HOOFDSTUK XIV.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten, waar de ellendigen woonden.„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij,„en de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die nooit in de wijken der misère geweest zijn.”Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat, tusschen[206]afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en gescheld uit heesche kelen.Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en broeken vol gaten.„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling. Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is, een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnengutst. En daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind, in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat, waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder zien, in de stegen en sloppen.”En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in,[207]waar het licht niet doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen, vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten. Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig, en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte schepseltjes van kinderen met stokken[208]in morsten, en popjes maakten van modder.„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze hebben niet anders.… Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet beter weten of ’t hóórt zoo.… En deze vunze krotten zijn het „home”, waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in het metselwerk van de rioleering.… Je ziet het nu alleen maar van buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.… Geen beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren, waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten dóórlekken.… vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar, liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die overdag, en die ’s nachts moeten werken.… die kinderen hebben dan eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek, of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.… en die heele familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze eens bizonder getracteerd worden.… Pas op! Val niet over dat wurm!.…”Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder in[209]de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan op een kind.Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen realiteit kon zijn.Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?.…Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.[210]„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.… Ze kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.… Ze willen dan tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.… Kom mee, ik weet hier den weg.…”En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat van de misère.Paulus beefde van zenuwachtigheid.„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man mij?… Ik heb hem toch niets gedaan!…”Elias glimlachte droefjes.„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft … En wij allen, die het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij niet bewust, hoe het precies in elkaar zit … Dat zegt zijn intuïtie hem, zijn instinct als je wilt … Allemaal, hoor je, allemaal hebben wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn … Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar ongelukkigen zijn, buiten hun schuld … Maar tóch zijn ál de nette, fatsoenlijke,[211]eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat … zij handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine minderheid bezitters … vergeet dát niet … onbewust doet iéder er aan mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert …”Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten, waar hij nu pas geweest was.O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde! En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard …Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in de deftige wijken van de stad terug.[212]Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk „Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen woonden.„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene ellende nog jong in zijn hart.„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”Paulus schrikte op.Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum had gestaan,[213]waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek, van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt. Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort, met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde schilder[214]der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man van de haute finance!Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s Boulevard,” vergeet dat niet. Hier,twee huizen verder van Larivois, woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het onderscheid[215]tusschen het literaire en de practijk van het leven … Er is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire …”En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne treurige verbazing, hem niet begreep:„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?… Kijk eens, dit. Als je het echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin. Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid, en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier. En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun innigste[216]wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als een bloem uit den grond.”Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet.…”[217]Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te hebben doorgeloopen zeide hij:„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.… kom dan tegen negen uur hier op den hoek, in het restaurant de Ster.… Je hebt het groote nieuws toch wel gehoord?.… De dichter Wederich is ridder van de diamanten Roos geworden.… en nu wordt hem vanavond een groot diner aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren.…”Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich, en een eerekruis, en een diner!.…En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus” opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare, boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend[218]met het gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van het leven der maatschappelijkeStreber, die geld en roem en wereldsche eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich gegeeseld detoenmaligegezaghebbers der literatuur, die hij allemaal deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur, die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid, door géén spotgelach meer te overstemmen.O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog[219]pas had hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen van ééns.Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de dichter zijn ziele-verzen zong.Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen, met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele, gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid[220]hadden gebogen, waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om negen uur het restaurant binnenging.In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge, opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in blank-porseleinen schalen opgedischt.Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen gemaakt. Dat is Wederich!”En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij[221]had liefgehad als een verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van „heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten roos.Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias verder spreken:[222]„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.… en die magere, oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.… De heeren zijn nu verzoend.… Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks hadden, de schilder van de Armoede.… wat een kleine dikzak, hè, en hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.… En daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo leelijk van langs kreeg van Wederich.… dat is nu vergeven en vergeten natuurlijk.… en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.… ik kan wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te noemen.… daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.… Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later gelukkig weer vergeten zijn.…”„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de tranen in zijn oogen staan. „Liever[223]dood met ál zijn heerlijke verzen over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding over zijn groote hart.”Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.… allemaal menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat er is.… wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, hebben zij veroverd met hun kunst.… daar moet je niet licht over denken.… Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een goed verzorgde[224]familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet schitteren … … Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.… ik zie het aan je gezicht.… je denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche bohémien noemde:„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, onmerkbaar je als een willoos ding langzaamvoortstuwendevan het leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”[225]Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid openbaarde.„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. „Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt … En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor hij ineens beroemd werd … Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat nu die pasteitjes op het menu staan.…”En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware kronen van bladeren roerloos[226]uitgespreid, het maanlicht zilverend neer in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de rustige eenzaamheid van zijn jeugd.Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als de ontroering hem overweldigde.„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak zijn in dit leven.… De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu toch, en de sterken trappen over hen heen … je moet nu eenmaal òf getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.… die menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.… maar die menschen daar aan die tafel, dat zijn de sterken … die trappen zèlf, door hun leven ten koste van anderen … Wederich is ook een sterke, en al die kunstenaars.… En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar toch zeker óók niet door hen getrapt worden … denk er aan, als je zwak bent trappen zij over je heen …”„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de[227]hoofden rooder, en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.„De kunst van Leliënland.… een sieraad van de Leliënlandsche literatuur.… het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele dichterborst versieren.… door eigen jarenlangen, onverdroten arbeid.… de glorie van onze kunst, over de gansche wereld verspreid.… een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons land.… vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste jeugd.… doldriftig als een jong steppenpaard.… maar thans, tot rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.… tot hij gewrocht had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des Vaderlands”.… dat epos van oude helden en koningen.…..”Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal hij leven”, het gekletterklink[228]van de glazen, het knallen der champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.[229]

