, die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane, die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en maagdelijke blankheid.En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in de eindeloosheid, boven de aarde uit!En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome[108]vlucht te nemen, en op te wieken in het paradijs!Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote Godswonder was gebeurd.Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In[109]vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede, windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan geloofden.Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle deelen van de wereld was voor den[110]bouw bijeengebracht, en, uit de verte van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad, even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte, binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar omgaf.Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke paleis te[111]betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses Leliane te worden toegelaten!En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het heerlijkste had geöpenbaard.[112]
HOOFDSTUK VII.
De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote, breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb,[97]sluiers, die in een kinderhand konden verdwijnen.Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan wijsheid en poëzie hadden geschreven.[98]De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag onuitputtelijke schatten worden aangedragen.Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was. Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje, van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn. Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend, zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde, haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en haar exquize[99]bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad van de wereld.Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor een venster te kijken in de mooie straat.Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en benauwend, als Willebrordus[100]hem altijd verteld had. De groote huizen vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad geen vuile of onreine dingen bestonden.Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude, vertrouwde zonlicht van in het bosch.Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend, wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog meer. Toen nog in twee andere winkels,[101]voor een hoed, en een paar schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met zijn geleider mee.In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder, heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels. Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes, ’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs in Leliënstad te hebben gevonden.[102]Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien. Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij wilde weten.Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein, waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie terrechter-en linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde. De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes. Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met gouden reuzen-letters een spreuk:[103]Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld eindeenOns geloof isDe Overwinning die de wereldOverwint.Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van somberheid, zonder leven. Met ontzetting lashijde geweldige spreuken, die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg hij.Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den vorigen avond al had getroffen:„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd jaar geleden een kerk bouwden[104]moet je nog een eind verder wezen. Dan gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is. Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat aan God was gewijd.”Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote stad?Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren, recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in eenzaamheid had gewacht.Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar geheel in ’t rond omgaf.[105]De blanke cathedraal scheen geheel van kant te zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen. Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen, onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere gebouwen uit die vroegste[106]oorsprongen van het rijk hadden vernietigd. Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de Leliane-kerk gespaard.En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of God zelf hierin woonde. En waar alle anderebouwselsvan menschenhanden in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met zijn geheele ziel.Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes, maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen, uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort menschen als die wezens, die daar[107]beneden in de stad zoo angstig-gejaagd door de straten krioelden?En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige, levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?.…Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël, die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane, die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en maagdelijke blankheid.En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in de eindeloosheid, boven de aarde uit!En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome[108]vlucht te nemen, en op te wieken in het paradijs!Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote Godswonder was gebeurd.Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In[109]vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede, windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan geloofden.Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle deelen van de wereld was voor den[110]bouw bijeengebracht, en, uit de verte van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad, even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte, binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar omgaf.Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke paleis te[111]betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses Leliane te worden toegelaten!En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het heerlijkste had geöpenbaard.[112]
De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote, breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb,[97]sluiers, die in een kinderhand konden verdwijnen.
Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.
De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan wijsheid en poëzie hadden geschreven.[98]
De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag onuitputtelijke schatten worden aangedragen.
Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was. Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje, van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn. Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend, zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.
De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde, haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en haar exquize[99]bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.
De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad van de wereld.
Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor een venster te kijken in de mooie straat.
Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en benauwend, als Willebrordus[100]hem altijd verteld had. De groote huizen vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad geen vuile of onreine dingen bestonden.
Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude, vertrouwde zonlicht van in het bosch.
Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend, wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.
Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog meer. Toen nog in twee andere winkels,[101]voor een hoed, en een paar schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met zijn geleider mee.
In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder, heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.
Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels. Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes, ’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs in Leliënstad te hebben gevonden.[102]
Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien. Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.
Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!
Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij wilde weten.
Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.
Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein, waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie terrechter-en linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde. De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes. Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met gouden reuzen-letters een spreuk:[103]
Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld einde
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde
en
Ons geloof isDe Overwinning die de wereldOverwint.
Ons geloof is
De Overwinning die de wereld
Overwint.
Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van somberheid, zonder leven. Met ontzetting lashijde geweldige spreuken, die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.
„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg hij.
Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den vorigen avond al had getroffen:
„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd jaar geleden een kerk bouwden[104]moet je nog een eind verder wezen. Dan gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is. Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat aan God was gewijd.”
Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote stad?
Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren, recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.
En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in eenzaamheid had gewacht.
Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar geheel in ’t rond omgaf.[105]De blanke cathedraal scheen geheel van kant te zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen. Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen, onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere gebouwen uit die vroegste[106]oorsprongen van het rijk hadden vernietigd. Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de Leliane-kerk gespaard.
En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of God zelf hierin woonde. En waar alle anderebouwselsvan menschenhanden in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.
Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met zijn geheele ziel.
Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes, maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen, uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort menschen als die wezens, die daar[107]beneden in de stad zoo angstig-gejaagd door de straten krioelden?
En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige, levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?.…
Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël, die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane, die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en maagdelijke blankheid.
En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in de eindeloosheid, boven de aarde uit!
En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome[108]vlucht te nemen, en op te wieken in het paradijs!
Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.
De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote Godswonder was gebeurd.
Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In[109]vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede, windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan geloofden.
Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle deelen van de wereld was voor den[110]bouw bijeengebracht, en, uit de verte van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.
Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad, even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte, binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar omgaf.
Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke paleis te[111]betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses Leliane te worden toegelaten!
En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het heerlijkste had geöpenbaard.[112]