Zonder bepaald op Lowie Napoléon af te geven, die zeer zeker een beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde niet lang of de sympathieën van meneer Fruytier en met de zijne ook die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoléon gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:
—Verdeeke! menier Fruytier, ouën board valt uit op ouë kinne. Nou wordt-e percies Peetje Pruis!"
—Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in 't dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.
—Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hên." raadden zijn vrienden hem aan.
Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie" beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren, en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg verdwijnen.
—O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.
Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn, ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.
—Wezijn d'r!" zei hij...W'hên Lowie Napoléon vaste?We'n moén nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt Parijs in onz' handen"...
O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!... 't Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!
De sensationeele berichten zwollen tot de proporties van een algemeene wereldramp, die ook óns zou komen aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had, maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.
Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:
—Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"
—Och Hier och God! dàt 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en dochter ontsteld overeind.
—Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.
Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich smeekend, snikkend aan zijn kleeren.
—O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze goan ou ginter deudschieten!"
—Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.
—O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft!"
—Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"
—O, wacht te minsten nog nen dag of twieë, nog ienen dag! nog nen halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen uchtijnk, tot da we gelezen hén wat dat er in de gazet over geschreven stoat!"
Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste overhalen.—Goed. Hij zòù wachten tot den volgenden ochtend. Maar zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en bleef onherroepelijk; hij móèst, hij wilde er naartoe. Hij had het plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.
Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.
Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind, met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.
Reeds vóór het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anaïs, de dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar, met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij geen toebereidselen tot vertrek maken.
Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was, het volgende sensationeel bericht:
"Duizenden en duizenden soldaten van het "Fransche leger komen onophoudelijk over de "Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond "en allen verkeeren in een allerdroevigsten "toestand van uitputting en ellende. Zij worden "onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk, "per spoorweg, naar verschillende plaatsen "van het land gedirigeerd. Gisteren avond "vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik, "twee naar Namen, twee naar Brussel en twee "naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden "er ook twee naar Gent gestuurd, waar "zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den "namiddag zullen aankomen."
Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:
—O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.
Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.
—En mijn reize noar Sedan?" zei hij.
—Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw Fruytier.
Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.
—Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da euk wille zien," drong zij aan.
"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps opgewonden overeind staande.
't Was als een kermisdag in Gent...
Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.
Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een betrekkelijke orde te handhaven.
Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter, elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover. Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en 't maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem verhinderd hadden naar Sedan te gaan.
—Wa ès da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!" bromde hij.
—'n Beetse passiëncie, man, 'n beetse passiëncie, Pa, smeekten vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende menigte bijna stikten.
Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.
Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels rechts en links omlijst.
De Fransche krijgsgevangenen!...
Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie, met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op 't stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.
Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere, hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren, ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als een lijk.
De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu eindelijk van héél dichtbij, Dàt waar ze maanden van gedroomd en zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dàt was er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door bloed, van al die menschen—hun medemenschen—die niet eens wisten waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid, 't was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de aarde weer in puin stortte.
—Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.
—Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te snikken als een kind...
Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard. Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding was gedweeër, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve autoriteit.
Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...
Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong koewachterken denk...
't Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen prachttooi.
Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poëtisch verscholen, met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine, groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.
Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.
Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken moest.—Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd" zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde ze hem soms.
't Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden. Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En 't was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feërie van licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.
Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van 't boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar ongeëvenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.
Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardsteê, onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje, reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte, schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere; en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden. Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven een héél zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...
Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.
Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij, met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.
Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.
—Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou leven gezien 'n hét?" fluistert zij met een vreemde, half lachende. half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.
Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen. zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.
—Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.
—Stt!" sist ze, met den vinger vóór den mond. En zacht duwt ze mij half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.
Het duurt een poosje vóór ik in die grauwe schemering iets duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:
In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend, stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren, dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.
—Da ès iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:
—Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschiën!"
Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje zich om, staat daar even sidderend vóór ons, met zijn mes in de hand. Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem 't mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en paarsrood van wilde inspanning.
—Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden. "Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as 't nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala, leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen nie mier!"
Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.
Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch nog eens eventjes goed opnemen, vóór ik haar verder over dat gekke gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige, bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te krijgen.
—Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.
Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter, van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu 'n sloeberken, doar 'n hè-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter; ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur zijn wirk w'hán hem al wel honder kiers wiggezonden..."
Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al lang geleden...!
Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weêrgezien. Wat is er geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van 't vechtlustig Feelken... ik weet het niet!—Zoo nu en dan, in den loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag, vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche vlammetjes in 't eenzaam haardje, vóór mijn geest opglansde en als een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,—hoe of waarom juist gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er eenige aanleiding toe—gisteren kwam het zich eensklaps met de kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik móést er heen.
't Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.—De wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend als van weemoedig, heimweeïg verlangen, in hun haastige, haastige vlucht naar mildere oorden.
Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het winterdoodsche boomgaardje, kom vóór het groen, half open boogdeurtje.
—Gien belet?'
—Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.
—Dag Zieneken!..."
Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend, vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan. Blijkbaar herkent ze mij niet.
—Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne komen om mijn puipken t' onsteken?"
—Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en blozende wangen, komt ze naar mij toe:
—O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend hèn!"
En wij praten over het verleden...
Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.—Moar zet ou, meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie; 'k hè al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n dreupelke pakken...?"
Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeïge emotie. Ik voel ineens den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange, bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog, waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger verloren. De jaren, de zorgen, en àl die kinderen hebben hun vernielingswerk aan haar verricht.
Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven, somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poëzie en lente?
Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.
—En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es 't zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?
—Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es 't broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."
En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar. beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande staldeur verdween.
Feelken!... O, was dàt het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo oud, zoo afgeleefd, versleten...!
—'t Veintsjen hè zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en allien achtergebleven met drei kleine kinders..."
Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine koewachter, met messen wilde vechten?
—O nien, nien 't," zei Zieneken; de dieë was al lank vergeten.
't Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje. Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, héél oude vreemdeling geworden...!
Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.
Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige eenzaamheid van het verlaten keukentje...
't Is uit... ik voel dat het voor àltijd uit is en dat ik nooit op het aardig boerderijtje meer terug zal komen...
Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,... twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen te bewaren...
EINDE.