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten, waar de ellendigen woonden.„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij,„en de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die nooit in de wijken der misère geweest zijn.”Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat, tusschen[206]afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en gescheld uit heesche kelen.Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en broeken vol gaten.„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling. Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is, een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnengutst. En daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind, in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat, waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder zien, in de stegen en sloppen.”En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in,[207]waar het licht niet doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen, vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten. Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig, en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte schepseltjes van kinderen met stokken[208]in morsten, en popjes maakten van modder.„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze hebben niet anders.… Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet beter weten of ’t hóórt zoo.… En deze vunze krotten zijn het „home”, waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in het metselwerk van de rioleering.… Je ziet het nu alleen maar van buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.… Geen beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren, waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten dóórlekken.… vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar, liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die overdag, en die ’s nachts moeten werken.… die kinderen hebben dan eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek, of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.… en die heele familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze eens bizonder getracteerd worden.… Pas op! Val niet over dat wurm!.…”Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder in[209]de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan op een kind.Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen realiteit kon zijn.Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?.…Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.[210]„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.… Ze kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.… Ze willen dan tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.… Kom mee, ik weet hier den weg.…”En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat van de misère.Paulus beefde van zenuwachtigheid.„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man mij?… Ik heb hem toch niets gedaan!…”Elias glimlachte droefjes.„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft … En wij allen, die het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij niet bewust, hoe het precies in elkaar zit … Dat zegt zijn intuïtie hem, zijn instinct als je wilt … Allemaal, hoor je, allemaal hebben wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn … Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar ongelukkigen zijn, buiten hun schuld … Maar tóch zijn ál de nette, fatsoenlijke,[211]eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat … zij handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine minderheid bezitters … vergeet dát niet … onbewust doet iéder er aan mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert …”Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten, waar hij nu pas geweest was.O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde! En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard …Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in de deftige wijken van de stad terug.[212]Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk „Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen woonden.„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene ellende nog jong in zijn hart.„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”Paulus schrikte op.Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum had gestaan,[213]waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek, van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt. Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort, met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde schilder[214]der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man van de haute finance!Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s Boulevard,” vergeet dat niet. Hier,twee huizen verder van Larivois, woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het onderscheid[215]tusschen het literaire en de practijk van het leven … Er is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire …”En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne treurige verbazing, hem niet begreep:„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?… Kijk eens, dit. Als je het echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin. Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid, en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier. En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun innigste[216]wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als een bloem uit den grond.”Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet.…”[217]Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te hebben doorgeloopen zeide hij:„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.… kom dan tegen negen uur hier op den hoek, in het restaurant de Ster.… Je hebt het groote nieuws toch wel gehoord?.… De dichter Wederich is ridder van de diamanten Roos geworden.… en nu wordt hem vanavond een groot diner aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren.…”Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich, en een eerekruis, en een diner!.…En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus” opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare, boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend[218]met het gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van het leven der maatschappelijkeStreber, die geld en roem en wereldsche eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich gegeeseld detoenmaligegezaghebbers der literatuur, die hij allemaal deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur, die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid, door géén spotgelach meer te overstemmen.O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog[219]pas had hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen van ééns.Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de dichter zijn ziele-verzen zong.Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen, met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele, gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid[220]hadden gebogen, waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om negen uur het restaurant binnenging.In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge, opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in blank-porseleinen schalen opgedischt.Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen gemaakt. Dat is Wederich!”En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij[221]had liefgehad als een verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van „heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten roos.Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias verder spreken:[222]„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.… en die magere, oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.… De heeren zijn nu verzoend.… Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks hadden, de schilder van de Armoede.… wat een kleine dikzak, hè, en hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.… En daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo leelijk van langs kreeg van Wederich.… dat is nu vergeven en vergeten natuurlijk.… en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.… ik kan wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te noemen.… daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.… Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later gelukkig weer vergeten zijn.…”„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de tranen in zijn oogen staan. „Liever[223]dood met ál zijn heerlijke verzen over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding over zijn groote hart.”Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.… allemaal menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat er is.… wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, hebben zij veroverd met hun kunst.… daar moet je niet licht over denken.… Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een goed verzorgde[224]familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet schitteren … … Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.… ik zie het aan je gezicht.… je denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche bohémien noemde:„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, onmerkbaar je als een willoos ding langzaamvoortstuwendevan het leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”[225]Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid openbaarde.„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. „Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt … En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor hij ineens beroemd werd … Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat nu die pasteitjes op het menu staan.…”En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware kronen van bladeren roerloos[226]uitgespreid, het maanlicht zilverend neer in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de rustige eenzaamheid van zijn jeugd.Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als de ontroering hem overweldigde.„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak zijn in dit leven.… De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu toch, en de sterken trappen over hen heen … je moet nu eenmaal òf getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.… die menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.… maar die menschen daar aan die tafel, dat zijn de sterken … die trappen zèlf, door hun leven ten koste van anderen … Wederich is ook een sterke, en al die kunstenaars.… En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar toch zeker óók niet door hen getrapt worden … denk er aan, als je zwak bent trappen zij over je heen …”„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de[227]hoofden rooder, en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.„De kunst van Leliënland.… een sieraad van de Leliënlandsche literatuur.… het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele dichterborst versieren.… door eigen jarenlangen, onverdroten arbeid.… de glorie van onze kunst, over de gansche wereld verspreid.… een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons land.… vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste jeugd.… doldriftig als een jong steppenpaard.… maar thans, tot rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.… tot hij gewrocht had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des Vaderlands”.… dat epos van oude helden en koningen.…..”Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal hij leven”, het gekletterklink[228]van de glazen, het knallen der champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.[229]

HOOFDSTUK XIV.

Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten, waar de ellendigen woonden.„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij,„en de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die nooit in de wijken der misère geweest zijn.”Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat, tusschen[206]afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en gescheld uit heesche kelen.Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en broeken vol gaten.„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling. Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is, een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnengutst. En daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind, in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat, waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder zien, in de stegen en sloppen.”En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in,[207]waar het licht niet doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen, vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten. Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig, en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte schepseltjes van kinderen met stokken[208]in morsten, en popjes maakten van modder.„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze hebben niet anders.… Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet beter weten of ’t hóórt zoo.… En deze vunze krotten zijn het „home”, waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in het metselwerk van de rioleering.… Je ziet het nu alleen maar van buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.… Geen beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren, waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten dóórlekken.… vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar, liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die overdag, en die ’s nachts moeten werken.… die kinderen hebben dan eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek, of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.… en die heele familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze eens bizonder getracteerd worden.… Pas op! Val niet over dat wurm!.…”Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder in[209]de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan op een kind.Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen realiteit kon zijn.Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?.…Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.[210]„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.… Ze kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.… Ze willen dan tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.… Kom mee, ik weet hier den weg.…”En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat van de misère.Paulus beefde van zenuwachtigheid.„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man mij?… Ik heb hem toch niets gedaan!…”Elias glimlachte droefjes.„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft … En wij allen, die het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij niet bewust, hoe het precies in elkaar zit … Dat zegt zijn intuïtie hem, zijn instinct als je wilt … Allemaal, hoor je, allemaal hebben wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn … Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar ongelukkigen zijn, buiten hun schuld … Maar tóch zijn ál de nette, fatsoenlijke,[211]eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat … zij handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine minderheid bezitters … vergeet dát niet … onbewust doet iéder er aan mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert …”Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten, waar hij nu pas geweest was.O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde! En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard …Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in de deftige wijken van de stad terug.[212]Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk „Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen woonden.„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene ellende nog jong in zijn hart.„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”Paulus schrikte op.Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum had gestaan,[213]waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek, van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt. Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort, met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde schilder[214]der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man van de haute finance!Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s Boulevard,” vergeet dat niet. Hier,twee huizen verder van Larivois, woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het onderscheid[215]tusschen het literaire en de practijk van het leven … Er is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire …”En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne treurige verbazing, hem niet begreep:„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?… Kijk eens, dit. Als je het echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin. Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid, en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier. En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun innigste[216]wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als een bloem uit den grond.”Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet.…”[217]Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te hebben doorgeloopen zeide hij:„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.… kom dan tegen negen uur hier op den hoek, in het restaurant de Ster.… Je hebt het groote nieuws toch wel gehoord?.… De dichter Wederich is ridder van de diamanten Roos geworden.… en nu wordt hem vanavond een groot diner aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren.…”Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich, en een eerekruis, en een diner!.…En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus” opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare, boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend[218]met het gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van het leven der maatschappelijkeStreber, die geld en roem en wereldsche eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich gegeeseld detoenmaligegezaghebbers der literatuur, die hij allemaal deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur, die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid, door géén spotgelach meer te overstemmen.O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog[219]pas had hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen van ééns.Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de dichter zijn ziele-verzen zong.Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen, met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele, gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid[220]hadden gebogen, waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om negen uur het restaurant binnenging.In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge, opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in blank-porseleinen schalen opgedischt.Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen gemaakt. Dat is Wederich!”En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij[221]had liefgehad als een verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van „heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten roos.Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias verder spreken:[222]„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.… en die magere, oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.… De heeren zijn nu verzoend.… Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks hadden, de schilder van de Armoede.… wat een kleine dikzak, hè, en hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.… En daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo leelijk van langs kreeg van Wederich.… dat is nu vergeven en vergeten natuurlijk.… en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.… ik kan wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te noemen.… daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.… Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later gelukkig weer vergeten zijn.…”„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de tranen in zijn oogen staan. „Liever[223]dood met ál zijn heerlijke verzen over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding over zijn groote hart.”Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.… allemaal menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat er is.… wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, hebben zij veroverd met hun kunst.… daar moet je niet licht over denken.… Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een goed verzorgde[224]familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet schitteren … … Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.… ik zie het aan je gezicht.… je denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche bohémien noemde:„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, onmerkbaar je als een willoos ding langzaamvoortstuwendevan het leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”[225]Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid openbaarde.„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. „Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt … En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor hij ineens beroemd werd … Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat nu die pasteitjes op het menu staan.…”En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware kronen van bladeren roerloos[226]uitgespreid, het maanlicht zilverend neer in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de rustige eenzaamheid van zijn jeugd.Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als de ontroering hem overweldigde.„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak zijn in dit leven.… De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu toch, en de sterken trappen over hen heen … je moet nu eenmaal òf getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.… die menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.… maar die menschen daar aan die tafel, dat zijn de sterken … die trappen zèlf, door hun leven ten koste van anderen … Wederich is ook een sterke, en al die kunstenaars.… En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar toch zeker óók niet door hen getrapt worden … denk er aan, als je zwak bent trappen zij over je heen …”„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de[227]hoofden rooder, en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.„De kunst van Leliënland.… een sieraad van de Leliënlandsche literatuur.… het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele dichterborst versieren.… door eigen jarenlangen, onverdroten arbeid.… de glorie van onze kunst, over de gansche wereld verspreid.… een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons land.… vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste jeugd.… doldriftig als een jong steppenpaard.… maar thans, tot rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.… tot hij gewrocht had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des Vaderlands”.… dat epos van oude helden en koningen.…..”Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal hij leven”, het gekletterklink[228]van de glazen, het knallen der champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.[229]

Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten, waar de ellendigen woonden.

„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij,„en de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die nooit in de wijken der misère geweest zijn.”

Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.

En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat, tusschen[206]afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en gescheld uit heesche kelen.

Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en broeken vol gaten.

„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling. Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is, een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnengutst. En daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind, in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat, waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder zien, in de stegen en sloppen.”

En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in,[207]waar het licht niet doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.

Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.

„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen, vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”

Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten. Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig, en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte schepseltjes van kinderen met stokken[208]in morsten, en popjes maakten van modder.

„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze hebben niet anders.… Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet beter weten of ’t hóórt zoo.… En deze vunze krotten zijn het „home”, waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in het metselwerk van de rioleering.… Je ziet het nu alleen maar van buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.… Geen beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren, waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten dóórlekken.… vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar, liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die overdag, en die ’s nachts moeten werken.… die kinderen hebben dan eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek, of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.… en die heele familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze eens bizonder getracteerd worden.… Pas op! Val niet over dat wurm!.…”

Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder in[209]de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan op een kind.

Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen realiteit kon zijn.

Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?.…

Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.

Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.[210]

„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.… Ze kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.… Ze willen dan tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.… Kom mee, ik weet hier den weg.…”

En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat van de misère.

Paulus beefde van zenuwachtigheid.

„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man mij?… Ik heb hem toch niets gedaan!…”

Elias glimlachte droefjes.

„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft … En wij allen, die het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij niet bewust, hoe het precies in elkaar zit … Dat zegt zijn intuïtie hem, zijn instinct als je wilt … Allemaal, hoor je, allemaal hebben wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn … Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar ongelukkigen zijn, buiten hun schuld … Maar tóch zijn ál de nette, fatsoenlijke,[211]eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat … zij handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine minderheid bezitters … vergeet dát niet … onbewust doet iéder er aan mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert …”

Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten, waar hij nu pas geweest was.

O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde! En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard …

Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in de deftige wijken van de stad terug.[212]

Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk „Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen woonden.

„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”

Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.

Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene ellende nog jong in zijn hart.

„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”

Paulus schrikte op.

Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum had gestaan,[213]waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.

In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek, van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.

Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt. Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.

En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort, met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde schilder[214]der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man van de haute finance!

Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.

„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s Boulevard,” vergeet dat niet. Hier,twee huizen verder van Larivois, woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het onderscheid[215]tusschen het literaire en de practijk van het leven … Er is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire …”

En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne treurige verbazing, hem niet begreep:

„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?… Kijk eens, dit. Als je het echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin. Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid, en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier. En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun innigste[216]wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als een bloem uit den grond.”

Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:

„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet.…”[217]

Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te hebben doorgeloopen zeide hij:

„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.… kom dan tegen negen uur hier op den hoek, in het restaurant de Ster.… Je hebt het groote nieuws toch wel gehoord?.… De dichter Wederich is ridder van de diamanten Roos geworden.… en nu wordt hem vanavond een groot diner aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren.…”

Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich, en een eerekruis, en een diner!.…

En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus” opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare, boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend[218]met het gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van het leven der maatschappelijkeStreber, die geld en roem en wereldsche eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich gegeeseld detoenmaligegezaghebbers der literatuur, die hij allemaal deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur, die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.

En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid, door géén spotgelach meer te overstemmen.

O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog[219]pas had hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen van ééns.

Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de dichter zijn ziele-verzen zong.

Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen, met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele, gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.

Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid[220]hadden gebogen, waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.

Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om negen uur het restaurant binnenging.

In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge, opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in blank-porseleinen schalen opgedischt.

Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.

„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen gemaakt. Dat is Wederich!”

En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij[221]had liefgehad als een verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van „heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten roos.

Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.

En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias verder spreken:[222]

„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.… en die magere, oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.… De heeren zijn nu verzoend.… Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks hadden, de schilder van de Armoede.… wat een kleine dikzak, hè, en hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.… En daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo leelijk van langs kreeg van Wederich.… dat is nu vergeven en vergeten natuurlijk.… en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.… ik kan wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te noemen.… daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.… Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later gelukkig weer vergeten zijn.…”

„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de tranen in zijn oogen staan. „Liever[223]dood met ál zijn heerlijke verzen over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding over zijn groote hart.”

Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.

En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.

„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.… allemaal menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat er is.… wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, hebben zij veroverd met hun kunst.… daar moet je niet licht over denken.… Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een goed verzorgde[224]familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet schitteren … … Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.… ik zie het aan je gezicht.… je denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche bohémien noemde:

„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”

„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, onmerkbaar je als een willoos ding langzaamvoortstuwendevan het leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”[225]

Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid openbaarde.

„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. „Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt … En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor hij ineens beroemd werd … Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat nu die pasteitjes op het menu staan.…”

En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware kronen van bladeren roerloos[226]uitgespreid, het maanlicht zilverend neer in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de rustige eenzaamheid van zijn jeugd.

Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als de ontroering hem overweldigde.

„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak zijn in dit leven.… De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu toch, en de sterken trappen over hen heen … je moet nu eenmaal òf getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.… die menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.… maar die menschen daar aan die tafel, dat zijn de sterken … die trappen zèlf, door hun leven ten koste van anderen … Wederich is ook een sterke, en al die kunstenaars.… En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar toch zeker óók niet door hen getrapt worden … denk er aan, als je zwak bent trappen zij over je heen …”

„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.

Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.

Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de[227]hoofden rooder, en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.

Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.

Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.

„De kunst van Leliënland.… een sieraad van de Leliënlandsche literatuur.… het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele dichterborst versieren.… door eigen jarenlangen, onverdroten arbeid.… de glorie van onze kunst, over de gansche wereld verspreid.… een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons land.… vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste jeugd.… doldriftig als een jong steppenpaard.… maar thans, tot rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.… tot hij gewrocht had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des Vaderlands”.… dat epos van oude helden en koningen.…..”

Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal hij leven”, het gekletterklink[228]van de glazen, het knallen der champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.

Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.

De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”

„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.

Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.[229]


Back to IndexNext